Vonnis algemeen (Par. 1, Afd. 12, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Pagina inhoud

Inleiding algemene bepalingen vonnis

In Par. 1 van Afd. 12, Titel 2 Boek I Rv. heeft de wetgever enkele algemene bepalingen gegeven over het vonnis in de dagvaardingsprocedure. De paragraaf omvat 8 artikelen (art. 229 Rv. tot en met art. 236 Rv.). Deze regels zijn ook van belang voor hoger beroep.

*NB de links naar de wettekst verwijzen naar de versie van de wet zoals die geldt voor niet-digitaal procederen.

Datumbepaling vonnis

De rechter stelt de datum voor het wijzen van vonnis vast, en deelt deze aan partijen mee, aldus art. 229 Rv.. Bij een rechtbankprocedure verloopt dit via de digitale rol, aan de hand van de bepalingen van het procesreglement (meestal 6 weken). Bij de Kantonrechter worden partijen – net als in de verzoekschriftprocedure – per brief door de griffier geïnformeerd. Ter comparitie kiest de rechter doorgaans een datum waarop de rechtbank hoopt uitspraak te kunnen doen. In de praktijk wordt dat vaak dan weer uitgesteld (de zaak wordt dan aangehouden tot een nadere datum).

Partijen kunnen de rechter verzoeken de uitspraak uit te stellen (2e volzin). Dat zal in de praktijk niet vaak gebeuren, want partijen moeten vanwege de achterstanden bij de rechtbanken (en Hoven) al eindeloos wachten op de uitspraak. De advocaten en procespartijen moeten binnen stricte termijnen proceshandelingen verrichten, die door de rechter streng worden gehandhaafd. Te laat “dienen”kan zelfs tot verlies van de mogelijkheid tot het verrichten van die handeling leiden.

Rechters kunnen zich echter voortdurende aanhoudingen permitteren. Partijen kunnen daar niets tegen uitrichten, behalve klagen per brief (wat weinig uithaalt).

Eisen aan de inhoud van het vonnis

Het vonnis moet op grond van art. 230 lid 1 Rv. in ieder geval de volgende bevatten:

a. de namen en de woonplaats van de partijen, en de namen van hun gemachtigden of advocaten;

b. het verloop van het geding;

c. de slotsom van de dagvaarding en de conclusies van partijen;

d. de slotsom van de conclusie van het openbaar ministerie in de gevallen waarin het is gehoord;

e. de gronden van de beslissing, waaronder begrepen de feiten waarop de beslissing rust;

f. de beslissing;

g. de naam van de rechter of, bij een meervoudige kamer, de namen van de rechters door wie het vonnis is gewezen;

h. de dag van de uitspraak.

Bij een verstekvonnis en de vorderingen van de eiser geheel of gedeeltelijk worden toegewezen, kan voor sub a), c), e) en f) worden volstaan met verwijzing naar een door de griffier gewaarmerkt afschrift van het exploot van dagvaarding dat aan het vonnis wordt gehecht (lid 2).

Ondertekening vonnis door de rechter

Het vonnis wordt bij een meervoudige kamer ondertekend door de voorzitter en de griffier. Het kan ook worden ondertekend door de rechter die het vonnis uitspreekt art. 230 lid 3 Rv..

Toezending afschrift van het vonnis

De griffier stuurt op de dag van de uitspraak een afschrift van het vonnis aan de procespartijen (art. 231 lid 1 Rv.). Dat wil zeggen aan de eiser(s) en aan de gedaagde(n) die in het geding is (c.q. zijn) verschenen. De gedaagden die niet zijn verschenen krijgen dus geen exemplaar.

Grosse van het vonnis

Betreft het een eindvonnis, dan is het afschrift dat wordt verstrekt aan een partij die tot tenuitvoerlegging van dat vonnis kan overgaan, opgemaakt in executoriale vorm. Deze kan op basis daarvan een deurwaarder inschakelen om het vonnis – zo nodig – aan de veroordeelde partij te betekenen en als de veroordeelde niet nakomt de executie ter hand te nemen. Zie de pagina Gerechtelijke tenuitvoerlegging. Een grosse is te herkennen aan het stempel “In Naam van de Koning”. Een niet in executoriale vorm opgemaakt afschrift krijgt simpelweg het stempel “Afschrift”.

Nieuwe of extra grosse

Als de grosse kwijt is, dan is er geen man overboord. De griffier verstrekt aan de partij die tot tenuitvoerlegging van dat vonnis kan overgaan op diens verzoek een nieuwe grosse van het vonnis. Dit kunnen ook de rechtverkrijgenden onder algemene titel (hierbij valt met name te denken aan erfgenamen) zijn, die in de rechten van deze partij zijn getreden (art. 231 lid 2 Rv.).

In art. 29 lid 5 Rv. (zie ook de pagina Algemene beginselen procedures) is bepaald hoe het verzoek om een nieuwe grosse moet worden gedaan. Hiervoor wordt ook weer een griffierecht geheven.

Weigert de griffier (geheel of deels) een afschrift te verstrekken, kan de verzoeker binnen twee weken na de dagtekening van de weigering schriftelijk in verzet komen bij de voorzieningenrechter ( art. 29 lid 6 Rv.).

Elk in executoriale vorm opgemaakt afschrift wordt eveneens gedagtekend (art. 231 lid 3 Rv.).

Verschillende soorten vonnissen

Het ene vonnis is het andere niet. Vonnissen kunnen in verschillende soorten worden ingedeeld.

Verstekvonnis en contradictoir vonnis

Een vonnis in een procedure waarin de andere partij is verschenen heet een contradictoir vonnis, oftewel een vonnis op tegenspraak. Verschijnt de gedaagde niet, dan wordt er tegen de gedaagde verstek verleend en is het een verstekvonnis. Daartegen is verzet mogelijk (zie de pagina Verzet). Zoals in elke dagvaarding verplicht moet worden aangezegd geldt dit niet wanneer er meerdere gedaagden zijn en tenminste één wel verschijnt. Dan is het wel een contradictoir vonnis en is het rechtsmiddel hoger beroep. Overigens is het ook in hoger beroep mogelijk (eerst) verstek te laten gaan, zodat er een “verstekarrest” gewezen wordt.

Declaratoir vonnis, constitutief vonnis en veroordelend vonnis

Er kan ook worden onderscheiden naar de aard van de beslissing. Een declaratoir vonnis is een vonnis waarin de rechter een bepaald rechtstoestand, rechtsverhouding of rechtsfeit vaststelt. Een verklaring voor recht is dus een declaratoir vonnis. Dat geldt ook voor een vonnis waarin de rechter vaststelt dat een handelen onrechtmatig is, of waarin de nietigheid van een rechtshandeling wordt geconstateerd. Een vonnis waarin niet ook een veroordeling wordt uitgesproken wordt wel aangeduid als een zuiver declaratoir vonnis.

Wordt een partij veroordeeld om iets te doen, na te laten of te betalen, dan is dat een condemnatoir vonnis, oftewel een veroordelend vonnis.

Een constitutief vonnis is een vonnis waarbij een bepaalde rechtstoestand door de rechter wordt bewerkstelligd, gewijzigd of opgeheven, zoals de vernietiging van een rechtshandeling of de ontbinding van een overeenkomst. Een constitutief vonnis kan ook gedeeltelijk veroordelend zijn, bij voorbeeld wanneer de ontbinding van een overeenkomst wordt uitgesproken met veroordeling tot schadevergoeding.

Wordt een partij onder voorwaarde veroordeeld, dan kan dat ook een voorwaardelijk vonnis worden genoemd. Het vonnis is natuurlijk zelf niet voorwaardelijk, maar de veroordeling wel.

Eindvonnis, deelvonnis en tussenvonnis

Het onderscheid tussen eindvonnis, tussenvonnis en deelvonnis is van belang voor de vraag of, en zo ja, wanneer hoger beroep mogelijk is.

Het onderscheid tussen enerzijds een eindvonnis of een deelvonnis en anderzijds een tussenvonnis is met name van belang voor de mogelijkheid om tegen het vonnis in beroep te gaan. Zie ook de pagina Appelabiliteit. Tegen een tussenvonnis kan in beginsel slechts hoger beroep worden aangetekend tegelijkertijd met het eindvonnis. Alleen wanneer de rechter in het vonnis de mogelijkheid biedt om tussentijds hoger beroep in te stellen kan tegen een tussenvonnis wel al voor het eindvonnis hoger beroep worden aangetekend (art. 337 lid 2 Rv.). Uitgezonderd provisionele vonnissen. Onder het oude procesrecht – voor de wetswijziging per 1 januari 2002, van de Wet van 6 december 2001, Stb. 580 – gold het omgekeerde: tussentijds appèl was altijd mogelijk, tenzij de rechter het in het vonnis had uitgesloten.

Eindvonnis; zuiver eindvonnis

Bij een eindvonnis gaat de beroepstermijn meteen lopen. Wordt die niet benut, dan gaat het eindvonnis in kracht van gewijsde. Een eindvonnis is een vonnis waarin de rechter in het dictum van de uitspraak beslist op de gehele vordering, inclusief de proceskosten. Dit geldt dus zowel voor een afwijzing als voor een toewijzing van het gevorderde, of een gedeeltelijke afwijzing en gedeeltelijke toewijzing. Dit noemt men ook wel een “zuiver eindvonnis”.

