LawyrupBurgerlijk wetboekAlgemeen deel vermogensrecht (Boek 3 B.W.)Rechtshandelingen (Titel 2, Boek 3 B.W.)

Rechtshandelingen (Titel 2, Boek 3 B.W.)

Pagina inhoud

Inleiding rechtshandelingen

Titel 2, Boek 3 B.W. (art. 3:32 B.W. t/m art. 3:59 B.W.) bevat een aantal bepalingen inzake “rechtshandelingen”. Een definitie van “rechtshandeling” staat niet in de wet. De Titel gaat meer over wie bevoegd zijn rechtshandelingen te verrichten, en in welke gevallen rechtshandelingen zonder gevolg blijven (nietig zijn) of vernietigd kunnen worden.

Eenzijdige en meerzijdige rechtshandelingen

Men onderscheidt in twee verschillende soorten rechtshandelingen: éénzijdige rechtshandelingen en meerzijdige. De éénzijdige worden weer onderscheiden in “gerichte” en “niet-gerichte” rechtshandelingen. Een voorbeeld van een éénzijdige gerichte rechtshandeling is de opzegging van een overeenkomst. De verklaring van degeen die deze handeling verricht (met beëindiging van de overeenkomst als beoogd rechtsgevolg) moet worden gericht tot een geadresseerde: de wederpartij bij die overeenkomst. Een voorbeeld van een éénzijdige niet-gerichte rechtshandeling is het opmaken van een testament.

Bekwaamheid versus bevoegdheid tot verrichten van rechtshandelingen

Art. 3:32 lid 1 B.W. begint met te bepalen, wie “bekwaam” is rechtshandelingen te verrichten: iedere natuurlijke persoon, behoudens wettelijke uitzonderingen (bvb. minderjarigen). Iemand die “bekwaam” is rechtshandelingen te verrichten is volgens de wet iemand, die juridisch in staat is rechtshandelingen te verrichten.

“Bekwaam” is te onderscheiden van “bevoegd”. Iemand kan bekwaam zijn, maar onbevoegd een bepaalde rechtshandeling te verrichten, bvb. omdat die ziet op een object dat hem niet toebehoort. Onbekwaam is een algemene hoedanigheid: dit is het in zijn algemeenheid juridisch niet in staat zijn geldige rechtshandelingen te verrichten. Minderjarigen of onder curatele gestelde personen (niet zijnde failliete personen) zijn onbekwaam.

Definitie rechtshandeling

Een rechtshandeling is een handeling die iemand uitvoert met de bedoeling een bepaald rechtsgevolg tot stand te brengen.

Art. 3:33 B.W. bepaalt daarom:

“Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard”.

Wil en verklaring; vertrouwen

In de praktijk ontstaan er dikwijls problemen over discrepanties tussen wil en verklaring (“dat heb ik niet bedoeld”). De art. 3:34 t/m 36 B.W. geven een regeling voor de situatie waarin de verklaring niet overeenstemde met de wil van degeen die de rechtshandeling verrichte.

Wilsgebrek door verstoring geestvermogens

Heeft iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord, iets verklaard, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering der bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan (art. 3:34 lid 1 B.W.). Het standaardarrest op dit punt is HR 11 december 1959 (Eelman/Hin). Hoewel daterend van ruim voor de invoering van het NBW in 1992 is dit nog steeds een leidend arrest, dat mede ten grondslag lag aan de thans gecodificeerde regeling.

Een verklaring wordt vermoed onder invloed van de stoornis te zijn gedaan, indien de rechtshandeling voor de geestelijk gestoorde nadelig was, tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijze niet was te voorzien.

Rechtsgevolg verklaring door geestelijke stoornis: vernietigbaarheid

Wanneer sprake is van ontbreken van wil als bedoeld in art. 3:34 lid 1  B.W., dan maakt dit de verrichte rechtshandeling vernietigbaar (art. 3:34 lid 2 B.W.).

Een eenzijdige rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen gericht was, wordt door het ontbreken van wil echter nietig. De ratio hiervan is, dat niemand hier veel last van heeft c.q. er geen concreet belang is aan te wijzen, waarom iemand zich hiertegen zou moeten kunnen verweren.

Bescherming van derde te goeder trouw tegen wilsgebrek

Het wilsgebrek moet voor degenen, met wie de wilsgestoorde handelde, wel duidelijk en/of kenbaar zijn. Als uit de persoon, de omstandigheden en de gedragingen van de wilsgestoorde redelijkerwijs niet valt op te maken, dat zijn wil niet overeenstemt met zijn verklaring, dan verbindt de wet aan die ogenschijnlijk normale verklaring het rechtsgevolg dat die verklaring diegene bindt, ook als blijkt later dat de wilsvorming verstoord was en de verklaring dus niet met de wil van die persoon overeenstemde. Derden worden in dat geval beschermd tegen het wilsgebrek.

De wet formuleert dit als volgt (art. 3:35 B.W.):

“Tegen hem die eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, kan geen beroep worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil.”

De norm ‘redelijkerwijs’ is een voor het Burgerlijk Wetboek typerende open norm, die de rechter aan de hand van de omstandigheden van ieder concreet geval kan invullen.

Derdenbescherming inzake het ontstaan, bestaan of tenietgaan van een bepaalde rechtsbetrekking bij opgewekte schijn

Gaat het in het voorgaande artikel om het vertrouwen opgewekt bij het verrichten van een rechtshandeling, ook wanneer iemand afgaat op de schijn die redelijkerwijs ontstaat met betrekking tot het ontstaan, bestaan of tenietgaan van een bepaalde juridische toestand wordt hij daarin beschermd, zo lang eenieder onder die omstandigheden redelijkerwijs tot eenzelfde conclusie zou komen.

Aldus het bepaalde in art. 3:36 B.W.:

“Tegen hem, die als derde op grond van een verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, het ontstaan, bestaan of tenietgaan van een bepaalde rechtsbetrekking heeft aangenomen en in redelijk vertrouwen op de juistheid van die veronderstelling heeft gehandeld, kan door degene om wiens verklaring of gedraging het gaat, met betrekking tot deze handeling op de onjuistheid van die veronderstelling geen beroep worden gedaan.”

Zie ook Hof Den Bosch d.d. 7 augustus 2018, in welke procedure werd aangevoerd dat de koper mocht afgaan op de mededeling van een lid van de Raad van Toezicht, dat de verkoop was goedgekeurd (waardoor aan de opschortende voorwaarde voldaan zou zijn). Die vlieger ging niet op, omdat in de statuten van de verkopende instelling staat, dat een dergelijke toestemming altijd schriftelijk dient te geschieden.

In HR 28 mei 2021 (Yildirim/Hascor) was de vraag aan de orde, of een Hascor, die door een derde was misleid door vervalsing van facturen van Yildirim (het bankrekeningnummer was veranderd), bevrijdend betaald had. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof, dat hierbij hoofdregel is, dat het risico bij de betalende schuldenaar ligt, tenzij hij redelijkerwijs mocht afgaan op de door de vervalste factuur gewekte schijn.

De Hoge Raad verwees in dat kader naar zijn eerdere arrest HR 7 februari 1992 (Kamerman/Aro Lease), waarin een vervalste handtekening aan de orde was. Andere uitspraken over vergelijkbare situaties zijn Gerechtshof Den Bosch van 24 oktober 2017 (vervalste huurfacturen) en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 oktober 2017 (Mees van den Brink Haaksbergen/SAS (Shanghai) Industrial Trading).

