Begripsbepalingen (Afd. 1, Titel 1, Boek 3 B.W.)

Inleiding begripsbepalingen

In Titel 1 van Boek 3 Burgerlijk Wetboek dat het vermogensrecht in zijn algemeenheid behandelt, vinden we de algemene bepalingen. Afd. 1 omvat 15 artikelen (Art. 3:1 B.W. t/m art. 3:15 B.W.).

Zoals bijna alle titels van de wet begint ook deze met ook weer een inleidende afdeling. De centrale begrippen van het vermogensrecht worden daar gedefinieerd. Deze afdeling heet dan ook “Begripsbepalingen”. Het belang van deze afdeling kan niet licht worden overschat: van de hier gedefinieerde begrippen moet in alle uithoeken van het vermogensrecht steeds goed rekenschap worden gegeven.

Goederen, zaken en vermogensrechten

Art. 3:1 B.W. bepaalt, dat het begrip “goederen” in het vermogensrecht alle “zaken” en alle “vermogensrechten” omvat.

Onder een “zaak” verstaat het vermogensrecht “een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijke object” (art. 3:2 B.W.). Dat kan dus van alles zijn: een huis, een stoel, een lading zand, gas in een gasfles enz.. Zo lang het “stoffelijk” is en voor menselijke beheersing vatbaar. En mits het zelfstandigheid heeft; anders is het een bestanddeel van een (andere) zaak. Zodoende is een scheet van een koe een zaak, zolang die kan worden afgevangen en aangewend voor een methaangasinstallatie. Zodra deze in de vrije lucht is vervlogen is die niet meer individualiseerbaar en niet langer voor menselijke beheersing vatbaar. Een schroef is een zelfstandige zaak, zo lang deze niet in de stoel geschroefd is om die bij elkaar te houden.

Andere goederen – die geen zaken zijn – zijn “vermogensrechten”. Dus bvb. een auteursrecht, of een vordering. Dat zijn immers denkbeeldige constructies van de mens, die geen stoffelijke verschijning in de werkelijkheid hebben. In art. 3:6 B.W. wordt de term “vermogensrecht” (als subjectief recht) nader gedefinieerd.

Dieren

Per 1 januari 2013 heeft de wetgever het wijs geacht om te bepalen, dat dieren geen zaken zijn (art. 3:2a B.W.). Was een kerkuil of een koe voordien gewoon een zaak, sindsdien is een dier geen zaak meer. Maar de bepalingen met betrekking tot zaken zijn wel gewoon van toepassing, tenzij dit uitzondering moet lijden (lid 2). Dieren zijn natuurlijk wel heel bijzondere zaken. Voor velen zijn het “ontroerende zaken”.

Onroerende zaken en roerende zaken

Art. 3:3 B.W. definieert wat onroerende zaken zijn:

– de grond
– nog niet gewonnen delfstoffen
– met de grond verenigde beplantingen, en
– gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken

Alle andere stoffelijke objecten zijn roerende zaken (lid 2).

In Boek 5 heeft de wetgever in art. 5:20 lid 1 B.W. nader bepaald, wat de eigendom van grond omvat. Deze bepaling is enigszins een herhaling van art. 3:3 B.W. en luidt:

De eigendom van grond omvat:

– de bovengrond
– de zich daaronder bevindende aardlagen
– het grondwater dat door een bron, put of pomp aan de oppervlakte is gekomen
– het water dat zich op de grond bevindt en niet in open gemeenschap met water op het erf van een ander staat
– gebouwen en werken die rechtstreeks of indirect duurzaam met de grond zijn verenigd, voor zover geen bestanddeel van de onroerende zaak van een ander
– de beplantingen die met de grond verenigd zijn

Het criterium ‘duurzaam met de grond verenigd’ (en dus onroerend)

Het zgn. Portacabin-arrest is het standaardarrest over de vraag, of een gebouw duurzaam met de grond verenigd is. Dit arrest betrof een procedure tussen de Ontvanger en de Rabobank (HR 31 oktober 1997 (Ontvanger/Rabobank Terneuzen-Axel), welk arrest (nog) niet gepubliceerd is op ECLI). Een goede bespreking van dit arrest is echter te vinden op Wikipedia. Het ging hier om een Portacabin, die op het terrein van de firma Buys stond. Deze was aangesloten op gas, water en het elektriciteitsnet. De Portacabin was bovendien aangesloten op de riolering en het telefoonnet. De Portacabin was in 1990 als bedrijfsruimte (kantoorruimte) in gebruik. De Rabobank had een hypotheekrecht op de grond en een afzonderlijke pandakte voor de roerende zaken op het terrein. De Ontvanger had bodembeslag gelegd op de Portacabin, en deze was vervolgens door Buys verkocht aan een opkoper, in overleg met de Belastingdienst.

Rabobank eiste de opbrengst op, stellende dat de Portacabin onroerend was geworden doordat deze duurzaam met de grond was bevestigd. Hof en Hoge Raad stellen de Rabobank in het gelijk. De Hoge Raad overwoog:

“3.3 Voorts moet het volgende worden vooropgesteld:

a. Een gebouw kan duurzaam met de grond verenigd zijn in de zin van art. 3:3 BW, doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven; zie de toelichting op de nota van wijzigingen bij art. 3.1.1.2 lid 1 ontwerp NBW (Parl. Gesch. Boek 3, blz. 70) en de daarin bedoelde passage in de MvA II bij art. 6.3.2.7 (Parl. Gesch. Boek 6, blz. 760). Niet van belang is dan meer dat technisch de mogelijkheid bestaat om het bouwsel te verplaatsen (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 1975, NJ 1975, 509, alsmede de arresten van de Hoge Raad van 23 februari 1994, NJ 1995, 464 en 465).

b. Bij beantwoording van de vraag of een gebouw of een werk bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven moet, zoals in de MvA II betreffende art. 3:3 (Parl. Gesch. Boek 3, blz. 69 eerste volle alinea) is opgemerkt, worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten kenbaar is. Onder de bouwer moet hier mede worden verstaan degene in wiens opdracht het bouwwerk wordt aangebracht.

c. (…) de bestemming van een gebouw of een werk om duurzaam ter plaatse te blijven [dient derhalve] naar buiten kenbaar te zijn. Dit vereiste vloeit voort uit het belang dat de zakenrechtelijke verhoudingen voor derden kenbaar dienen te zijn.

d. De verkeersopvattingen kunnen – anders dan voor de vraag of iets bestanddeel van een zaak is in de zin van art. 3:4 B.W. – niet worden gebezigd als een zelfstandige maatstaf voor de beoordeling van de vraag of een zaak roerend of onroerend is. Zij kunnen echter wel in aanmerking worden genomen in de gevallen dat in het kader van de beantwoording van de vraag onzekerheid blijft bestaan of een object kan worden beschouwd als duurzaam met de grond verenigd, en voor de toepassing van die maatstaf nader moet worden bepaald wat in een gegeven geval als “duurzaam”, onderscheidenlijk “verenigd” en in verband daarmee als “bestemming” en als “naar buiten kenbaar” heeft te gelden.

3.4 Het hof heeft, door op grond van de vaststaande feiten te oordelen dat de portacabin onroerend was, de onder 3.3 vermelde maatstaven geenszins miskend.”

Het oordeel in een zaak als deze hangt natuurlijk wel sterk samen met de feiten en omstandigheden van het geval. Als de Portacabin minder duurzaam geplaatst was (niet verbonden met de nutsvoorzieningen enz.) dan zou de uitkomst al snel een andere kunnen zijn. In de zaak over het recreatiepark Nieuw Beusink gaat de P-G nader in op de beoordeling van duurzaamheid bij de kwalificatie als roerend of onroerend, op grond van Portacabin.

