LawyrupBurgerlijk wetboekAlgemeen deel vermogensrecht (Boek 3 B.W.)Rechtshandelingen (Titel 2, Boek 3 B.W.)

Rechtshandelingen (Titel 2, Boek 3 B.W.)

Inleiding rechtshandelingen

Titel 2, Boek 3 B.W. (art. 3:32 B.W. t/m art. 3:59 B.W.) bevat een aantal bepalingen inzake “rechtshandelingen”. Een definitie van “rechtshandeling” staat niet in de wet. De Titel gaat meer over wie bevoegd zijn rechtshandelingen te verrichten, en in welke gevallen rechtshandelingen zonder gevolg blijven (nietig zijn) of vernietigd kunnen worden.

Eenzijdige en meerzijdige rechtshandelingen

Men onderscheidt in twee verschillende soorten rechtshandelingen: éénzijdige rechtshandelingen en meerzijdige. De éénzijdige worden weer onderscheiden in “gerichte” en “niet-gerichte” rechtshandelingen. Een voorbeeld van een éénzijdige gerichte rechtshandeling is de opzegging van een overeenkomst. De verklaring van degeen die deze handeling verricht (met beëindiging van de overeenkomst als beoogd rechtsgevolg) moet worden gericht tot een geadresseerde: de wederpartij bij die overeenkomst. Een voorbeeld van een éénzijdige niet-gerichte rechtshandeling is het opmaken van een testament.

Bekwaam versus bevoegd

Art. 3:32 B.W. begint in lid 1 meteen met te bepalen, wie “bekwaam” is rechtshandelingen te verrichten: iedere natuurlijke persoon, behoudens wettelijke uitzonderingen (bvb. minderjarigen). Iemand die “bekwaam” is rechtshandelingen te verrichten is volgens de wet iemand, die juridisch in staat is rechtshandelingen te verrichten. “Bekwaam” is te onderscheiden van “bevoegd”. Iemand kan bekwaam zijn, maar onbevoegd een bepaalde rechtshandeling te verrichten, bvb. omdat die ziet op een object dat hem niet toebehoort. Onbekwaam is een algemene hoedanigheid: dit is het in zijn algemeenheid juridisch niet in staat zijn geldige rechtshandelingen te verrichten. Minderjarigen of onder curatele gestelde personen (niet zijnde failliete personen) zijn onbekwaam.

Definitie rechtshandeling

Een rechtshandeling is een handeling die iemand uitvoert met de bedoeling een bepaald rechtsgevolg tot stand te brengen.

Art. 3:33 B.W. bepaalt daarom:

“Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard”.

Het Nederlandse recht vereist – uitzonderingen daargelaten – voor een rechtshandeling niet een bepaalde vorm. Zo lang er maar een wilsuiting is, gericht op een rechtsgevolg, dan is er sprake van een rechtshandeling (art. 3:37 lid 1 B.W.). Een uitzondering is bvb. het leveren van aandelen of onroerend goed: dat moet via een notaris. Wanneer een bepaalde vorm is voorgeschreven, en die niet in acht genomen is, dan is de rechtshandeling nietig: de rechtshandeling heeft dan geen “rechtsgevolg” (art. 3:39 B.W.). Oftewel de rechtshandeling heeft geen effect en heeft te gelden als niet te zijn gedaan. Het beoogde effect blijft uit.

Wel kunnen er zich problemen voordoen, als de wilsuiting niet schriftelijk of op een andere manier is vastgelegd. Er kan dan onduidelijkheid ontstaan, wat er precies gezegd (geuit) is en wat het beoogde rechtsgevolg was.

Ontvangst van de verklaring

Om effect te hebben moet een verklaring ook aankomen bij de geadresseerde. Art. 3:37 lid 3 en 4 B.W. geven een regeling voor de overbrenging van de wil, en wat daarbij mis kan gaan. Lid 5 regelt intrekking.

Wil en verklaring; vertrouwen

In de praktijk ontstaan er dikwijls problemen over discrepanties tussen wil en verklaring (“dat heb ik niet bedoeld”). De art. 3:34 t/m 36 B.W. geven een regeling voor de situatie waarin de verklaring niet overeenstemde met de wil van degeen die de rechtshandeling verrichte. Art. 3:34 B.W. bepaalt dat een rechtshandeling die steunt op een geestelijke stoornis vernietigbaar is. Betreft het een eenzijdige rechtshandeling, dan is deze nietig.

