LawyrupBurgerlijk wetboekVerdragen burgerlijk rechtEuropese wetgeving burgerlijk rechtEuropees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)

Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)

Inleiding Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden

Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (afgekort als EVRM) is op 4 november 1950 in Rome tot stand gekomen. Het legt – zoals de naam al doet vermoeden – de fundamentele burgerrechten vast van eenieder, die zich in de rechtssfeer van de verdragspartijen bevindt. In art. 1 EVRM is dit als volgt verwoord:

“De Hoge Verdragsluitende Partijen verzekeren een ieder die ressorteert onder haar rechtsmacht de rechten en vrijheden die zijn vastgesteld in de Eerste Titel van dit Verdrag.”

De rechten gelden dus niet alleen voor de eigen burgers van de Europese landen, die dit verdrag hebben gesloten. Het verdrag geldt voor iedereen die zich op hun grondgebied bevindt. Het EVRM is niet slechts een EU verdrag, maar een verdrag van de Raad van Europa, waarbij 47 Europese landen zijn aangesloten.

Historisch perspectief

Het EVRM komt voort uit de fundamentele burgerrechten die in Europa zijn ontstaan sinds de opkomst van de burgerij en de bevrijding van de burgers uit de feodale verhoudingen van de Middeleeuwen. Daarmee werd ook de horigheid (die boeren als een soort slaaf aan een feodale heerser onderwierp en als het ware aan diens landgoed “ketende”) afgeschaft. De geloofsstrijd leidde tot de oplossing van de vrijheid van geloof en meningsuiting, waarin de Nederlanden voorop liepen en toevluchtsoord werd voor de vervolging in andere delen van Europa. Uiteindelijk werd pas in de 19e eeuw de slavernij afgeschaft.

Eén van de eerste uitingen daarvan was de Engelse “Habeas Corpus Act” (1679). Die verbood de Koning om burgers zonder dat die persoonlijk voor een gerecht waren opgeroepen en verschenen te veroordelen. Als uitvloeisel van de Franse Revolutie werd in Frankrijk de “Declaration des Hommes et du Citoyen” in 1789 uitgevaardigd. Een andere bekende principeverklaring waarin de principiële vrijheden van de burger zijn gestipuleerd is de Amerikaanse Four Freedoms verklaring van President Roosevelt uit 1941. Die was de opmaat voor de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens, die op 10 december 1948 is aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.

Andere internationale verdragen over burgerrechten

In internationaal verband zijn er meerdere verdragen, die de burgerrechten (of “grondrechten“) vastleggen. De voornaamste tegenvoeter van het Europese EVRM is de BUPO van 16 december 1966: het VN verdrag ter Bescherming van Burgerrechten en Politieke rechten.

Botsing van grondrechten

Uit hun aard kunnen grondrechten met elkaar botsen. Er zal dan een weging moeten plaatsvinden van de conflicterende normen. Sommige normen zijn in dat opzicht absoluter dan andere: folteren is onder geen beding toegestaan, maar de grens van de vrijheid van meningsuiting is minder duidelijk.

De burger moet zich echter bij de uitoefening van zijn grondrechten wel in die zin beperken, dat hij daarmee de grondrechten van andere burgers niet mag schenden. Bij conflicten tussen de verschillende grondrechten zal de rechter uiteindelijk moeten bepalen, waar die grenzen in geval van een botsing van grondrechten liggen.

Inhoud van het EVRM

Het EVRM is ingedeeld in drie onderdelen – na de “Preambule”, inleidende algemene bepaling van art. 1 EVRM. De indeling is als volgt:

Titel I – Rechten en vrijheden

Deze Titel formuleert in 17 artikelen (art. 2 EVRM tot en met art. 18 EVRM) de fundamentele rechten en vrijheden van eenieder, die zich binnen het gebied van de Raad van Europa bevindt. Deze rechten zijn:

– recht op leven (art. 2 EVRM)
– verbod van foltering (art. 3 EVRM)
– verbod van slavernij en dwangarbeid (art. 4 EVRM)
– recht op vrijheid en veiligheid (art. 5 EVRM)
– recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM)
– geen straf zonder wet (art. 7 EVRM)
– recht op eerbiediging van prive en gezinsleven (art. 8 EVRM)
– vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst (art. 9 EVRM)
– vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM)
– vrijheid van vergadering en vereniging (art. 11 EVRM)
– recht te huwen (art. 12 EVRM)
– recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel (art. 13 EVRM)
– verbod van discriminatie (art. 14 EVRM)
– afwijking in geval van noodtoestand (art. 15 EVRM)
– beperkingen op politieke activiteiten van vreemdelingen (art. 16 EVRM)
– verbod van misbruik van recht (art. 17 EVRM)
– inperking van de toepassing van beperkingen op rechten (art. 18 EVRM)

