Begripsbepalingen (Afd. 1, Titel 1, Boek 3 B.W.)

Inleiding begripsbepalingen

In Titel 1 van Boek 3 Burgerlijk Wetboek dat het vermogensrecht in zijn algemeenheid behandelt, vinden we de algemene bepalingen.

Zoals bijna alle titels van de wet begint ook deze met ook weer een inleidende afdeling. De centrale begrippen van het vermogensrecht worden daar gedefinieerd. Deze afdeling heet dan ook “Begripsbepalingen”. Deze afdeling omvat 15 artikelen (Art. 3:1 B.W. t/m art. 3:15 B.W.). Het belang van deze afdeling kan niet licht worden overschat: van de hier gedefinieerde begrippen moet in alle uithoeken van het vermogensrecht steeds goed rekenschap worden gegeven.

Goederen, zaken en vermogensrechten

Art. 3:1 B.W. bepaalt, dat het begrip “goederen” in het vermogensrecht alle “zaken” en alle “vermogensrechten” omvat.

Onder een “zaak” verstaat het vermogensrecht “een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijke object” (art. 3:2 B.W.). Dat kan dus van alles zijn: een huis, een stoel, een lading zand, gas in een gasfles enz.. Zo lang het “stoffelijk” is en voor menselijke beheersing vatbaar. En mits het zelfstandigheid heeft; anders is het een bestanddeel van een (andere) zaak. Zodoende is een scheet van een koe een zaak, zolang die kan worden afgevangen en aangewend voor een methaangasinstallatie. Zodra deze in de vrije lucht is vervlogen is die niet meer individualiseerbaar en voor menselijke beheersing vatbaar. Een schroef is een zelfstandige zaak, zo lang deze niet in de stoel geschroefd is om die bij elkaar te houden.

Andere goederen – die geen zaken zijn – zijn “vermogensrechten”. Dus bvb. een auteursrecht, of een vordering. Dat zijn immers denkbeeldige constructies van de mens, die geen stoffelijke verschijning in de werkelijkheid hebben. In art. 3:6 B.W. wordt de term “vermogensrecht” (als subjectief recht) nader gedefinieerd.

Dieren

Per 1 januari 2013 heeft de wetgever het wijs geacht om te bepalen, dat dieren geen zaken zijn (art. 3:2a B.W.). Was kerkuil of een koe voordien gewoon een zaak, sindsdien is een dier geen zaak meer. Maar de bepalingen met betrekking tot zaken zijn wel gewoon van toepassing, tenzij dit uitzondering moet lijden (lid 2). Dieren zijn natuurlijk wel heel bijzondere zaken. Voor velen zijn het “ontroerende zaken”.

Onroerende zaken en roerende zaken

Art. 3:3 B.W. definieert wat onroerende zaken zijn:

– de grond
– nog niet gewonnen delfstoffen
– met de grond verenigde beplantingen, en
– gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken

Alle andere stoffelijke objecten zijn roerende zaken (lid 2).

Bestanddeel

Het is voor het recht belangrijk te weten, of een zaak zelfstandigheid bezit of niet. Zo niet, dan is de zaak een bestanddeel van een andere zaak, en behoort de eigendom ervan toe aan de eigenaar van die (hoofd)zaak. Ook voor levering (een zgn. zakenrechtelijke rechtshandeling) is het van belang te weten wat bestanddeel is en wat niet. Art. 3:4 lid 1 B.W. regelt dit probleem door te bepalen, dat het de verkeersopvatting is die bepaalt, of een zaak bestanddeel is.

Dat past bij het open systeem van het B.W. sinds 1992. Lid 1 is de codificatie van een aantal arresten van de Hoge Raad over dit vraagstuk. Te denken valt aan machines in een fabriek die een geheel vormen, of servies bij een hotel met de naam van het hotel er op enz..

Het oude criterium “aard en nagelvast” vindt men terug in lid 2: als een zaak niet zonder schade kan worden verwijderd, dan is het een bestanddeel van de hoofdzaak waaraan deze verbonden is.

Vermogensrechten

In art. 3:6 B.W. wordt het begrip “vermogensrechten” gedefinieerd. Dit zijn rechten, die – hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht – overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel.

In het arrest HR 6 december 2019 (ING Bank/Thielen q.q.) was de vraag aan de orde, of een assurantieportefeuille een overdraagbaar goed is, en dus of daarop een pandrecht ten gunste van de bank gevestigd was. De Hoge Raad komt tot de conclusie, dat – hoewel goederenrechtelijke rechten wel onderdeel kunnen zijn van een assurantieportefeuille – de assurantieportefeuille als zodanig geen goed is in de zin van het goederenrecht.

Lees de overwegingen van HR 6 december 2019 (ING Bank/Thielen q.q.)