Zie ook het blog ‘Is de betaling van een valse factuur na een hack bevrijdend?‘ van mr. S.T.L.A. (Stephan) Mulders (Van Diepen Van der Kroef).

Rechtshandelingen zijn vormvrij

Het Nederlandse recht vereist – uitzonderingen daargelaten – voor een rechtshandeling niet een bepaalde vorm (art. 3:37 lid 1 B.W.). Zo lang er maar een wilsuiting is, gericht op een rechtsgevolg, dan is er sprake van een rechtshandeling. Dit kan zelfs (slechts) een gedraging zijn waaruit een bepaalde – op een rechtsgevolg gerichte – wil naar voren treedt. Dit tenzij de wet – of de tussen partijen gesloten overeenkomst – een bepaalde vorm voorschrijft. Zo kan ook bij voorbeeld het feitelijk uitoefenen van bezit een gedraging zijn, die rechtsgevolg heeft. Bij voorbeeld verkrijgende verjaring.

Wel kunnen er zich problemen voordoen, als de wilsuiting niet schriftelijk of op een andere manier is vastgelegd. Er kan dan onduidelijkheid ontstaan, wat er precies gezegd (geuit) is en wat het beoogde rechtsgevolg was.

Verklaring kan ook via deurwaardersexploot

Als bepaald is dat een verklaring schriftelijk moet worden gedaan, kan zij, voor zover uit de strekking van die bepaling niet anders volgt, ook bij exploit geschieden (art. 3:37 lid 2 B.W.). Het is meteen wat heftig, maar wel duidelijk.

In het hedendaagse rechtsverkeer worden wilsverklaringen – inclusief het aangaan van overeenkomsten – vaak gedaan via e-mail, en zelfs Whatsapp is tegenwoordig een veel gebruikt middel. Deze hebben ook te gelden als ‘schriftelijk’.

Verklaring moet de geadresseerde bereikt hebben om rechtsgevolg te hebben; ontvangstleer

Een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt (art. 3:37 lid 3 B.W.). Als het niet ontvangen aan de ander te wijten is, dan geldt de verklaring toch als aangekomen.

Deze toerekening geldt zowel zijn eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt.

Een voorbeeld van debat over het aankomen van een verklaring bij de geadresseerde biedt Gerechtshof Den Haag 15 maart 2016. Het Hof merkt over een niet ondertekende schriftelijke huuropzegging op:

“Artikel 3:37 lid 3 BW stelt slechts als eis dat de opzegging de wederpartij, moet hebben bereikt. Daarmee is de uitvoering van de eenzijdige rechtshandeling voltooid.

De wet noch het contract schrijven voor – en al helemaal niet op straffe van ongeldigheid – dat een schriftelijke opzegging handgeschreven ondertekend moet zijn.”

In Ktr. Overijssel 8 februari 2022 (vernietiging aankoop 2e hands auto) stelt eiser de koop bij aangetekende brief te hebben ontbonden. Gedaagde zegt die brief niet te hebben ontvangen, omdat hij niet op dat adres staat ingeschreven. Op basis van de omstandigheden – de koper kon uit de gang van zaken bij de verkoop concluderen dat dat wel het adres van de verkoper was, plus de aangetekende brief is opgehaald – kon de koper conform art. 3:37 lid 3 B.W. aannemen dat de brief was aangekomen (r.o. 4.1 en 4.2).

Fout in de overbrenging van de verklaring voor rekening afzender, tenzij

Wanneer een door de afzender daartoe aangewezen persoon of middel een tot een ander gerichte verklaring onjuist heeft overgebracht, geldt het ter kennis van de ontvanger gekomene als de verklaring van de afzender (art. 3:37 lid 4 B.W.).

Dit tenzij de gevolgde wijze van overbrenging door de ontvanger was bepaald.

Intrekking van een verklaring: voor of tegelijk met ontvangst van de wilsverklaring

Intrekking van een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet, om haar werking te hebben, die persoon eerder dan of gelijktijdig met de ingetrokken verklaring bereiken (art. 3:37 lid 5 B.W.).

Voor de (meerzijdige) overeenkomst geeft de wet in Boek 6 B.W. een nadere regeling voor het aanbod en het gestand doen c.q. intrekken daarvan. Zie de pagina Totstandkoming van overeenkomsten – Aanbod en aanvaarding.

Vraag wie contractspartner is

De wils- en vertrouwensleer is ook van belang voor de vraag, wie de wederpartij bij een overeenkomst is. In de uitspraak van Rb. Rotterdam d.d. 8 juli 2016 (Maersk c.s./Ship-Road Rotterdam) kwam deze vraag aan de orde. Aan de hand van de feiten (waaronder de overeenkomst, facturen en andere schriftelijke vastleggingen) komt de rechtbank tot de slotsom, dat de eiseres als wederpartij van Ship-Road Rotterdam moet worden aangemerkt en haar cessionaris Maersk Line S/A bevoegd is haar vordering in rechte te innen. Het feit, dat de facturen waren verzonden door Maersk Line Netherlands B.V. deed daar niet aan af, omdat daarbij duidelijk was vermeld dat zij dit deed “as agent” van de (oorspronkelijk) eiseres. Verder stelde de rechtbank aan de hand van de tekst van de Cargadoorsvoorwaarden (die mede van belang waren voor de overeenkomst) vast, dat daarin niet bedoeld was, dat aan de agent als lasthebber een privatieve last werd verleend in de zin van art. 7:423 B.W..

De rechtbank vermeldde daarbij drie arresten van de Hoge Raad(r.o. 3.6 ) en baseerde daarop haar oordeel. Het arrest HR 11 maart 1977 (Kribbebijter), het arrest HR 26 juni 2009 (Koper/Makelaardij Sneek) over een bemiddelingsopdracht aan een makelaar en HR 5 september 2009 (Tulip Air Lease).

Hierna worden deze arresten behandeld.

HR 11 maart 1977 (Kribbebijter)

Het arrest HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521 (Kribbebijter) ging over een commissionair die (volgens art. 78 WvK oud) een paard gekocht had voor een Duitse opdrachtgever. Dit paard bleek een gebrek te hebben (het was een zgn. kribbebijter). De commissionair dagvaardde daarop de verkoper wegens wanprestatie (subsidiair verborgen gebrek). Een commissionair is een tussenpersoon die in eigen naam overeenkomsten sluit, maar voor rekening van een opdrachtgever. De verkoper stelde met de commissionair geen overeenkomst te hebben, zodat diens vordering volgens hem afgewezen, althans niet-ontvankelijk verklaard moest worden.

De Hoge Raad beantwoordde de volgende twee vragen.

(1) met wie was de contractspartij de overeenkomst in eigen naam aangegaan?  De Hoge Raad overwoog daarover:

“Voor het antwoord op de vraag of iemand bij het aangaan van een overeenkomst op eigen naam is opgetreden, hangt af van hetgeen hij en die ander daarover jegens elkaar hebben verklaard en wat zij over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden.”

De Hoge Raad voegt daaraan toe, dat aan het aangaan van een overeenkomst op eigen naam niet in de weg hoeft te staan, dat de wederpartij wist, dat hij handelde in opdracht van een derde.