Lees de overwegingen van P-G Spier in diens conclusie inzake een huisje op recreatiepark Nieuw Beusink

Het arrest Portacabin kwam ook aan de orde in de – 81-RO zaak over een huisje op recreatiepark Nieuw Beusink. De eigenaar van het park had een huisje “op eigen grond” te koop aangeboden. Toen de koper geen financiering kreeg, omdat de bank oordeelde dat het geen onroerende zaak was, ontbond de koper de koop en eiste de contractuele boete op. Het verweer van de verkoper strandde in de eerste plaats op het feit, dat uit de koopakte naar voren kwam dat er een onroerende zaak verkocht werd. De koper mocht er dus op vertrouwen dat dit ook zo was. Vervolgens gaat de P-G mr. Jaap Spier in diens conclusie echter ook in op de discussie over de vraag, of het hier een roerende zaak of een onroerende zaak betrof. Daarbij verwijst de P-G naar het Portacabin-arrest, en naar het hierna behandelde arrest HR 25 oktober 2004 (St. Barbara/Aartsbisdom Utrecht), over de vraag wiens eigendom de grafstenen op de “eigen graven” van het aartsbisdom zijn.

De P-G gaat aan de hand daarvan na, wat een ‘duurzame bestemming’ is. Die kan volgens hem (of juist het ontbreken daarvan) kán blijken uit de aan- of afwezigheid van een fundering. Ook al zal niet altijd – gemakkelijk – waarneembaar zijn of een constructie al of niet van een fundering is voorzien. Allerlei feitelijke omstandigheden – naast de fundering – spelen een rol bij de beantwoording van de vraag of een zaak al of niet onroerend is. Het antwoord op deze vraag is dan ook sterk afhankelijk van waarderingen van feitelijke aard, die slechts beperkt kunnen worden getoetst in cassatie (vgl. het arrest van de Hoge Raad over OZ-belasting HR 7 juni 2002).

Van stenen en in de ondergrond gefundeerde constructies wordt niet betwijfeld dat deze onroerend zijn. Lastiger ligt het bij zaken die elders geprefabriceerd zijn en die op hun standplaats zijn getakeld of daar naar toe zijn gereden. De rechtspraak van de belastingrechter over stacaravans, geprefabriceerde (vakantie)verblijven en woonwagens geeft een licht wisselend beeld.

De volgende objecten werden als onroerend aangemerkt: uit geprefabriceerde elementen bestaande “studentenpaviljoens”(waarbij meespeelt of deze tijdelijk bedoeld waren), een stacaravan (Hof Arnhem 26 mei 1998, Belastingblad 1999/48), een geprefabriceerd en niet-gefundeerd vakantiehuisje (Hof Arnhem 14 oktober 1999, Belastingblad 2000/731), als opslag gebruikte zeecontainers (verwijzingsarrest Hof ‘s-Gravenhage 7 juni 2001, Belastingblad 2002/257), een van wielen voorziene stacaravan met het uiterlijk van een houten chalet (Hof ‘s-Gravenhage 19 oktober 2001, Belastingblad 2002/278) en een van aanbouwen voorziene woonwagen (Hof Amsterdam 4 augustus 2003, Belastingblad 2003/1304 m.nt. Kruimel).

Als roerend werden aangemerkt op stacaravans lijkende recreatiebungalows (Hof ‘s-Gravenhage 25 juni 1997, VN 1997/4224, WPNR 6301 blz. 108) en een niet op nutsvoorzieningen c.a. aangesloten en niet voor permanente bewoning geschikt recreatiehuisje (Hof Arnhem 17 september 1998, Belastingblad 2000/722).

Bij constructies die niet in de grond gefundeerd zijn, wijzen kenmerken als het afgesloten of opgevuld zijn van de ruimte tussen de grond en de constructie, de aanwezigheid van een terras rondom en een aansluiting op nutsvoorzieningen (riool, gas, licht, water) zomede telefoon op een bestemming duurzaam ter plaatse te blijven; dat wil zeggen op het onroerend karakter van het bouwwerk (zie H.D. Ploeger, Onroerende stacaravans: hoe lang is duurzaam?, WPNR 6497 (2002) blz. 520.). Ook het doel waarvoor het bouwwerk wordt gebruikt kan van belang zijn. De inrichting van het terrein of het erf waarop de constructie zich bevindt, kan ook op het bestaan van een duurzame bestemming wijzen. De duur van de aanwezigheid van een bouwwerk op een erf, kan ook een aanwijzing zijn (Vgl. HR 25 oktober 2002, NJ 2003, 241 WMK rov. 3.4.2); dat ligt trouwens voor de hand, besloten als het ligt in het in de artikelen 5:20 aanhef en onder e en 3:3 lid 1 BW genoemde vereiste van “duurzaamheid”.

De P-G concludeert dan ook, dat het Hof terecht heeft geoordeeld, dat het hier een onroerende zaak betrof. Het Hof heeft dit voldoende gemotiveerd, daarbij noemt het Hof de (uiterlijke) kenmerken van het chalet die voor een belangrijk deel overeenkomen met de uiterlijke kenmerken uit het Portacabin-arrest. O.a. de aansluiting op nutsvoorzieningen, de ligging in een aangelegde tuin en een naar het bouwwerk leidend pad.

Criterium onroerend door duurzaam verbinding met de grond is niet zelfde als de kwalificatie van bestanddeel

In het arrest HR 25 oktober 2004 (St. Barbara/Aartsbisdom Utrecht) had begraafplaats St. Barbara het aartsbisdom Utrecht gedagvaard, omdat zij eiste dat het bisdom het onderhoud van de grafstenen van de “eigen graven” van het bisdom voor haar rekening nam. Het aartsbisdom stelde zich echter op het standpunt, dat dit de verantwoordelijkheid van St. Barbara was, omdat de grafstenen haar eigendom waren, nu zij duurzaam met de grond verbonden waren.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof, dat de grafstenen ingevolge art. 3:3 B.W. en art. 5:20 B.W. wel degelijk zijn aan te merken als duurzaam verbonden met de grond en dus onroerend en eigendom – en de verantwoordelijkheid – van St. Barbara. Aan het bepaalde in de Wet op de Lijkbezorging kan niet een afwijkende regel worden ontleend (de tenzij-bepaling in art. 5:20 B.W. is hier dus niet van toepassing).

Belangrijk hierbij is de overweging: “anders dan voor de vraag of iets een bestanddeel is, kunnen verkeersopvattingen niet worden gebezigd als zelfstandige maatstaf voor de beoordeling van de vraag of een zaak roerend of onroerend is”.

Lees de overwegingen van HR 25 oktober 2004 (St. Barbara/Aartsbisdom Utrecht)

De Hoge Raad citeert de overwegingen van het Hof:

“3.2 Het Hof heeft het standpunt van St. Barbara, te weten dat de rechthebbenden op het grafrecht eigenaar zijn van de graftekens, verworpen. Met het Aartsbisdom c.s. was het Hof van oordeel dat de onderhavige graftekens moeten worden aangemerkt als werken die duurzaam met de grond zijn verenigd in de zin van art. 5:20 BW in verbinding met art. 3:3 BW en derhalve in eigendom toebehoren aan de eigenaar van de grond.

Hetgeen het Hof daartoe heeft overwogen kan als volgt worden samengevat. De eigendom van graftekens dient, nu bijzondere wetgeving op dit stuk ontbreekt, te worden beoordeeld op grond van de in het Burgerlijk Wetboek opgenomen bepalingen inzake eigendom en eigendomsverkrijging.