Degeen die echter redelijkerwijs en te goeder trouw op een verklaring mocht gaan, kan degeen die de handeling verrichtte daaraan houden (art. 3:35 B.W. en art. 3:36 B.W.). Zie ook Hof Den Bosch d.d. 7 augustus 2018, in welke procedure werd aangevoerd dat de koper mocht afgaan op de mededeling van een lid van de Raad van Toezicht, dat de verkoop was goedgekeurd (waardoor aan de opschortende voorwaarde voldaan zou zijn). Die vlieger ging niet op, omdat in de statuten van de verkopende instelling staat, dat een dergelijke toestemming altijd schriftelijk dient te geschieden.

Vraag wie contractspartner is

De wils- en vertrouwensleer is ook van belang voor de vraag, wie de wederpartij bij een overeenkomst is. In de uitspraak van Rb. Rotterdam d.d. 8 juli 2016 (Maersk c.s./Ship-Road Rotterdam) kwam deze vraag aan de orde. Aan de hand van de feiten (waaronder de overeenkomst, facturen en andere schriftelijke vastleggingen) komt de rechtbank tot de slotsom, dat de eiseres als wederpartij van Ship-Road Rotterdam moet worden aangemerkt en haar cessionaris Maersk Line S/A bevoegd is haar vordering in rechte te innen. Het feit, dat de facturen waren verzonden door Maersk Line Netherlands B.V. deed daar niet aan af, omdat daarbij duidelijk was vermeld dat zij dit deed “as agent” van de (oorspronkelijk) eiseres. Verder stelde de rechtbank aan de hand van de tekst van de Cargadoorsvoorwaarden (die mede van belang waren voor de overeenkomst) vast, dat daarin niet bedoeld was, dat aan de agent als lasthebber een privatieve last werd verleend in de zin van art. 7:423 B.W..

De rechtbank vermeldde daarbij drie arresten van de Hoge Raad(r.o. 3.6 ) en baseerde daarop haar oordeel. Het arrest HR 11 maart 1977 (Kribbebijter), het arrest HR 26 juni 2009 (Koper/Makelaardij Sneek) over een bemiddelingsopdracht aan een makelaar en HR 5 september 2009 (Tulip Air Lease).

Hierna worden deze arresten behandeld.

HR 11 maart 1977 (Kribbebijter)

Het arrest HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521 (Kribbebijter) ging over een commissionair die (volgens art. 78 WvK oud) een paard gekocht had voor een Duitse opdrachtgever. Dit paard bleek een gebrek te hebben (het was een zgn. kribbebijter). De commissionair dagvaardde daarop de verkoper wegens wanprestatie (subsidiair verborgen gebrek). Een commissionair is een tussenpersoon die in eigen naam overeenkomsten sluit, maar voor rekening van een opdrachtgever. De verkoper stelde met de commissionair geen overeenkomst te hebben, zodat diens vordering volgens hem afgewezen, althans niet-ontvankelijk verklaard moest worden.

De Hoge Raad beantwoordde de volgende twee vragen.

(1) met wie was de contractspartij de overeenkomst in eigen naam aangegaan?  De Hoge Raad overwoog daarover:

“Voor het antwoord op de vraag of iemand bij het aangaan van een overeenkomst op eigen naam is opgetreden, hangt af van hetgeen hij en die ander daarover jegens elkaar hebben verklaard en wat zij over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden.”

De Hoge Raad voegt daaraan toe, dat aan het aangaan van een overeenkomst op eigen naam niet in de weg hoeft te staan, dat de wederpartij wist, dat hij handelde in opdracht van een derde.

Dus hoewel de verkoper wist, dat de commissionair voor een ander kocht (de opdrachtgever was namelijk ook nog naar het paard komen kijken), kan de overeenkomst nog steeds – zoals eigen is aan de rol van commissionair – door de commissionair worden gesloten op diens eigen naam. Dat art. 79 WvK (oud) ook de mogelijkheid toelaat dat de commissionair contracteert op naam van diens opdrachtgever betekent niet dat hij evengoed in eigen naam kan contracteren.

(2) kan de middellijk vertegenwoordiger die in eigen naam, maar in opdracht gecontracteerd heeft, zelf tegen de wederpartij een vordering instellen wegens wanprestatie?