Als de rechter nog niet op de gehele of alle vorderingen in het dictum heeft beslist, is het vonnis geen eindvonnis, althans niet voor wat betreft de onderdelen van de vordering waarover nog niet is beslist. De rechter zal dan in het dictum vermelden “en houdt voor het overige iedere verdere beslissing aan”. Wanneer die zinsnede per ongeluk in het vonnis staat, maar wel op alle vorderingen is beslist, dan is het toch een eindvonnis.

Een overweging van de rechter waarmee een standpunt wordt ingenomen over de toewijsbaarheid van een vordering, dat niet leidt tot een beslissing in het dictum, is geen eindvonnis op die vordering, maar een eindbeslissing. Op zo’n beslissing kan de rechter (in die instantie) niet meer terugkomen, maar zo lang die beslissing niet in het dictum staat is het geen eindvonnis of deelvonnis en is hoger beroep (nog) niet mogelijk. Zie hieronder nader over eindbeslissingen.

Deelvonnis; gedeeltelijk eindvonnis

Een deelvonnis is wat dit betreft verraderlijk. Een deelvonnis is een beslissing, waarin een deel van het gevorderde in het dictum uitdrukkelijk wordt afgedaan. Voor dat gedeelte van de beslissing staat het vonnis gelijk aan een eindvonnis, zodat de beroepstermijn daartegen vanaf de uitspraak een aanvang neemt. Je zou het ook een “gedeeltelijk eindvonnis” kunnen noemen, of een “gemengd vonnis”.

Het is zaak op te letten of een tussenvonnis een deelvonnis bevat. Is hoger beroep tegen een deelvonnis mogelijk, dan kan ook over het andere deel worden geklaagd waartegen zonder deelvonnis geen beroep zou openstaan. Zie ook de pagina Appellabiliteit). Een vonnis waarmee een vordering tot het houden van een deskundigenonderzoek wordt toegewezen is geen deelvonnis. Weliswaar wordt daarmee in het dictum – als dat gevorderd is – een deel van het gevorderde toegewezen, maar dit is geen inhoudelijke beslissing over toewijzing of afwijzing van een vordering aan een partij op een bepaalde rechtsgrond.

Ook in hoger beroep kan het Hof een tussenarrest geven. De bovenstaande regels voor tussenuitspraken gelden ook voor hoger beroep. Zie ook de pagina Hoger beroep (met subpagina’s).

Met hoger beroep tegen een deelvonnis – ook al is die onderdeel van een tussenvonnis – kan dus niet worden gewacht tot het eindvonnis waarin op de resterende vorderingen wordt beslist. Toestemming ex art. 337 Rv. om in hoger beroep te mogen tegen het deelvonnis is dan ook niet aan de orde. Het deelvonnis is geen tussenvonnis voor wat betreft de daarin afgedane vorderingen, maar is een eindvonnis. Een voorbeeld biedt HR 25 februari 2000 (Kerens/Hubert), waarin de verkopers in hoger beroep tegen het eindvonnis van 4 september 1996 incidenteel appèl hadden ingesteld tegen een eerdere beslissing van de rechtbank d.d. 23 november 1994. Het Hof vernietigde beide vonnissen, maar miskende daarbij dat het eerste vonnis van de rechtbank een deelvonnis was. De Hoge Raad casseert en doet zelf af, door het arrest van het Hof te vernietigen, eisers in de vordering in het incidenteel appèl niet-ontvankelijk te verklaren en het eindvonnis van de rechtbank te bekrachtigen (r.o. 3.3).

Bekrachtiging van tussenuitspraak lagere rechter met terugverwijzing

Ook een bekrachtiging van een tussenvonnis van de rechtbank, met terugverwijzing naar de rechtbank, is een tussenarrest en geen eindarrest. Vgl. HR 22 april 2016 (Imation Europe/Stichting Thuiskopie).

Bij tussentijds appèl oppassen geblazen: afdoening zonder terugverwijzing

Wanneer na een eerder tussenvonnis – waartegen niet direct geappelleerd wordt – hoger beroep wordt ingesteld, moet de andere partij erop verdacht zijn dat het Hof ertoe kan besluiten de zaak aan zich te houden en direct af te doen, en dus niet terug te verwijzen. De verwerende partij kan dan op het verkeerde been gezet worden, als die (nog) niet was ingegaan op het tussenvonnis vanuit de gedachte dat dat na de terugverwijzing wel komt met het hoger beroep tegen het eindvonnis. Uit veiligheid kan de verwerende partij dan beter hetzij incidenteel appel tegen het tussenvonnis instellen, dan wel op zijn minst erop wijzen, dat als het Hof de zaak zelf wil afdoen die partij dan nog incidentele grieven wil nemen tegen het tussenvonnis. Recentelijk trad deze valkuil aan de dag in een procedure tussen advocaten.

In het arrest HR 17 januari 2020 (Dingemans q.q. c.s./Banning) was de aansprakelijkstelling van een advocatenkantoor aan de orde door een viertal curatoren uit verschillende faillissementen. In die procedure waren twee tussenvonnissen gewezen, waartegen niet was geappelleerd. Bij vonnis van 23 maart 2016 overwoog de rechtbank in een eindbeslissing, dat zij de vorderingen van de curatoren toewijsbaar achtte, waarbij de schadevaststelling op een later moment diende plaats te vinden. De rechtbank stond tegen dit tussenvonnis tussentijds hoger beroep toe. Het Hof hield de zaak aan zich – tot verrassing van de curatoren – en deed de zaak zelf af, en wees de vorderingen van de curatoren af.

Die beklaagden zich dat zij zich daardoor niet hadden kunnen uitlaten over de eerdere tussenvonnissen. De Hoge Raad wees die klachten van de hand. Curatoren hadden zich dit zelf moeten realiseren en indien gewenst incidenteel appèl in moeten stellen tegen de tussenvonnissen.

Lees de overwegingen van HR 17 januari 2020 (Dingemans q.q. c.s./Banning)

De Hoge Raad overwoog (r.o. 3.2.2 e.v.):

“3.2.2 Het onderdeel betoogt onder meer dat het hof heeft miskend dat door de grieven van Banning c.s. in hoger beroep niet de rechtsstrijd is ontsloten over (i) de afwijzing van de incidentele vordering tot afgifte in het vonnis van 27 juli 2011 en (ii) de toewijzing van het beroep van [de advocaat] op zijn verschoningsrecht in de beschikking van 15 oktober 2014.

Daarnaast heeft het hof volgens het onderdeel miskend dat de in de rechtspraak aanvaarde rechtsregel dat het de geïntimeerde vrijstaat om bij tussentijds hoger beroep al dan niet (tussentijds) incidenteel appel in te stellen, meebrengt dat de appelrechter niet op grond van art. 356 Rv de zaak aan zich mag houden bij vernietiging van het tussenvonnis waartegen tussentijds hoger beroep is ingesteld. Het hof had de zaak dan ook moeten terugwijzen naar de rechtbank.

In ieder geval had het hof de curatoren in de gelegenheid moeten stellen zich in hoger beroep uit te laten over de door de rechtbank afgewezen vorderingen tot afgifte van stukken en over het door de rechtbank gehonoreerde beroep van Banning c.s. op hun verschoningsrecht, aldus het onderdeel.

3.2.3 Op grond van art. 356 Rv kan de rechter in hoger beroep, wanneer hij een tussenvonnis vernietigt, de zaak aan zich houden om in hoger beroep op de hoofdzaak te beslissen. Het is aan het beleid van de appelrechter overgelaten om al dan niet gebruik te maken van deze bevoegdheid. Dat beleid leent zich in beginsel niet voor toetsing in cassatie. De bevoegdheid de zaak zelf af te doen wordt wel begrensd door de eisen van een goede procesorde en in het bijzonder door het beginsel van hoor en wederhoor.7 Daarbij is echter uitgangspunt dat partijen rekening moeten houden met de mogelijkheid dat de appelrechter gebruik zal maken van bedoelde bevoegdheid en dat zij, voor zover de rechtsstrijd in hoger beroep daartoe aanleiding geeft, hun stellingen op het gebruik van die mogelijkheid dienen af te stemmen. Zij kunnen in beginsel niet erop rekenen daartoe nog bij afzonderlijke beslissing in de gelegenheid te worden gesteld.

3.2.4. De bevoegdheid van de rechter in hoger beroep om na vernietiging van een tussenvonnis zelf de zaak af te doen, wordt niet begrensd door de keuzevrijheid van de geïntimeerde om ofwel ook zelf dadelijk hoger beroep in te stellen (tegen het tussenvonnis waarvan hoger beroep is opengesteld dan wel tegen eerdere tussenvonnissen), ofwel daarmee te wachten totdat een later tussenvonnis of het eindvonnis is gewezen. Ook bij de afweging om al dan niet dadelijk incidenteel hoger beroep in te stellen, dient de geïntimeerde rekening te houden met de mogelijkheid dat de appelrechter gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om na vernietiging van een tussenvonnis zelf de zaak af te doen.