Dus hoewel de verkoper wist, dat de commissionair voor een ander kocht (de opdrachtgever was namelijk ook nog naar het paard komen kijken), kan de overeenkomst nog steeds – zoals eigen is aan de rol van commissionair – door de commissionair worden gesloten op diens eigen naam. Dat art. 79 WvK (oud) ook de mogelijkheid toelaat dat de commissionair contracteert op naam van diens opdrachtgever betekent niet dat hij evengoed in eigen naam kan contracteren.

(2) kan de middellijk vertegenwoordiger die in eigen naam, maar in opdracht gecontracteerd heeft, zelf tegen de wederpartij een vordering instellen wegens wanprestatie?

Logischerwijs vloeit hieruit ook voort, dat degeen die aldus in eigen naam – maar in opdracht – een overeenkomst is aangegaan, op basis van die overeenkomst zelf een vordering tegen de wederpartij bij die overeenkomst kan instellen, zoals een vordering uit toerekenbare tekortkoming (oftewel wanprestatie).

De Hoge Raad voegt daaraan toe:

“daarbij maakt het geen verschil,  of deze partij de schade in eigen vermogen lijdt, dan wel de vordering uitsluitend of mede instelt ten behoeve van haar opdrachtgever teneinde vergoeding van de door deze geleden schade te verkrijgen.”

Bemiddelingsopdracht makelaar

In het arrest HR 26 juni 2009 (Koper/Makelaardij Sneek) ging het om een teleurgestelde koper, die de makelaar aansprakelijk hield voor het niet doorgaan van een verkoop van onroerend goed.

HR 26 juni 2009 (Koper/Makelaardij Sneek)

In dit arrest HR 26 juni 2009 (Koper/Makelaardij Sneek) hield een teleurgestelde koper een makelaar aansprakelijk voor het niet doorgaan van een verkoop van onroerend goed, waarvan de Koper meende dat die al rond was. Hof en Hoge Raad wezen er op, dat de opdracht aan een makelaar tot bemiddeling bij de verkoop van een onroerende zaak geen volmacht inhoudt, aan die makelaar tot het sluiten van een koopovereenkomst; daarmee wordt evenmin de schijn van bevoegdheid van de makelaar gewekt (aldus ook het in het arrest vermelde arrest HR 9 augustus 2002, NJ 2002, 543).

Voor het antwoord op de vraag, of de Koper mocht menen dat er een overeenkomst tot stand was gekomen, overwoog de Hoge Raad (in navolging van de wils- en vertrouwensleer):

“Het antwoord op de vraag of met elkaar onderhandelende partijen een overeenkomst hebben gesloten, is ervan afhankelijk wat zij jegens elkaar hebben verklaard, en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen behoort de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden.”

Tegen de achtergrond van de juridische status van een makelaar die op basis van een bemiddelingsopdracht handelt, had de koper dus niet mogen aannemen dat de verkoop al een feit was. Ondanks de door de makelaar geuite felicitaties.

Alleen dan, wanneer de makelaar zou hebben opgetreden als pseudo-vertegenwoordiger, zou hij op de voet van art. 3:70 B.W. zelf aansprakelijk zijn geworden. De Hoge Raad (r.o. 3.4.2):

“Wanneer de makelaar, hoewel daartoe niet bevoegd, zich zodanig gedraagt dat de wederpartij (bieder) daaruit mag afleiden dat de makelaar als gevolmachtigde van de opdrachtgever handelt, bindt hij zijn opdrachtgever in beginsel niet en wordt hij tegenover de wederpartij schadeplichtig op de voet van art. 3:70 BW. In het handelsverkeer moet men immers erop kunnen rekenen dat iemand die een kwaliteit opgeeft, deze bezit (vgl. T-M bij art. 3:70, Parl. Gesch. Boek 3, blz. 283).”

Maar dat deed volgens de i.c. vastgestelde feiten hier niet voor volgens de Hoge Raad.

Geen toerekening aan volmachtnemer privé

In HR 5 september 2009 (Tulip Air Lease) stelde de eisende partij in de procedure, dat hij met een directeur van Tulip Air Lease in persoon had gecontracteerd. Hij wilde de koopsom op hem verhalen, omdat Tulip Air Lease zelf gefailleerd was.

HR 5 september 2009 (Tulip Air Lease)

In het arrest HR 5 september 2009 (Tulip Air Lease) was mede aan de orde de stelling van de eisende partij, dat degeen met wie hij gecontracteerd had (een directeur van Tulip) in eigen naam gecontracteerd zou hebben. De eiser was benadeeld doordat de koopsom die hij betaald had, terecht was gekomen in het faillissement van Tulip Air zonder dat er geleverd was.

De Hoge Raad vindt de overwegingen van het Hof niet onbegrijpelijk. Het Hof had zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank:

“Gelet op de hiervoor geschetste voorgeschiedenis waaruit blijkt dat de directeur in dit kader nooit in privé handelde, kan niet worden gezegd dat de directeur, door de volmachten zelf te ondertekenen zonder daarbij te vermelden dat hij optrad in zijn hoedanigheid van directeur van een Tulip-vennootschap, de indruk heeft gewekt dat hij in privé handelde.”

De Hoge Raad (in r.o. 3.4.3) overwoog – verwijzend naar het Kribbebijter-arrest:

“Voor zover het onderdeel betoogt dat het antwoord op de vraag of de directeur in privé dan wel als bestuurder handelde, (mede) afhangt van de hoedanigheid waarin hij zich tegenover derden heeft gepresenteerd, faalt het. Het gaat hier om de vraag of de directeur door de koper in privé gevolmachtigd was dan wel gevolmachtigd was in zijn hoedanigheid van bestuurder van Tulip-vennootschappen, derhalve om de status van de directeur in zijn verhouding tot de koper, die hem in deze procedure aansprakelijk stelt wegens overschrijding van de volmacht. Die vraag dient beantwoord te worden aan de hand van hetgeen de betrokkenen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden.

(…)

De vraag op welke wijze [verweerder] zich daarna tegenover derden heeft gepresenteerd is vooral van belang voor de vraag naar gebondenheid jegens die derden en is voor het onderhavige geschilpunt hooguit van zijdelingse betekenis.”

Overigens was de directeur om andere redenen mogelijk wel aansprakelijk, maar dat betreft een andere rechtsvraag.

Rechtshandeling onder tijdsbepaling of onder voorwaarde

Art. 3:38 B.W. bepaalt dat een rechtshandeling onder tijdsbepaling of onder voorwaarde verricht kan worden. Een belangrijke bepaling: de vervulling van de voorwaarde heeft geen terugwerkende kracht.

Nietigheid en vernietigbaarheid

De wet maakt een onderscheid tussen nietige rechtshandelingen en de vernietiging van rechtshandelingen.

Nietige rechtshandelingen; wettelijke vormvereisten voor rechtshandelingen

Van een aantal rechtshandelingen bepaalt de wet, dat deze nietig zijn. Wanneer dergelijke rechtshandelingen worden verricht, dan hebben zij rechtens derhalve geen effect: het beoogde rechtsgevolg blijft uit (art. 3:39 B.W.).

Een uitzondering op de regel, dat voor een rechtshandeling geen vorm is vereist, is bvb. het leveren van aandelen of onroerend goed: dat moet via een notaris. Dit geldt ook voor andere registergoederen (art. 3:89 B.W.). Zie de pagina Overdracht van goederen en afstand van beperkte rechten.

