LawyrupFaillissementswetWettelijke schuldsanering (WSNP) (Titel 3 Fw.)Gevolgen WSNP (Afd. 2, Titel 3 Fw.)

Gevolgen WSNP (Afd. 2, Titel 3 Fw.)

Inleiding gevolgen wettelijke schuldsanering natuurlijke personen

In Afd. 2, Titel 3 Fw. is geregeld, welke rechtsgevolgen het toepasselijk verklaren van de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) heeft voor het vermogen van de schuldenaar (de “saniet”).

Zodra de natuurlijk persoon wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling verbindt de wet hier bepaalde rechtsgevolgen aan. Deze zijn vergelijkbaar met de gevolgen bij faillissement of surseance. Het effect van deze drie “insolventieprocedures” op het vermogen van de schuldenaar is namelijk te vergelijken met een algemeen beslag op alle goederen (en het inkomen!) van de schuldenaar. Dit beslag strekt tot voldoening van alle schuldeisers, ieder naar hun rang (zie de pagina Verhaalsrecht).

Boedel van de schuldsaneringsregeling

Allereerst benoemt de wet in art. 295 lid 1 Fw. het begrip boedel, dat van belang is voor de verdere lezing van de wet.  Zo wordt volgens de wet verstaan onder boedel: “de goederen van de schuldenaar ten tijde van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling alsmede de goederen die hij tijdens de toepassing van die regeling verkrijgt”.

Zodra de natuurlijk persoon wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling dient al het inkomen dat hij verkrijgt uit loondienstverband, dan wel uit periodieke uitkeringen en diens vermogen ten gunste te komen van de boedel. Wat wel buiten de boedel wordt gelaten is een bedrag dat gelijk is aan de beslagvrije voet, conform art. 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art. 295 lid 2 Fw.). Dit is tevens het bedrag waarvan de natuurlijk persoon wordt geacht rond te komen en waarmee alle lopende verplichtingen, zoals huur, dienen te worden voldaan.  De rechter-commissaris heeft de mogelijkheid om op verzoek van de natuurlijk persoon, de bewindvoerder, dan wel ambtshalve bij schriftelijke beschikking de beslagvrije voet te verhogen (art. 295 lid 3 Fw.).

Naast de beslagvrije voet bepaalt art. 295 lid 4 onder a tot en met d Fw. dat ook de goederen die de natuurlijk persoon, anders dan om niet, verkrijgt uit een overeenkomst die tot stand is gekomen tijdens de lopende schuldsaneringsregeling mag behouden, mits met deze verkrijging de samenhangende prestatie van de natuurlijk persoon niet ten van de van de boedel komt (art. 295 lid 4 onder a Fw.), tenzij de waarde van het goed de waarde van de met de verkrijging samenhangende prestatie aanmerkelijk overtreft (art. 295 lid 5 Fw.).

Daarnaast valt de inboedel van de natuurlijk persoon op grond van art. 295 lid 4 onder b Fw., voor zover deze niet bovenmatig is, buiten de boedel. Onder de inboedel wordt verstaan: “het geheel van tot huisraad en tot stoffering en meubilering van een woning dienende roerende zaken, met uitzondering van boekerijen en verzamelingen van voorwerpen van kunst, wetenschap of geschiedkundige aard” (art. 3:5 B.W.).

Tot slot verwijst art. 295 lid 4 onder c en d Fw. naar art. 21, onder 1°, 3°, 4°, 5°, 6° en 7° Fw. die een opsomming geven van zaken, die buiten de boedel worden gelaten.

Opsomming zaken die buiten de boedel blijven:

Buiten de boedel blijven:

– het nodige bed en beddegoed van de natuurlijk persoon en de inwonende leden van zijn gezien en diens kleding (art. 447 onder 1° Rv.)

– het gereedschap dat tot het bedrijf van de natuurlijk persoon behoort (art. 447 onder 2 Rv.)

– de in het huis voorhanden zijnde voorraad van spijs en drank, nodig voor de behoefte van het gezin over een periode van één maand (art. 447 onder 3° Rv.)

– de toerusting van de leden van de krijgsmacht (art. 21 onder 1°Fw.).

– boeken die de natuurlijk persoon nodig heeft voor zijn beroep, of de beoefening van kunsten en wetenschap, mits deze zaken zijn verstrekt wegens levensbehoefte aan de natuurlijke persoon, of ter vervaardiging of het herstel van deze zaken of verkoop daarvan (art. 448 lid 1 en lid 2 onder 1° en 2° Rv.).