3.2.5. Uit het voorgaande volgt dat het hof bevoegd was de zaak aan zich te houden en zelf af te doen. Omdat de grieven de aansprakelijkheid van Banning c.s. jegens (de gezamenlijke schuldeisers van) [C] en [D] ten gronde aan de orde stelden, dienden de curatoren er rekening mee te houden dat bij het afdoen van de zaak door het hof ook het – zowel in het kader van de incidentele vordering tot afgifte van stukken, als bij het getuigenverhoor van [de advocaat] gedane – beroep op het verschoningsrecht van [de advocaat] van belang zou kunnen zijn. Uit de memorie van antwoord van de curatoren blijkt dat zij dat onder ogen hebben gezien. Anders dan het onderdeel betoogt, was er dus geen aanleiding de curatoren in de gelegenheid te stellen zich nog nader uit te laten.”

Tussenvonnis

De rechter kan, voordat hij definitief over de zaak beslist, een tussenvonnis wijzen (art. 232 lid 1 Rv.). Dat is een vonnis of arrest waarin de rechter nog niet definitief over de zaak beslist, aldus HR 10 oktober 2003 (vordering containerhuur ECR) (r.o. 3.3). De Hoge Raad vermeldt daar ook de definitie van een eindvonnis, ter onderscheid van een tussenvonnis.

Bij een normaal procesverloop wordt meestal tenminste één keer een tussenvonnis gewezen, omdat na de conclusie van antwoord standaard een comparitie na antwoord wordt gelast. De beslissing daartoe wordt neergelegd in een tussenvonnis.

Soorten tussenvonnissen

Tussenvonnissen zijn er ook in soorten en maten. Onder het oude procesrecht (voor 1 januari 2002) werd wel onderscheiden in:

– preparatoire tussenvonnissen;
– interlocutoire tussenvonnissen;
– incidentele tussenvonnissen en
– provisionele tussenvonnissen.

In 2002 is dit onderscheid versimpeld: er wordt nog slechts onderscheiden tussen provisionele tussenvonnissen – waartegen meteen hoger beroep open staat – en andere tussenvonnissen, waartegen dus geen hoger beroep open staat tenzij met toestemming van de rechter.

Een incidenteel tussenvonnis is een tussenvonnis waarin wordt beslist op een incident, zoals een bevoegdheidsincident, een incident tot vrijwaring, voeging of tussenkomst etc. (zie de pagina Algemene bepalingen incidentele vorderingen).

Met een interlocutoir vonnis werd een tussenuitspraak aangeduid waarbij de rechter een bewijsopdracht, persoonlijke verschijning van partijen, nadere inlichtingen of onderzoek beveelt waarvan de beslissing van de zaak afhankelijk kan zijn.

Met een preparatoir vonnis werd een tussenvonnis bedoeld ten behoeve van de “instructie” van de zaak. Dit kan bij voorbeeld een verzoek van de rechter inhouden om stukken over te leggen, of een beslissing waarin de rechter partijen een opdracht geeft tot het aanleveren van bewijsstukken of een bevel tot een nader onderzoek. Dergelijke beslissingen kunnen ook in de tussenvonnis tot het doen houden van de mondelinge behandeling zijn opgenomen, met een termijnstelling.

Provisioneel tussenvonnis

Alleen tegen een provisioneel (tussen)vonnis kan wel meteen hoger beroep worden ingesteld (art. 337 lid 1 Rv.).

Beschikking procedure deelgeschil letselschade of overlijdensschade

Voor hoger beroep tegen beslissingen in deelgeschilprocedures geldt een apart regime. Die beslissingen hebben te gelden als een tussenvonnis, dat hetzij voorafgaand dan wel tijdens (en parallel aan) de hoofdzaak wordt gewezen. Zie voor de regeling en de beroepstermijn de pagina Deelgeschillen letselschade en overlijdensschade.

Welke uitspraken zijn tussenuitspraken?

Voor de vraag of hoger beroep mogelijk is, is dus van belang of een uitspraak een tussenuitspraak (dat is hetzelfde als tussenvonnis) is, of een einduitspraak (of eindvonnis). De Hoge Raad heeft dit in een aantal beslissingen toegelicht.

Tussenvonnis comparitie

Een vonnis waarin de rechter een comparitie van partijen gelast en elke verdere beslissing aanhoudt is een (veel voorkomend) voorbeeld van een tussenvonnis. Daartegen is dus in beginsel geen hoger beroep mogelijk.

Toewijzing incidentele vordering

Ook de toewijzing van een incidentele vordering is in beginsel een tussenuitspraak. Zie HR 13 juli 2012 (Ponzi-zwendel), waarin de Hoge Raad besliste dat tussentijds hoger beroep niet mogelijk was. De ABN AMRO Bank was alvast in hoger beroep gegaan en verzocht de rechtbank ondertussen tussentijds hoger beroep toe te staan, wat de rechtbank weigerde. Het Hof verklaarde de bank niet-ontvankelijk gelet op het verbod op tussentijds appel, waartegen de bank in cassatie kwam. De Hoge Raad overwoog (r.o. 3.6):

“De incidentele vordering berust op de stelling van de bank dat niemand van de eisers in de hoofdzaak heeft voldaan aan zijn stelplicht en bewijslast en dat zij, indien niet elk van de individuele eisers de gevraagde stukken en bescheiden overlegt, wordt benadeeld in haar mogelijkheden tot het voeren van verweer. Terecht heeft het hof hieruit de conclusie getrokken dat de door de bank gevorderde overlegging of afgifte van bescheiden de instructie van de zaak betreft als bedoeld in het door het hof aangehaalde arrest HR 22 januari 2010, LJN BK1639, NJ 2011/269, zodat ingevolge dit arrest de vordering geen betrekking had op het verkrijgen van een voorlopige voorziening als bedoeld in art. 337 lid 1 Rv.”

Dat geldt ook als een vordering ex art. 843a Rv. inzet is van het geschilpunt, aldus de Hoge Raad (r.0. 3.7):

“Dit wordt niet anders voor zover de incidentele vordering is gegrond op art. 843a Rv. Deze bepaling biedt weliswaar in het algemeen een zelfstandige grondslag voor een vordering van degene die daarbij een rechtmatig belang heeft, welke vordering kan worden gedaan in een afzonderlijke procedure of (als incidentele vordering) in een lopende procedure (vgl. HR 8 juni 2012, LJN BV8510) en met uiteenlopende oogmerken, zoals het verkrijgen van informatie in verband met (voorgenomen) onderhandelingen of met het oog op het voeren van of de bewijslevering in een lopende of mogelijke procedure. Echter, indien de op art. 843a gebaseerde vordering wordt ingesteld in een lopende procedure met het oog op de instructie van de zaak – ongeacht of dat gebeurt bij dagvaarding of conclusie – en de rechter daarop beslist in een afzonderlijk vonnis, dan moet dit worden beschouwd als een tussenvonnis waarop het bepaalde in art. 337 lid 2 Rv. van toepassing is en niet als een eindvonnis waarmee in het dictum omtrent enig deel van het gevorderde een einde wordt gemaakt aan het geding. Onder het gevorderde in deze zin is immers te verstaan de rechtsvordering die inzet van het geding is en daartoe behoren niet op de voortgang of instructie van de zaak betrekking hebbende vorderingen, zoals is beslist in het eerdergenoemde arrest van 22 januari 2010.”

Het genoemde arrest HR 22 januari 2010 behelst de volgende overweging:

“De uitzondering die in artikel 337, eerste lid, Rv wordt gegeven voor uitspraken waarbij een voorlopige voorziening wordt getroffen of geweigerd, dient aldus te worden opgevat, dat daaronder niet vallen beslissingen die de rechter geeft in het kader van de voortgang en de instructie van de zaak.”

Wanneer de incidentele vordering de kern van de zaak is, dan kan dit anders liggen en kan de beslissing van de rechter daarover wel een eindbeslissing zijn.

Vormvereisten beslissing incidentele vordering

Is het tussenvonnis een beslissing op een incidentele vordering hoeft niet aan de vormvereisten van art. 230 Rv. en art. 231 lid 1 Rv. als de wederpartij te kennen geeft tegen toewijzing geen bezwaar te hebben (de wederpartij in het incident refereert zich; bij voorbeeld bij een vrijwaringsincident of een verwijzingsincident).

Uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis

De rechter kan – mits dit door de eisende partij is gevorderd – verklaren dat zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad is (art. 233 lid 1 Rv.). Dit houdt in, dat het vonnis direct geëxecuteerd kan worden, ondanks daartegen nog openstaande rechtsmiddelen (zoals verzet of hoger beroep). Krachtens art. 418a Rv. zijn deze artikelen in cassatie van overeenkomstige toepassing (zie ook de pagina Rechtspleging in cassatie vorderingsprocedures).

Het is zeer aan te raden steevast de uitvoerbaarheid bij voorraad te vorderen in het petitum (met de woorden “verzoekt de rechtbank de vordering voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren”). Net zoals het verstandig is voor de verwerende partij altijd voor de volledigheid en zekerheid verweer te voeren tegen de mogelijke uitvoerbaar bij voorraad verklaring.

