LawyrupBurgerlijk wetboekZakelijke rechten (Boek 5 B.W.)Erfdienstbaarheden (Titel 6, Boek 5 B.W.)

Erfdienstbaarheden (Titel 6, Boek 5 B.W.)

Inleiding erfdienstbaarheden

In Titel 6, Boek 5 B.W. worden de erfdienstbaarheden in de wet geregeld. De Titel omvat 15 artikelen (art. 5:70 B.W. tot en met art. 5:84 B.W.).

Ook hier is de Afdeling Begripsbepalingen uit Boek 3 B.W. weer van belang, met name art. 3:3 B.W. (definitie van “zaken”) en art. 3:5 B.W. (definitie van “onroerend” en “roerend”). Zie de pagina Begripsbepalingen.

Wat is erfdienstbaarheid?

Een erfdienstbaarheid is een last, waarmede een onroerende zaak – het dienende erf – ten behoeve van een andere onroerende zaak – het heersende erf – is bezwaard, aldus art. 5:70 lid 1 B.W..

Wat kan een erfdienstbaarheid inhouden?

In  art. 5:71 B.W. wordt nader ingegaan op de vraag, wat een erfdienstbaarheid kan inhouden. Dat kan zijn: (lid 1) iets te dulden of na te laten, iets te doen of onderhoud te plegen (lid 2).

Lid 1 bepaalt, dat een erfdienstbaarheid kan bestaan in een verplichting om op, boven of onder een der beide erven iets te dulden of niet te doen.

In de akte van vestiging kan worden bepaald dat de last bovendien een verplichting inhoudt tot het aanbrengen van gebouwen, werken of beplantingen die voor de uitoefening van die erfdienstbaarheid nodig zijn. Voorwaarde daarbij is, dat deze gebouwen, werken en beplantingen zich geheel of gedeeltelijk op het dienende erf zullen bevinden.

Lid 2 opent ook de mogelijkheid om een verplichting tot onderhoud op te leggen. Die ziet dan op onderhoud van het dienende erf of van gebouwen, werken of beplantingen die zich geheel of gedeeltelijk op het dienende erf bevinden of zullen bevinden.

Wijze van ontstaan

De vestiging van erfdienstbaarheid vindt plaats door middel van een tussen hun opgemaakte notariële akte, gevolgd door inschrijving daarvan in de openbare registers. Zie ook de pagina inschrijvingen registergoederen. Weliswaar bepaalt de wet dit – anders dan bij mandeligheid – niet expliciet, maar de wet spreekt telkens van “de akte van vestiging” als basis voor de inhoud van de erfdienstbaarheid. Bij voorbeeld in art. 5:70 lid 2 B.W., waar de mogelijkheid biedt in de akte van vestiging een vergoeding voor de erfdienstbaarheid op te leggen (de zgn. retributie).

Daarnaast kan een erfdienstbaarheid ook ontstaan door middel van (verkrijgende) verjaring (art. 5:72 B.W.).

Wijziging uitoefening erfdienstbaarheid

Op de voet van art. 5:73 lid 2 B.W. kan de eigenaar van het dienend erf een ander gedeelte van het erf aanwijzen voor de uitoefening. Voorwaarde is dat deze verplaatsing zonder vermindering van genot voor de eigenaar van het heersende erf mogelijk is. De P-G in diens conclusie voor het arrest (ex art. 81 RO gewezen) van de Hoge Raad d.d. 2 september 2011 vermeldt dat deze bepaling is in de parlementaire geschiedenis (Parl. Gesch. Boek 5, p. 264) als volgt wordt toegelicht:

“Het tweede lid is ontleend aan artikel 739 lid 2 B.W.; (..) Terecht merkte Scholten (Asser-Scholten II, p. 273) op dat in dit geval bij geschil de eigenaar van het dienende erf zal hebben te bewijzen, dat de verlegging geen vermindering van genot voor de rechthebbende medebrengt. Indien de nieuwe plaats binnen de grenzen van het recht van erfdienstbaarheid valt, zoals deze volgens het eerste lid moeten worden getrokken, kan de eigenaar van het dienende erf tot verlegging overgaan, ook als daardoor het genot van de rechthebbende minder wordt dan hetgeen hij tot dat ogenblik van de erfdienstbaarheid trok.”

Voorts verwijst de P-G naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 24 september 1999, NJ 1999, 754:

“In het arrest HR 24 september 1999, LJN AD3091, NJ 1999, 754 heeft uw Raad geoordeeld dat ingevolge art. 5:73 lid 2 BW niet iedere vermindering van genot van het heersend erf, hoe gering ook, aan de verplaatsing van de erfdienstbaarheid in de weg staat, doch slechts een zodanige vermindering dat in redelijkheid moet worden geoordeeld dat sprake is van een vermindering van het genot die aan een verlegging in de weg staat. In dat arrest oordeelde Uw Raad dat niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting ‘s hofs oordeel dat op een totale lengte van de weg van 345 meter een toename van 20 meter in redelijkheid niet kan worden aangemerkt als een zodanige vermindering van het genot van het heersende erf dat deze aan verlegging in de weg staat.”

Relevante jurisprudentie

Hoge Raad 2 september 2011 met name de conclusie van de P-G – vaststelling erfdienstbaarheid na wijziging van de situatie + verzoek tot wijziging van de uitoefening van de erfdienstbaarheid ex art. 5:73 B.W. niet toegewezen.

Hoge Raad 31 oktober 2003 – de eigenaar van een perceel kan zich niet tegelijkertijd gedragen als beperkt gerechtigde tot datzelfde perceel. Geen erfdienstbaarheid ontstaan door verkrijgende verjaring.

Auteur & Last edit

[MdV, 11-08-2018]

0 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 5 (0 votes, average: 0,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.