– hetgeen de natuurlijk persoon door persoonlijke werkzaamheid, of als bezoldiging wegens een ambt of bediening, of als soldij, gagement, pensioen of onderstand gedurende de schuldsaneringsregeling verkrijgt (art. 21 onder 2° Fw.).

– de gelden die aan de natuurlijk worden verstrekt ten behoeve van de wettelijke onderhoudsplicht (art. 21 onder 3° Fw.).

– een door de rechter-commissaris vast te stellen bedrag uit het vruchtgenot van het kind diens vermogen ten behoeve van de kosten en verzorging en opvoeding van een kind (art. 21 onder 4°Fw. jo art. 295 lid 4 onder d Fw. jo artikel 1:253l, lid 1 en 2 B.W.).

– het in de kas der gerechtelijke consignaties gestorte bedrag (art. 21 onder 5°Fw. jo. art. 642c Rv.).

– alle goederen die niet ingevolge art. 60a lid 1 en 2 Fw. onder het vermogen van de natuurlijk persoon valt (art. 21 onder 6° Fw.).

– de aanspraak van de natuurlijk persoon op het tegoed van een lijfrenterekening of diens waarde, mits de ingelegde bedrag voor de heffing van inkomstenbelasting in aanmerking konden komen voor het belastbare inkomen uit werk en woning (art. 21 onder 7°Fw jo. art. 1.7, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001).

Bevoegdheden natuurlijk persoon

Zodra de natuurlijk persoon wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling verliest de natuurlijk persoon van rechtswege de bevoegdheid om over de tot de boedel behorende goederen ter beschikking en ten aanzien van deze goederen feitelijke handelingen te verrichten of toe te laten (art. 296 lid 1 onder a en b Fw.). De rechter-commissaris kan op verzoek van de natuurlijke persoon, de bewindvoerder of ambtshalve bepalen dat de natuurlijk persoon over bepaalde goederen wel het beheer heeft (art. 296 lid 3 Fw.). Daarnaast is de natuurlijk persoon verplicht om alle goederen die tot de boedel behoren of verzoek van de bewindvoerder af te geven (art. 296 lid 2 Fw.).

De natuurlijk persoon verliest niet al zijn rechten. Zo bepaalt art. 297 lid 1 Fw. dat de natuurlijk persoon zelfstandig bevoegd is tot het verrichten van rechtshandelingen.

Echter heeft de natuurlijk persoon conform art. 297 lid 2 onder a tot en met c Fw.  wel toestemming nodig van de bewindvoerder bij:

– het aangaan van een overeenkomst inzake een krediet;

– een overeenkomst waarbij de natuurlijk persoon zich als borg of anderszins als medeschuldenaar verbindt, zich tot zekerheidstelling voor de schuld va een derde verbindt;

– bij giften, met uitzondering van de gebruikelijke, mits niet bovenmatig.

Indien de natuurlijk persoon deze rechtshandeling zonder toestemming van de bewindvoerder verricht, dan zijn deze vernietigbaar. Alleen de bewindvoerder kan deze vernietigingsgrond inroepen (art. 297 lid 3 Fw.).

Gevolgen schuldsaneringsregeling voor schulden

Op het moment dat de schuldsaneringsregeling is uitgesproken zal de bewindvoerder de schuldenpositie van de natuurlijk persoon in kaart gaan brengen. De schuldsaneringsregeling werkt niet ten aanzien van alle vorderingen. In art. 299 Fw. is bepaald welke vorderingen onder de werking van de schuldsaneringsregeling vallen.

– vorderingen welke de natuurlijk persoon had op het moment dat de schuldsaneringsregeling is uitgesproken (art. 299 lid onder a Fw.);

– vorderingen welke zijn ontstaan na de toepassing van de schuldsaneringsregeling, in verband met ontbinding of vernietiging van een overeenkomst welke door de natuurlijk persoon is gesloten overeenkomst vóór toepassing van de schuldsaneringsregeling (art. 299 lid onder b Fw.);

– vorderingen welke strekken tot schadevergoeding inzake de tekortschieting in de nakoming van de natuurlijk persoon ten aanzien van een verbintenis welke vóór de toelating tot de schuldsaneringsregeling is overeengekomen (art. 299 lid onder c Fw.);

– vorderingen welke na de toepassing van de schuldsaneringsregeling zijn ontstaan door de vervulling van een ontbindende voorwaarde welke voor toepassing van de schuldsaneringsregeling is overeengekomen (art. 299 lid onder d Fw.);

– vorderingen welke niet zijn voldaan na de toepassing van de schuldsaneringsregeling en welke zijn ontstaan op grond van art. 10 van Boek 6 van het Burgerlijke Wetboek (art. 299 lid onder d Fw.).