De rechtbank had het volgende overwogen (blijkens het arrest van de Hoge Raad):

“Gelet op de definitie in art. 3:2 BW (“zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten”) mag worden aangenomen dat een assurantieportefeuille geen zaak is. Daarmee resteert de vraag of een assurantieportefeuille als vermogensrecht kan worden aangemerkt. Ten aanzien van de losse bouwstenen waaruit een assurantieportefeuille is opgebouwd, geldt dat overeenkomsten en goodwill op zichzelf geen vermogensrechten zijn, en vorderingsrechten wel. (rov. 4.5)

Art. 4:103 lid 4 Wft, waarin is bepaald dat een verzekeraar in beginsel medewerking moet verlenen als een assurantietussenpersoon zijn portefeuille geheel of gedeeltelijk aan een andere tussenpersoon wil overdragen, geeft een regeling voor de verbintenisrechtelijke verhouding tussen een verzekeraar en een assurantietussenpersoon. In die bepaling is echter niet een goederenrechtelijke overdracht van assurantieportefeuilles in het algemeen geregeld, zodat niet op grond van die bepaling kan worden gesteld dat assurantieportefeuilles een goederenrechtelijk rechtsobject zijn waarop een pandrecht kan worden gevestigd. Nu ook in geen andere wettelijke regeling de overdracht van assurantieportefeuilles is geregeld, moet worden aangenomen dat op een assurantieportefeuille als zodanig geen pandrecht kan worden gevestigd. Overdraagbaarheid is immers een essentiële voorwaarde om een pandrecht te kunnen vestigen (art. 3:228 BW). (rov. 4.7)

Daarmee is niet gezegd dat de term assurantieportefeuille verbintenisrechtelijk en in het economisch verkeer geen betekenis heeft. Men kan bij overeenkomst “een assurantieportefeuille” verkopen, op voorwaarde dat partijen het erover eens zijn wat onder die term moet worden verstaan. Daarbij kan goodwill in de overnameprijs worden verdisconteerd en in dat verband kunnen ook nadere afspraken worden gemaakt. Deze algemeenheid van goederen is echter geen goederenrechtelijke eenheid, zodat alleen de bouwstenen afzonderlijk, en voor zover dat volgens de wet mogelijk is, kunnen worden overgedragen. (rov. 4.8)”.

De Hoge Raad overwoog:

“3.2.1 Het begrip assurantieportefeuille is niet in de wet omschreven en heeft geen vaste inhoud. In de wetsgeschiedenis van de voormalige Wet Assurantiebemiddeling werd een assurantieportefeuille als volgt omschreven:

<<Elke tussenpersoon, die zijn beroep goed uitoefent, ongeacht of hij al dan niet de premiën int of daarvoor verantwoordelijk is, zal al de door hem gesloten verzekeringen regelmatig toetsen aan de werkelijkheid en daartoe de verzekeringnemers bezoeken: zijn taak is voor de belangen van deze verzekeringnemers te waken en zodoende de vertrouwenspositie, die hij behoort in te nemen, te bevestigen en te versterken. Hij zal zich beijveren elk contact tussen de verzekeraar en de verzekeringnemer via hem te leiden. Het gevolg is natuurlijk mede, dat door de gevestigde relatie de verzekeringnemers vaak nieuwe verzekeringen door zijn bemiddeling zullen afsluiten. Het op deze wijze gevormde geheel van relaties en meer concreet van de bestaande verzekeringsovereenkomsten wordt in het spraakgebruik met het woord “portefeuille” aangeduid. (Kamerstukken I 1951/52, 870, nr. 11a, p. 10.>>

In de wetsgeschiedenis van de daaropvolgende, eveneens voormalige, Wet assurantiebemiddelingsbedrijf, omschreef de minister de assurantieportefeuille als volgt:

<<De portefeuille van de tussenpersoon wordt gevormd door de verzekeringen die door zijn bemiddeling tot stand zijn gekomen of aan hem in beheer zijn gegeven. (Kamerstukken II 1989/90, 20925, nr. 10, p. 19.)>>

De huidige Wft bevat in de art. 4:102 en 4:103 enkele bepalingen over de portefeuille van een ‘bemiddelaar’, waaronder mede is te verstaan een assurantietussenpersoon, maar geeft geen definitie van het begrip portefeuille.

3.2.2 In cassatie dient tot uitgangspunt de niet bestreden vaststelling van de rechtbank dat tot een assurantieportefeuille de samenwerkingsovereenkomsten behoren die een assurantietussenpersoon heeft gesloten met verzekeraars en de overeenkomsten van opdracht die hij heeft gesloten met zijn cliënten, alsmede de goodwill bestaande in de verwachting dat de cliënten verzekeringsovereenkomsten die zij in de toekomst willen sluiten, via deze assurantietussenpersoon zullen sluiten.