Graftekens kunnen niet worden aangemerkt als bestanddeel – in de zin van art. 3:4 BW – van de grond van de begraafplaats. Anders dan voor de vraag of iets een bestanddeel is, kunnen verkeersopvattingen niet worden gebezigd als zelfstandige maatstaf voor de beoordeling van de vraag of een zaak roerend of onroerend is. Zij zijn evenmin op zichzelf beslissend voor het antwoord op de vraag aan wie de eigendom van een bepaalde zaak toekomt.

Ook terzake van de interpretatie van het begrip “duurzaamheid” dient het beroep van St. Barbara op de volgens haar daaromtrent te dezen heersende verkeersopvattingen te worden verworpen. Verkeersopvattingen kunnen in aanmerking worden genomen in gevallen waarin onzekerheid blijkt te bestaan of een object kan worden beschouwd als duurzaam met de grond verenigd. Buiten twijfel is echter dat de graftekens, volgens de bedoeling van het Aartsbisdom c.s. als door hen gesteld, op de graven zijn geplaatst als duurzaam herinneringsteken. Deze bedoeling en bestemming zijn op grond van de aard en de inrichting van de graftekens – te weten als gedenkteken ter plaatse waar de overledene veelal gedurende vele (tientallen) jaren begraven ligt – voor een ieder naar buiten kenbaar.

De stelling van St. Barbara, dat het in art. 28 Wlb vastgelegde grafrecht naar zijn aard voor bepaalde tijd geldt en dat in dat licht bezien graftekens naar algemene verkeersopvatting niet kunnen worden aangemerkt als duurzaam met de grond verenigd, moet worden verworpen. Deze stelling is niet verenigbaar met het uitgangspunt van de Wet op de lijkbezorging dat een uitsluitend recht op een graf voor onbepaalde tijd of voor een bepaalde tijd kan worden gevestigd. Aan de duurzame bestemming van de graftekens kan niet afdoen dat de grafrechten waarover het hier gaat voor 80, 10 (ingevolge art. 28 lid 1 Wlb dient een uitsluitend recht op een graf overigens voor ten minste 20 jaren te worden verleend), 20 en 40 jaren zijn verleend, met de mogelijkheid van verlenging van telkens 10 jaren. Evenmin kan daaraan afdoen dat graftekens doorgaans gemakkelijk kunnen worden verplaatst of weggenomen.

Onvoldoende gesteld is ten slotte dat het Aartsbisdom c.s. een opstalrecht hebben of aan enig ander rechtsfeit een recht ontlenen om in of op de grond van St. Barbara werken (als de graftekens) in eigendom te hebben.”

Eigendom van roerende zaken

Over de eigendom van onroerende zaken en van roerende zaken zijn nadere bepalingen te vinden in Boek 5 B.W. (het zakenrecht). Zie de pagina Eigendom van roerende zaken en de pagina Eigendom van onroerende zaken.

Bestanddeel

Het is voor het recht belangrijk te weten, of een zaak zelfstandigheid bezit of niet. Zo niet, dan is de zaak een bestanddeel van een andere zaak, en behoort de eigendom ervan toe aan de eigenaar van die (hoofd)zaak. Ook voor levering (een zgn. zakenrechtelijke rechtshandeling) is het van belang te weten wat bestanddeel is en wat niet. Art. 3:4 lid 1 B.W. regelt dit probleem door te bepalen, dat het de verkeersopvatting is die bepaalt, of een zaak bestanddeel is.

Dat past bij het open systeem van het B.W. sinds 1992. Lid 1 is de codificatie van een aantal arresten van de Hoge Raad over dit vraagstuk. Te denken valt aan machines in een fabriek die een geheel vormen, of servies bij een hotel met de naam van het hotel er op enz..

Eigendomsvoorbehoud en natrekking

Het vraagstuk of een zaak bestanddeel is geworden doet zich met name regelmatig voor, als er sprake is van een eigendomsvoorbehoud. Maar ook in andere verhoudingen, zoals hypotheekrecht of pandrecht en bij kwesties over bodembeslag door de fiscus (al dan niet in een faillissement). Zie voor het eigendomsvoorbehoud de pagina Eigendom van roerende zaken en voor het bodemrecht de pagina Separatisten en de pagina Invorderingswet. Zoals uit onderstaand arrest Verwelius/huurders blijkt, kan dit zelfs aan de orde komen bij een geschil over de vraag, of de verhuurder dan wel de huurder de kosten van onderhoud van aan een onroerende zaak aangebrachte zonneschermen moet dragen.

In het arrest HR 15 november 1999 (Dépex/curatoren) deed zich de vraag voor, of de door Dépex aan Bergel Manufacturing B.V. geleverde waterdistillatie-inrichting bestanddeel was geworden van de farmaceutische fabriek van Bergel of niet. Deze installatie was geleverd onder eigendomsvoorbehoud met een machtiging verleend aan Dépex om de installatie terug te nemen als er niet betaald werd. Dépex had van Bergel nog NLG 140.000 te vorderen en eiste in kort geding de installatie op. Doordat Bergel eerst in surseance was geraakt en daarna gefailleerd was, waren de curatoren van Bergel de tegenpartij van Dépex in deze procedure.

De Hoge Raad introduceerde in dit arrest een criterium voor het beoordelen van de vraag, of een machine of installatie geacht moet worden bestanddeel te zijn geworden van de fabriek waarin deze is geïnstalleerd. Wanneer gebouw en installatie constructief op elkaar zijn afgestemd, dan is dit volgens de Hoge Raad een aanwijzing, dat apparatuur en gebouw naar verkeersopvatting te zamen als één zaak moeten worden gezien.

Hetzelfde geldt wanneer het gebouw uit een oogpunt van geschiktheid als fabrieksgebouw — gebouw dienende tot het huisvesten van een productie-inrichting — bij ontbreken van de apparatuur als onvoltooid moet worden beschouwd. Bij het aanleggen van deze laatste maatstaf komt het niet aan op de functie welke de apparatuur (eventueel) vervult in het productieproces. Hoewel deze zaak dateert van vóór de invoering van het huidige B.W. in 1992, is het arrest Dépex is ook voor het huidige recht nog steeds van belang.

Lees de overwegingen van HR 15 november 1999 (Dépex/curatoren)

Deze zaak – die zich afspeelde in 1987/1988 – viel nog onder het oude recht (met name art. 556 oud B.W. en art. 563 oud B.W.). Het Oud BW onderscheidde drie onzelfstandige zaken: bestanddelen, bijzaken en hulpzaken (bron: Kluwer Navigator).

Art. 556 oud BW bepaalde:

“Al hetgeen door regt van natrekking tot eene zaak behoort, daaronder begrepen de vruchten, zoo wel natuurlijke als die door nijverheid worden verkregen, zoo lang dezelve tak- of wortelvast, of aan den grond gehecht zijn, maakt een gedeelte der zaak uit.”

Art. 562 oud BW gaf in de laatste zin invulling aan het begrip ‘bijzaak’:

“En, in het algemeen, alles wat aan een erf of aan een gebouw aard- of nagelvast is.”

De hulpzaken werden opgesomd in art. 563 oud BW, waarin als laatste zin een omschrijving is opgenomen:

“En, in het algemeen, alle zoodanige voorwerpen welke de eigenaar tot een blijvend gebruik aan zijne onroerende zaak verbonden heeft.”