Staking van rechtsvervolging en aanmelding ter verificatie; beslagen vervallen

Net als bij faillissement kunnen na uitspreken van de schuldsaneringsregeling kunnen rechtsvorderingen meer worden ingesteld met het doel om voldoening van een vordering uit de boedel te verkrijgen. Ook niet rechtstreeks bij de natuurlijk persoon. De schuldeisers zijn gelet hierop genoodzaakt hun vorderingen middels verificatie aan te melden bij de bewindvoerder en een afwachtende houding aan te nemen. Ook komen net als bij faillissement (art. 33 Fw.) alle beslagen te vervallen (art. 299 lid 2 Fw.).

Separatisten

De uitzonderingspositie die separatisten hebben bij faillissement, geldt ook bij de WSNP. De bewindvoerder kan hen een redelijke termijn gunnen om tot uitoefening van hun rechten over te gaan. Indien de pand- of hypotheekhouder het onderpand niet binnen de gestelde termijn heeft verkocht, kan de bewindvoerder de goederen opeisen en verkopen. De hypotheekhouder of pandhouder kan de opbrengst dan – op basis van zijn preferentie – weliswaar opeisen, maar moet meedelen in de boedelkosten.  Wordt de vordering van de pand- of hypotheekhouder niet volledig voldaan met de opbrengst van de verkoop, dan zal de bewindvoerder de restantvordering als concurrente vordering mee nemen in de schuldsaneringsregeling (art. 299 lid 3 Fw. jo. art. 57 tot en met 59 a Fw.). Zie de pagina Separatisten.

De bewindvoerder kan geen misbruik van recht worden verweten, door de separatist een termijn voor de executie te stellen. Het systeem van de Faillissementswet gaat uit van openbare verkoop door de hypotheekhouder of pandhouder en de bewindvoerder of curator mag de separatist een termijn stellen om tot uitoefening van haar executierecht over te gaan. De bewindvoerder is niet verplicht mee te werken aan onderhandse verkoop op grond van de separatistenregeling. Vgl. Rb. Leeuwarden 19 december 2007 (Geenhuizen q.q/Bank of Scotland).

In de zaak leidend tot het arrest HR 13 maart 2009 (ex-saniet/ING Bank) dacht de voormalige saniet een slaatje uit de schuldsaneringsregeling te kunnen slaan. De schuldenaar had ten tijde van het van toepassing worden van de WSNP een hypothecaire lening van de ING Bank op zijn woning. De bank had echter de executie niet ter hand genomen en de bewindvoerder had de bank niet op grond van art. 58 Fw. een termijn aangezegd om de executie ter hand te nemen, bij gebreke waarvan de bewindvoerder de woning zelf kon executeren. De saniet had tijdens de WSNP uit het vrijgelaten bedrag de hypotheekschuld voldaan, en verkreeg vervolgens een schone lei. Toen vorderde de ex-saniet de aan de bank betaalde hypotheektermijnen terug als onverschuldigd betaald. Hij redeneerde, dat de hypotheekschuld onder de WSNP was komen te vallen – en daarmee onder de schone lei – omdat de bank haar recht tot executie niet had uitgeoefend. Deze vordering werd in alle instanties afgewezen.

Lees meer over HR 13 maart 2009 (ex-saniet/ING Bank)

De saniet had een hypotheek van NLG 95.000. De ING Bank had hem in de woning gelaten en de saniet was tijdens de WSNP voortgegaan met aflossen van de hypotheek. Nadat na 4 jaar een schone lei was verleend, vorderde de ex-saniet die betalingen terug als onverschuldigd betaald.

De Hoge Raad overwoog (r.o. 3.2):

“In dit geding stelt eiser dat de vordering van ING uit hoofde van de eerste hypothecaire lening op grond van art. 358 F. vanaf het verbindend worden van de slotuitdelingslijst niet langer opeisbaar is, zodat de aflossing van de restantschuld van die lening onverschuldigd is voldaan, en voorts dat de tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling verrichte betalingen op de hypothecaire lening op grond van art. 306 F. nietig zijn.

De vordering is door de rechtbank afgewezen. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd op grond van zijn oordeel, kort samengevat, dat (uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 299 F. moet worden afgeleid dat) de hypothecaire schuld buiten de werking van de schuldsanering valt indien – zoals hier het geval is – de hypotheekhouder en de bewindvoerder geen gebruik maken van hun in de art. 57 F. respectievelijk 58 F. gegeven bevoegdheden, en dat in zodanig geval de uit de hypothecaire geldlening voortvloeiende verplichtingen moeten worden voldaan uit de schuldenaar zelf toekomende, buiten de boedel vallende inkomsten. Derhalve zijn de art. 358 en 306 in dit geval niet van toepassing, zodat de vordering van [eiser] naar het oordeel van het hof niet toewijsbaar is.