Het kan zijn dat de uitvoerbaar bij voorraad verklaring vanwege de aard van de zaak niet mogelijk is. Denk bij voorbeeld aan een verklaring voor recht. Het kan ook zijn dat uitvoerbaarheid bij voorraad op grond van de wet niet kan.

Het vonnis kan volledig of slechts gedeeltelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard worden (art. 233 lid 2 Rv.).

Uitvoerbaarheid bij voorraad niet mogelijk bij verklaring voor recht

In het arrest HR 17 december 2010 (NJ 2011/9) besliste de Hoge Raad dat een verklaring voor recht niet vatbaar is voor uitvoerbaarheid bij voorraad. De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest (te weten HR 11 januari 2002). De Hoge Raad zag in HR 19 februari 2021 geen reden om de bij de verklaring voor recht gegeven uitvoerbaarheid bij voorraad te casseren (in tegenstelling tot de P-G in diens conclusie). De P-G meende (nr. 2.39) dat de verklaring voor recht niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard kon worden, maar de Hoge Raad zag er kennelijk geen been in.

Ambtshalve uitvoerbaarheid bij voorraad

De rechter kan een vonnis waarbij op grond van art. 195 Rv. wordt beslist omtrent een voorschot ter zake van de kosten van deskundigen, ook ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Zekerheidstelling voorwaarde uitvoerbaarheid bij voorraad

De rechter kan aan de uitvoerbaarheid bij voorraad ook de voorwaarde stellen dat de partij die kan executeren zekerheid stelt, voor het geval dat de toewijzing na een rechtsmiddel alsnog onderuit gaat en de executant moet terugbetalen (art. 233 lid 2 Rv.). Die voorwaarde kan het effect van de uitvoerbaarheid bij voorraad flink ondermijnen en het enthousiasme om direct te executeren temperen.

De gedaagde kan bij het verweer tegen de uitvoerbaarheid bij voorraad in stelling brengen, dat indien de vordering onverhoopt wordt toegewezen en bij voorraad uitvoerbaar wordt verklaard, deze voorwaarde gesteld moet worden. De grond daarvoor is doorgaans het zgn. “restitutierisico”: de kans dat het geld niet meer terug te halen is bij de wederpartij nadat deze door middel van executie geïnd heeft.

Geschillen over de zekerheidstelling moeten worden gebracht voor de Voorzieningenrechter. Zie voor de relatieve competentie in die geschillen de pagina Zekerheidstelling. Blijkens P-G in PHR 22 januari 2021 (ontslag bestuurder Ritzenhoff) (uitvoeriger geciteerd op de pagina Zekerheidstelling) is het niet nodig, dat de rechter hierbij een termijn voor de zekerheidstelling bepaalt. De executant mag zelf beslissen wanneer hij tot executie overgaat; zodra hij dat doet dan moet eerst de zekerheid gesteld worden. De rechter kan hieraan zelfs een dwangsom verbinden (als dat door de wederpartij is gevorderd).

Alsnog vorderen van uitvoerbaarheid bij voorraad na rechtsmiddel

Is de eisende partij vergeten de uitvoerbaarheid bij voorraad te vorderen, dan kan hij dit bij incidentele vordering alsnog doen wanneer de verweerder een rechtsmiddel heeft ingesteld (zoals verzet of hoger beroep) (art. 234 Rv.). Dit is dus een vordering in de andere instantie (bij verzet bij dezelfde instantie, bij hoger beroep bij de hogere instantie). Zie ook de pagina Incidentele vorderingen.

Schorsing uitvoerbaarheid van voorraad verzoeken in hoger beroep

In hoger beroep kan ook een incident worden opgeworpen om de uitvoerbaarheid bij voorraad juist te laten opschorten. Zie over de criteria het arrest HR 19 december 2019 op de pagina Algemene regels tenuitvoerlegging.

Alsnog vorderen van zekerheidstelling na rechtsmiddel

Omgekeerd kan de veroordeelde partij tegen wie een bij voorraad uitvoerbaar vonnis is gewezen bij incidentele vordering vragen om zekerheidstelling (art. 235 Rv.). Zoals blijkt uit de conclusie van de P-G bij nagenoemd arrest van 2 mei 2003 blijkt, was de regeling onder het oude Rv. nagenoeg gelijk aan de huidige.

Lees overwegingen P-G bij HR 2 mei 2003 (Lasschuit q.q.)

De P-G overweegt onder 2.1:

“2.1 In het hier toepasselijke huidige Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de regeling omtrent de uitvoerbaarheid bij voorraad en de mogelijkheid van een zekerheidstelling van de art. 52-54 Rv. (oud)(10) nagenoeg ongewijzigd overgenomen in de art. 233 tot en met 235.

Art. 233 lid 3 Rv. bepaalt thans dat de rechter aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde kan verbinden dat tot een door hem te bepalen bedrag zekerheid wordt gesteld. Indien het vonnis – in eerste aanleg – uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, evenwel zonder dat daaraan de voorwaarde is verbonden dat zekerheid wordt gesteld, en indien tegen dat vonnis een rechtsmiddel is aangewend, kan op grond van art. 235 Rv. (art. 54 Rv. oud) alsnog een daartoe strekkende incidentele vordering worden ingesteld.

Krachtens art. 418a Rv. zijn deze artikelen in cassatie van overeenkomstige toepassing.

2.3 Het opnemen van de mogelijkheid in art. 54 Rv. (oud) om aan de hogere rechter alsnog de toevoeging van de voorwaarde van voorafgaande zekerheidstelling te vragen, is destijds als volgt toegelicht:

“wanneer aan deze voorziening behoefte bestaat wegens de vrees dat de executant na vernietiging van de geëxecuteerde uitspraak niet in staat zal zijn de schade te vergoeden, [biedt] een vordering als de onderhavige een eenvoudig middel (…) om deze voorziening te verkrijgen. Maar niet kan worden ontkend dat deze vordering tevens zou kunnen worden gehanteerd om de behandeling van het door de oorspronkelijke verweerder ingestelde rechtsmiddel te vertragen.”

Zoals ook hier, wordt die zekerheid veelal gevraagd in de vorm van een bankgarantie.

2.4 Onder het oude recht werd op grond van de wettelijke regeling aangenomen dat de verplichting tot zekerheidstelling niet alsnog kan worden opgelegd indien en voor zover aan de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling is voldaan. Nu deze wettelijke regeling ongewijzigd is gebleven, valt niet in te zien waarom dit onder het huidige procesrecht anders zou zijn.”

Een voorbeeld van een dergelijke incidentele vordering in cassatie is te vinden in HR 2 mei 2003 (vader gefailleerde/Lasschuit q.q.).

Lees meer over HR 2 mei 2003 (vader gefailleerde/Lasschuit q.q.)

Het Hof had eiser in cassatie een bij voorraad uitvoerbaar arrest veroordeeld tot betaling aan de boedel van een bedrag van ca. EUR 15.622 omdat hij aan de boedel (de onderneming van zijn dochter) toebehorende zaken had onttrokken. Vader ging in cassatie, stellende dat het Hof ten onrechte zijn tegenvordering niet verrekenbaar had geacht met de vordering van de curator uit onrechtmatige daad. De curator maakte haast met de inning en wilde aansluitend het faillissement gaan opheffen.

Als het cassatieberoep zou slagen, dan zou vader naar zijn geld kunnen fluiten, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad op het punt van onverschuldigde betaling aan een failliete boedel (zie ook de conclusie van de P-G bij het arrest nrs. 2/9 t/m 2.19). De vordering tot restitutie wegens onverschuldigde betaling zou een concurrente boedelschuld zijn, die lager gerangschikt is dan de hoog preferente vordering van de curator voor de faillissementskosten. Zie over de onverschuldigde betaling aan de curator ook de pagina Vereffening van de boedel.

Zo zou de curator zijn honorarium kunnen laten voorgaan boven de terugbetaling van een achteraf bezien ten onrechte door de curator geïnde vordering. Belangrijk is de opmerking van de P-G, dat het enkele restitutierisico niet voldoende is om de zekerheidstelling toe te wijzen. Er moet meer gesteld worden, zoals in casu het feit dat de curator had aangegeven na inning het faillissement te willen opheffen. Uit de stellingen van de curator was echter af te leiden, dat hij (a) het faillissement na de inning wilde voordragen voor opheffing en (b) er niet genoeg geld in de boedel was om zekerheid te stellen, als niet eerst betaald werd. Daarmee had de curator al voor zijn wederpartij de stellingen aangereikt, die de zekerheidstelling rechtvaardigden.

De Hoge Raad concludeert (r.o. 3.5):

“Nu gelet op het hiervoor overwogene ervan moet worden uitgegaan dat de curator a) niet met de afwikkeling van de boedel zal wachten totdat in de hoofdzaak is beslist en b) ingeval zijn vordering op [eiser] uiteindelijk alsnog wordt afgewezen, niet in staat zal zijn tot (algehele) terugbetaling van hetgeen [eiser] uit hoofde van het arrest van het Hof verschuldigd is, leidt afweging van de wederzijdse belangen tot het oordeel dat de vordering van [eiser] toewijsbaar is.”