Wanneer een bepaalde vorm is voorgeschreven, en die niet in acht genomen is, dan is de rechtshandeling nietig: de rechtshandeling heeft dan geen “rechtsgevolg” (art. 3:39 B.W.). Oftewel de rechtshandeling heeft geen effect en heeft te gelden als niet te zijn gedaan. Het beoogde effect blijft uit.

Vernietigbare rechtshandelingen

Op zichzelf geldige (d.w.z. niet krachtens de wet nietige) rechtshandelingen kunnen door een partij worden vernietigd. De wet geeft daarvoor een aantal gronden.

Strijd met de goede zeden of de openbare orde

Een rechtshandeling, die in strijd is met de goede zeden of de openbare orde, is krachtens de wet nietig (art. 3:40 lid 1 B.W.). Als voorbeeld kan worden gegeven een overeenkomst met een crimineel oogmerk: bvb. een afspraak om te gaan inbreken, of de opdracht tot een huurmoord. Soms kan het ingewikkelder zijn om vast te stellen of een overeenkomst (of andere rechtshandeling) op grond van (art. 3:40 lid 1 B.W.) nietig is. Bij voorbeeld als een overeenkomst in strijd is met vergunningsvoorschriften.

In het arrest HR 16 juli 2021 (Wells/Bariven) had Bariven vernietiging van een arbitraal vonnis gevraagd, omdat de koopovereenkomst waar Wells haar vordering op had gebaseerd door omkoping tot stand was gekomen. Maar daar kwam Bariven niet mee weg: zie de bespreking van dit arrest op de pagina Vernietiging en herroeping arbitraal vonnis. Het werpt wel licht op een voorbeeld van een beroep op nietigheid van een overeenkomst.

Rechtshandeling in strijd met dwingend recht: in principe nietigheid, anders vernietigbaar

Wanneer een rechtshandeling in strijd is met dwingend recht, dan ligt de zaak genuanceerder. In beginsel is een dergelijke rechtshandeling nietig. Wanneer echter de dwingendrechtelijke bepaling uitsluitend strekt ter bescherming van één der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling, dan leidt dit slechts tot vernietigbaarheid (art. 3:40 lid 2 B.W.).

De wet nuanceert dit nog verder door lid 2 te besluiten met: “een en ander voor zover niet uit de strekking van de bepaling anders voortvloeit”. En in art. 3:40 lid 3 B.W. wordt dit nog eens extra onderstreept: “lid 2 heeft geen betrekking op wetsbepalingen die niet de strekking hebben de geldigheid van daarmede strijdige rechtshandelingen aan te tasten”.

Een praktijkvoorbeeld hoe deze bepaling wordt toegepast geeft HR 20 april 1990 (Hupkes/Coster Zonen B.V.) (RvdW, 1990, 86).

Lees meer over HR 20 april 1990 (Hupkes/Coster & Zonen)

Het betrof hier de dwingendrechtelijke regeling van huurbescherming bij bedrijfsruimte (zie ook de pagina Huur bedrijfsruimte) van art. 7:292 lid 1 B.W. (destijds art. 1624 B.W.).

De feiten lagen als volgt: Hupkes had op 1 januari 1972 bedrijfsruimte verhuurd aan Coster Zonen. Daarbij was afgesproken, dat de huur werd aangegaan voor bepaalde tijd, en wel tot drie maanden na het overlijden van de langstlevende van het echtpaar Hupkes-Dufour. Vervolgens zegde de verhuurder (Hupkes) de huur na 12 jaar op. De huurder stelde dat de opzegging niet rechtsgeldig was, omdat de huur was aangegaan voor bepaalde tijd (namelijk tot drie maanden na het overlijden van de langstlevende) en de huur dus gedurende die bepaalde tijd niet opzegbaar was bij gebreke van een tussentijds opzegbeding. De verhuurder stelde, dat het beding inzake het einde van de huurovereenkomst nietig was wegens strijd met dwingend recht, zodat het wettelijk regime van huurbescherming gedurende 5 + 5 jaar moest gelden, waarna de huur gewoon kon worden opgezegd. De wet schrijft voor, dat van de wettelijke regime afwijkende bedingen goedkeuring van de Kantonrechter behoeven (thans art. 7:291 lid 3 B.W., destijds art. 1629 B.W.), die in dit geval niet was gevraagd.

De Hoge Raad overweegt, dat de redenering van de verhuurder niet opgaat. De Hoge Raad anticipeert hierbij op art. 3:40 lid 2 B.W.. De Hoge Raad wijst er op, dat de dwingendrechtelijke bepalingen waar het hier om gaat strekken ter bescherming van de huurder. Er is volgens de Hoge Raad in dat geval geen reden om aan te nemen, dat de verhuurder zich tegenover de huurder kan beroepen op de nietigheid van beding dat van een dwingendrechtelijke regeling afwijkt. Ook is er geen reden om aan de nietigheid, die in beginsel gegeven zou zijn, een verdergaande werking toe te kennen dan nodig is in het kader van de regels van huurbescherming. Tot zover de Hoge Raad.

Vernietiging in plaats van nietigheid bij strijd met dwingend recht

Het leerstuk waar het hier om gaat is dat van partiële nietigheid, conversie, relatieve nietigheid en bekrachtiging (convalescentie). In dit geval was er in feite sprake van “tijdelijke” nietigheid. Volgens de MVA Parl. Geschiedenis Boek 3 B.W. (p. 191 e.v.) kan de rechter ook oordelen, dat er sprake is van vernietigbaarheid, wanneer er sprake is van een bepaling die uitsluitend geschreven is ter bescherming van slechts één van de partijen bij een rechtshandeling. De rechter kan bovendien volgens de MvA bij een vernietigbare handeling toch ambtshalve nietigheid constateren. En tot slot kunnen de eisen van het rechtsverkeer met zich meebrengen, dat een op zichzelf vernietigbare rechtshandeling als geldig moet worden aangemerkt. Dit alles ligt besloten in de woorden “een en ander voor zover niet uit de strekking van de bepaling anders voortvloeit”.

Geldigheid van een rechtshandeling, die op het eerste gezicht nietig of vernietigbaar is, kan bovendien voortvloeien uit lid 3, “op grond van de strekking van de dwingendrechtelijke bepaling”.

Deze regels betreffen de werkingsomvang van de wettelijke regels inzake nietigheid (en de variaties op nietigheid, tot en met geldigheid). In dit geval betreft het de werkingsduur van de regels inzake nietigheid (in het kader van in casu de huurbescherming bij bedrijfsruimte). De relativering van nietigheid die art. 3:40 lid 2 B.W. en art. 3:40 lid 3 B.W. bieden heeft dus een breed toepassingskader. Steeds moet worden gekeken naar de strekking van de dwingendrechtelijke bepalingen. Een nietig beding kan dus – zoals blijkt uit HR 20 april 1990 (Hupkes/Coster Zonen B.V.) – alsnog geldig blijken te zijn, als de strekking van de bepaling (in dit geval dat de huurder tenminste 5 + 5 jaar opzegbescherming geniet) daar niet aan in de weg staat.