In cassatie staat daarmee de vraag centraal of de vordering van ING, nu zij geen gebruik heeft gemaakt van haar recht van parate executie en de bewindvoerder zijn uit art. 58 F. voortvloeiende bevoegdheid niet heeft uitgeoefend, onder de werking van de schuldsaneringsregeling valt. Deze vraag moet beantwoord worden naar de vóór 1 januari 2008 geldende bepalingen uit de Faillissementswet, nu de relevante feiten zich voordien hebben afgespeeld.

De Hoge Raad citeert vervolgens uitvoerig de Parlementaire geschiedenis inzake de totstandkoming van art. 299 lid 3 Fw., om op grond daarvan tot de volgende overweging te komen (r.o. 3.5.1):

“Uit de hiervoor weergegeven totstandkomingsgeschiedenis van art. 299 lid 3 moet worden afgeleid dat de wetgever tot uitgangspunt heeft genomen dat de schuldsaneringsregeling niet werkt ten aanzien van vorderingen die door pand of hypotheek zijn gedekt, behoudens voor zover die vorderingen niet op de verbonden goederen verhaald kunnen worden. De pand- of hypotheekhouder kan zich op grond van zijn recht van parate executie buiten de schuldsaneringsregeling om verhalen op de verbonden goederen.

Maar blijkens de hiervoor in 3.4.1 geciteerde memorie van antwoord kunnen de hypothecaire schuldeiser en de bewindvoerder, indien de schuldenaar geen betalingsachterstand heeft en het verbonden goed geen overwaarde heeft zodat bij executie geen bate ten gunste van de boedel is te verwachten, ook afzien van hun uit art. 57 en 58 F. voortvloeiende rechten tot uitwinning van de verbonden goederen, in welk geval de schuldenaar de lopende verplichtingen jegens de schuldeiser dient te voldoen uit de hem toekomende, buiten de boedel vallende inkomsten. Een en ander brengt mee dat art. 358 F. (de ‘schone lei’) in een dergelijk geval geen betrekking heeft op de vordering van de pand- of hypotheekhouder, zoals ook zonder meer voortvloeide uit de oorspronkelijke tekst van art. 299 lid 3 van het wetsvoorstel.

Om dezelfde reden zijn betalingen op een zodanige vordering niet nietig ingevolge art. 306. Weliswaar is de uitdrukkelijke vermelding in art. 299 lid 3 dat de schuldsaneringsregeling niet werkt ten aanzien van vorderingen die door pand of hypotheek zijn gedekt, in de vierde nota van wijziging geschrapt, maar blijkens de hiervoor in 3.4.2 weergegeven toelichting is dat niet geschied vanwege een gewijzigd uitgangspunt, doch vanwege de omstandigheid dat de bepaling “bij nader inzien te strak [is] geformuleerd”. De oorspronkelijke tekst bepaalde immers wel dat de vordering van de pand- of hypotheekhouder bij onvoldoende executieopbrengst voor het overblijvende deel onder de schuldsaneringsregeling viel, maar voorzag niet in de situatie dat de vordering, ingeval de bewindvoerder gebruik maakt van zijn uit art. 58 voortvloeiende bevoegdheid, via de boedel geldend wordt gemaakt met toepassing van de in art. 349 F. omschreven verdeelsleutel (die kan meebrengen dat op de vordering van de pand- of hypotheekhouder minder wordt betaald dan het geval zou zijn geweest indien deze geheel buiten de schuldsaneringsregeling om zou worden verhaald).

Gelet op deze redengeving kan niet worden aangenomen dat de wetgever met de schrapping van de eerste volzin heeft beoogd het uitgangspunt dat de schuldsaneringsregeling (behoudens de zojuist vermelde uitzonderingen) niet werkt ten aanzien van vorderingen die door pand of hypotheek zijn gedekt, te verlaten. In dat geval zou immers de vordering van de pand- of hypotheekhouder – ingeval door de schuldeiser en de bewindvoerder wordt afgezien van uitoefening van hun uit art. 57 en 58 voortvloeiende bevoegdheden – in strijd met de hiervoor in 3.4.1 geciteerde memorie van antwoord onder de werking van de schuldsaneringsregeling en daarmee onder de ‘schone lei’ vallen, met als niet voor de hand liggend resultaat dat de schuldenaar na beëindiging van de schuldsaneringsregeling ingevolge art. 358 F. een onbelast goed zou bezitten zonder dat de waarde daarvan aan de schuldeisers ten goede is gekomen. Niet aannemelijk is dat de wetgever de voorgestelde wettelijke regeling bij gelegenheid van de vierde nota van wijziging aldus heeft willen veranderen, zeker niet nu daarbij geen afstand is genomen van hetgeen in de memorie van antwoord daaromtrent is opgemerkt. Dat spreekt temeer omdat de pand- of hypotheekhouder in de hier bedoelde gevallen anders genoopt zou zijn tijdens de schuldsaneringsregeling over te gaan tot een executie waar geen van de betrokken partijen baat bij heeft, dan wel tot een schuldvernieuwing met hernieuwde zekerheidstelling waar slechts extra kosten aan verbonden zijn die ten laste van de schuldenaar komen.”

