LawyrupBurgerlijk wetboekRechtspersonen (Boek 2 B.W.)Coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen (Titel 3, Boek 2 B.W.)Algemene bepalingen coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen (Afd. 1, Titel 3, Boek 2 B.W.)

Algemene bepalingen coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen (Afd. 1, Titel 3, Boek 2 B.W.)

Inleiding algemene bepalingen coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappijen

In Afd. 1, Titel 3 van Boek 2 B.W. worden de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij geregeld. De afdeling kent 14 bepalingen (art. 2:53 B.W. tot en met art. 2:63 B.W.).

Zie ook de hoofdpagina van Titel 3 over de definitie van coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen. De conclusie van de P-G van 17 december 2021 inzake Coöperatieve Rabobank UA/curator lid FloraHolland geeft een interessante inkijk in de financieringsstructuur van coöperaties (te weten FloraHolland met name). Grappig genoeg is ook de bank een coöperatie dus geldt veel hiervan ook voor haar. Ten tijde van schrijven van deze teksten had de Hoge Raad nog niet beslist, maar de kwestie ging meer over de vraag of vorderingen verpand konden worden en of die toekomstig waren of niet (in het licht van het faillissement).

De coöperatie is een bij notariële akte als coöperatie opgerichte vereniging, die zich blijkens haar statuten ten doel stelt in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien krachtens overeenkomsten, anders dan van verzekering, met hen gesloten in het bedrijf dat zij te dien einde te hunnen behoeve uitoefent of doet uitoefenen (art. 2:53 lid 1 BW). In de agrarische sector wordt traditioneel veel gebruik gemaakt van coöperaties, onder meer in het kader van de verhandeling van land- en tuinbouwproducten via door coöperaties gedreven veilingen.

Ofschoon de coöperatie, als samenwerkingsverband gericht op materieel voordeel van haar deelnemers, vennootschappelijke trekken heeft, heeft de wetgever als grondvorm voor de coöperatie de vereniging gekozen. De persoonlijke en financiële betrokkenheid van de leden tegenover de coöperatie is anders dan die van aandeelhouders tegenover hun vennootschap. Zo is, anders dan bij de NV of de BV, het lidmaatschap van de coöperatie in beginsel niet overdraagbaar (Art. 2:53a jo. 2:34 lid 1 B.W.).

Volgens de statuten van vele coöperaties hebben de leden geen aanspraak op het eigen vermogen van de coöperatie, ook niet bij ontbinding. De organisatorische opzet van een coöperatie is globaal hetzelfde als van een vereniging. Er is een algemene vergadering van leden en een bestuur en in beginsel zijn de bepalingen uit Titel 2 van Boek 2 (‘Verenigingen’) van overeenkomstige toepassing op de coöperatie (art. 2:53a lid 1 BW). De coöperatie verschilt echter van de vereniging voor wat betreft haar mogelijke doeleinden.

Voor de coöperatie geldt de wettelijke regeling van het jaarrekeningenrecht (art. 2:360 lid 1 BW). Dit brengt mee dat het bestuur jaarlijks een jaarrekening moet opmaken overeenkomstig titel 9 van Boek 2 BW en deze ter vaststelling aan de algemene vergadering moet voorleggen. Coöperaties kunnen echter de winst- en verliesrekening vervangen door een exploitatierekening (art. 2:361 lid 2 BW). Zie de pagina Algemene bepaling jaarrekening en bestuursverslag.

Anders dan de vereniging mag de coöperatie winst onder haar leden verdelen (art. 2:53a lid 1 jo. 2:26 lid 3 BW). Ofschoon de wet geen voorschriften van kapitaalbescherming bevat, valt aan te nemen dat de belangen van schuldeisers bij besluiten tot winstuitkering niet mogen worden veronachtzaamd. De coöperatie is echter niet tot verdeling van de winst verplicht. Art. 2:53 lid 1 BW vereist niet dat aan de leden een opeisbare aanspraak tot uitkering van hun aandeel in de jaarlijkse winst toekomt.

