Lastgeving (Afd. 2, Titel 7, Boek 7 B.W.)

Lastgeving (Afd. 2, Titel 7, Boek 7 B.W.)

Inleiding lastgeving

In Afd. 2, Titel 7, Boek 7 B.W. is een bijzondere vorm van de overeenkomst van opdracht geregeld: de lastgeving. Dit is de overeenkomst waarbij de opdrachtnemer de verplichting op zich neemt om een rechtshandeling voor een ander te verrichten. De Afdeling omvat 11 artikelen (art. 7:414 B.W. tot en met art. 7:424 B.W.).

Definitie lastgeving

In art. 7:414 B.W. wordt lastgeving als volgt gedefinieerd:

“Lastgeving is de overeenkomst van opdracht waarbij de ene partij, de lasthebber, zich jegens de andere partij, de lastgever, verbindt voor rekening van de lastgever een of meer rechtshandelingen te verrichten.”

Het kan daarbij om allerlei uiteenlopende rechtshandelingen gaan.

Handelen namens de principaal of in eigen naam

De lastgeving kan zijn met volmacht, d.w.z. om de rechtshandeling uit naam van de opdrachtgever te doen, of zonder volmacht: de lastgever verricht de rechtshandeling dan in eigen naam (art. 7:414 lid 2 B.W.). De rechtshandelingen worden echter verricht voor rekening van de lastgever.

Wanneer de lastnemer onvoldoende duidelijk maakt niet in eigen naam te handelen, kan dit tot gevolg hebben dat hij – onbedoeld – zichzelf bindt. Een geval als dit deed zich voor in Rb. Rotterdam 11 juni 2008 (Eurotransit). De tussenpersoon had onvoldoende duidelijk aangegeven of hij zichzelf wilde binden of zijn principaal. Daardoor moest hij zelf op grond van art. 7:406 lid 2 B.W. de kosten aan de door hem ingeschakelde expediteur vergoeden.

De algemene bepalingen inzake de overeenkomst van opdracht zijn ook op de lastgeving van toepassing. Zie ook de pagina Volmacht.

Zie verder de jurisprudentie vermeld op de pagina Rechtshandelingen voor de vraag, hoe bij vertegenwoordiging – zoals door een gevolmachtigde, een commissionair of een makelaar – moet worden vastgesteld wie als contractspartij heeft te gelden, en of de vertegenwoordiger de vordering in rechte moet (mag) instellen of (alleen) de vertegenwoordigde.

Lastgeving in een procedure

In het arrest Gerechtshof Den Haag 9 april 2013 (Eneco Services/NN) overweegt het Hof in r.o. 15:

“Volgens HR 26 november 2004, LJN: AP9665, kan een rechthebbende een derde last geven een vordering op eigen naam in te stellen. Zo’n last brengt in beginsel mee dat die derde ook op eigen naam in rechte kan optreden en dan hoeft de lasthebber niet in de dagvaarding of anderszins te vermelden dat hij ter behartiging van de belangen van een ander optreedt. Pas wanneer het verweer van de wederpartij daartoe aanleiding geeft, dient de lasthebber te stellen en zonodig te bewijzen dat hij uit hoofde van lastgeving bevoegd is op eigen naam ten behoeve van de rechthebbende op te treden. Die situatie doet zich hier voor. Het is dan ook aan Eneco Services om het bestaan van lastgeving te stellen en zonodig te bewijzen”.

Zie ook de hierna vermelde uitspraak (ook inzake Eneco) van Rb. Rotterdam d.d. 16 juli 2010. En het arrest van de Hoge Raad d.d. 16 november 2018 (Mondial Keukens/Euretco) vermeld op de pagina Algemene bepalingen dagvaardingszaken.

Uitleg overeenkomst tot cessie ter incasso

Voor de vraag, hoe een “Cessie ter incasso” moet worden uitgelegd, moet worden gekeken naar de inhoud van de gemaakte afspraken. Zo kan daarmee overdracht van de vordering beoogd zijn (een daadwerkelijke cessie van de vordering), maar er kan ook slechts sprake zijn van een – al dan niet privatieve – lastgeving aan een derde om een vordering te innen namens de inningsbevoegde.

Dit deed zich voor in de kwestie die leidde tot het arrest Hof Leeuwarden d.d. 1 februari 2009 (gemachtigde ING Bank/Provinsje Fryslân). Daar was door de pandhouder ING Bank een cessie ter incasso verstrekt aan de eisende partij in die procedure. Het Hof stelde vast, dat dit niet per se een overdracht van de vordering inhield, te meer daar de pandhouder weliswaar inningsbevoegd is, maar de vordering niet kan overdragen.

Het Hof verwijst daarbij naar oudere rechtspraak van de Hoge Raad:

“Gelet op HR 21 oktober 1983, NJ 1984, 254, 28 oktober 1988, NJ 1989, 83 en 3 mei 1991, NJ 1992, 229 kan een schuldeiser – al dan niet met gebruik van de term cessie ter incassoaan een ander de last geven zijn vordering in eigen naam te innen en kan deze lasthebber deze vordering ook in rechte in eigen naam innen.

Op dezelfde wijze komt ook aan een pandhouder van vorderingen – zoals ING in het onderhavige geval – deze bevoegdheid tot lastgeving toe.

Voor de vraag of de tussen ING en de lasthebber gesloten overeenkomst tot “cessie ter incasso” een last inhoudt om de desbetreffende vorderingen in eigen naam te innen, komt het ingevolge HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze “cessie ter incasso” mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Voldoende duidelijk is dat met deze “cessie ter incasso” geen overdracht van de desbetreffende vorderingen is beoogd; een dergelijke overdracht is ook niet mogelijk: ING is immers niet de schuldeiser van deze vorderingen, maar (slechts) pandhouder daarvan. Aldus houdt deze “cessie ter incasso” de last in de desbetreffende aan ING verpande vorderingen door de lasthebber in eigen naam te innen.

Overigens volgt uit deze “cessie ter incasso” niet dat deze last met privatieve werking aan de lasthebber is verleend. Dit betekent dat na deze lastgeving ook pandhouder ING nog inningsbevoegd is.”

Rechtspraak

Gerechtshof Den Haag 9 april 2013 (Eneco Services/NN) – een derde kan op eigen naam in rechte optreden. Dan hoeft de lasthebber niet in de dagvaarding dat hij ter behartiging van de belangen van een ander optreedt. Pas wanneer het verweer van de wederpartij daartoe aanleiding geeft, dient de lasthebber te stellen en zonodig te bewijzen dat hij uit hoofde van lastgeving bevoegd is op eigen naam ten behoeve van de rechthebbende op te treden.

Rechtbank Rotterdam 16 juli 2010 (Eneco) – Eneco Services moet de lastgeving aantonen waaruit blijkt dat zij namens Eneco Retail in rechte mag optreden. Het belang van de gedaagde ligt daarin dat deze niet tweemaal voor de zelfde vordering kan worden aangesproken.

Rb. Rotterdam 11 juni 2008 (Eurotransit) – (art. 7:406 lid 2 B.W.) aansprakelijkheid opdrachtgever voor kosten expediteur. Tussenpersoon had onvoldoende duidelijk aangegeven of hij zichzelf bond of zijn principaal.

Auteur & Last edit

[MdV, 19-10-2018]

0 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 5 (0 votes, average: 0,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.