En in r.o. 3.5.2:

“Het voorgaande strookt ook met de wettelijke regeling van de positie van pand- en hypotheekhouders bij de stemming over een akkoord. Blijkens de eerste volzin van art. 332 lid 2 F. zijn tot stemming over het akkoord bevoegd “de schuldeisers van vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt”. Juist met het oog op de situatie dat de pand- of hypotheekhouder nog geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht van parate executie en de bewindvoerder evenmin van zijn bevoegdheid tot verkoop, zijn bij de vierde nota van wijziging in art. 332 lid 2 de tweede en derde volzin toegevoegd. Daarin is bepaald, kort gezegd, dat pand- en hypotheekhouders slechts tot stemmen over het akkoord bevoegd zijn indien zij vóór de stemming afstand doen van het recht van parate executie, en dat zij dat recht dan niet herkrijgen, ongeacht de uitkomst van de stemming. Zoals ook blijkt uit de toelichting hierbij (Kamerstukken II, 1994-1995, 22 969, nr. 20, blz. 11), is de pand- of hypotheekhouder, indien hij van het recht van parate executie geen afstand heeft gedaan en dus niet heeft meegestemd, niet gebonden aan een akkoord. Daarbij past dat zijn vordering dan ook niet onder de werking van de schuldsaneringsregeling valt (uiteraard behoudens de hiervoor vermelde uitzonderingen voor het bij latere executie onvoldaan gebleven gedeelte van de vordering en voor de executie door de bewindvoerder op de voet van art. 58).”

Door de wetswijziging per 1 januari 2008 is dit niet veranderd, zo merkt de Hoge Raad op in r.o. 3.71:

“Opmerking verdient dat het voorgaande niet anders is geworden door de wijzigingen van de Faillissementswet die met ingang van 1 januari 2008 van kracht zijn geworden. Voor zover thans van belang is aan art. 303 F. een nieuw derde lid toegevoegd, kort gezegd inhoudende dat in de uitspraak van de rechtbank tot toepassing van de schuldsaneringsregeling of bij latere beschikking van de rechter-commissaris het eerste lid (waarin is bepaald dat de schuldenaar geen rente meer is verschuldigd over vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsanering werkt) buiten toepassing verklaard kan worden ten aanzien van rente die verschuldigd is over een hypotheek die gevestigd is op het huis waarin de schuldenaar woonachtig is. Voorts is aan art. 358 een nieuw vijfde lid toegevoegd, inhoudende dat het eerste lid (de ‘schone lei’) niet van toepassing is ten aanzien van een hypotheek die is gevestigd op het huis waarin de schuldenaar woonachtig is, indien op de rente van deze hypotheek artikel 303 lid 3 van toepassing is. Deze wijzigingen zijn als volgt toegelicht:

(met betrekking tot art. 303 lid 3:) “Doorgaans zal de eigen woning die in bezit is van een schuldenaar hetzij door de bank worden geveild, hetzij onderhands door de bewindvoerder worden verkocht. Er zijn echter situaties denkbaar waarin verkoop niet in het belang van de boedel is. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de woonlasten in de koopwoning lager zijn dan ze zullen zijn na verkoop en verhuizing naar een huurhuis en er geen overwaarde is. Artikel 303, eerste lid, staat er echter aan in de weg dat de schuldenaar de hypotheekrente blijft betalen. Er zijn momenteel rechtbanken die toestemming geven om in de woning te blijven wonen, de rente te betalen en via schuldvernieuwing na afloop van de schuldsaneringsregeling te voorkomen dat de hypotheekschuld onder de schone lei valt. Teneinde een en ander te vereenvoudigen, wordt deze praktijk gefaciliteerd door [in] artikel 303 een uitzondering op te nemen voor de betaling van hypotheekrente. Als pas na het vonnis tot vantoepassingverklaring van de schuldsaneringsregeling de vraag wat te doen met het huis is beantwoord, kan ook de rechter-commissaris

bij beschikking een uitzondering geven voor de hypotheekrente. Voorwaarde bij dit alles is wel dat dit in het belang van de boedel moet zijn. Daarnaast is in artikel 358, vijfde lid, opgenomen dat een dergelijke hypotheek aan het einde van de schuldsaneringsregeling niet onder de schone lei valt.”