Dépex stelde zich op het standpunt, dat de apparaten niet aard- en nagelvast verbonden zijn met de onroerende zaak en derhalve niet uit dien hoofde onroerend zijn, dat zij naar verkeersopvattingen niet een bestanddeel van het gebouw zijn en dat zij niet onroerend door bestemming kunnen zijn geworden nu de eigenaar van het onroerend goed niet de eigenaar van de apparaten was toen deze aan het onroerend goed werden verbonden.

De President (de Voorzieningenrechter) oordeelde op grond van een aantal feitelijke vaststellingen omtrent aard en inrichting van de fabriek, de wijze waarop de distillatie-apparatuur is geïnstalleerd en de functie van deze apparatuur in het productieproces voorshands voldoende aannemelijk ‘’dat de waterdistillatie-inrichting in zijn geheel een zo essentieel gedeelte van de farmaceutische fabriek van Bergel vormt dat deze fabriek zonder waterdistillatie-apparatuur niet meer aan haar bestemming kan beantwoorden, hetgeen meebrengt dat de in dit geding opgevorderde goederen door natrekking eigendom zijn geworden van Bergel. Het Hof bekrachtigde die beslissing.

De Hoge Raad had allereerst kritiek op het feit, dat uit de beslissing van het Hof niet bleek, welke zaak in de visie van het Hof was aan te merken als de ‘hoofdzaak’, waarvan de installatie volgens het Hof bestanddeel geworden was. Daardoor leed het arrest om te beginnen al aan een motiveringsgebrek. Onderdeel 2a van het middel in cassatie ging er volgens de Hoge Raad terecht van uit dat bij de beantwoording van deze vraag als hoofdzaak moet worden aangemerkt: het gebouw waarin de fabriek is gevestigd.

De Hoge Raad overweegt vervolgens (onder vaststelling dat het Hof ook op dit punt zijn beslissing onvoldoende had toegelicht):

“3.4 De onderdelen 2b en 2c strekken ten betoge dat ‘s Hofs overweging dat de apparatuur bepaaldelijk behoort tot ‘’het wezen van de fabriek’’, in de zin van art. 563 BW, onjuist althans onbegrijpelijk is.

Ook deze onderdelen slagen. Indien het Hof heeft bedoeld dat het bepaalde in art. 563 lid 1 onder 1° BW hier toepassing moet vinden, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting aangezien die bepaling alleen van betekenis is wanneer de vraag moet worden beantwoord of een zaak onroerend door bestemming is.

Mocht het Hof hebben bedoeld dat de omstandigheid dat de apparatuur essentieel is voor het naar behoren functioneren van de in het gebouw gevestigde farmaceutische productie-inrichting, meebrengt dat de apparatuur bestanddeel is van ‘’de fabriek’’, dan is het eveneens van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, hetzij door ten onrechte niet het fabrieksgebouw maar de daarin gevestigde productie-inrichting als de hoofdzaak aan te merken (zie hiervoor onder 3.3), hetzij door bij het beantwoorden van de vraag of de apparatuur naar verkeersopvatting bestanddeel van het gebouw is ten onrechte doorslaggevende betekenis toe te kennen aan de rol die de apparatuur vervult in het productieproces.”

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug naar een ander Hof, maar geeft daarbij nog een belangrijk handvat voor de verdere beoordeling (r.o. 3.2):

“… Met het oog op het na verwijzing te verrichten onderzoek wordt het volgende opgemerkt. Het gaat in gevallen als het onderhavige om beantwoording van de vraag of apparatuur en gebouw naar verkeersopvatting te zamen als één zaak moeten worden gezien. Wanneer gebouw en apparatuur in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd, ligt hierin een aanwijzing voor een bevestigende beantwoording van die vraag.

Hetzelfde geldt wanneer het gebouw uit een oogpunt van geschiktheid als fabrieksgebouw — gebouw dienende tot het huisvesten van een productie-inrichting — bij ontbreken van de apparatuur als onvoltooid moet worden beschouwd. Bij het aanleggen van deze laatste maatstaf komt het niet aan op de functie welke de apparatuur (eventueel) vervult in het productieproces.”

In het arrest HR 27 november 1992 (Ontvanger/Rabobank Wateringen Kwintsheul) gaat de Hoge Raad nogmaals in op het criterium van “incompleet” zijn van een fabriek zonder een bepaalde installatie. Niet gezegd kan worden dat het academische onderscheid dat de Hoge Raad hier maakt eenvoudig te begrijpen is.

De Hoge Raad overwoog (r.o. 3.2):

“… Het Hof heeft zijn beslissing niet doen steunen op de mate van fysieke verbondenheid van de apparatuur met de bedrijfsgebouwen, maar uitsluitend op de verkeersopvatting. Dienaangaande heeft het Hof overwogen dat ‘naar hedendaagse verkeersopvatting (ook die van november 1985) moet worden aangenomen dat een modern kwekersbedrijf als incompleet moet worden aangemerkt, indien daaruit de computergestuurde zaai-installatie zou worden verwijderd’. Het Hof heeft hieraan de conclusie verbonden dat ‘de omstreden goederen dan ook als bestanddeel van de loods (moeten) worden aangemerkt’. De rechtsklacht van onderdeel I treft doel.

Aldus oordelend heeft het Hof een onjuiste maatstaf aangelegd. Het gaat in gevallen als het onderhavige om beantwoording van de vraag of apparatuur en gebouw naar verkeersopvatting tezamen als één zaak moeten worden gezien. Een aanwijzing voor een bevestigende beantwoording van deze vraag kan worden geput uit de omstandigheid dat het gebouw uit een oogpunt van geschiktheid als bedrijfsgebouw bij het ontbreken van de apparatuur als onvoltooid moet worden beschouwd. Bij het aanleggen van deze maatstaf komt het echter, anders dan het Hof klaarblijkelijk heeft aangenomen, niet aan op de functie die de apparatuur (eventueel) vervult in het productieproces van het in het gebouw uitgeoefende bedrijf (HR 15 november 1991, RvdW 1991, 257).”

Het arrest Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2014 (Rabobank/installateur kastuinbouw) maakt inzichtelijk wat de Hoge Raad hiermee wil zeggen. Het Hof wierp in die zaak nader licht op de wijze, waarop met de door de Hoge Raad geformuleerde criteria moet worden omgegaan. De installateur had in een tuinbouwkas een belichtings-, een beluchtings- en een sproei-installatie aangebracht. Zij heeft ter zake een eigendomsvoorbehoud gemaakt.

De eigenaar van de kas had de Rabobank recht van hypotheek op de kas verleend. De Rabobank wilde het hypotheekrecht uitwinnen en heeft met de installateur afgesproken, dat zij zijn aanspraken uit hoofde van het eigendomsvoorbehoud zou compenseren, als zou komen vast te staan dat het eigendomsvoorbehoud stand hield. De Rabobank stelde, dat de installaties bestanddeel waren, omdat de kas zonder die installaties geen kas was. De installateur stelde, dat die installaties niet als bestanddeel waren aan te merken, omdat die slechts bedoeld waren voor een specifiek doel, te weten het kweken van een bepaald soort orchideeën. En dat de kas zonder de installaties prima dienst kon doen voor bvb. de teelt van paprika’s.