Gezag van gewijsde

Beslissingen die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht (art. 236 lid 1 Rv.). Dit geldt alleen voor beslissingen de rechtsbetrekking in geschil betreffen. Kracht van gewijsde wil zeggen dat er geen rechtsmiddel meer open staat (de verzet- en beroepstermijnen zijn verstreken). Onder het oude recht was deze bepaling te vinden in art. 67 Rv..

De bepaling heeft zowel betrekking op vonnissen als op beschikkingen, vgl. HR 30 oktober 1998 (Van Gasteren/Beemster e.a.). De P-G schrijft (verwijzend naar HR 17 november 1995, NJ 1996, 283) in zijn conclusie bij dat arrest:

“De beslissing waaraan de rechtbank bindende kracht toekent, betreft een beslissing aangaande de rechtsbetrekking in geschil waarbij de daarin vervatte feitelijke beslissingen deel uitmaken van die beslissing. De beslissing waaraan de rechtbank bindende kracht toekent betreft de vaststelling van feiten. Aan dergelijke beslissingen komt in een ander geding gezag van gewijsde toe indien bij die beslissing niet enkel het bestaan van een feit wordt vastgesteld maar deze vaststelling deel uitmaakt van een beslissing omtrent de rechtsbetrekking in geschil in dier voege dat deze rechtsbetrekking (mede) wordt bepaald door de volgens die beslissing voor partijen aan het vastgestelde feit verbonden rechtsgevolgen.”

De regel bindt partijen, ook als een partij nadien alsnog bewijs heeft verkregen, waarover hij eerder niet beschikte, als gevolg waarvan zijn vordering was afgewezen. Alleen wanneer een bijzonder rechtsmiddel (zoals herroeping) mogelijk is, zou dit nog kunnen. Zie ook de pagina Herroeping van vonnissen en beschikkingen.

Deze regel geldt ook voor rechtsopvolgers, zowel onder algemene of bijzondere titel (art. 236 lid 2 Rv.). Dit dan weer tenzij uit de wet anders voortvloeit.

Geldt in civiele zaken “ne bis in idem’?

In de conclusie van de P-G bij het hierna genoemde arrest Ganzeveer/PCT Verhuur gaat de P-G in op de vraag of er – naast het leerstuk van gezag van gewijsde – ook een procesrechtelijke regel bestaat die het verbiedt tweemaal over hetzelfde te procederen. Het antwoord is dat het beginsel ‘ne bis in idem’ in het civiele procesrecht niet bestaat:

“Naar verluid – zo zegt de P-G in nr. 2.10 – zou Star Busmann de voorvechter geweest zijn van het verbod van (nodeloze) herhaling als een corrigerend ongeschreven rechtsbeginsel en heeft de Hoge Raad dit beginsel erkend in de arresten van 26 januari 1917, NJ 1917, 225, WPNR 2474 (EMM) en 29 oktober 1925, NJ 1925, 1265. In het arrest van 12 juni 1970, NJ 1970, 375 (cassatie in het belang der wet) is echter in het midden gelaten of het beginsel ‘ne bis in idem’ bestaat. Uw Raad overwoog “dat, wat er zij van dit beginsel, toepassing daarvan in ieder geval achterwege dient te blijven, waar zij tot ongewenste gevolgen zou kunnen leiden.”

Hugenholtz/Heemskerk meent – volgens de P-G – dat er naast het instituut van het gezag van gewijsde geen behoefte is aan een afzonderlijke regel ‘ne bis in idem’ en dat zo’n regel in strijd zou komen met de partij-autonomie, die juist in verband met het gezag van gewijsde is aanvaard. Volgens Beukers kent het burgerlijk procesrecht ‘ne bis in idem’ niet en is het een onwenselijke regel. Indien een eiser zijn eerder toegewezen vordering opnieuw instelt, biedt de regel “geen belang, geen actie” soulaas. Maakt een eiser zijn eerder afgewezen vordering opnieuw aanhangig, dan kan de gedaagde zich op het gezag van gewijsde beroepen. Kan dit niet, dan verklaart de rechter eiser niet-ontvankelijk, omdat het opnieuw instellen van zijn vordering in strijd is met de eisen van een goede procesorde (HR 27 mei 1983, NJ 1983, 600)(11). Zodanig handelen kan ook misbruik van procesrecht opleveren (HR 16 december 1994, NJ 1995, 213).”

In twee oude arresten uit 1951 resp. 1952 van de Hoge Raad over het gezag van gewijsde zijn in maart 2021 gepubliceerd. Die arresten laten zich altijd lekker vlot lezen, maar na enige close reading komt daaruit het volgende naar voren:

In HR 6 april 1951 (ECLI HR:1951:318) (huurder/verhuurder) had de huurder in de 1e procedure een deel van de betaalde huursom teruggevorderd op grond van onverschuldigde betaling. Het Hoofd van het Prijzenbureau voor Onroerende Zaken (wat nu de Huurcommissie is) had beslist, dat de huur voor het gehuurde winkelpand niet meer dan NLG 110 per maand mocht bedragen. De verhuurder stelde echter, dat dit de kale huur was en dat het winkelpand gestoffeerd was verhuurd wat de huur van NLG 300 per maand verklaarde. De huurder kreeg de bewijsopdracht om aan te tonen, dat er kaal gehuurd was (hij stelde dat hij de inventaris van de verhuurder had gekocht voor NLG 1.000). Huurder slaagde niet in dat bewijs, en de vordering werd in hoogste instantie door het Hof ‘s-Gravenhage op 21 december 1949 afgewezen. De huurder weigerde daarna echter meer te betalen dan NLG 110, zodat de verhuurder wegens “wanpraestatie” ontbinding van de huur vorderde en subsidiair betaling van het meerdere. Vervolgens kreeg de verhuurder echter de hete aardappel toegespeeld, namelijk de bewijsopdracht om aan te tonen dat er gestoffeerd verhuurd was tegen de prijs van NLG 300 per maand. Dat lukte ook niet echt kennelijk, en na de getuigenverhoren kreeg de verhuurder een lumineus idee en beriep zich op het gezag van gewijsde. Dit werd gehonoreerd, maar de Hoge Raad casseerde.

De Hoge Raad overwoog:

“dat voormelde beslissing ten nadele van huurder … echter niet belet, dat in een volgend geding tussen huurder en verhuurder, waarin op verhuurder ten aanzien van hetzelfde geschilpunt — of op grond van het al dan niet mèt inventaris verhuurd zijn van het pand de overeengekomen huur verschuldigd is dan wel de door huurder beweerde hoogst-toelaatbare huur — de bewijslast komt te rusten, huurder de stellingen van verhuurder, waarvan nog geenszins is vastgesteld dat zij juist zijn, met een beroep op dezelfde gronden, die hij reeds eerder aanvoerde, zal mogen tegenspreken”.

In de zaak HR 30 mei 1952 (OOM/beheerder) komt een soortgelijk beeld naar voren. Het ging daar om de vraag, of iemand – die kennelijk beheerder was geworden van onroerend goed van een in de oorlog “vermist” geraakte persoon – aan de Wederkerige Verzekeringmaatschappij ‘’de Onderlinge Oorlogsschadeverzekering Maatschappij” (afgekort “OOM”) premie moest betalen voor de opstalverzekering, die de beheerder in het kader van het beheer was aangegaan. De beheerder had zich in de eerste procedure verweerd en OOM was niet geslaagd in het bewijs, dat de beheerder in diens hoedanigheid de verzekering was aangegaan. In de tweede procedure baseerde OOM de vordering op een andere grondslag uit hoofde waarvan de beheerder bevoegd was geweest de verzekering aan te gaan en dus gehouden de premie te betalen. De beheerder beriep zich op het kracht van gewijsde in de eerste zaak:

“de O.O.M. is niet-ontvankelijk, omdat de Rechtbank in haar vonnis no. 4217/ 1949 tussen dezelfde partijen gewezen reeds over de zaak een beslissing heeft gegeven en deze, nadat een beroep in cassatie daartegen was verworpen, inmiddels in gewijsde was gegaan.”

De rechtbank volgde de beheerder daar niet in, overwegende:

“In de zaak 4217/1949 heeft de Rechtbank niet beslist over de geschilpunten, die partijen verdeeld hielden, maar slechts uitgemaakt, dat eiseres, die bij dagvaarding had gesteld, dat [B] voor en namens [A] toetreding als deelnemer had verzocht, en die bij tegenspraak door gedaagde bij repliek deze stelling had aangevuld met te betogen, dat dit ‘’als beheerder” was geschied, met deze woorden ‘’als beheerder” gelet op het feit, dat de [B] alleen onroerend goed beheerde, niet voldoende had gesteld om haar eis te rechtvaardigen. Derhalve kon eiseres hare actie, omtrent welker grondslagen niet was beslist, op nieuw aanbrengen, daarbij terecht rekening houdende met hetgeen de Rechtbank had overwogen.”