Logischerwijs vloeit hieruit ook voort, dat degeen die aldus in eigen naam – maar in opdracht – een overeenkomst is aangegaan, op basis van die overeenkomst zelf een vordering tegen de wederpartij bij die overeenkomst kan instellen, zoals een vordering uit toerekenbare tekortkoming (oftewel wanprestatie).

De Hoge Raad voegt daaraan toe:

“daarbij maakt het geen verschil,  of deze partij de schade in eigen vermogen lijdt, dan wel de vordering uitsluitend of mede instelt ten behoeve van haar opdrachtgever teneinde vergoeding van de door deze geleden schade te verkrijgen.”

Bemiddelingsopdracht makelaar

In het arrest HR 26 juni 2009 (Koper/Makelaardij Sneek) ging het om een teleurgestelde koper, die de makelaar aansprakelijk hield voor het niet doorgaan van een verkoop van onroerend goed.

HR 26 juni 2009 (Koper/Makelaardij Sneek)

In dit arrest HR 26 juni 2009 (Koper/Makelaardij Sneek) hield een teleurgestelde koper een makelaar aansprakelijk voor het niet doorgaan van een verkoop van onroerend goed, waarvan de Koper meende dat die al rond was. Hof en Hoge Raad wezen er op, dat de opdracht aan een makelaar tot bemiddeling bij de verkoop van een onroerende zaak geen volmacht inhoudt, aan die makelaar tot het sluiten van een koopovereenkomst; daarmee wordt evenmin de schijn van bevoegdheid van de makelaar gewekt (aldus ook het in het arrest vermelde arrest HR 9 augustus 2002, NJ 2002, 543).

Voor het antwoord op de vraag, of de Koper mocht menen dat er een overeenkomst tot stand was gekomen, overwoog de Hoge Raad (in navolging van de wils- en vertrouwensleer):

“Het antwoord op de vraag of met elkaar onderhandelende partijen een overeenkomst hebben gesloten, is ervan afhankelijk wat zij jegens elkaar hebben verklaard, en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen behoort de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden.”

Tegen de achtergrond van de juridische status van een makelaar die op basis van een bemiddelingsopdracht handelt, had de koper dus niet mogen aannemen dat de verkoop al een feit was. Ondanks de door de makelaar geuite felicitaties.

Alleen dan, wanneer de makelaar zou hebben opgetreden als pseudo-vertegenwoordiger, zou hij op de voet van art. 3:70 B.W. zelf aansprakelijk zijn geworden. De Hoge Raad (r.o. 3.4.2):

“Wanneer de makelaar, hoewel daartoe niet bevoegd, zich zodanig gedraagt dat de wederpartij (bieder) daaruit mag afleiden dat de makelaar als gevolmachtigde van de opdrachtgever handelt, bindt hij zijn opdrachtgever in beginsel niet en wordt hij tegenover de wederpartij schadeplichtig op de voet van art. 3:70 BW. In het handelsverkeer moet men immers erop kunnen rekenen dat iemand die een kwaliteit opgeeft, deze bezit (vgl. T-M bij art. 3:70, Parl. Gesch. Boek 3, blz. 283).”

Maar dat deed volgens de i.c. vastgestelde feiten hier niet voor volgens de Hoge Raad.

Geen toerekening aan volmachtnemer privé

In HR 5 september 2009 (Tulip Air Lease) stelde de eisende partij in de procedure, dat hij met een directeur van Tulip Air Lease in persoon had gecontracteerd. Hij wilde de koopsom op hem verhalen, omdat Tulip Air Lease zelf gefailleerd was.

HR 5 september 2009 (Tulip Air Lease)

In het arrest HR 5 september 2009 (Tulip Air Lease) was mede aan de orde de stelling van de eisende partij, dat degeen met wie hij gecontracteerd had (een directeur van Tulip) in eigen naam gecontracteerd zou hebben. De eiser was benadeeld doordat de koopsom die hij betaald had, terecht was gekomen in het faillissement van Tulip Air zonder dat er geleverd was.

De Hoge Raad vindt de overwegingen van het Hof niet onbegrijpelijk. Het Hof had zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank:

“Gelet op de hiervoor geschetste voorgeschiedenis waaruit blijkt dat de directeur in dit kader nooit in privé handelde, kan niet worden gezegd dat de directeur, door de volmachten zelf te ondertekenen zonder daarbij te vermelden dat hij optrad in zijn hoedanigheid van directeur van een Tulip-vennootschap, de indruk heeft gewekt dat hij in privé handelde.”