Titel II – Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Voor de handhaving van de fundamentele burgerrechten en vrijheden, die het EVRM eenieder binnen haar werkingsgebied waarborgt, is een apart Gerechtshof ingesteld. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is gevestigd in Straatsburg en biedt een belangrijke garantie, dat de burger ook over het hoofd van de eigen nationale wetgever en overheid heen zich rechtstreeks kan wenden tot een hogere instantie, die zo nodig ook de verdragslanden op de vingers kan tikken. Daarnaast moet de Nederlandse rechter op grond van art. 94 van de Grondwet toezien op de waarborging van de rechten die de burger heeft op grond van het EVRM. De regeling van het EVRM Hof is neergelegd in art. 19 EVRM tot en met art. 51 EVRM.

Titel III – Diverse bepalingen

In deze Titel staan nog eens 8 bepalingen, die de werking en uitvoering van het Verdrag regelen (art. 52 EVRM tot en met art. 59 EVRM).

Recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM)

Art. 6 EVRM geeft eenieder recht op een eerlijk proces. Art. 6 lid 1 EVRM bepaalt, dat een ieder bij (i) vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of (ii) bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak.

Die rechtsgang moet plaatsvinden:

– binnen een redelijke termijn,
– door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Art. 14 BUPO geeft de bescherming tegen een onredelijke termijn alleen voor strafvervolging. Die norm richt zich dus alleen op de overheid.

Openbare behandeling en uitspraak

De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen. De toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in de volgende uitzonderingsgevallen in het belang van:

– de goede zeden
– de openbare orde of
– nationale veiligheid in een democratische samenleving
– wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of
– in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

Recht op eerbiediging van het privé, familie en gezinsleven (art. 8 EVRM)

Eenieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie (art. 8 lid 1 EVRM).

Recht om te weten van wie je afstamt

Een kind heeft het recht om te weten van wie het afstamt. Het recht op informatie over de eigen (biologische) afstamming is een fundamenteel recht dat wordt beschermd door internationale mensenrechtenverdragen, onder meer door art. 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), als onderdeel van het recht op bescherming van het privéleven. Zie EHRM 29 januari 2019, nr. 62257/15 (Mifsud/Malta), punt 56; EHRM 13 juli 2006, 58757/00 (Jäggi/Zwitserland), punt 37; EHRM 13 februari 2003, nr. 42326/98 (Odièvre/Frankrijk), punten 28 en 44.

De mogelijkheid om informatie te verkrijgen over de eigen afstamming is van belang voor het vormen en ontwikkelen van een eigen identiteit en persoonlijkheid. Zie EHRM 29 januari 2019, nr. 62257/15 (Mifsud/Malta), punt 56; EHRM 7 februari 2002, nr. 53176/99 (Mikulić/Kroatië), punt 54; vgl. HR 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:452, rov. 5.1.3-5.1.4.

Bovendien heeft het kind er belang bij te weten wie zijn familie is en meer te weten te komen over eventuele genetische aanleg (ook bvb. in verband met aanleg voor fysieke of geestelijke ziekten).

Hierbij speelt een botsing van grondrechten – en wel hetzelfde grondrecht van recht op privacy, ontleend aan art. 8 EVRM. Het recht van het kind weegt volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – en in navolging daarvan de jurisprudentie van de Hoge Raad – in beginsel zwaarder dan het recht van de ouder (moeder of vermoedelijke vader) om die informatie te verzwijgen of te weigeren mee te werken aan een DNA-test. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden kan het belang van de vader zwaarder wegen. De weigering om mee te werken aan een DNA-test is een onrechtmatige daad (art. 6:162 B.W.) van de vader. De ratio voor deze keuze voor het kind is enerzijds dat de ouders ‘culpa in causa’ hebben dat het kind op de wereld gekomen is, en dit een verantwoordelijkheid meebrengt tegenover het kind.