Wilsgebreken; dwang, bedrog en misbruik van omstandigheden

De rechtshandeling kan ook om andere redenen gebrekkig zijn, doordat een omstandigheid van buitenaf de wil bij het bereiken van wilsovereenstemming onzuiver heeft beïnvloed. Degeen die de rechtshandeling verrichte kan dit hebben gedaan onder dwang (bedreiging), door bedrog of doordat de wederpartij misbruik heeft gemaakt heeft van diens lichtvaardigheid, een bepaalde geestestoestand of abnormale onervarenheid (misbruik van omstandigheden). In die gevallen is de rechtshandeling vernietigbaar. Art. 3:44 B.W. regelt deze vernietigingsgronden. Deze vernietigingsgronden kunnen niet worden ingeroepen jegens een wederpartij, die niet bekend was met dit feit en de oorzaak ligt bij een derde (lid 5). Bij de wederkerige overeenkomsten bestaat daarnaast de vernietigingsgrond van dwaling(zie de pagina Totstandkoming van overeenkomsten).

Bedreiging

Bedreiging is aanwezig, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door onrechtmatig deze of een derde met enig nadeel in persoon of goed te bedreigen. De bedreiging moet zodanig zijn, dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed (lid 2).

Bedrog

Bedrog is aanwezig, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat degeen die verzweeg verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep (lid 3). Aanprijzingen in algemene bewoordingen, ook al zijn ze onwaar, leveren op zichzelf geen bedrog op.

Ontslagrecht staat niet in de weg aan vernietiging arbeidsovereenkomst wegens bedrog

In het arrest HR 7 februari 2020 (vernietiging arbeidsovereenkomst psychotherapeut) komt helder naar voren, dat de algemene bepalingen van het vermogensrecht doorwerken in de bijzondere contracten, zoals de arbeidsovereenkomst. Dit voorzover de bijzondere regeling dit niet uitsluit. Vernietiging van een arbeidsovereenkomst wegens bedrog bij het aangaan ervan valt echter niet onder het ontslagrecht: het systeem van het ontslagrecht beoogt niet vernietiging wegens de algemene vernietigingsgronden van het vermogensrecht uit te sluiten (zie ook de pagina Einde van de arbeidsovereenkomst).

HR 7 februari 2020 (vernietiging arbeidsovereenkomst psychotherapeut)

Een voorbeeld van de toepasselijkheid van het algemene verbintenissenrecht in benoemde overeenkomsten, zoals in dit geval het arbeidsrecht, biedt de volgende kwestie. In de zaak die leidde tot HR 7 februari 2020 (vernietiging arbeidsovereenkomst psychotherapeut) had de werknemer de werkgever bedrogen bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst. De werknemer had onjuiste informatie verstrekt ten tijde van diens sollicitatie. Diverse beroepsverenigingen waar de werknemer van had gezegd dat hij daar lid van was (geweest) ontkenden dat, en de werknemer stond niet ingeschreven in een BIG-register zoals hij had geclaimd. Ook had hij een relevante opleiding niet gevolgd, anders dan hij had beweerd. De werkgever vernietigde daarop de arbeidsovereenkomst door middel van een buitengerechtelijke verklaring op grond van bedrog, en vorderde op basis van die buitengerechtelijke vernietiging het aan de werknemer betaalde loon terug als onverschuldigd betaald (zie ook de pagina Onverschuldigde betaling). De Kantonrechter wees deze vordering af, overwegende dat wegens de bijzondere aard van de arbeidsovereenkomst en het gesloten ontslagstelsel en gezien de effecten van gehele of gedeeltelijke terugwerkende kracht van een vernietiging, een beroep op buitengerechtelijke vernietiging van een arbeidsovereenkomst op grond van een wilsgebrek slechts in zeer beperkte mate is toegestaan. Een dergelijke buitengerechtelijke vernietiging is alleen mogelijk als de arbeidsovereenkomst na ontdekking van het bedrog geheel nutteloos blijkt te zijn geworden, omdat de bedongen arbeid niet kan worden uitgevoerd. Aldus de Kantonrechter. Het Hof bevestigt die zienswijze. Het Hof overwoog:

“Het in beginsel gesloten stelsel van het ontslagrecht staat niet in de weg aan buitengerechtelijke vernietiging van een arbeidsovereenkomst wegens bedrog. Wel werkt de bescherming van de werknemer als zwakkere partij in het arbeidsrecht door in het privaatrechtelijke leerstuk van de vernietiging, in die zin dat het hof als extra vereiste voor vernietiging hanteert dat de arbeidsovereenkomst (vrijwel) geheel nutteloos is gebleken.”

De Hoge Raad casseert die beslissing. De Hoge Raad overweegt (r.o. 3.2.1):

“Indien een werknemer een werkgever ertoe beweegt een arbeidsovereenkomst tot stand te doen komen door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat hij verplicht was mede te delen of door een andere kunstgreep, is bedrog aanwezig en kan de werkgever zich beroepen op de (buitengerechtelijke) vernietiging van de arbeidsovereenkomst. In een dergelijk geval beschermt art. 3:44 lid 3 in verbinding met lid 1 BW de werkgever tegen de gevolgen van de onredelijke invloed die de werknemer heeft uitgeoefend op de wil van de werkgever. Het wettelijk stelsel van het ontslagrecht staat daaraan niet in de weg, omdat dat niet strekt tot bescherming van een werknemer die bedrog pleegt bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst.”

Niet juist is verder de door het Hof – en de Kantonrechter – gehanteerde voorwaarde, dat de arbeidsovereenkomst (vrijwel) geheel nutteloos is gebleken, aldus de Hoge Raad (r.o. 3.2.2.):

“Uit art. 3:44 lid 3 BW volgt niet de eis dat de arbeidsovereenkomst (vrijwel) geheel nutteloos is gebleken, zodat het kunnen slagen van een beroep op (buitengerechtelijke) vernietiging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrog daarvan niet afhankelijk mag worden gesteld.”

De rechter kan – als hij daar aanleiding toe ziet – de gevolgen van de vernietiging corrigeren met gebruikmaking van het bepaalde in art. 3:53 lid 2 B.W.. De rechter kan aan de vernietiging – als die bezwaarlijk ongedaan gemaakt kan worden – geheel of gedeeltelijk haar werking ontzeggen, of hij kan de partij die onredelijk wordt bevoordeeld de verplichting tot schadevergoeding opleggen. Ook kan de rechter gebruik maken van de bepalingen inzake ongerechtvaardigde verrijking om de gevolgen van de vernietiging te mitigeren. De Hoge Raad (r.o. 3.2.2 tweede zinsnede):

“Indien de arbeidsovereenkomst voordeel heeft opgeleverd voor de werkgever, kan daarmee rekening worden gehouden bij de hiervoor in 3.2.1 bedoelde toepassing van art. 3:53 lid 2 BW en van de regeling vervat in de afdeling omtrent onverschuldigde betaling in Boek 6 BW.”

De overweging in r.o. 3.2.1, waarnaar hier wordt verwezen, luidt:

“Daarbij verdient opmerking dat a) de rechter ingevolge art. 3:53 lid 2 BW desgevraagd aan de vernietiging geheel of ten dele haar werking kan ontzeggen als de reeds ingetreden gevolgen van de arbeidsovereenkomst bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden, en b) de in geval van vernietiging toepasselijke afdeling omtrent onverschuldigde betaling in Boek 6 BW ertoe strekt de wederzijdse verplichtingen tot ongedaanmaking van hetgeen onverschuldigd is betaald, toe te snijden op de feiten en omstandigheden van het voorliggende geval.”