De Hoge Raad (in r.o. 3.4.3) overwoog – verwijzend naar het Kribbebijter-arrest:

“Voor zover het onderdeel betoogt dat het antwoord op de vraag of de directeur in privé dan wel als bestuurder handelde, (mede) afhangt van de hoedanigheid waarin hij zich tegenover derden heeft gepresenteerd, faalt het. Het gaat hier om de vraag of de directeur door de koper in privé gevolmachtigd was dan wel gevolmachtigd was in zijn hoedanigheid van bestuurder van Tulip-vennootschappen, derhalve om de status van de directeur in zijn verhouding tot de koper, die hem in deze procedure aansprakelijk stelt wegens overschrijding van de volmacht. Die vraag dient beantwoord te worden aan de hand van hetgeen de betrokkenen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden.

(…)

De vraag op welke wijze [verweerder] zich daarna tegenover derden heeft gepresenteerd is vooral van belang voor de vraag naar gebondenheid jegens die derden en is voor het onderhavige geschilpunt hooguit van zijdelingse betekenis.”

Overigens was de directeur om andere redenen mogelijk wel aansprakelijk, maar dat betreft een andere rechtsvraag.

Nietigheid en vernietigbaarheid

De wet maakt een onderscheid tussen nietige rechtshandelingen en de vernietiging van rechtshandelingen.

Nietige rechtshandelingen

Van een aantal rechtshandelingen bepaalt de wet, dat deze nietig zijn. Wanneer dergelijke rechtshandelingen worden verricht, dan hebben zij rechtens derhalve geen effect: het beoogde rechtsgevolg blijft uit (art. 3:39 B.W.).

Vernietigbare rechtshandelingen

Op zichzelf geldige (d.w.z. niet krachtens de wet nietige) rechtshandelingen kunnen door een partij worden vernietigd. De wet geeft daarvoor een aantal gronden.

Strijd met de goede zeden of de openbare orde

Een rechtshandeling, die in strijd is met de goede zeden of de openbare orde, is krachtens de wet nietig (art. 3:40 B.W.). Als voorbeeld kan worden gegeven een overeenkomst met een crimineel oogmerk: bvb. een afspraak om te gaan inbreken, of de opdracht tot een huurmoord. Soms kan het ingewikkelder zijn om vast te stellen of een overeenkomst (of andere rechtshandeling) op grond van art. 3:40 B.W. nietig is. Bij voorbeeld als een overeenkomst in strijd is met vergunningsvoorschriften.

Wilsgebreken; dwang, bedrog en misbruik van omstandigheden

De rechtshandeling kan ook om andere redenen gebrekkig zijn, doordat een omstandigheid van buitenaf de wil bij het bereiken van wilsovereenstemming onzuiver heeft beïnvloed. Degeen die de rechtshandeling verrichte kan dit hebben gedaan onder dwang (bedreiging), door bedrog of doordat de wederpartij misbruik heeft gemaakt heeft van diens lichtvaardigheid, een bepaalde geestestoestand of abnormale onervarenheid (misbruik van omstandigheden). In die gevallen is de rechtshandeling vernietigbaar. Art. 3:44 B.W. regelt deze vernietigingsgronden. Deze vernietigingsgronden kunnen niet worden ingeroepen jegens een wederpartij, die niet bekend was met dit feit en de oorzaak ligt bij een derde (lid 5). Bij de wederkerige overeenkomsten bestaat daarnaast de vernietigingsgrond van dwaling(zie de pagina Totstandkoming van overeenkomsten).

Bedreiging

Bedreiging is aanwezig, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door onrechtmatig deze of een derde met enig nadeel in persoon of goed te bedreigen. De bedreiging moet zodanig zijn, dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed (lid 2).

Bedrog

Bedrog is aanwezig, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat degeen die verzweeg verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep (lid 3). Aanprijzingen in algemene bewoordingen, ook al zijn ze onwaar, leveren op zichzelf geen bedrog op.