Het Hof overwoog, verwijzend naar het Dépex-arrest:

“3.30 Op grond van artikel 3:4 lid 1 BW is al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van een zaak, bestanddeel van die zaak. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat een aanwijzing dat een zaak volgens verkeersopvatting als onderdeel van een hoofdzaak heeft te gelden, kan zijn gelegen in de omstandigheid dat de twee zaken in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd, of in de omstandigheid dat de hoofdzaak, indien het bestanddeel zou ontbreken, als onvoltooid moet worden beschouwd in de zin, dat de hoofdzaak dan niet geschikt is te beantwoorden aan haar bestemming. Het gaat om de bestemming die uit de aard van de hoofdzaak zelf voortvloeit, niet om de economische of maatschappelijke bestemming die de concrete gebruiker subjectief aan de hoofdzaak heeft gegeven. Het komt niet aan op de functie die de apparatuur (eventueel) vervult in het productieproces. Of in een bepaald geval naar verkeersopvatting sprake is van een bestanddeel moet in het licht van alle omstandigheden van het geval worden beoordeeld.

3.32 Voor de beoordeling van dit geschil moet voorts een onderscheid worden gemaakt tussen de geschiktheid van de kas als bouwwerk voor het telen van enig gewas in het algemeen en de geschiktheid voor het telen van een bepaald gewas in het bijzonder. Al die installaties die noodzakelijk zijn om een kas te laten beantwoorden aan zijn bestemming voor het telen van enig gewas in het algemeen dienen als bestanddeel van de kas te worden aangemerkt. Daarentegen zijn de installaties die aanvullend in een kas moeten worden aangebracht om de kas geschikt te maken voor de teelt van een bepaald gewas in het bijzonder niet als zodanig aan te merken.

Het maakt in dat verband niet uit dat installateur alle installaties heeft voorzien van de tekst “eigendom van [naam] installateur”.

In het licht daarvan gelastte het Hof een deskundigenbericht, om zich te laten voorlichten over de vraag of de installaties een onontbeerlijk onderdeel van de kas vormden of niet.

Horizontale natrekking of verticale natrekking?

In het arrest HR 6 december 2012 (Prorail/Rijswijk Wonen) kwam de vraag, of een zaak volgens verkeersopvattingen bestanddeel uitmaakt van een andere (onroerende) zaak opnieuw aan de orde. De rechtsvoorganger van Prorail had een tunnelbak laten bouwen en daartoe aan Rijswijk Wonen toestemming gevraagd om zgn. ‘groutankers’ in de grond van het aangrenzende perceel te mogen aanbrengen, om de wanden van de tunnelbak te verstevigen tijdens de bouw. Het was de bedoeling, dat deze groutankers tijdelijk zouden zijn, maar na voltooiing van de bouw had Prorail de ankers met goedvinden van Rijswijk Wonen in de grond laten zitten. Toen Rijswijk Wonen op haar perceel wilde bouwen en een parkeergarage wilde aanbrengen, vorderde zij dat Prorail de groutankers zou verwijderen.

Rechtbank en Hof gaven Rijswijk Wonen gelijk. Het Hof overwoog daarbij, dat ook al waren de groutankers bedoeld slechts tijdelijk te zijn, deze niettemin geacht moesten worden tot de tunnelbak constructie te behoren (horizontale natrekking). Daartoe was niet nodig, dat ze (nog) bouwkundig met de tunnelbak verbonden waren, aldus het Hof.

De Hoge Raad casseert die beslissing, verwijzend naar het arrest Dépex/curatoren. Het Hof had namelijk beslist, dat de groutankers constructief op de tunnelbak waren afgestemd, maar had nagelaten om te onderzoeken of ze naar verkeersopvatting deel uitmaakten van die constructie, omdat de ankers slechts tijdelijk bedoeld waren. Zodoende waren ze – als ze niet (meer) bij de tunnelbak hoorden – verticaal nagetrokken en bestanddeel geworden van het perceel van Rijswijk Wonen.

Lees de overwegingen van HR 6 december 2012 (Prorail/Rijswijk Wonen)

De Hoge Raad overwoog:

“3.4 Op de voet van het bepaalde in art. 3:4 lid 1 BW, is hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van een zaak, bestanddeel van die zaak. Een aard- of nagelvaste verbinding is daarvoor niet vereist. Een aanwijzing dat een zaak volgens verkeersopvatting als onderdeel van een hoofdzaak heeft te gelden, kan gelegen zijn in de omstandigheid dat de twee zaken in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd, of in de omstandigheid dat de hoofdzaak, indien het bestanddeel zou ontbreken, als onvoltooid moet worden beschouwd in de zin, dat de hoofdzaak dan niet geschikt is te beantwoorden aan haar bestemming (vgl. HR 15 november 1991, Dépex/curatoren). Of in een bepaald geval naar verkeersopvatting sprake is van een bestanddeel, moet echter in het licht van alle omstandigheden van het geval beoordeeld worden; voor zover dat oordeel berust op een waardering van die omstandigheden, is het feitelijk van aard en kan het in cassatie slechts in beperkte mate worden onderzocht (HR 28 februari 2003, LJN AF0131, NJ 2003/272).

3.5.1 De in de onderdelen 1.1.1 – 1.1.3 geformuleerde rechtsklachten nemen tot uitgangspunt dat het tijdelijke karakter van de hulpfunctie van de groutankers belet deze als bestanddeel van de tunnelbak aan te merken, althans dat een zaak het karakter van bestanddeel verliest op het moment dat die zaak haar hulpfunctie verliest. In ieder geval geldt dit waar het (voormalige) bestanddeel, zoals in het onderhavige geval, slechts een tijdelijke functie had als hulpconstructie bij de bouw van de hoofdzaak. Daartoe wordt aangevoerd dat vanaf bedoeld moment niet langer kan worden gezegd dat de hoofdzaak zonder het (voormalige) bestanddeel incompleet zou zijn of niet aan haar economische of maatschappelijke functie zou kunnen beantwoorden. Aan het voorgaande doet, aldus nog steeds de onderdelen, onvoldoende af dat de tunnelwand en de groutankers constructief op elkaar zijn afgestemd. Betoogd wordt dat, indien sprake is van een tijdelijke hulpconstructie, een constructieve afstemming niet met zich brengt dat de zaken naar verkeersopvatting als een eenheid moeten worden gezien. In dit geval rechtvaardigt de constructieve afstemming veeleer het vermoeden dat de ‘hulpzaak’ bestemd is de ‘hoofdzaak’ (tijdelijk) te dienen en daarom als een zelfstandige zaak moet worden beschouwd.

3.5.2 Deze rechtsklachten falen. Hoewel de omstandigheid dat een zaak ten opzichte van een andere zaak een tijdelijke hulpfunctie vervult en bestemd is om daarna te worden verwijderd, in het algemeen een aanwijzing oplevert dat die zaak naar verkeersopvatting niet als onderdeel van de andere zaak kan worden aangemerkt, staat zulks niet altijd in de weg aan het oordeel dat desalniettemin sprake is van een bestanddeel, nu dat immers mede afhangt van de overige omstandigheden van het geval.

3.6 De in onderdeel 1.1.4 subsidiair aangevoerde motiveringsklachten slagen echter. Het hof heeft zijn oordeel dat de groutankers bestanddeel van de tunnelbak zijn (geworden), gebaseerd op de omstandigheden (i) dat zij dienden ter stabilisatie van de tunnelwand tijdens de bouwfase en (ii) dat de constructie van de wand en die van de ankers met het oog op die stabilisatiefunctie op elkaar waren afgestemd. Zonder nadere motivering is dit oordeel echter onbegrijpelijk in het licht van de omstandigheid dat de groutankers slechts een tijdelijke functie als hulpconstructie tijdens de bouwfase vervulden en bestemd waren om daarna te worden verwijderd; zoals hiervoor in 3.5.2 is overwogen, levert deze omstandigheid immers in het algemeen een aanwijzing op dat naar verkeersopvatting geen sprake is van een bestanddeel. Weliswaar overweegt het hof dat de groutankers na het vervullen van hun functie (toch) niet zijn verwijderd, maar het heeft die omstandigheid alleen redengevend geacht voor zijn oordeel dat de groutankers bestanddeel van de tunnelbak zijn “gebleven”, terwijl niet zonder meer valt in te zien dat die omstandigheid van invloed zou kunnen zijn op de voorvraag of de groutankers bestanddeel van de tunnelbak zijn geworden.