3.4 Het wettelijke stelsel gaat ervan uit dat slechts individuele zaken of vermogensrechten als goed kunnen worden aangemerkt en als zodanig voorwerp kunnen zijn van een goederenrechtelijk recht of een goederenrechtelijke rechtshandeling. Het samenstel van overeenkomsten en goodwill dat wordt aangeduid als een assurantieportefeuille (zie hiervoor in 3.2.1 en 3.2.2), is niet een individuele zaak of een individueel vermogensrecht, ook al wordt het in het economische verkeer als een eenheid beschouwd. Een assurantieportefeuille is daarom niet een goed in de zin van art. 3:1 BW. Dit wordt niet anders doordat afzonderlijke onderdelen van een assurantieportefeuille, zoals vorderingsrechten, goederen zijn, noch doordat de portefeuille als geheel in het economische verkeer een vermogenswaarde vertegenwoordigt en voorwerp kan zijn van een obligatoire rechtshandeling zoals een koopovereenkomst.

3.5 Omdat een assurantieportefeuille als zodanig niet een goed is in de zin van art. 3:1 BW, is hij niet vatbaar voor overdracht of verpanding. Art. 4:103 lid 4 Wft, dat bepaalt dat een verzekeraar aan een verzoek van een bemiddelaar tot overdracht van diens portefeuille in beginsel moet meewerken, leidt niet tot een ander oordeel. Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel en tegen de achtergrond van het wettelijke stelsel van het goederenrecht, moet worden aangenomen dat deze bepaling niet het oog heeft op overdracht in goederenrechtelijke zin, maar op het overdragen van de positie van de assurantietussenpersoon in het hiervoor in 3.2.1 en 3.2.2 bedoelde samenstel van overeenkomsten en goodwill.”

Wat zijn afhankelijke rechten?

Art. 3:7 B.W. geeft de definitie van afhankelijk recht:

“Een afhankelijk recht is een recht dat aan een ander recht zodanig verbonden is, dat het niet zonder dat andere recht kan bestaan.”

Zo is een hypotheekrecht (waarmee een onroerend goed als onderpand wordt gegeven ter verzekering van de nakoming van een geldlening of een andere op geld waardeerbare verplichting) een afhankelijk recht.

Het afhankelijke recht gaat bij de overdracht van het recht, waaraan dit is verbonden, automatisch mee over. Wanneer dus de vordering uit de geldlening wordt overgedragen, dan gaat de hypothecaire onderzetting (het afhankelijke recht) van rechtswege mee over, zonder dat daarvoor een akte nodig is. Ook hoeft er zelfs geen bijzonder beding te worden opgenomen om het afhankelijke recht mee over te dragen. Het is echter wel mogelijk daar een afzonderlijke akte van te maken, en dat kan soms ook wel praktisch zijn (zie art. 13:7 lid 1 aanhef en sub a B.W.).. Daardoor wordt immers bvb. bij een hypotheek ook voor derden kenbaar, wie de gerechtigde is (d.w.z. dat er een wijziging is opgetreden in wie de gerechtigde is).

Het afhankelijke recht gaat over bij alle vormen van overgang van het hoofdrecht. Dus ook bij rechtsopvolging onder algemene titel, zoals erflating enz.

Zie ook de pagina Algemene bepalingen verkrijging en verlies van goederen (Afd. 1, Titel 4, Boek 3 B.W.).

Natuurlijke en burgerlijke vruchten en lijfrente

Deze termen worden gedefinieerd in art. 3:9 B.W..

Registergoederen

Registergoederen zijn alle zaken, die (uitsluitend) geleverd (of gevestigd) (kunnen) worden door de inschrijving in een daartoe bestemd register (art. 3:10 B.W.). Voor registergoederen is ook Afd. 2 van belang.

Misbruik van bevoegdheid of misbruik van recht

Een even centraal begrip is dat van de misbruik van bevoegdheid. Waar niemand een (rechts)vordering heeft, als een belang daarbij ontbreekt, geldt ook dat het instellen van een rechtsvordering zonder belang neerkomt op misbruik van de bevoegdheid die vordering in te stellen. Art. 3:13 lid 1 B.W. vormt de centrale bepaling voor een beroep op misbruik van bevoegdheid. In lid 2 wordt nader omschrijven wat als misbruik heeft te gelden. Sommige bevoegdheden kunnen naar hun aard niet worden misbruikt (lid 3).

Overigens zal er niet snel sprake zijn van misbruik van bevoegdheid: zie ook de pagina Algemene beginselen procedures.

Schakelbepaling

Tot slot geeft de afdeling een schakelbepaling: art. 3:11 B.W tot en met art. 3:14 B.W. vinden buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Dus de begrippen goede trouw, redelijkheid & billijkheid en misbruik van bevoegdheid zijn in beginsel ook buiten het vermogensrecht toepasbaar.

Author & Last edit

[MdV, 22-06-2018; laatste bewerking 1-02-2021]

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.