Ontslagrecht staat niet in de weg aan vernietiging arbeidsovereenkomst wegens bedrog

In het arrest HR 7 februari 2020 (vernietiging arbeidsovereenkomst psychotherapeut) komt helder naar voren, dat de algemene bepalingen van het vermogensrecht doorwerken in de bijzondere contracten, zoals de arbeidsovereenkomst. Dit voorzover de bijzondere regeling dit niet uitsluit. Vernietiging van een arbeidsovereenkomst wegens bedrog bij het aangaan ervan valt echter niet onder het ontslagrecht: het systeem van het ontslagrecht beoogt niet vernietiging wegens de algemene vernietigingsgronden van het vermogensrecht uit te sluiten (zie ook de pagina Einde van de arbeidsovereenkomst).

HR 7 februari 2020 (vernietiging arbeidsovereenkomst psychotherapeut)

Een voorbeeld van de toepasselijkheid van het algemene verbintenissenrecht in benoemde overeenkomsten, zoals in dit geval het arbeidsrecht, biedt de volgende kwestie. In de zaak die leidde tot HR 7 februari 2020 (vernietiging arbeidsovereenkomst psychotherapeut) had de werknemer de werkgever bedrogen bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst. De werknemer had onjuiste informatie verstrekt ten tijde van diens sollicitatie. Diverse beroepsverenigingen waar de werknemer van had gezegd dat hij daar lid van was (geweest) ontkenden dat, en de werknemer stond niet ingeschreven in een BIG-register zoals hij had geclaimd. Ook had hij een relevante opleiding niet gevolgd, anders dan hij had beweerd. De werkgever vernietigde daarop de arbeidsovereenkomst door middel van een buitengerechtelijke verklaring op grond van bedrog, en vorderde op basis van die buitengerechtelijke vernietiging het aan de werknemer betaalde loon terug als onverschuldigd betaald (zie ook de pagina Onverschuldigde betaling). De Kantonrechter wees deze vordering af, overwegende dat wegens de bijzondere aard van de arbeidsovereenkomst en het gesloten ontslagstelsel en gezien de effecten van gehele of gedeeltelijke terugwerkende kracht van een vernietiging, een beroep op buitengerechtelijke vernietiging van een arbeidsovereenkomst op grond van een wilsgebrek slechts in zeer beperkte mate is toegestaan. Een dergelijke buitengerechtelijke vernietiging is alleen mogelijk als de arbeidsovereenkomst na ontdekking van het bedrog geheel nutteloos blijkt te zijn geworden, omdat de bedongen arbeid niet kan worden uitgevoerd. Aldus de Kantonrechter. Het Hof bevestigt die zienswijze. Het Hof overwoog:

“Het in beginsel gesloten stelsel van het ontslagrecht staat niet in de weg aan buitengerechtelijke vernietiging van een arbeidsovereenkomst wegens bedrog. Wel werkt de bescherming van de werknemer als zwakkere partij in het arbeidsrecht door in het privaatrechtelijke leerstuk van de vernietiging, in die zin dat het hof als extra vereiste voor vernietiging hanteert dat de arbeidsovereenkomst (vrijwel) geheel nutteloos is gebleken.”

De Hoge Raad casseert die beslissing. De Hoge Raad overweegt (r.o. 3.2.1):

“Indien een werknemer een werkgever ertoe beweegt een arbeidsovereenkomst tot stand te doen komen door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat hij verplicht was mede te delen of door een andere kunstgreep, is bedrog aanwezig en kan de werkgever zich beroepen op de (buitengerechtelijke) vernietiging van de arbeidsovereenkomst. In een dergelijk geval beschermt art. 3:44 lid 3 in verbinding met lid 1 BW de werkgever tegen de gevolgen van de onredelijke invloed die de werknemer heeft uitgeoefend op de wil van de werkgever. Het wettelijk stelsel van het ontslagrecht staat daaraan niet in de weg, omdat dat niet strekt tot bescherming van een werknemer die bedrog pleegt bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst.”

Niet juist is verder de door het Hof – en de Kantonrechter – gehanteerde voorwaarde, dat de arbeidsovereenkomst (vrijwel) geheel nutteloos is gebleken, aldus de Hoge Raad (r.o. 3.2.2.):

“Uit art. 3:44 lid 3 BW volgt niet de eis dat de arbeidsovereenkomst (vrijwel) geheel nutteloos is gebleken, zodat het kunnen slagen van een beroep op (buitengerechtelijke) vernietiging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrog daarvan niet afhankelijk mag worden gesteld.”