Nu onderdeel 1.1.4 slaagt, is ook onderdeel 1.2.3 gegrond. Het oordeel dat de groutankers bestanddeel zijn gebleven, kan immers niet in stand blijven omdat het voortbouwt op het met succes bestreden oordeel dat de ankers bestanddeel van de tunnelbak zijn geworden.

3.7 Het hof heeft in rov. 6 geoordeeld dat de groutankers, nu zij bestanddeel van de tunnelbak zijn gebleven, niet door verticale natrekking in de zin van art. 5:20 lid 1, onder e, BW eigendom zijn geworden van Rijswijk Wonen. Dit oordeel kan, nu de tegen de kwalificatie van de groutankers als bestanddeel van de tunnelbak gerichte klachten in onderdeel 1 gedeeltelijk slagen, niet in stand blijven. Onderdeel 2.2 slaagt derhalve eveneens …”

Afstemming bestanddeel en hoofdzaak in constructief opzicht

In het arrest Hof Arnhem-Leeuwarden 8 januari 2019 (Verwelius Vastgoed/huurders) kwam ook de vraag aan de orde, of een zaak – in dit geval zonneschermen die aan het gehuurde appartement waren bevestigd – al dan niet bestanddeel van het gebouw was. Verwelius wilde de defecte schermen niet op haar kosten repareren, verwijzend naar een beding in de huurovereenkomst. Het Hof oordeelde echter, dat de schermen volgens verkeersopvatting bestanddeel waren, overwegend dat uit het arrest Dépex/curatoren blijkt, dat een aanwijzing dat een zaak volgens verkeersopvatting als onderdeel van een hoofdzaak heeft te gelden, kan zijn gelegen in de omstandigheid dat de twee zaken in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd (het 1e element van de overweging van de Hoge Raad). Nu de zonneschermen – zoals uitvoerig toegelicht door het Hof – constructief op het gebouw waren afgestemd, waren ze onderdeel van het gebouw en moest Verwelius de herstelkosten dus betalen.

Aard en nagelvast

Het oude criterium “aard en nagelvast” is terug te vinden in art. 3:4 lid 1 B.W.: als een zaak zodanig met de hoofdzaak verbonden is, dat die niet zonder schade kan worden verwijderd, dan is het een bestanddeel van de hoofdzaak waaraan deze verbonden is.

Vermogensrechten

In art. 3:6 B.W. wordt het begrip “vermogensrechten” gedefinieerd. Dit zijn rechten, die – hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht – overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel.

In het arrest HR 6 december 2019 (ING Bank/Thielen q.q.) was de vraag aan de orde, of een assurantieportefeuille een overdraagbaar goed is, en dus of daarop een pandrecht ten gunste van de bank gevestigd was. De Hoge Raad komt tot de conclusie, dat – hoewel goederenrechtelijke rechten wel onderdeel kunnen zijn van een assurantieportefeuille – de assurantieportefeuille als zodanig geen goed is in de zin van het goederenrecht.

Lees de overwegingen van HR 6 december 2019 (ING Bank/Thielen q.q.)

De rechtbank had het volgende overwogen (blijkens het arrest van de Hoge Raad):

“Gelet op de definitie in art. 3:2 BW (“zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten”) mag worden aangenomen dat een assurantieportefeuille geen zaak is. Daarmee resteert de vraag of een assurantieportefeuille als vermogensrecht kan worden aangemerkt. Ten aanzien van de losse bouwstenen waaruit een assurantieportefeuille is opgebouwd, geldt dat overeenkomsten en goodwill op zichzelf geen vermogensrechten zijn, en vorderingsrechten wel. (rov. 4.5)

Art. 4:103 lid 4 Wft, waarin is bepaald dat een verzekeraar in beginsel medewerking moet verlenen als een assurantietussenpersoon zijn portefeuille geheel of gedeeltelijk aan een andere tussenpersoon wil overdragen, geeft een regeling voor de verbintenisrechtelijke verhouding tussen een verzekeraar en een assurantietussenpersoon. In die bepaling is echter niet een goederenrechtelijke overdracht van assurantieportefeuilles in het algemeen geregeld, zodat niet op grond van die bepaling kan worden gesteld dat assurantieportefeuilles een goederenrechtelijk rechtsobject zijn waarop een pandrecht kan worden gevestigd. Nu ook in geen andere wettelijke regeling de overdracht van assurantieportefeuilles is geregeld, moet worden aangenomen dat op een assurantieportefeuille als zodanig geen pandrecht kan worden gevestigd. Overdraagbaarheid is immers een essentiële voorwaarde om een pandrecht te kunnen vestigen (art. 3:228 BW). (rov. 4.7)

Daarmee is niet gezegd dat de term assurantieportefeuille verbintenisrechtelijk en in het economisch verkeer geen betekenis heeft. Men kan bij overeenkomst “een assurantieportefeuille” verkopen, op voorwaarde dat partijen het erover eens zijn wat onder die term moet worden verstaan. Daarbij kan goodwill in de overnameprijs worden verdisconteerd en in dat verband kunnen ook nadere afspraken worden gemaakt. Deze algemeenheid van goederen is echter geen goederenrechtelijke eenheid, zodat alleen de bouwstenen afzonderlijk, en voor zover dat volgens de wet mogelijk is, kunnen worden overgedragen. (rov. 4.8)”.

De Hoge Raad overwoog:

“3.2.1 Het begrip assurantieportefeuille is niet in de wet omschreven en heeft geen vaste inhoud. In de wetsgeschiedenis van de voormalige Wet Assurantiebemiddeling werd een assurantieportefeuille als volgt omschreven:

<<Elke tussenpersoon, die zijn beroep goed uitoefent, ongeacht of hij al dan niet de premiën int of daarvoor verantwoordelijk is, zal al de door hem gesloten verzekeringen regelmatig toetsen aan de werkelijkheid en daartoe de verzekeringnemers bezoeken: zijn taak is voor de belangen van deze verzekeringnemers te waken en zodoende de vertrouwenspositie, die hij behoort in te nemen, te bevestigen en te versterken. Hij zal zich beijveren elk contact tussen de verzekeraar en de verzekeringnemer via hem te leiden. Het gevolg is natuurlijk mede, dat door de gevestigde relatie de verzekeringnemers vaak nieuwe verzekeringen door zijn bemiddeling zullen afsluiten. Het op deze wijze gevormde geheel van relaties en meer concreet van de bestaande verzekeringsovereenkomsten wordt in het spraakgebruik met het woord “portefeuille” aangeduid. (Kamerstukken I 1951/52, 870, nr. 11a, p. 10.>>

In de wetsgeschiedenis van de daaropvolgende, eveneens voormalige, Wet assurantiebemiddelingsbedrijf, omschreef de minister de assurantieportefeuille als volgt:

<<De portefeuille van de tussenpersoon wordt gevormd door de verzekeringen die door zijn bemiddeling tot stand zijn gekomen of aan hem in beheer zijn gegeven. (Kamerstukken II 1989/90, 20925, nr. 10, p. 19.)>>

De huidige Wft bevat in de art. 4:102 en 4:103 enkele bepalingen over de portefeuille van een ‘bemiddelaar’, waaronder mede is te verstaan een assurantietussenpersoon, maar geeft geen definitie van het begrip portefeuille.