In de zaak leidend tot het 81-RO arrest HR 16 oktober 2020 (man/vrouw) was de vernietiging van een echtscheidingsconvenant aan de orde. De man had belangrijke informatie verzwegen over een onderneming (een windmolenproject), die voor een veel hogere waarde verkocht werd dan was voorgespiegeld. In de conclusie van de P-G worden de bezwaren van de man besproken tegen het veroordelende uitspraak van het Hof, dat het echtscheidingsconvenant vernietigde op grond van art. 3:44 lid 3 B.W.. Het achterhouden van informatie en het slechts benadrukken van risico’s vormde het bedrog, waarmee de vrouw voor meer dan een kwart benadeeld was.

Misbruik van omstandigheden

Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden (lid 4).

Zie ook hierna art. 3:54 B.W. voor het aanbod tot herstel van de gevolgen van het misbruik van vertrouwen.

Pauliana

Een specifieke vernietigingsgrond is daarnaast de zgn. “actio Pauliana” (of ook wel kortweg “Pauliana”): de actie om op te komen tegen het onttrekken van goederen aan verhaal. Onttrekking van goederen aan het vermogen van de schuldenaar, met als gevolg dat andere schuldeisers zich daar niet meer op grond van art. 3:277 B.W. op kunnen verhalen, heet “verhaalsonttrekking”.

Zie ook de pagina Faillissementspauliana, welke vernietigingsgrond vergelijkbaar is met de ‘commune’ Pauliana, maar deels specifieker is en strekt ten behoeve van de boedel na faillissement van de schuldenaar. Deze kan alleen worden ingeroepen door de curator in het faillissement. De faillissementspauliana biedt de curator enkele bewijsvoordelen in de vorm van wettelijke vermoedens.

Voor een geslaagd inroepen van de vernietiging van een rechtshandeling op grond van de algemene Pauliana is een aantal vereisten van belang:

(i) onverplichte rechtshandeling
(ii) benadeling;
(iii) wetenschap van benadeling bij de schuldenaar en (alle) betrokken wederpartij(en).

Elke benadeelde schuldeiser kan de vernietiging van een rechtshandeling wegens verhaalsonttrekking inroepen

De benadeelde schuldeiser (of meerdere schuldeisers) kan op grond van art. 3:45 lid 1 B.W. de rechtshandeling, die tot de benadeling geleid heeft, vernietigen. Voorwaarde is, dat het gaat om een onverplichte rechtshandeling. Verder is vereist dat de schuldenaar bij het verrichten daarvan wist, dat benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn (wetenschap van benadeling).

Maatstaf voor benadeling bij Pauliana

Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van benadeling moet een denkbeeldige vergelijking gemaakt worden tussen de situatie zoals deze geweest zou zijn zonder de gewraakte rechtshandeling en de situatie zoals die thans is na die rechtshandeling. Bij dit gedachtenexperiment moeten alle rechtshandelingen in hun samenhang worden bezien (zie het Air Holland arrest vermeld bij de faillissementspauliana). Je mag dus niet één element uit dit samenstel van rechtshandelingen lichten en die rechtshandeling als benadeling aanmerken, wanneer dit in het geheel bezien niet tot dezelfde conclusie leidt.

Belangrijk is dat het inroepen van de vernietiging bij een meerzijdige rechtshandeling tot alle bij die rechtshandeling(en) betrokken partijen wordt gericht.

Verder is belangrijk dat als de vernietiging betrekking heeft op een leveringshandeling (bvb. bij onroerend goed: de notariële akte), niet alleen de vernietiging van die rechtshandeling (de levering) wordt ingeroepen maar ook van de titel waarop die levering gebaseerd is (bvb. koopovereenkomst). Bij gebreke daarvan faalt de Pauliana. Voor een voorbeeld zie Rb. Oost Brabant 24 maart 2013 (ex-vrouw/ex-man) (r.o. 4.6).

De schuldeiser moet door de gewraakte rechtshandeling zijn benadeeld in diens verhaalsmogelijkheden. De schuldeiser moet dit aantonen (gemotiveerd stellen en bewijzen). Zonder nadeel geen vernietiging. Voor een voorbeeld van een uitspraak over de Pauliana zie Rb. Rotterdam 5 oktober 2016 (verkoper portefeuille/bestuurder Safe Holding B.V. c.s.). In deze casus leidde dat ertoe dat een deel van de rechtshandelingen wel, en een deel niet als Paulianeus werd aangemerkt.

De rechtbank oordeelde in de zaak Safe Holding, dat voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van benadeling moet een denkbeeldige vergelijking gemaakt worden tussen de situatie zoals deze geweest zou zijn zonder de gewraakte rechtshandeling en de situatie zoals die thans is na die rechtshandeling. In deze casus leidde dat ertoe dat een deel van de rechtshandelingen wel, en een deel niet als Paulianeus werd aangemerkt.

Peildatum benadeling bij Pauliana

De vraag, of de schuldeiser benadeeld is moet worden bezien vanuit het moment waarop de vordering van de schuldeiser vaststaat. Als er dus nog een procedure over die vordering loopt, is het peilmoment voor de vaststelling van benadeling het moment waarop de (definitieve) beslissing over de vordering van de schuldeiser door de rechter is gewezen. Zie het arrest HR 22 september 1995 (Ravast N.V. & Maxfield Investment Ltd./Ontvanger), kenbaar uit Hof Den Bosch 9 februari 2016 (erfgenamen/mr. Maas q.q..

Hof Den Bosch 9 februari 2016 (erfgenamen/mr. Maas q.q.) (r.o. 4.9) – indien in rechte wordt gestreden over de vraag of de schuldeiser terecht een beroep doet op art. 3:45 lid 1 BW is het, aldus de Hoge Raad (…) met betrekking tot de door dat artikel vereiste benadeling nodig, doch ook voldoende dat zij aanwezig is ten tijde dat omtrent het beroep op die bepaling wordt beslist.

HR 22 september 1995 (NJ 1996, 706) (Ravast N.V. & Maxfield Investment Ltd./Ontvanger)

De Hoge Raad heeft dit reeds beslist in HR 22 september 1995 (NJ 1996, 706) (Ravast N.V. & Maxfield Investment Ltd./Ontvanger). Zoals te kennen uit Hof Den Bosch 9 februari 2016 (erfgenamen/mr. Maas q.q.) (r.o. 4.9), waar het Hof de HR citeert:

“Indien in rechte wordt gestreden over de vraag of de schuldeiser terecht een beroep doet op art. 3:45 lid 1 BW is het, aldus de Hoge Raad (…) met betrekking tot de door dat artikel vereiste benadeling nodig, doch ook voldoende dat zij aanwezig is ten tijde dat omtrent het beroep op die bepaling wordt beslist.

De Hoge Raad grijpt in het arrest uit 1995 zelfs terug naar een nog ouder arrest waarin reeds dezelfde rechtsregel was geformuleerd (nl. HR 23 december 1949, NJ 1950, 262). De benadeling moet aanwezig zijn op het tijdstip, waarop de schuldeiser zijn rechten doet gelden, aldus de Hoge Raad. Daarnaast speelt echter nog een ander peilmoment.