De rechter kan – als hij daar aanleiding toe ziet – de gevolgen van de vernietiging corrigeren met gebruikmaking van het bepaalde in art. 3:53 lid 2 B.W.. De rechter kan aan de vernietiging – als die bezwaarlijk ongedaan gemaakt kan worden – geheel of gedeeltelijk haar werking ontzeggen, of hij kan de partij die onredelijk wordt bevoordeeld de verplichting tot schadevergoeding opleggen. Ook kan de rechter gebruik maken van de bepalingen inzake ongerechtvaardigde verrijking om de gevolgen van de vernietiging te mitigeren. De Hoge Raad (r.o. 3.2.2 tweede zinsnede):

“Indien de arbeidsovereenkomst voordeel heeft opgeleverd voor de werkgever, kan daarmee rekening worden gehouden bij de hiervoor in 3.2.1 bedoelde toepassing van art. 3:53 lid 2 BW en van de regeling vervat in de afdeling omtrent onverschuldigde betaling in Boek 6 BW.”

De overweging in r.o. 3.2.1, waarnaar hier wordt verwezen, luidt:

“Daarbij verdient opmerking dat a) de rechter ingevolge art. 3:53 lid 2 BW desgevraagd aan de vernietiging geheel of ten dele haar werking kan ontzeggen als de reeds ingetreden gevolgen van de arbeidsovereenkomst bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden, en b) de in geval van vernietiging toepasselijke afdeling omtrent onverschuldigde betaling in Boek 6 BW ertoe strekt de wederzijdse verplichtingen tot ongedaanmaking van hetgeen onverschuldigd is betaald, toe te snijden op de feiten en omstandigheden van het voorliggende geval.”

Misbruik van omstandigheden

Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden (lid 4).

Pauliana

Een specifieke vernietigingsgrond is daarnaast de zgn. “actio Pauliana” (of ook wel kortweg “Pauliana”): de actie om op te komen tegen het onttrekken van goederen aan verhaal. Onttrekking van goederen aan het vermogen van de schuldenaar, met als gevolg dat andere schuldeisers zich daar niet meer op grond van art. 3:277 B.W. op kunnen verhalen, heet “verhaalsonttrekking”.

De benadeelde schuldeiser (of meerdere schuldeisers) kan op grond van art. 3:45 e.v. B.W. de rechtshandeling, die tot de benadeling geleid heeft, vernietigen. Zie ook de pagina Faillissementspauliana, die vergelijkbaar is (maar deels specifieker is en strekt ten behoeve van de curator).

Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van benadeling moet een denkbeeldige vergelijking gemaakt worden tussen de situatie zoals deze geweest zou zijn zonder de gewraakte rechtshandeling en de situatie zoals die thans is na die rechtshandeling. Bij dit gedachtenexperiment moeten alle rechtshandelingen in hun samenhang worden bezien (zie het Air Holland arrest vermeld bij de faillissementspauliana). Je mag dus niet één element uit dit samenstel van rechtshandelingen lichten en die rechtshandeling als benadeling aanmerken, wanneer dit in het geheel bezien niet tot dezelfde conclusie leidt.

Belangrijk is dat het inroepen van de vernietiging bij een meerzijdige rechtshandeling tot alle bij die rechtshandeling(en) betrokken partijen wordt gericht.

Verder is belangrijk dat als de vernietiging betrekking heeft op een leveringshandeling (bvb. bij onroerend goed: de notariële akte), niet alleen de vernietiging van die rechtshandeling (de levering) wordt ingeroepen maar ook van de titel waarop die levering gebaseerd is (bvb. koopovereenkomst). Bij gebreke daarvan faalt de Pauliana. Voor een voorbeeld zie Rb. Oost Brabant 24 maart 2013 (ex-vrouw/ex-man) (r.o. 4.6).

Voor een geslaagd inroepen van de vernietiging van een rechtshandeling op grond van de Pauliana is een aantal vereisten van belang.

Benadeling

De schuldeiser moet door de gewraakte rechtshandeling zijn benadeeld in diens verhaalsmogelijkheden. De schuldeiser moet dit aantonen (gemotiveerd stellen en bewijzen). Zonder nadeel geen vernietiging. Voor een voorbeeld van een uitspraak over de Pauliana zie Rb. Rotterdam 5 oktober 2016 (verkoper portefeuille/bestuurder Safe Holding B.V. c.s.). In deze casus leidde dat ertoe dat een deel van de rechtshandelingen wel, en een deel niet als Paulianeus werd aangemerkt.