De Hoge Raad besliste, dat de rechtbank terecht een beroep op het gezag van gewijsde had afgewezen, omdat het hier weliswaar ging om dezelfde rechtsverhouding en feiten, maar dit niet in de weg stond aan het opnieuw instellen van de vordering op een andere juridische grondslag:

“dat in het vorige tussen partijen gevoerde geding de ingeroepen rechtsverhouding steunde op den grondslag, dat [B] als beheerder voor en namens [A] toetreding tot de O.O.M. als deelnemer had verzocht;

dat in het onderhavige geding dezelfde rechtsverhouding door de O.O.M. wordt ingeroepen, thans echter gegrond op de stelling dat [betrokkene] onder den naam [B] op den voet van de Verordening 154/41 betreffende het Joodse grondbezit door de Nederlandse Administratie van Onroerende Goederen met het beheer was belast en speciaal tot het aangaan van verzekeringen gemachtigd;

dat mitsdien de O.O.M. thans de bedoelde rechtsverhouding met een anderen feitelijken grondslag meent te kunnen staven en dienvolgens de Rechtbank terecht het beroep op gezag van gewijsde heeft afgewezen.”

Overwegingen dragend voor het dictum

Voor het toekennen van gezag van gewijsde aan een beslissing is hetgeen in het dictum van een uitspraak beslist is bepalend. Om gezag van gewijsde toe te kennen aan overwegingen in de uitspraak, is doorslaggevend of die dragend zijn voor de beslissing die in het dictum van de betreffende beschikking is gegeven. Daarbij moet ook worden gelet op de vordering waarover in de uitspraak beslist wordt.

De Hoge Raad heeft die redenering ook toegepast in HR 13 maart 2020 (Franken q.q./Quander Consumer Finance). De rechtbank was ten onrechte voorbijgegaan aan een bindend-adviesclausule in een overeenkomst tussen partijen. Het Hof corrigeert dit, maar verklaart de eiser niet niet-ontvankelijk in diens vordering maar wijst diens vordering af. Dat is niet juist, zegt de Hoge Raad, maar je moet het dictum lezen in verband met de overwegingen. Daaruit blijkt dat het Hof de zaak niet inhoudelijk beoordeeld heeft zodat er geen sprake is van gezag van gewijsde, waar partijen in het verdere geschil last van zouden kunnen hebben.

In HR 21 december 2001 (ondeugdelijk schilderwerk uitgevoerd o.g.v. dading) besliste de Hoge Raad dat het Hof ten onrechte het beroep van de schilder op het gezag van gewijsde van een eerdere beslissing van de Kantonrechter had gehonoreerd. Die beslissing had niet hetzelfde onderwerp als de kwestie waarover vervolgens tussen partijen opnieuw geprocedeerd werd. De Kantonrechter had slechts beslist, dat de veroordeelde partij de vergoeding voor de werkzaamheden moest betalen conform de dading. De nieuwe procedure had vernietiging van de dading tot onderwerp.

De Hoge Raad (r.o. 3.3.2):

“Het Hof moest beoordelen of de beslissingen vervat in het vonnis van de kantonrechter de rechtsbetrekking betreffen die ook in het onderhavige geding in geschil is, met als gevolg dat die beslissingen ook in deze procedure tussen partijen bindende kracht zouden hebben (art. 67 lid 1 Rv.). In de onderhavige procedure is de vraag aan de orde gesteld of de schilder toerekenbaar tekort is geschoten bij de uitvoering van de op grond van de overeenkomst van dading uit te voeren schilderswerkzaamheden. In de eerdere procedure voor de kantonrechter is beslist dat eiser voor de door de schilder uitgevoerde schilderswerkzaamheden het in de overeenkomst van dading afgesproken bedrag diende te betalen en dat hij die verplichting niet blijvend kon opschorten. De kantonrechter is derhalve niet toegekomen aan een beslissing omtrent het in de onderhavige procedure gestelde tekortschieten door de schilder en de daarop door eiser gegronde vorderingen.”

De P-G gaat in diens conclusie d.d. 21 december 2011 bij dit arrest nader in op de vraag, wat het leerstuk van gezag van gewijsde wel en niet inhoudt. Belangrijk is hierbij, dat de beantwoording van de vraag, of er sprake is van gezag van gewijsde aan de feitenrechter is om te beoordelen. De P-G schrijft het volgende over het gezag van gewijsde:

“2.3 In essentie strekt het leerstuk van gezag van gewijsde ertoe een einde te maken aan geschillen die in wezen dezelfde rechtsbetrekking betreffen, ongeacht welke vorderingen uit hoofde van die rechtsbetrekking geldend worden gemaakt. Onjuist is derhalve het uitgangspunt dat slechts een beroep op het gezag van gewijsde kan worden gedaan indien in de volgende procedure hetzelfde wordt gevorderd als in de eerdere procedure(4). Overigens is het niet nodig dat het betreffende punt “allesoverheersend” is geweest <met verwijzing naar HR 14 oktober 1988, NJ 1989, 413>. 

2.4 De strekking van het gezag van gewijsde brengt mee dat partijen een eerder beslist geschilpunt niet telkens opnieuw aan de orde kunnen stellen met een beroep op nieuwe juridische en feitelijke stellingen, op grond waarvan thans anders moet worden geoordeeld. Hiervan dient wel te worden onderscheiden het geval dat de vordering wordt herhaald op een andere feitelijke grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten.

2.5 Van een “beslissing aangaande de rechtsbetrekking in geschil” als bedoeld in art. 67 lid 1 Rv. is geen sprake ingeval de rechter het gevorderde niet toewijst op grond van zijn oordeel dat de door de eisende partij daaraan ten grondslag gelegde stellingen onvoldoende zijn om hem in staat te stellen aangaande de rechtsbetrekking in geschil een beslissing te geven <met verwijzing naar HR 19 november 1993, NJ 1994, 175>.

… Voorbeelden waarin de rechter niet aan een inhoudelijke beoordeling toekomt, zijn: niet-ontvankelijkheid, nietigheid van de dagvaarding, onbevoegdheid, foutieve vertegenwoordiging, een te vroeg ingestelde vordering, een geweigerde vermeerdering van eis en voorwaardelijk of subsidiair aan de orde gestelde geschilpunten die buiten beschouwing zijn gebleven.

2.6 De vraag of aan een beslissing in een eerder vonnis gezag van gewijsde toekomt, hangt nauw samen met de inhoud en strekking van die beslissing. Het oordeel daarover is derhalve in de eerste plaats een kwestie van uitleg van het eerdere vonnis, hetgeen in beginsel is voorbehouden aan de feitenrechter.”

Het opnieuw ter discussie stellen van een rechtsbetrekking na een eerdere beslissing is dus niet per definitie verboden. Als bvb. een vordering eerder is afgewezen, omdat de rechter oordeelde dat (nog) niet aan een opschortende voorwaarde is voldaan, kan die vordering weer worden ingesteld nadat wel aan de voorwaarde is voldaan. Er moet dan natuurlijk wel iets veranderd zijn ten opzichte van de eerdere procedure. Overwegingen, die niet van belang zijn (niet dragend zijn) voor een beslissing in het dictum – zoals een overweging ten overvloede of een overweging die geen betrekking heeft op de feitelijke of juridische grondslagen van de ingestelde vordering – spelen geen rol bij het gezag van gewijsde (zie hierna het arrest Schilderswerkzaamheden na dading).

Gezag van gewijsde heeft afwijzing van de vordering tot gevolg

Wanneer tussen dezelfde partijen over dezelfde rechtsbetrekking is beslist, leidt dit niet tot niet-ontvankelijkheid, maar tot afwijzing van het gevorderde (aldus de Hoge Raad in HR 9 december 2011 (NN/Chr. Gereformeerde Kerk Zeewolde c.s.), r.o. 3.4).

Niet dezelfde partijen

In Rb. Gelderland 29 maart 2017 (DGA Terra Villa/curator pro se) besliste de rechtbank, dat een uitspraak van het Hof in een procedure tussen de DGA en de curator q.q. geen gezag van gewijsde in de zin van artikel 236 Rv toe omdat die procedure niet tussen dezelfde partijen is gevoerd. De rechtbank overweegt in deze procedure, dat de in de procedure bij het Hof vastgestelde handelwijze van de curator zonder meer in strijd is met de zgn. Maclounorm (zie de pagina Curator). De curator had volgens het Hof – na getuigenverhoor – een (naar later bleek) verpande auto van de boedel onder de marktwaarde aan de DGA (mondeling) verkocht hebben, om daar vervolgens op terug te komen en de auto op te eisen. Omdat de beslissing tussen de DGA en de curator q.q. echter geen kracht van gewijsde had tussen de DGA en de curator pro se veroorloofde de rechtbank zich de casus nogmaals te beoordelen, en kwam tot de conclusie dat de beweerde mondelinge verkoop niet vaststond, zodat de vordering van de DGA werd afgewezen. De rechtbank vond anders dan het Hof de verklaring van de DGA niet geloofwaardig.

Uitspraak in procedure collectieve actie geen gezag van gewijsde voor individuele claims

Een in kracht van gewijsde gegane uitspraak in een collectieve claimprocedure belemmert individuele partijen niet. Zij zijn zelf immers geen partij bij die procedure geweest. Zie ook de Trafigura-zaak.