(Kamerstukken II, 2005-2006, 29 942, nr. 8, blz. 4)

(met betrekking tot art. 358 lid 5:) “In het nieuwe vijfde lid is een regeling opgenomen voor schuldenaren voor wie verkoop van de eigen woning niet in het belang van de boedel was. Indien bij aanvang de schuldsaneringsregeling of op een moment daarna artikel 303, derde lid, van toepassing is verklaard (…) op de rentetermijnen die voortvloeien uit de hypotheek, dan is bij beëindiging van de schuldsaneringsregeling de schone lei niet van toepassing op de hypotheek. Zie verder de toelichting op de wijziging van artikel 303 (…).”

(Kamerstukken II, 2005-2006, 29 942, nr. 8, blz. 5).”

De slotsom van de Hoge Raad is dan ook:

“Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor in 3.4.1 – 3.5.2 is overwogen, brengt de wettelijke regeling – ook zonder hetgeen in deze nieuwe bepalingen is geregeld – al mee dat een hypothecaire vordering niet onder de schuldsaneringsregeling valt, met als gevolg dat de schuldenaar tijdens de schuldsanering de hypotheekrente verschuldigd blijft (en mag voldoen uit de hem toekomende, buiten de boedel vallende inkomsten) en dat de hypothecaire vordering bij beëindiging van de schuldsaneringsregeling niet onder de ‘schone lei’ valt. Daartoe is, ook na 1 januari 2008, de in art. 303 lid 3 bedoelde verklaring van de rechtbank of de rechter-commissaris niet vereist.”

Studiefinanciering valt niet onder de WSNP

Vorenstaande opsomming van vorderingen die vallen onder de werking van de schuldsaneringsregeling maakt duidelijk dat niet alle vorderingen opgelost kunnen worden middels een regeling. Art. 299a lid 1 Fw. jo. art. 6.8 van de Wet studiefinanciering 2000 bepaalt dat alleen achterstallige betalingen, die bestaan ten tijde van het uitspreken van de schuldsaneringsregeling en die betrekking hebben op studieschuld, meegenomen kunnen worden in de schuldsaneringsregeling. De studieschuld zelf kan niet mee in de regeling en de aflosfase zal gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling opgeschort worden (art. 299a lid 2 Fw. jo. art. 6.7 Wet studiefinanciering 2000 jo. art. 10a.4 Wet studiefinanciering 2000).

Retentierecht

Het uitspreken van een schuldsaneringsregeling betekent niet dat een schuldeiser zijn retentierecht op een zaak die in het bezit van de natuurlijk persoon is verliest. De bewindvoerder kan de zaak terugbrengen door voldoening van de vordering waarvoor het retentierecht kan worden uitgeoefend. De betreffende schuldeiser kan de bewindvoerder een redelijk termijn stellen om tot voldoening van de vordering over te gaan. Op het moment dat de bewindvoerder de zaak niet tijdig heeft teruggebracht in de boedel, dan kan de schuldeisers de zaak verkopen conform de bepaling inzake parate executie als pandhouder, dan wel hypotheekhouder. De rechter-commissaris kan de termijn op verzoek van de bewindvoerder (meerdere malen) verlengen (art. 299b lid 1 tot en met 3 Fw.).

Indien het om een registergoed gaat, dient de schuldeiser ter voorkoming van het verval van het recht op parate executie, binnen veertien dagen na het vestrijken van de termijn aan de bewindvoerder bij exploot kenbaar te maken dat hij tot executie over gaat en tevens dit exploot in de openbare registers doen inschrijven (art. 299b lid 4 Fw.). De bewindvoerder kan de schuldeisers een termijn stellen om tot uitvoering van het recht van parate executie over te gaan. Indien de schuldeisers de zaak niet binnen deze termijn heeft verkocht, dan kan de bewindvoerder de zaak opeisen. De opbrengst zal dan ten gunste van de schuldeiser komen met retentierecht (art. 299b lid 5 Fw.).

Borgen

De schuldsaneringsregeling heeft geen werking ten voordele van borgen of andere medeschuldenaren. Hierdoor zal een schuldeiser die een vordering heeft waarbij een ander natuurlijk persoon heeft meegetekend conform de hoofdelijke aansprakelijkheid 100% van deze vordering bij de medeschuldenaar kunnen verhalen (art. 300 Fw.).