Peildatum benadeling

De vraag, of de schuldeiser benadeeld is moet worden bezien vanuit het moment waarop de vordering van de schuldeiser vaststaat. Als er dus nog een procedure over die vordering loopt, is het peilmoment voor de vaststelling van benadeling het moment waarop de (definitieve) beslissing over de vordering van de schuldeiser door de rechter is gewezen. Zie het arrest HR 22 september 1995 (Ravast N.V. & Maxfield Investment Ltd./Ontvanger), kenbaar uit Hof Den Bosch 9 februari 2016 (erfgenamen/mr. Maas q.q..

HR 22 september 1995 (NJ 1996, 706) (Ravast N.V. & Maxfield Investment Ltd./Ontvanger)

De Hoge Raad heeft dit reeds beslist in HR 22 september 1995 (NJ 1996, 706) (Ravast N.V. & Maxfield Investment Ltd./Ontvanger). Zoals te kennen uit Hof Den Bosch 9 februari 2016 (erfgenamen/mr. Maas q.q.) (r.o. 4.9), waar het Hof de HR citeert:

“Indien in rechte wordt gestreden over de vraag of de schuldeiser terecht een beroep doet op art. 3:45 lid 1 BW is het, aldus de Hoge Raad (…) met betrekking tot de door dat artikel vereiste benadeling nodig, doch ook voldoende dat zij aanwezig is ten tijde dat omtrent het beroep op die bepaling wordt beslist.

De Hoge Raad grijpt in het arrest uit 1995 zelfs terug naar een nog ouder arrest waarin reeds dezelfde rechtsregel was geformuleerd (nl. HR 23 december 1949, NJ 1950, 262). De benadeling moet aanwezig zijn op het tijdstip, waarop de schuldeiser zijn rechten doet gelden, aldus de Hoge Raad. Daarnaast speelt echter nog een ander peilmoment.

Wetenschap van benadeling

De wetenschap dat sprake is van benadeling dient bij de partijen, die betrokken zijn bij meerzijdige (al dan niet wederkerige) rechtshandeling, te bestaan op het moment waarop de betreffende rechtshandeling wordt verricht. Aldus HR 19 oktober 2001 (NJ 2001, 654) (Belgische eiser/mr. Gilhuis q.q.).

In het hierboven vermelde arrest van Hof Den Bosch overweegt het Hof op basis van die regel van de Hoge Raad dan ook (r.o. 4.10.1):

“Daarmee dient in elk geval de vraag te worden beantwoord of de overeengekomen prijs en de wijze waarop de prijsbepaling is geschied, in overeenstemming is geweest met de rond 2006 heersende opvattingen en het toenmalige prijspeil.”

Kortom voor de wetenschap van benadeling – die aanwezig moest zijn ten tijde van de gewraakte rechtshandeling – is het peilmoment dat van het verrichten van de rechtshandeling. Het zal er dus om gaan, of partijen kunnen voorzien, dat de rechtshandeling tot een benadeling leidt in het geval dat er een schuldeiser zou zijn die verhaal zoekt. Dat is voorzienbaar wanneer bvb. de prijs bij verkoop van een roerend of onroerend goed beduidend onder de marktwaarde ligt, of wanneer de prijs wel marktconform is de wijze van betaling tot een benadeling leidt (bvb. doordat de koper niet hoeft te betalen of zijn vordering met de koopsom kan verrekenen). Vgl. het bij de faillissementspauliana genoemde “Interniber-arrest”.

Of er op dat moment al sprake was van een (voorzienbare) vordering van een schuldenaar, die door de rechtshandeling benadeeld zou kunnen worden, is daarbij niet van belang. Blijkt die er wel te zijn, doordat bij voorbeeld een vordering van die crediteur geruime tijd (zelfs jaren) daarna wordt toegewezen, dan is voor de wetenschap van benadeling het peilmoment echter dat van de handeling.

Rechtshandeling onder tijdsbepaling of onder voorwaarde

Art. 3:38 B.W. bepaalt dat een rechtshandeling onder tijdsbepaling of onder voorwaarde verricht kan worden. Een belangrijke bepaling: de vervulling van de voorwaarde heeft geen terugwerkende kracht.

Vernietiging; verjaringstermijn

Een rechtshandeling kan worden vernietigd door een verklaring gericht tot alle betrokkenen (art. 3:50 B.W.). Dit kan buiten rechte of in rechte (art. 3:49 B.W.).