Wetenschap van benadeling bij Pauliana

Zoals hiervoor vermeld, moet de schuldenaar zich bewust zijn geweest van het feit, dat zijn schuldeisers door de onverplichte rechtshandeling benadeeld zouden worden in hun verhaalsmogelijkheden. Dit geldt – wanneer bij de rechtshandeling ook andere partijen betrokken waren, echter ook voor die anderen.

Een meerzijdige rechtshandeling kan wegens benadeling slechts worden vernietigd, indien ook degenen met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte, wisten of behoorden te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg zou zijn (art. 3:45 lid 2 B.W.). Hetzelfde geldt voor een rechtshandeling, die eenzijdig is, maar tot een of meer bepaalde personen gericht.

Betreft het een handeling om niet, dan is de drempel voor vernietiging lager. Dan heeft de vernietiging ten aanzien van de bevoordeelde, die wist noch behoorde te weten, dat van de rechtshandeling benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg zou zijn, geen werking, voor zover hij aantoont dat hij ten tijde van de verklaring of het instellen van de vordering tot vernietiging niet ten gevolge van de rechtshandeling gebaat was (art. 3:45 lid 3 B.W.).

De wetenschap dat sprake is van benadeling dient bij de partijen, die betrokken zijn bij meerzijdige (al dan niet wederkerige) rechtshandeling, te bestaan op het moment waarop de betreffende rechtshandeling wordt verricht. Aldus HR 19 oktober 2001 (NJ 2001, 654) (Diepstraten/mr. Gilhuis q.q.).

In dit arrest van Hof Den Bosch (Gilhuis q.q.) overweegt het Hof op basis van die regel van de Hoge Raad dan ook (r.o. 4.10.1):

“Daarmee dient in elk geval de vraag te worden beantwoord of de overeengekomen prijs en de wijze waarop de prijsbepaling is geschied, in overeenstemming is geweest met de rond 2006 heersende opvattingen en het toenmalige prijspeil.”

Kortom voor de wetenschap van benadeling – die aanwezig moest zijn ten tijde van de gewraakte rechtshandeling – is het peilmoment dat van het verrichten van de rechtshandeling. Het zal er dus om gaan, of partijen kunnen voorzien, dat de rechtshandeling tot een benadeling leidt in het geval dat er een schuldeiser zou zijn die verhaal zoekt. Dat is voorzienbaar wanneer bvb. de prijs bij verkoop van een roerend of onroerend goed beduidend onder de marktwaarde ligt, of wanneer de prijs wel marktconform is de wijze van betaling tot een benadeling leidt (bvb. doordat de koper niet hoeft te betalen of zijn vordering met de koopsom kan verrekenen). Vgl. het bij de faillissementspauliana genoemde “Interniber-arrest”.

Of er op dat moment al sprake was van een (voorzienbare) vordering van een schuldenaar, die door de rechtshandeling benadeeld zou kunnen worden, is daarbij niet van belang. Blijkt die er wel te zijn, doordat bij voorbeeld een vordering van die crediteur geruime tijd (zelfs jaren) daarna wordt toegewezen, dan is voor de wetenschap van benadeling het peilmoment echter dat van de handeling.

Vernietiging wegens verhaalsonttrekking is relatief

Een schuldeiser die wegens benadeling tegen een rechtshandeling opkomt, vernietigt deze slechts te zijnen behoeve en niet verder dan nodig is ter opheffing van de door hem ondervonden benadeling (art. 3:45 lid 4 B.W.).

Rechten van derden te goeder trouw gevestigd na de wegens Pauliana vernietigde rechtshandeling

Rechten die door derden te goeder trouw zijn verkregen op goederen die het voorwerp waren van de vernietigde rechtshandeling, worden geëerbiedigd (art. 3:45 lid 4 B.W.).

Ook hier geldt weer de eis, dat deze rechten anders dan om niet zijn verkregen. Ten aanzien van de derde te goeder trouw die om niet heeft verkregen, heeft de vernietiging geen werking voor zover hij aantoont dat hij op het ogenblik dat het goed van hem wordt opgeëist, niet ten gevolge van de rechtshandeling gebaat is.

In het arrest Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 mei 2022 (Vesteda/Rabobank) wijst het Hof de stelling van Vesteda af, dat de vernietiging leidt tot onbevoegdheid. De vernietiging heeft – zo overweegt het Hof in r.o. 5.22 – niet tot gevolg, dat de schuldenaar bij de vestiging van hypotheekrechten met terugwerkende kracht beschikkingsonbevoegd was. De vernietiging heeft slechts tot gevolg, dat de benadeelde schuldeiser Vesteda zich, mits geslaagd in haar Pauliana, op de gronden kan verhalen alsof zij nog behoorden tot het vermogen van de schuldenaar, maar niet dat de hypotheekvestigingen daarop zonder meer als absoluut onbevoegd verricht moeten worden aangemerkt. In de relatie tot de derde verkrijger, hier Rabobank, zal dan op basis van artikel 3:45 lid 5 BW moeten worden onderzocht of zij de hypotheekstellingen als derde te goeder trouw en al dan niet om niet heeft verkregen. Dat debat heeft Vesteda in de procedure tegen de Rabobank echter niet geopend, zodat dit niet aan de orde komt.

In de parallelle zaak heeft het Hof met het arrest Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 mei 2022 (Vesteda/Nebo, Megahome) heeft het Gerechtshof het vonnis van de Rechtbank te Almelo (grotendeels) ten gunste van Vesteda bekrachtigd. Het betrof de door Vesteda tegen de Megahome-groep ingestelde actio Pauliana op de voet van art. 3:45 B.W.. In de parallelle procedure oordeelde het Hof wel dat er sprake was van een of meer Paulianeuze rechtshandelingen. Zie over deze zaak ook het blog van Renze Streng Vesteda vist achter het net in het Megahome faillissement.

Wijze van inroepen vernietiging rechtshandeling

Een vernietigbare rechtshandeling wordt vernietigd hetzij door een buitengerechtelijke verklaring, hetzij door een rechterlijke uitspraak (art. 3:49 B.W.).

Vernietiging moet worden ingeroepen jegens alle betrokken partijen

Een rechtshandeling kan worden vernietigd door een verklaring gericht tot alle betrokkenen (art. 3:50 lid 1 B.W.). Wordt dit verzuimd, dan heeft de vernietiging geen effect tegen degenen tot wie deze niet gericht is.

Vernietiging ingeschreven rechtshandeling met betrekking tot een registergoed alleen effectief na berusting alle betrokkenen

Een buitengerechtelijke verklaring kan een rechtshandeling met betrekking tot een registergoed die heeft geleid tot een inschrijving in de openbare registers of tot een tot levering van een registergoed, bestemde akte, slechts vernietigen indien alle partijen in de vernietiging berusten (art. 3:50 lid 2 B.W.).

Deze bepaling is opgenomen in het belang van de waarborging van juistheid van in openbare registers ingeschreven rechtsfeiten. Berusten niet alle betrokken partijen in de buitengerechtelijke vernietiging, dan zal de belanghebbende partij de vernietiging in rechte moeten vorderen, om die jegens alle betrokkenen – die ook allen in de procedure betrokken moeten worden – te laten werken.

Verjaringstermijn vernietiging rechtshandeling

Dit kan buiten rechte of in rechte, maar wanneer de vernietiging buiten rechte gedaan is, moet deze binnen zes maanden worden gevolgd door een vordering in rechte.

De verjaringstermijn is geregeld in art. 3:52 B.W.: grosso modo drie jaren vanaf bekendheid met de vernietigbaarheid.