3.2.2 In cassatie dient tot uitgangspunt de niet bestreden vaststelling van de rechtbank dat tot een assurantieportefeuille de samenwerkingsovereenkomsten behoren die een assurantietussenpersoon heeft gesloten met verzekeraars en de overeenkomsten van opdracht die hij heeft gesloten met zijn cliënten, alsmede de goodwill bestaande in de verwachting dat de cliënten verzekeringsovereenkomsten die zij in de toekomst willen sluiten, via deze assurantietussenpersoon zullen sluiten.

3.4 Het wettelijke stelsel gaat ervan uit dat slechts individuele zaken of vermogensrechten als goed kunnen worden aangemerkt en als zodanig voorwerp kunnen zijn van een goederenrechtelijk recht of een goederenrechtelijke rechtshandeling. Het samenstel van overeenkomsten en goodwill dat wordt aangeduid als een assurantieportefeuille (zie hiervoor in 3.2.1 en 3.2.2), is niet een individuele zaak of een individueel vermogensrecht, ook al wordt het in het economische verkeer als een eenheid beschouwd. Een assurantieportefeuille is daarom niet een goed in de zin van art. 3:1 BW. Dit wordt niet anders doordat afzonderlijke onderdelen van een assurantieportefeuille, zoals vorderingsrechten, goederen zijn, noch doordat de portefeuille als geheel in het economische verkeer een vermogenswaarde vertegenwoordigt en voorwerp kan zijn van een obligatoire rechtshandeling zoals een koopovereenkomst.

3.5 Omdat een assurantieportefeuille als zodanig niet een goed is in de zin van art. 3:1 BW, is hij niet vatbaar voor overdracht of verpanding. Art. 4:103 lid 4 Wft, dat bepaalt dat een verzekeraar aan een verzoek van een bemiddelaar tot overdracht van diens portefeuille in beginsel moet meewerken, leidt niet tot een ander oordeel. Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel en tegen de achtergrond van het wettelijke stelsel van het goederenrecht, moet worden aangenomen dat deze bepaling niet het oog heeft op overdracht in goederenrechtelijke zin, maar op het overdragen van de positie van de assurantietussenpersoon in het hiervoor in 3.2.1 en 3.2.2 bedoelde samenstel van overeenkomsten en goodwill.”

Wat zijn afhankelijke rechten?

Art. 3:7 B.W. geeft de definitie van afhankelijk recht:

“Een afhankelijk recht is een recht dat aan een ander recht zodanig verbonden is, dat het niet zonder dat andere recht kan bestaan.”

Zo is een hypotheekrecht (waarmee een onroerend goed als onderpand wordt gegeven ter verzekering van de nakoming van een geldlening of een andere op geld waardeerbare verplichting) een afhankelijk recht.

Het afhankelijke recht gaat bij de overdracht van het recht, waaraan dit is verbonden, automatisch mee over. Wanneer dus de vordering uit de geldlening wordt overgedragen, dan gaat de hypothecaire onderzetting (het afhankelijke recht) van rechtswege mee over, zonder dat daarvoor een akte nodig is. Ook hoeft er zelfs geen bijzonder beding te worden opgenomen om het afhankelijke recht mee over te dragen. Het is echter wel mogelijk daar een afzonderlijke akte van te maken, en dat kan soms ook wel praktisch zijn (zie art. 13:7 lid 1 aanhef en sub a B.W.).. Daardoor wordt immers bvb. bij een hypotheek ook voor derden kenbaar, wie de gerechtigde is (d.w.z. dat er een wijziging is opgetreden in wie de gerechtigde is).

Het afhankelijke recht gaat over bij alle vormen van overgang van het hoofdrecht. Dus ook bij rechtsopvolging onder algemene titel, zoals erflating enz.

Zie ook de pagina Algemene bepalingen verkrijging en verlies van goederen (Afd. 1, Titel 4, Boek 3 B.W.).

Natuurlijke en burgerlijke vruchten en lijfrente

Deze termen worden gedefinieerd in art. 3:9 B.W..

Registergoederen

Registergoederen zijn alle zaken, die (uitsluitend) geleverd (of gevestigd) (kunnen) worden door de inschrijving in een daartoe bestemd register (art. 3:10 B.W.). Voor registergoederen is ook Afd. 2 van belang.

Misbruik van bevoegdheid of misbruik van recht

Een even centraal begrip is dat van de misbruik van bevoegdheid. Waar niemand een (rechts)vordering heeft, als een belang daarbij ontbreekt, geldt ook dat het instellen van een rechtsvordering zonder belang neerkomt op misbruik van de bevoegdheid die vordering in te stellen. Art. 3:13 lid 1 B.W. vormt de centrale bepaling voor een beroep op misbruik van bevoegdheid. In lid 2 wordt nader omschrijven wat als misbruik heeft te gelden. Sommige bevoegdheden kunnen naar hun aard niet worden misbruikt (lid 3).

Overigens zal er niet snel sprake zijn van misbruik van bevoegdheid: zie ook de pagina Algemene beginselen procedures.

Civielrechtelijke bevoegdheid mag niet worden uitgeoefend in strijd met publiekrecht

Een voor civilisten wat onopvallende bepaling is art. 3:14 B.W., dat bepaalt dat een bevoegdheid, die iemand krachtens het burgerlijk recht toekomt, mag niet worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht.

Hiermee wordt invulling gegeven aan de wisselwerking tussen burgerlijk recht en het publiekrecht (ook wel aangeduid als bestuursrecht of administratief recht). Een publiekrechtelijke vergunning (zoals bvb. een bouwvergunning) geeft een bevoegdheid die door de overheid is gegeven vanuit de publiekrechtelijke toetsing en taakstelling. Die geeft echter daarmee niet tevens een vrijbrief om die publiekrechtelijk verleende bevoegdheid (in dit voorbeeld de bouwvergunning) zonder civielrechtelijke beperking uit te oefenen. De uitoefening kan in strijd zijn met bvb. het burenrecht of andere civielrechtelijke verplichtingen.

In art. 3:14 B.W. wordt de spiegelbeeldige situatie belicht vanuit het burgerlijk recht in relatie tot het publeikrecht: de uitoefening van een civielrechtelijke bevoegdheid mag niet strijdig zijn met de bestuursrechtelijke regels. Het recht van eigendom geeft je dus niet de vrijbrief om op je erf te bouwen wat je maar wilt: daarbij komen de publiekrechtelijke regels zoals het bestemmingsplan en het vereiste van een bouwvergunning (of een hinderwetvergunning enz.) bij om de hoek kijken.

Een voorbeeld hiervan geeft het arrest HR 26 november 2021 (Bedeco c.s./Gemeente Montferland). De Gemeente wilde het oude gemeentehuis van Didam – waarvan zij eigenaar was – verkopen en laten ontwikkelen in het kader van het Masterplan Didam. In dat kader had was een ontwikkelaar (verweerder sub 2) in contact gekomen met de wethouder, en daaruit waren de verdere plannen voor de ontwikkeling en verkoop voortgekomen. Daarbij was de franchise-ondernemer van het Albert Heijn filiaal, dat buiten de dorpskern lag en graag naar het centrum wilde verhuizen, gepasseerd.