Lees conclusie P-G van 6 december 2019 (Trafigura)

De P-G schreef in diens conclusie van 6 december 2019 in de Trafigura-zaak (nrs. 4.10 e.v.):

“Art. 3:305a lid 1 BW biedt een 305a-rechtspersoon de mogelijkheid om een rechtsvordering in te stellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt. Een 305a-rechtspersoon heeft dus, mits aan alle vereisten van art. 3:305a BW is voldaan, de bevoegdheid om voor anderen in rechte op te treden. Dat een 305a-rechtspersoon aldus optreedt ter behartiging van de belangen van anderen, betekent echter niet dat zij in een procedure slechts als formele procespartij kan worden aangemerkt.

In dit verband is van belang wat in de wetsgeschiedenis van art. 3:305a BW is opgemerkt over de bindende kracht van een rechterlijke uitspraak in een collectieve actie.

<<c. Gezag van gewijsde en derdenwerking

De toekenning aan belangenorganisaties van de bevoegdheid om voor anderen in rechte op te treden houdt niet in dat individuele personen van de mogelijkheid om de desbetreffende vordering in te stellen, beroofd worden. De door een belangenorganisatie ingestelde vordering heeft geen privatief karakter. Met de toekenning van vorderingsbevoegdheid aan belangenorganisaties wordt beoogd verbetering van de rechtsbescherming te bieden in gevallen waarin individuen niet bereid of in staat zijn hun belangen door middel van een rechtsvordering te verdedigen. Dat doel wordt niet bevorderd door aan gegadigden de directe vorm van rechtsbescherming te ontnemen. De bevoegdheid die dit wetsvoorstel biedt, vult, waar nodig, de individuele bevoegdheid om te procederen aan, maar treedt niet in haar plaats.

Het bovenstaande is een rechtstreeks gevolg van het gezag van gewijsde dat beperkt is tot zaken tussen dezelfde partijen (vgl. artikel 67 Rv). Een door een belangenorganisatie verkregen uitspraak heeft derhalve slechts bindende kracht tussen deze organisatie en de gedaagde. Door sommigen is er in de literatuur op aangedrongen de bindende kracht uit te breiden tot derden-belanghebbenden in de procedure. (…) .

De werking van het gezag van gewijsde van een rechterlijke uitspraak blijft derhalve in beginsel beperkt tot de procespartijen. Het gezag van gewijsde komt alleen toe aan het declaratoire gedeelte van de uitspraak. Daarentegen kan het dictum van een uitspraak de facto een bredere werking hebben; het kan nevengevolgen voor derden hebben. Derden zijn weliswaar niet juridisch aan een uitspraak gebonden, maar materieel kan een derde wel degelijk de gevolgen daarvan ondervinden. Met name een door een belangenorganisatie verkregen veroordelende uitspraak kent zeer vaak een dergelijke derdenwerking. Een belangenorganisatie vraagt doorgaans om een meer algemeen werkende sanctie, ten behoeve van een ieder voor wiens belangen zij opkomt. In zekere zin zou gesteld kunnen worden dat de derdenwerking het beoogde effect is van een door een belangenorganisatie gevraagde uitspraak. De organisatie komt immers juist voor de belangen van anderen – derden – op.>>

Uit deze passage volgt dat bij een collectieve actie geen afwijking is beoogd van het in art. 236 Rv neergelegde uitgangspunt, dat een rechterlijke uitspraak slechts gezag van gewijsde heeft tussen (proces)partijen. Bij een collectieve actie zijn dit de 305a-rechtspersoon en haar wederpartij; de belanghebbenden zijn (slechts) aan te merken als derden, ten opzichte van wie de uitspraak derdenwerking kan hebben, zo maakt de wetsgeschiedenis duidelijk. Ook uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat een uitspraak op een collectieve actie alleen gezag van gewijsde heeft tussen de 305a-rechtspersoon en haar wederpartij (waarbij ook volgens de Hoge Raad derdenwerking desalniettemin in de rede ligt). Wanneer in aanmerking wordt genomen dat het partijbegrip van art. 236 Rv ziet op materiële procespartijen, kan hieruit worden opgemaakt dat de belanghebbenden géén procespartij zijn bij een collectieve actie, noch in formele noch in materiële zin. Dit laat geen andere conclusie toe dan dat de 305a-rechtspersoon in rechte zelf als (formele en) materiële procespartij optreedt, en dus niet als formele procespartij namens de belanghebbenden (als materiële procespartijen).”

Gezag van gewijsde bij de VOF

In het arrest HR 19 april 2019 (UWV/WSNP bewindvoerder vennoten) heeft de Hoge Raad uitgelegd, dat de VOF en haar afzonderlijke vennoten processueel niet als één en dezelfde beschouwd kunnen worden. De Hoge Raad:

Een schuldeiser van de gezamenlijke vennoten kan zijn vordering zowel geldend maken tegen de gezamenlijke vennoten (‘tegen de vof’), als tegen iedere vennoot afzonderlijk. Een vennootschapscrediteur heeft aldus jegens iedere vennoot twee samenlopende vorderingsrechten: één jegens de gezamenlijke vennoten (‘jegens de vof’), dat verhaalbaar is op het afgescheiden vermogen van de vof, en één jegens de vennoot persoonlijk, dat verhaalbaar is op het privévermogen van deze vennoot. Tegen eerstgenoemde vordering kan een vennoot niet de aan hem persoonlijk toekomende verweermiddelen aanvoeren, tegen laatstgenoemde wel. Een op naam van de vof gewezen vonnis waarbij een vordering uitsluitend tegen de vof is toegewezen, kan geen gezag van gewijsde krijgen jegens een vennoot persoonlijk en niet worden tenuitvoergelegd ten laste van diens privévermogen. Een schuldeiser van de vof kan zowel de vof (de gezamenlijke vennoten in hun hoedanigheid) aanspreken als een of meer vennoten in privé; hij kan dat ook beide – na elkaar of gelijktijdig – doen. (Vgl. voor het voorgaande HR 18 december 1959, ECLI:NL:HR:1959:BG9455; HR 9 mei 1969, ECLI:NL:HR:1969:AC0846, NJ 1969/307; HR 13 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9261; HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840; HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:251)”.

Gezag van gewijsde geldt niet bij voluntaire rechtspraak

In het arrest Hof Amsterdam 5 november 2019 wijst het Hof het verzoek af om de motivering van een beslissing tot opheffing van een meerderjarigenbewind te wijzigen. Het Hof overweegt:

“In zaken zoals deze, waarin een onderbewindstelling wordt opgeheven, is sprake van voluntaire rechtspraak. Het gaat in een dergelijke zaak om een wijziging van een rechtstoestand, die de betrokken partijen niet zelf, zonder tussenkomst van de rechter kunnen teweegbrengen. De beschikking in een zaak van voluntaire rechtspraak krijgt, nadat zij onherroepelijk is geworden, geen gezag van gewijsde. Het gaat hier namelijk niet om een beslissing die een rechtsbetrekking in geschil betreft, zoals bedoeld in artikel 236 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Wat de kantonrechter in de bestreden beschikking heeft overwogen, heeft in latere procedures dus geen bindende kracht en kan dus niet aan de rechthebbende worden tegengeworpen”.

Geen ambtshalve toepassing gezag van gewijsde

Op het gezag van gewijsde moeten partijen zich beroepen: het wordt niet ambtshalve door de rechter toegepast (art. 236 lid 3 Rv.). Over de omvang van het gezag van gewijsde kan ook discussie ontstaan, gelet op de woorden “beslissingen de rechtsbetrekking in geschil betreffen”.

Het recht van hoor en wederhoor is bij een beroep op het gezag van gewijsde van belang. De partij die zich op het gezag van gewijsde wil beroepen, moet dit in duidelijke termen doen, aan de hand van de uitspraak waarop een beroep gedaan wordt. Dit zodat de andere partij daarop voldoende gelegenheid krijgt zich daartegen te verweren. In de conclusie van de P-G bij HR 30 oktober 1998 (Van Gasteren/Beemster e.a.) verwijst deze op dat punt naar 8 oktober 1982, NJ 1984, 58 en van 21 juni 1996, NJ 1997, 470.

De rechter mag partijen dus niet met een uitspraak overvallen, door tot afwijzing van een vordering te beslissen op grond van het gezag van gewijsde van een eerdere beslissing tussen partijen, zonder dat degene tegen wie het gezag van gewijsde wordt ingeroepen de gelegenheid heeft gekregen zich daartegen te verweren. Vgl. HR 16 februari 2001 (De Ganzeveer/PCT Verhuur), dat nog is gewezen aan de hand van het oude art. 67 lid 3 Rv.. De P-G vermeldt in zijn conclusie, dat volgens de Memorie van Toelichting bij deze (oude) bepaling het beroep op de bindende kracht van het gewijsde een aan de partijen toekomende bevoegdheid is; als zodanig wordt het gezag van gewijsde niet ambtshalve toegepast. Verwezen wordt naar de (in dezelfde zin luidende) heersende rechtspraak waaronder HR 30 juni 1932, NJ 1932, blz. 1410.

