Onrechtmatige daad

De onrechtmatige daad kan naar Nederlandse recht worden beschreven als een niet op rechtsgevolg gericht onrechtmatig handelen, waardoor aan de persoon of het vermogen van een ander schade wordt veroorzaakt.

Dit handelen heeft wel een rechtsgevolg, hoewel dat rechtsgevolg niet de bedoeling was van de veroorzaker van de schade. Een onrechtmatige daad leidt namelijk op grond van de wet tot aansprakelijkheid van de veroorzaker. Daarom wordt dit wel een ‘verbintenis uit de wet’ genoemd.

Aansprakelijkheid voor handelen of voor nalaten

Het leerstuk van de onrechtmatige daad heeft in het Nederlandse recht een lange ontwikkeling doorgemaakt. Begin 20e eeuw was het nog niet duidelijk, of ook nalaten tot aansprakelijkheid kon leiden. Destijds werd de wet erg letterlijk uitgelegd, en de wet sprake niet van nalaten. Een waterschade doordat een jongedame uit Zutphen weigerde de hoofdwaterleiding af te sluiten, die in haar woning zat, leidde ertoe dat de Hoge Raad in 1910 besliste, dat ook verwijtbaar nalaten onder het begrip van de onrechtmatige daad kon vallen.

Verruiming van het begrip onrechtmatig

Ook was aanvankelijk niet duidelijk, wat onder ‘onrechtmatig’ moest worden verstaan. Men vond, dat dit moest worden opgevat als ‘onwetmatig’. In 1919 breidde de Hoge Raad dit uit tot ‘maatschappelijk onbetamelijk’ in het befaamde arrest Lindenbaum/Cohen. Het ging daarbij om een geval van onrechtmatige concurrentie. Een drukker nam de medewerker van zijn concurrent in dienst, en kon zo misbruik maken van vertrouwelijke bedrijfsinformatie van zijn concurrent.

Dus ook als het handelen (of nalaten) niet letterlijk in de wet stond, maar wel als onrechtmatig beschouwd moest worden, en dit handelen tot schade leidde, dan viel dit onder de onrechtmatige daad.

Elementen van de onrechtmatige daad naar Nederlands recht

Er moet dus naar Nederlands recht aan een aantal voorwaarden worden voldaan om een vordering uit onrechtmatige daad geldend te kunnen maken.

  • een handelen of nalaten
  • dat onrechtmatig is
  • waardoor schade ontstaat (causaliteit)
  • die aan de dader kan worden toegerekend (verwijtbaarheid)

Relativiteitsvereiste (Schutnorm)

Aan deze eisen is nog een vereiste toegevoegd: het relativiteitsvereiste. Voor het aannemen van een onrechtmatige daad is ook vereist, dat de geschonden norm (de onrechtmatigheid) moet strekken tot bescherming van het geschade belang.

Een eenvoudig voorbeeld is de situatie, waarbij in strijd met een overheidsvergunning wordt gehandeld. Als de vergunning een ander belang beschermt, dan kan iemand die zich benadeeld voelt door het handelen in strijd met de vergunning zich daar niet op beroepen. Een bouwvergunning heeft bij voorbeeld tot doel om de bouwveiligheid te verzekeren.

Een vordering uit onrechtmatige daad door de buurman, die bezwaar heeft tegen een aanbouw, kan dus niet (enkel) op het ontbreken van een bouwvergunning worden gebaseerd.

Omgekeerd kan het ontbreken van een vergunning, of – in een andere situatie – een strafrechtelijke of een tuchtrechtelijke veroordeling, in sommige gevallen wel bijdragen aan het vaststellen van de onrechtmatigheid in het kader van een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad.

Verdieping onrechtmatige daad

Wil je meer te weten komen over het leerstuk van de onrechtmatige daad? Je kunt de wettelijke bepalingen over de onrechtmatige daad en de toelichting daarop vinden in de Kennisbank. Ga naar verdieping onrechtmatige daad.

Specialisten

Hier komen visitekaartjes van specialisten in dit rechtsgebied

HIER UW VISITEKAARTJE?