Er was geen sprake van een aanbestedingsplicht volgens het publiekrecht. Bedeco c.s. betoogden, dat de publiekrechtelijke normen bestuursrechtspraak gehanteerde ‘mededingings- en transparantienorm’, zoals ontwikkeld door de CRvB, ook dienden te gelden in deze situatie. De rechtbank en het Hof (en vervolgens ook de P-G) wezen dit argument van de hand. Het Hof overwoog:

5.8 Beteco c.s. betoogt verder dat de door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927) geïntroduceerde norm die ertoe strekt dat bij de verdeling van schaarse vergunningen aan potentiële gegadigden op een reële wijze mededingingsruimte moet worden geboden, naar analogie mede van toepassing is op de uitgifte van schaarse grond. Daarvan is volgens [eiseressen] sprake bij een toplocatie midden in het centrum van Didam waar een supermarkt kan worden gevestigd, zodat het zorgvuldigheids- en het gelijkheidsbeginsel vergen dat alle potentiële gegadigden een kans krijgen die schaarse grond te verkrijgen.
Het hof ziet dat anders. Een dergelijke ‘mededingingsnorm bij schaarse vergunningen’ is (nog) niet van toepassing op gronduitgifte buiten de (in dit geval) aanbestedingsrechtelijke context. Voor zover deze norm wél op grondverkoop door de overheid zou zien, dan geldt deze bovendien enkel bij schaarste. [eiseressen] heeft in dit kort geding niet voldoende aannemelijk gemaakt dat het hier gaat om schaarse ruimte die in het centrum van Didam beschikbaar is voor een supermarkt, ook niet met de verklaring van makelaar [makelaar] (…) dat er op dit moment geen vergelijkbare locatie te koop wordt aangeboden. (…)”

Ten slotte is het hof ingegaan op de door Beteco c.s. gestelde strijd met het gelijkheidsbeginsel voor het overige en heeft het op grond van een belangenafweging geoordeeld dat er geen reden is om de levering van de gemeentehuislocatie aan verweerster sub 2 [MdV, de andere ontwikkelaar met wie de Gemeente in zee was gegaan] te verbieden. Naar het oordeel van het hof is van strijd met het vertrouwensbeginsel evenmin sprake.”

De Hoge Raad komt echter op grond van art. 3:14 B.W. tot een ander oordeel. Bedeco c.s. klaagt, dat het Hof heeft miskend dat in het Nederlandse recht een rechtsnorm geldt, die er toe strekt dat bij de verdeling van schaarse grond, daaronder begrepen de verkoop als in het onderhavige geval aan de orde is, in beginsel door het bestuur op enigerlei wijze aan (potentiële) gegadigden ruimte moet worden geboden om naar de grond mee te dingen, althans aan hen van wie het bestuur weet dat zij geïnteresseerd zijn in de desbetreffende grond. Voorts heeft het hof miskend dat het bestuur, om gelijke kansen te realiseren, in beginsel een passende mate van openbaarheid moet verzekeren bij de verkoop van de grond, aldus het onderdeel.

De Hoge Raad overweegt, dat om te beginnen art. 3:14 B.W. ook geldt voor een overheid, die haar privaatrechtelijke bevoegdheid (zoals het verkopen van een haar in eigendom toebehorend perceel of onroerende zaak) uitoefent (r.o. 3.3):

“Op grond van art. 3:14 BW mag een bevoegdheid die krachtens het burgerlijk recht aan een overheidslichaam toekomt, niet worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht. Tot de regels van publiekrecht behoren de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit betekent dat een overheidslichaam bij het aangaan en uitvoeren van privaatrechtelijke overeenkomsten de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en daarmee het gelijkheidsbeginsel in acht moet nemen. Dit geldt dus ook voor de beslissing met wie en onder welke voorwaarden het een overeenkomst tot verkoop van een aan hem toebehorende onroerende zaak sluit. Op dit punt verschilt de positie van een overheidslichaam van die van een private partij.”

De Hoge Raad verwijst hierbij naar eerdere uitspraken: HR 27 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5565, rov. 3.3; HR 24 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0582, rov. 3.3..

Het publiekrechtelijke gelijkheidsbeginsel (onderdeel van de ‘algemene beginselen van behoorlijk bestuur’ – de ‘ABBB’, die de basisregels vormen voor overheidshandelen) schrijft de overheid volgens de Hoge Raad voor (r.o. 3.1.4):

“Uit het gelijkheidsbeginsel – dat in deze context strekt tot het bieden van gelijke kansen – vloeit voort dat een overheidslichaam dat het voornemen heeft een aan hem toebehorende onroerende zaak te verkopen, ruimte moet bieden aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen naar deze onroerende zaak indien er meerdere gegadigden zijn voor de aankoop van de desbetreffende onroerende zaak of redelijkerwijs te verwachten is dat er meerdere gegadigden zullen zijn. In dat geval zal het overheidslichaam met inachtneming van de hem toekomende beleidsruimte criteria moeten opstellen aan de hand waarvan de koper wordt geselecteerd. Deze criteria moeten objectief, toetsbaar en redelijk zijn.”

Daarnaast moet hieraan ook de naar redelijkheid te eisen openbaarheid aan worden gegeven, aldus de Hoge Raad (r.o. 3.1.5):

“Het gelijkheidsbeginsel brengt ook mee dat het overheidslichaam, teneinde gelijke kansen te realiseren, een passende mate van openbaarheid moet verzekeren met betrekking tot de beschikbaarheid van de onroerende zaak, de selectieprocedure, het tijdschema en de toe te passen selectiecriteria. Het overheidslichaam moet hierover tijdig voorafgaand aan de selectieprocedure duidelijkheid scheppen door informatie over deze aspecten bekend te maken op zodanige wijze dat (potentiële) gegadigden daarvan kennis kunnen nemen.”

De Hoge Raad verwijst voor deze publiekrechtelijke normen naar de jurisprudentie van de Afd. Bestuursrecht van de Raad van State rond het afgeven van schaarse vergunningen (ABRvS 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927, r.o. 8).

Hierbij geldt slechts één uitzondering (r.o. 3.1.6). De mededingingsruimte door middel van een selectieprocedure hoeft niet te worden geboden indien bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop. In dat geval dient het overheidslichaam zijn voornemen tot verkoop tijdig voorafgaand aan de verkoop op zodanige wijze bekend te maken dat een ieder daarvan kennis kan nemen, waarbij het dient te motiveren waarom naar zijn oordeel op grond van de hiervoor bedoelde criteria bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt.

De positie van een overheidslichaam verschilt hiermee wezenlijk van die van een private partij, omdat een overheid anders dan privaatrechtelijke partijen zich hebben te houden aan de aan overheden te stellen eisen. Een private partij is veel vrijer in de uitoefening van zijn privaatrechtelijke bevoegdheden. Hij mag bij voorbeeld – behoudens andere afspraken – zelf bepalen aan wie hij een zaak al of niet verkoopt. De publiekrechtelijke beperkingen die voor een private partij gelden hebben alleen betrekking op de verticale (top down) regels van de overheid richting de burger. De overheid heeft echter de plicht zich ook overeenkomstig de ABBB te gedragen als een transparante en eerlijke overheid. Iets wat in de praktijk telkens weer moeilijk (b)lijkt te zijn.

Schakelbepaling

Tot slot geeft de afdeling een schakelbepaling: art. 3:11 B.W tot en met art. 3:14 B.W. vinden buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Dus de begrippen goede trouw, redelijkheid & billijkheid en misbruik van bevoegdheid zijn in beginsel ook buiten het vermogensrecht toepasbaar.

Author & Last edit

[MdV, 22-06-2018; laatste bewerking 3-12-2021]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank voor burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.