Terugwerkende kracht vernietiging

De vernietiging werkt terug tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht (art. 3:53 lid 1 B.W.). Dat betekent, dat er (voor zover sprake is van wederzijdse prestaties: over en weer) ongedaanmakingsverplichtingen ontstaan, omdat de rechtshandeling met terugwerkende kracht ongedaan wordt gemaakt. Eenvoudig gezegd moet worden teruggegeven wat op basis van de rechtshandeling is gepresteerd (gedaan, geleverd of betaald, of, als de rechtshandeling daartoe verplichtte, is nagelaten).

Lid 2 bepaalt, dat de rechter aan de vernietiging geheel of deels haar werking ontzeggen, wanneer de rechtshandeling bezwaarlijk ongedaan gemaakt kan worden. Ook kan de rechter de partij, die onredelijk zou worden bevoordeeld door de vernietiging een vergoedingsverplichting opleggen aan de andere partij.

Reparatie misbruik van omstandigheden: geen vernietiging mogelijk

De bevoegdheid om ter vernietiging van een meerzijdige rechtshandeling een beroep te doen op misbruik van omstandigheden vervalt, wanneer de wederpartij tijdig een wijziging van de gevolgen van de rechtshandeling voorstelt, die het nadeel op afdoende wijze opheft (art. 3:54 lid 1 B.W.).

De rechter kan dit ook ambtshalve doen (art. 3:54 lid 2 B.W.), net als bij de aanpassing van een overeenkomst wegens gewijzigde omstandigheden.

Bevestiging rechtshandeling door degeen die beroep kan doen op vernietigingsgrond

De bevoegdheid om ter vernietiging van een rechtshandeling een beroep op een vernietigingsgrond te doen vervalt, wanneer hij aan wie deze bevoegdheid toekomt, de rechtshandeling heeft bevestigd, nadat de verjaringstermijn ter zake van de rechtsvordering tot vernietiging op die grond een aanvang heeft genomen (art. 3:55 lid 1 B.W.).

Een onmiddellijk belanghebbende kan degeen die zich op het wilsgebrek kan beroepen ook een redelijke termijn stellen te kiezen voor bekrachtiging of vernietiging (art. 3:55 lid 2 B.W.). Maakt deze binnen deze termijn geen keuze dan vervalt ook de bevoegdheid tot vernietiging.

In art. 3:56 B.W. wordt een nadere invulling gegeven aan de vraag, wie als ‘partij’ is aan te merken bij toepassing van art. 3:50 B.W. tot en met art. 3:55 B.W..

Rechtshandelingen die machtiging, goedkeuring of vergunning behoeven

Behoeft een rechtshandeling om het beoogde gevolg te hebben goedkeuring, machtiging, vergunning of enige andere vorm van toestemming van een overheidsorgaan of van een andere persoon, die geen partij bij de rechtshandeling is, dan kan iedere onmiddellijk belanghebbende aan hen die partij bij de rechtshandeling zijn geweest, aanzeggen dat, indien niet binnen een redelijke, bij die aanzegging gestelde termijn die toestemming wordt verkregen, de handeling te zijnen aanzien zonder gevolg zal blijven (art. 3:57 B.W.).

Bekrachtiging van een gebrekkige rechtshandeling: convalescentie

Art. 3:58 lid 1 B.W. geeft een regeling voor de situatie, dat een rechtshandeling aan een gebrek onderhevig is, maar alle “onmiddellijk belanghebbenden” de rechtshandeling steeds als geldig hebben beschouwd. De Hoge Raad heeft zich hierover onder meer uitgelaten in het arrest Hoge Raad 28 november 2014 (Snippers q.q./Rabobank). Het ging daar om de afstand door een curator van een eigendomsvoorbehoud ten gunste van het vuistpand van de bank.

Wanneer pas op een later tijdstip een wettelijk vereiste wordt vervuld, dat voorwaarde is voor de geldigheid van de rechtshandeling, dan is in die situatie door het voldoen aan het vereiste de rechtshandeling bekrachtigd. Dit wordt ook wel “convalescentie” genoemd. De bekrachtiging heeft in dat geval terugwerkende kracht.

Voor een voorbeeld van een dergelijke bekrachtiging met terugwerkende kracht zie Rb. Den Haag 29 augustus 2018 (PP Groep/MNB).

Lees meer over Rb. Den Haag 29 augustus 2018 (PP Groep/MNB)

Het ging in die zaak om het ontbreken van een statutair vereiste toestemming voor de overdracht van certificaten in een STAK. Er was wel toestemming verleend, maar de certificaten waren niet binnen de wettelijke termijn van 3 maanden geleverd, waardoor die toestemming was vervallen en de levering aan een gebrek leed.

De rechtbank overwoog:

“4.32 Nu vaststaat dat de levering niet binnen drie maanden na afgifte van de instemmingsverklaringen heeft plaatsgevonden, blijven de artikelen 11 lid 1 tot en met 11 lid 15 van de blokkeringsregeling van toepassing. De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van geldige instemmingsverklaringen leidt tot onoverdraagbaarheid van de certificaten in de zin van artikel 3:83 BW..

4,33 De rechtbank overweegt vervolgens dat een nietige rechtshandeling op grond van artikel 3:58 BW (de convalescentie-bepaling) met terugwerkende kracht alsnog geldig kan zijn. In dit geval is daartoe nodig dat de certificaathouders opnieuw hun instemming verlenen aan de overdracht van de N-certificaten en dat zij voorts in de periode tussen 13 maart 2017 en het moment waarop de blokkeringsregeling (alsnog) in acht wordt genomen, de overdracht steeds als rechtsgeldig hebben aangemerkt. Voor het als rechtsgeldig aanmerken van de overdracht is voldoende dat de onmiddellijk belanghebbenden zich in deze periode niet op de nietigheid van de overdracht hebben beroepen en zich ook niet hebben gedragen op een wijze die onverenigbaar is met de geldigheid van deze rechtshandeling. …

4.34 Indien de blokkeringsregeling, met inachtneming van deze voorwaarde, alsnog wordt nageleefd, treedt het beoogde rechtsgevolg (de rechtsgeldige overdracht) met terugwerkende kracht in.”

Convalescentie niet bij handelingsonbekwaamheid

Een door een handelingsonbekwame verrichte (en dus nietige) rechtshandeling wordt niet bekrachtigd op het moment dat de handelingsonbekwame handelingsbekwaam wordt (art. 3:58 lid 2 B.W.).

Bekrachtiging laat voorafgaand aan de bekrachtiging verkregen rechten van derden onverlet

Inmiddels verkregen rechten van derden staan aan bekrachtiging niet in de weg, mits zij worden geëerbiedigd (art. 3:58 lid 3 B.W.).

Schakelbepaling

Art. 3:59 B.W. sluit Titel 2 af met een schakelbepaling:

“Buiten het vermogensrecht vinden de bepalingen van deze titel overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet”.

Toepassing van de wettelijke regeling inzake rechtshandelingen

De bepalingen inzake rechtshandelingen in Boek 3 B.W. hebben betrekking op alle rechtshandelingen. Dus zowel op eenzijdige (zowel de gerichte als de niet-gerichte) als op meerzijdige rechtshandelingen.

Auteur & last edit

[MdV, 28-12-2017; laatste bewerking 30-5-2022]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank voor burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.