Tegenover het recht van een persoon om te weten van wie hij afstamt, staat het recht van de potentiële ouder om de afstammingsrelatie verborgen te houden, alsmede het recht van een persoon om niet tegen zijn wil aan een DNA-test te worden onderworpen. Die rechten zijn eveneens fundamentele rechten die besloten liggen in het recht op bescherming van het privéleven en die als zodanig eveneens worden beschermd door art. 8 EVRM. Zie EHRM 29 januari 2019, nr. 62257/15 (Mifsud/Malta), punt 61; EHRM 25 september 2012, nr. 33783/09 (Godelli/Italië), punten 50 en 53; EHRM 13 februari 2003, nr. 42326/98 (Odièvre/Frankrijk), punt 44.

Indien het recht van een persoon om te weten van wie hij afstamt, botst met het recht van de mogelijke ouder om dat verborgen te houden dan wel niet mee te werken aan een DNA-test, moet volgens de rechtspraak van het EHRM door middel van een belangenafweging worden vastgesteld welk van deze rechten prevaleert, waarbij aan de lidstaten een ‘margin of appreciation’ toekomt. Zie EHRM 29 januari 2019, nr. 62257/15 (Mifsud/Malta), punt 57; EHRM 16 juni 2011, nr. 19535/08 (Pascaud/Frankrijk), punt 59; EHRM 13 juli 2006, 58757/00 (Jäggi/Zwitserland), punt 33; EHRM 13 februari 2003, nr. 42326/98 (Odièvre/Frankrijk), punten 40 en 46-47; EHRM 7 februari 2002, nr. 53176/99 (Mikulić/Kroatië), punten 57-58 en 64-65.

Over de onderlinge rangorde tussen enerzijds het recht van een meerderjarig kind om te weten door wie het is verwekt en anderzijds het recht van de moeder om zulks ook tegenover haar kind verborgen te houden, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 15 april 1994 geoordeeld dat het recht van het kind prevaleert (HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1337 (Valkenhorst I), rov. 3.4.3.).

De wettelijke regeling van afstamming – hoe wordt bepaald wie aangemerkt wordt als ouder, de erkenning van een kind en hoe dit eventueel door de rechter vastgesteld kan worden – is in het Nederlandse recht geregeld in Boek 1 B.W.. Zie de pagina Afstamming.

In het arrest HR 11 maart 2022 (kind/biologische vader) heeft de Hoge Raad zich hier opnieuw over uitgesproken. De beslissing van het Hof, dat in dit geval de belangenafweging in het voordeel van de vader uitviel, werd door de Hoge Raad als onvoldoende gemotiveerd verworpen. De door de vermoedelijke vader opgeworpen bezwaren waren onvoldoende zwaarwichtig.

Lees meer over HR 11 maart 2022 (kind/biologische vader)

In deze zaak was het kind (een man van inmiddels 40 jaar) al geruime tijd ervan overtuigd dat de man van wie hij een DNA-test wilde hebben zijn biologische vader was. Deze man, die inmiddels 80 jaar was en ontkende de vader te zijn, wilde daar niet aan meewerken. Hij ervoer het verzoek mee te werken als zeer belastend en een inbreuk op zijn privé-leven. Het Hof had dit de doorslag laten geven, en had in zijn voordeel beslist.

Hiermee woog volgens het Hof ook mee, dat de zoon aangaf geen sociaal contact te willen, en ook geen medische gegevens. Hij was bovendien erkend door de man met wie zijn moeder later getrouwd was. Daardoor was gerechtelijke vaststelling van het ouderschap niet (meer) mogelijk. Zie ook de pagina Gerechtelijke vaststelling ouderschap.

En hij had al contact gezocht met de zoons van de vermoedelijke biologische vader. Als zij wel wilden meewerken kon hij op die manier ook de gewenste uitkomst verkrijgen. De Hoge Raad casseert, onder meer overwegende dat het belang bij bescherming van dit recht niet minder wordt , maar veeleer toeneemt naarmate een persoon ouder wordt. De Hoge Raad verwijst naar uitspraken van het EHRM: EHRM 29 januari 2019, nr. 62257/15 (Mifsud/Malta), punt 60; EHRM 16 juni 2011, nr. 19535/08 (Pascaud/Frankrijk), punt 65; EHRM 13 juli 2006, 58757/00 (Jäggi/Zwitserland), punt 40.

Geen onnodige inmenging van de overheid in privé-leven (art. 8 lid 2 EVRM)

Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Auteur & Last edit

[MdV, 28-02-2020; laatste bewerking 14-03-2022]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank voor burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.