De wet bepaalt slechts dat de leden in geval van ontbinding recht hebben op uitkering van hun aandeel in het liquidatieoverschot, tenzij de statuten anders bepalen (art. 2:27 lid 4 sub f BW jo. 2:23b lid 1 BW). Dit leidt er in de praktijk meestal toe dat het eigen vermogen toekomt aan de leden die op het tijdstip van de ontbinding lid zijn van de coöperatie.

Ledenaansprakelijkheid en zelffinanciering van de coöperatie

De financiering van een coöperatie wordt gekenmerkt door ledenaansprakelijkheid en zelffinanciering. De ledenaansprakelijkheid heeft een wettelijke basis (art. 2:55 BW) en houdt – kort gezegd – in dat de leden in geval van ontbinding van de coöperatie bijdragen in het volledige tekort. In de praktijk wordt echter op ruime schaal gebruik gemaakt van de mogelijkheid om deze verplichting in de statuten uit te sluiten of tot een maximum te beperken (art. 2:56 lid 1 BW). Hiermee correspondeert de letter-aanduiding W.A., U.A. respectievelijk B.A. in de naam van de rechtspersoon.

Naast de ledenaansprakelijkheid bestaan diverse andere typisch coöperatieve financieringswijzen, waaronder de in casu gebruikte ledenlening en participatierekening. Deze financieringsinstrumenten hebben geen wettelijke grondslag, maar vinden hun basis in de statuten van de coöperatie.

Ledenleningen zijn een vorm van deelneming in het lang vreemd vermogen van de coöperatie. Bij coöperaties in de agrarische sector is het gebruikelijk dat jaarlijks een bepaald percentage van het voor uitkering aan de leden vatbare exploitatie-overschot niet wordt uitbetaald in contanten, maar door de coöperatie wordt geplaatst op een ledenschuldrekening waarvoor de betrokken leden door de coöperatie worden gecrediteerd. Er ontstaat op deze wijze een langlopende schuld van de coöperatie aan de leden, eventueel met achtergesteld karakter. Na een x-aantal jaren vindt de aflossing (gestaffeld) naar rato van het jaar van dotering plaats. Gebruikelijk is dat over de tegoeden op de ledenschuldrekeningen een rente wordt vergoed. In de praktijk komen verschillende vormen voor.

Traditioneel werd het eigen vermogen vaak gevormd door het jaarlijks inhouden van (een gedeelte van) het exploitatieoverschot, zonder dat de leden daarop enige aanspraak konden maken. In dit verband werd ook wel gesproken van ‘vermogen in de dode hand’. Bij grote agrarische coöperaties heeft een ontwikkeling plaatsgevonden van het ‘vermogen in de dode hand’ naar het op naam stellen van het eigen vermogen ten behoeve van de leden, naar rato van hun bijdrage aan het succes van de coöperatie. Nog een stap verder gaat het uitgeven van (verhandelbare) vermogenstitels (aandeel, ledenbewijs, certificaat of participatiebewijs).

Participatierekeningen moeten worden gezien in het licht van de wens de leden in de algemene reserves van de coöperatie te laten delen. Een gedeelte van het exploitatieoverschot wordt naar rato van de omvang van het zakelijk verkeer geboekt op een geïndividualiseerde rekening van het lid bij de coöperatie. De participatierekening geeft op zich geen recht op een aandeel in het jaarresultaat of het vermogen. De bedragen op de participatierekeningen behoren in het algemeen tot het eigen vermogen van de coöperatie en kunnen worden aangewend ter delging van eventuele verliezen. In de statuten kan worden bepaald wanneer uitkering plaatsvindt, bijvoorbeeld na een bepaalde (langere) termijn of in geval van regelmatige uittreding of bedrijfsbeëindiging. Het effect daarvan is dat vermogen de coöperatie verlaat.

Dwingend recht

Boek 2 B.W. vormt blijkens art. 2:25 B.W. dwingend recht.

Auteur & Last edit

[MdV, 9-03-2022; laatste bewerking 16-03-2022]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank voor burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.