Pagina inhoud

    Onrechtmatige daad

    De onrechtmatige daad kan naar Nederlandse recht worden beschreven als een niet op rechtsgevolg gericht onrechtmatig handelen, waardoor aan de persoon of het vermogen van een ander schade wordt veroorzaakt.

    Dit handelen heeft wel een rechtsgevolg, hoewel dat rechtsgevolg niet de bedoeling was van de veroorzaker van de schade. Een onrechtmatige daad leidt namelijk op grond van de wet tot aansprakelijkheid van de veroorzaker. Daarom wordt dit wel een ‘verbintenis uit de wet’ genoemd.

    Aansprakelijkheid voor handelen of voor nalaten

    Het leerstuk van de onrechtmatige daad heeft in het Nederlandse recht een lange ontwikkeling doorgemaakt. Begin 20e eeuw was het nog niet duidelijk, of ook nalaten tot aansprakelijkheid kon leiden. Destijds werd de wet erg letterlijk uitgelegd, en de wet sprake niet van nalaten. Een waterschade doordat een jongedame uit Zutphen weigerde de hoofdwaterleiding af te sluiten, die in haar woning zat, leidde ertoe dat de Hoge Raad in 1910 besliste, dat ook verwijtbaar nalaten onder het begrip van de onrechtmatige daad kon vallen.

    Verruiming van het begrip onrechtmatig

    Ook was aanvankelijk niet duidelijk, wat onder ‘onrechtmatig’ moest worden verstaan. Men vond, dat dit moest worden opgevat als ‘onwetmatig’. In 1919 breidde de Hoge Raad dit uit tot ‘maatschappelijk onbetamelijk’ in het befaamde arrest Lindenbaum/Cohen. Het ging daarbij om een geval van onrechtmatige concurrentie. Een drukker nam de medewerker van zijn concurrent in dienst, en kon zo misbruik maken van vertrouwelijke bedrijfsinformatie van zijn concurrent.

    Dus ook als het handelen (of nalaten) niet letterlijk in de wet stond, maar wel als onrechtmatig beschouwd moest worden, en dit handelen tot schade leidde, dan viel dit onder de onrechtmatige daad.

    Elementen van de onrechtmatige daad naar Nederlands recht

    Er moet dus naar Nederlands recht aan een aantal voorwaarden worden voldaan om een vordering uit onrechtmatige daad geldend te kunnen maken.

    • een handelen of nalaten
    • dat onrechtmatig is
    • waardoor schade ontstaat (causaliteit)
    • die aan de dader kan worden toegerekend (verwijtbaarheid)

    Relativiteitsvereiste (Schutnorm)

    Aan deze eisen is nog een vereiste toegevoegd: het relativiteitsvereiste. Voor het aannemen van een onrechtmatige daad is ook vereist, dat de geschonden norm (de onrechtmatigheid) moet strekken tot bescherming van het geschade belang.

    Een eenvoudig voorbeeld is de situatie, waarbij in strijd met een overheidsvergunning wordt gehandeld. Als de vergunning een ander belang beschermt, dan kan iemand die zich benadeeld voelt door het handelen in strijd met de vergunning zich daar niet op beroepen. Een bouwvergunning heeft bij voorbeeld tot doel om de bouwveiligheid te verzekeren.

    Een vordering uit onrechtmatige daad door de buurman, die bezwaar heeft tegen een aanbouw, kan dus niet (enkel) op het ontbreken van een bouwvergunning worden gebaseerd.

    Omgekeerd kan het ontbreken van een vergunning, of – in een andere situatie – een strafrechtelijke of een tuchtrechtelijke veroordeling, in sommige gevallen wel bijdragen aan het vaststellen van de onrechtmatigheid in het kader van een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad.

    Verdieping onrechtmatige daad

    Wil je meer te weten komen over het leerstuk van de onrechtmatige daad? Je kunt de wettelijke bepalingen over de onrechtmatige daad en de toelichting daarop vinden in de Kennisbank. Ga naar verdieping onrechtmatige daad.

    Specialisten

    Hier komen visitekaartjes van specialisten in dit rechtsgebied

    HIER UW VISITEKAARTJE?

    Terug naar Kennisbank

    Bron van Juridische Kennis