De verjaringstermijn is geregeld in art. 3:52 B.W.: grosso modo drie jaren vanaf bekendheid met de vernietigbaarheid.

Terugwerkende kracht vernietiging

De vernietiging werkt terug tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht (art. 3:53 lid 1 B.W.). Dat betekent, dat er (voor zover sprake is van wederzijdse prestaties: over en weer) ongedaanmakingsverplichtingen ontstaan, omdat de rechtshandeling met terugwerkende kracht ongedaan wordt gemaakt. Eenvoudig gezegd moet worden teruggegeven wat op basis van de rechtshandeling is gepresteerd (gedaan, geleverd of betaald, of, als de rechtshandeling daartoe verplichtte, is nagelaten).

Lid 2 bepaalt, dat de rechter aan de vernietiging geheel of deels haar werking ontzeggen, wanneer de rechtshandeling bezwaarlijk ongedaan gemaakt kan worden. Ook kan de rechter de partij, die onredelijk zou worden bevoordeeld door de vernietiging een vergoedingsverplichting opleggen aan de andere partij.

Schakelbepaling

Art. 3:59 B.W. sluit Titel 2 af met een schakelbepaling:

“Buiten het vermogensrecht vinden de bepalingen van deze titel overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet”.

Toepassing van de wettelijke regeling inzake rechtshandelingen

De bepalingen inzake rechtshandelingen in Boek 3 B.W. hebben betrekking op alle rechtshandelingen. Dus zowel op eenzijdige (zowel de gerichte als de niet-gerichte) als op meerzijdige rechtshandelingen.

Rechtspraak

Vertrouwen

Hof Den Bosch d.d. 7 augustus 2018 – geen gerechtvaardigd vertrouwen totstandkomen koop op basis van informele mededeling van een lid van Raad van Toezicht

Hoge Raad 28 november 2014 (Snippers q.q./Rabobank)

Pauliana

Rb. Rotterdam 5 oktober 2016 (verkoper portefeuille/bestuurder Safe Holding B.V. c.s.). Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van benadeling moet een denkbeeldige vergelijking gemaakt worden tussen de situatie zoals deze geweest zou zijn zonder de gewraakte rechtshandeling en de situatie zoals die thans is na die rechtshandeling. In deze casus leidde dat ertoe dat een deel van de rechtshandelingen wel, en een deel niet als Paulianeus werd aangemerkt.

Hof Den Bosch 9 februari 2016 (erfgenamen/mr. Maas q.q.) (r.o. 4.9) – indien in rechte wordt gestreden over de vraag of de schuldeiser terecht een beroep doet op art. 3:45 lid 1 BW is het, aldus de Hoge Raad (…) met betrekking tot de door dat artikel vereiste benadeling nodig, doch ook voldoende dat zij aanwezig is ten tijde dat omtrent het beroep op die bepaling wordt beslist.

Rb. Oost Brabant 24 maart 2013 (ex-vrouw/ex-man) (r.o. 4.6) – als de vernietiging betrekking heeft op een leveringshandeling, moet niet alleen de vernietiging van die rechtshandeling (de levering) worden ingeroepen maar ook van de titel waarop die levering gebaseerd is (bvb. de koopovereenkomst). Bij gebreke daarvan faalt de Pauliana.

HR 19 oktober 2001 (NJ 2001, 654) (Belgische eiser/mr. Gilhuis q.q.) – de wetenschap dat sprake is van benadeling dient bij de partijen , die betrokken zijn bij meerzijdige (al dan niet wederkerige) rechtshandeling, te bestaan op het moment waarop de betreffende rechtshandeling wordt verricht.

Bedrog

HR 7 februari 2020 (vernietiging arbeidsovereenkomst psychotherapeut) – het gesloten stelsel van het ontslagrecht staat niet in de weg aan buitengerechtelijke vernietiging van een arbeidsovereenkomst wegens bedrog bij de sollicitatie. Hierbij geldt niet de voorwaarde, dat het dienstverband voor de werkgever geen enkel nut heeft gehad. De vordering tot terugbetaling van het loon kan worden gemitigeerd via art. 53 lid 2 B.W. en/of de regeling van onverschuldigde betaling.

Auteur & last edit

[MdV, 28-12-2017; laatste bewerking 7-02-2020]

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.