Beslagleggingen en invorderingsmaatregelen tijdens de schuldsaneringsregeling

Op het moment dat de natuurlijk persoon wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling zijn invorderingsmaatregelen van schuldeisers niet toegestaan. Dit geldt eveneens voor de Belastingdienst, die het recht tot invordering moeten inleveren (art. 301 lid 1 Fw. jo. art. 19 Invorderingswet 1990).

Zodra de natuurlijk persoon is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling worden alle ten tijde van de uitspraak aangevangen executies van schuldeisers geschorst en vervallen alle gelegde beslagen met ingang van de dag waarop de schuldsaneringsregeling is toegepast. De bewindvoerder kan de bewaarder van de openbare registers verzoeken tot doorhaling van een beslaglegging (art. 301 lid 3 Fw.). Een beslag dat na toepassing van de schuldsaneringsregeling is komen te vervallen herleeft zodra de schuldsaneringsregeling eindigt, mits het goed waarop beslag ligt nog tot de boedel behoort (art. 301 lid 4 Fw.). Indien de inschrijving op verzoek van de bewindvoerder is doorgehaald in de openbare registers, vervalt herleving van het beslag indien deze herleving niet binnen veertien dagen is ingeschreven middels een exploot, waarbij eveneens een mededeling wordt gedaan aan de natuurlijk persoon (art. 301 lid 4 Fw.).

Gijzeling

Het uitspreken van een schuldsaneringsregeling heeft eveneens tot gevolg dat de natuurlijk persoon welke zich in gijzeling bevindt, daaruit van rechtswege ontslagen wordt, tenzij de gijzeling plaatsvindt op basis van een vordering welke niet onder de werking van de schuldsaneringsregeling valt (art. 302 Fw.).

Wettelijke rente

Nadat de schuldenaar is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling is hij geen rente meer verschuldigd over de schulden (art. 303 lid 1 Fw.). Hier kan de rechtbank van afwijken indien de natuurlijk persoon rente is verschuldigd over een vordering waarvoor een hypotheek tot zekerheid strekt op een woning (art. 303 lid 3 Fw.). Echter indien een natuurlijk persoon gedurende een schuldsaneringsregeling failliet wordt verklaard, betekent dit dat de renteverplichting met terugwerkende kracht zal herleven. Dit is ook het geval indien de schuldsaneringsregeling wordt beëindigd, voordat de regeling tot een goed einde is gebracht (art. 303 lid 2 Fw. jo art. 313 lid 2 Fw, jo art. 350 lid 3 onder c tot en met g Fw.).

Levering van gas, water, elektriciteit, of verwarming

De leverancier van gas-, water., elektriciteit., of verwarming is bij de toepassing van een schuldsaneringsregeling niet bevoegd zijn verbintenis uit een overeenkomst jegens de natuurlijk persoon op te schorten, indien de natuurlijk persoon zijn verbintenis tot betaling niet is nagekomen in de periode voordat hij is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. De wet stelt dat een tekortkoming in de nakoming van de natuurlijk persoon die heeft plaatsgevonden voor de toelating tot de schuldsaneringsregeling, geen grond levert voor ontbinding van de overeenkomst (art. 304 lid en 2 Fw.). Van het vorenstaande kan alleen worden afgeweken indien de bewindvoerder hiermee wenst in te stemmen (art. 304 lid 3 Fw.).

Huur

De bewindvoerder, dan wel de natuurlijk persoon met een machtiging van de bewindvoerder, kan de huur van de natuurlijk persoon tussentijds eindigen, mits de opzegging geschiedt overeenkomstig de opzegtermijnen (art. 305 lid 1 Fw. jo art. 7:228 lid 2 B.W., art. 7:271 lid 2 B.W. en art. 7:293 lid 2 B.W.). Ook moet de gebruikelijke termijn in acht genomen worden. In de regel geldt dat een termijn van drie maanden voldoende moet zijn. Indien de natuurlijk persoon huurpenningen vooruit heeft betaald, dan kan de huur echter niet eerder worden opgezegd dan tegen de dag waarvoor reeds is betaald.

Ten aanzien van de huurwoning van de natuurlijk persoon geldt dat een tekortkoming door de natuurlijk persoon inzake de nakoming van zijn financiële verplichting in de periode voorafgaand aan de schuldsaneringsregeling, geen grond oplevert voor opzegging of ontbinding van de huurovereenkomst. Indien door de verhuurder een vonnis tot ontruiming voorafgaand aan de schudsaneringsregeling is verkregen wegens huurachterstand, dan wordt de tenuitvoerlegging van het vonnis opgeschort voor de duur van de schuldsaneringsregeling, mits de natuurlijk persoon stipt zijn lopende verplichtingen voldoet. Daarnaast wordt de huurovereenkomst voor de duur van de schuldsaneringsregeling verlengd (art. 305 lid 2 Fw.). De verhuurder heeft echter wel de bevoegdheid om de huur tussentijds te beëindigen indien de natuurlijk persoon zijn lopende verplichtingen niet nakomt tijdens de schuldsaneringsregeling (art. 305 lid 3 Fw.).

Vorenstaande geldt eveneens indien de natuurlijk persoon een pachter is (art. 305 lid 4 Fw.).

Betaling ten laste van niet tot de boedel behorende goederen

Indien de natuurlijk persoon tijdens de schuldsaneringsregeling een betaling doet ten laste van niet tot de boedel behorende goederen, in mindering op vorderingen die vallen in de regeling, dan is deze betaling nietig.

Verrekening van vorderingen

Indien een schuldeiser tevens ook schuldenaar is ten opzichte van de natuurlijk persoon van wie de schuldsaneringsregeling is uitgesproken, kan diegene de schuld met zijn vordering verrekenen indien zowel de schuld als de vordering zijn ontstaan voordat de schuldsaneringsregeling is uitgesproken (art. 307 lid 1 en 2 Fw. jo. Art. 53 lid 2 en 3 Fw.).

Betaling ten laste van de boedel

Indien de natuurlijk persoon een betaling verricht anders dan ten laste van de boedel, wordt dit niet toegerekend op een vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt (art. 308 Fw.).

Betaling niet tot de boedel behorende vorderingen

De bewindvoerder of de natuurlijk persoon kunnen de rechter-commissaris verzoeken om bij schriftelijke beschikking te bepalen, dat betaling op niet tot de boedel behorende vorderingen van de natuurlijk persoon tot betaling van een geldsom, moet geschieden aan de bewindvoerder. Deze bevoegdheid kan de rechter-commissaris ook ambtshalve verrichten.  De rechter-commissaris kan eveneens bepalen over welke periode dit gaat en ten aanzien van welke vorderingen. De bewindvoerder dient de schuldenaren die het betreft schriftelijk op de hoogte brengen. Deze gelden behoren niet tot de boedel en de bewindvoerder dient hieromtrent een afzonderlijke administraties bij te houden (art. 310 lid 1 tot en met 4 Fw.).

Voortzetting onderneming

In principe geldt dat een natuurlijk persoon dat wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling zijn onderneming dient te beëindigen. De rechter-commissaris kan echter op verzoek van de bewindvoerder, dan wel de natuurlijk persoon, dan wel ambtshalve bepalen dat de natuurlijk persoon gedurende een in een beschikking vast te stellen periode bevoegd is ten behoeve van de boedel de uitoefening van zijn onderneming (zelfstandig beroep of bedrijf) voort te zetten. Deze periode kan de rechter-commissaris telkens verlengen en opschortende voorwaarden aan verbinden. Voornoemde beschikking heeft tot gevolg dat de natuurlijk persoon bevoegd is alle handelingen te verrichten waartoe de bewindvoerder toestemming heeft gegevens en die voor de uitoefening van de onderneming noodzakelijk zijn. Vorderingen die voortvloeien uit de voortzetting van de onderneming, waaronder ook begrepen huurpenningen zijn boedelschulden (art. 311 lid 1 tot en met 3 Fw.).

Faillietverklaring gedurende schuldsaneringsregeling

De natuurlijk persoon kan gedurende een schuldsaneringsregeling failliet verklaard worden op grond van vorderingen die niet onder de werking van de schuldsaneringsregeling vallen. Door een dergelijke faillietverklaring eindigt de schuldsaneringsregeling van rechtswege. Dit zal eveneens door de curator in de Nederlandse Staatscourant (art. 312 lid 1 en 2 Fw. jo art. 14 lid 3 Fw.) gepubliceerd worden. Mocht tegen de faillietverklaring verzet, hoger beroep of cassatie worden aangetekend en wordt hiermee de faillietverklaring vernietigd, dan zal de schuldsaneringsregeling van rechtswege herleven (art. 312 lid 3 Fw.).

Auteur & Last edit

[AB, 16-10-2018; laatste bewerking MdV 22-03-2020]

1 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 5 (1 votes, average: 4,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.

Wat vond u van dit artikel ?

1 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 5 (1 votes, average: 4,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.