Bij de wetswijziging in 2002 is dit principe gehandhaafd onder simpele verwijzing naar de wetsgeschiedenis bij art. 67 Rv. (oud).Kamerstukken II, 1999-2000, 26 855, nrs. 1-2. Dit principe is dus niet gisteren pas komen aanwaaien.

Herstelvonnis of herstelbeschikking

Zie voor het herstelvonnis de pagina Algemene voorschriften procedures.

Eindbeslissingen

De rechter kan in een tussenvonnis uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een beslissing nemen, zonder daaraan in dat stadium nog een beslissing in het dictum te verbinden. Een dergelijke beslissing wordt een “eindbeslissing” genoemd. Deze term komt in de wet niet voor.

Dit kan zowel betrekking hebben op feitelijke als op juridische geschilpunten tussen partijen. De eindbeslissing onderscheidt zich hiermee van het in een tussenvonnis slechts geven van een voorlopig oordeel door de rechter.

Van een dergelijke uitdrukkelijke eindbeslissing mag de rechter – in dezelfde instantie – niet meer terugkomen. Dat staat niet in de wet, maar heeft te maken met een goede procesorde (zie HR 27 november 1981, NJ 1981, 3). Het kan immers niet zo zijn, dat telkens weer het debat over dit geschilpunt wordt heropend. Het processuele debat moet worden beperkt (oftewel ingeperkt: de rechter als trechter).

Uitspraken in kort geding zijn uit de aard der zaak geen eindbeslissingen (aldus de Hoge Raad in het arrest van 14 november 1997, NJ 1998, 113).

Terugkomen op eindbeslissingen

Maar wat nu als er nieuwe feiten of juridische inzichten aan de dag treden? De Hoge Raad heeft in een aantal uitspraken een lijn uitgezet, waaruit blijkt dat de rechter in een dergelijke (uitzonderlijke) situatie toch nog op de bindende eindbeslissing terug kan komen. Het heeft in dat geval dus nog wel zin tegen die eindbeslissing alsnog in het geweer te komen. Belangrijk is wel, dat de rechter met inachtneming van de regel van hoor en wederhoor partijen daarbij de gelegenheid biedt om te reageren op het voornemen om terug te komen op een eerdere eindbeslissing.

In de zaak die leidde tot het arrest HR 25 april 2008 (RWW-uitkeringsaanvrager/Gemeente Voorst) had het Hof geconstateerd, dat een eerdere eindbeslissing in een tussenarrest bij nader inzien heroverwogen moest worden. Het Hof had de reikwijdte van de rechtskracht van mededelingen van het bestuursorgaan voorafgaande aan besluiten met formele rechtskracht miskend, zo bleek uit een arrest van de Hoge Raad uit 2005 in een andere zaak tegen de Gemeente Valkenswaard. Het Hof kwam daarom terug op zijn eerdere eindbeslissing, overwegende (r.o. 2.3):

“Het vernieuwende karakter van het arrest geeft het hof aanleiding om de reikwijdte van de formele rechtskracht van de beschikking van 18 mei 1993 opnieuw te beoordelen en zo nodig van de eerdere beslissing terug te komen. Vasthouden aan die beslissing zou partijen dwingen daartegen een rechtsmiddel aan te wenden om te bewerkstelligen dat het daaraan ten grondslag liggende geschilpunt wordt beoordeeld naar het geldende recht. Het zou onaanvaardbaar zijn, indien het hof zich gebonden zou achten aan een, gelet op latere rechtspraak, onjuiste eindbeslissing.”

Tegen die beslissing werd cassatie ingesteld, maar de Hoge Raad gaf het Hof gelijk. De Hoge Raad overwoog (r.o. 3.3.3):

“Het hof was kennelijk op grond van de genoemde uitspraak van de Hoge Raad tot de conclusie gekomen dat het in zijn eerste tussenarrest met toepassing van een onjuiste maatstaf verkeerd had beslist. Daarom was het hof bevoegd die beslissing te heroverwegen. De eisen van een goede procesorde brengen immers mee dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.”

Deze lijn is bevestigd in het arrest HR 22 februari 2013 (Chipshol III/Luchthaven Schiphol).

Lees de overwegingen van HR 22 februari 2013 (Chipshol III/Schiphol)

In die zaak – die betrekking had op een vordering tot schadevergoeding van de kant van Chipshol tegen Luchthaven Schiphol – had de rechtbank in de procedure een naar hij aanvankelijk meende een bindende eindbeslissing genomen in een tussenvonnis, die echter niet was neergelegd in het dictum omdat er nog andere procedures liepen. De rechtbank overwoog:

“De voorgaande overwegingen bevatten (…) bindende eindbeslissingen. Om redenen van proces-economie zal de rechtbank deze beslissing thans evenwel nog niet in een dictum neerleggen.

Die redenen zijn dat tal van uitgangspunten, die de rechtbank in de artikel 50 procedure heeft aanvaard en die de rechtbank ook in deze procedure tot uitgangspunt heeft genomen, thans onderwerp van debat zijn in de bij de Hoge Raad aanhangige cassatieprocedure. Niet ondenkbaar is dat de Hoge Raad uiteindelijk op een of meer punten anders zal oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Door nu reeds een eindvonnis te wijzen zouden partijen zich daarom, al was het maar ter bewaring van rechten, gedwongen kunnen voelen om daartegen cassatie in te stellen (voor zover de Luchthaven haar vordering op artikel 55 LVW heeft gebaseerd) dan wel in hoger beroep te gaan (voor zover de Luchthaven haar vordering op andere grondslagen heeft gebaseerd). Met name voor partij [betrokkene 1] zou dit een onaanvaardbare – en weinig nuttige – belasting vormen, maar ook voor de andere procespartijen zou dit alleen maar nadeel brengen en zou de procesrechtelijke kluwen van deze zaak alleen maar groter worden.”

Daar deed de rechtbank verstandig aan, want vervolgens pakte de andere procedure, die inmiddels bij de Hoge Raad was beland en waarin de zaak werd terugverwezen naar een ander Hof, anders uit. De Hoge Raad besliste dat in procedures inzake de Luchtvaartwet er – anders dan normaal – geen sprake kon zijn van bindende eindbeslissingen. De rechtbank kwam daarom op zijn eerdere beslissing terug. De Hoge Raad wees de cassatieklacht daartegen af:

… zoals de rechtbank terecht in haar eindvonnis heeft overwogen, heeft de Hoge Raad in zijn voormelde arrest geoordeeld dat de leer van de bindende eindbeslissing niet geldt in een procedure op de voet van art. 50 LVW. Op dezelfde gronden als in dat arrest onder 6.5.2 uiteengezet, geldt dit ook in een procedure op de voet van art. 55 LVW.

Ook in de onderhavige procedure had de rechtbank dus, anders dan zij in haar tussenvonnis nog had aangenomen, zonder beperking de vrijheid haar oordelen uit het tussenvonnis te heroverwegen, voor zover dat de onderhavige grondslag van de vorderingen van de Luchthaven betrof. De rechtbank mocht derhalve haar beslissingen in het tussenvonnis als niet-bindend aanmerken, en alsnog op andere gronden de Luchthaven in haar op art. 55 LVW gebaseerde vorderingen niet-ontvankelijk verklaren. Het feit dat de Luchthaven hierdoor de kans krijgt haar standpunt opnieuw te bepleiten ten overstaan van het gerechtshof, brengt niet mee dat de rechtbank in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld.”

Naast na het tussenvonnis gebleken nieuwe feiten of wijzigingen in het (toepasselijke) recht (zoals in bovenstaand arrest van 25 april 2008), kunnen ook een rol spelen voortschrijdend inzicht van de rechter na een getuigenverhoor, gewijzigde inzichten van de rechter of fouten van de rechter. Het eerste deed zich voor in de zaak die leidde tot het arrest HR 15 september 2006 (Amba Automaterialen/NN). De Hoge Raad overwoog (r.o. 3.4):

“Het oordeel van het hof dat de verklaringen van de beide door Amba voorgebrachte getuigen – haar directeur en haar verkoper/vertegenwoordiger – erop neerkomen dat Amba aan de zoon van de oorspronkelijk gedaagde geleverd heeft, moet aldus worden begrepen dat die verklaringen alsnog duidelijk maken dat ook volgens de aan de zijde van Amba direct betrokkenen (onder wie haar directeur) niet de oorspronkelijk gedaagde, zoals eerder in overeenstemming met hetgeen Amba had gesteld door het hof was aangenomen, maar de zoon van de oorspronkelijk gedaagde de wederpartij van Amba was bij de koopovereenkomsten die aan de vordering van Amba ten grondslag liggen. Aldus bezien heeft het hof in zijn eindarrest tot uitdrukking gebracht dat dit nieuwe gegeven het onaanvaardbaar maakte dat het hof gebonden zou zijn aan zijn hiervoor weergegeven eindbeslissing, aangezien het dan zou worden gedwongen tot het doen van een einduitspraak waarvan het wist dat deze ondeugdelijk was. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”

De rechter kan ook – na herlezing van de processtukken – tot een ander inzicht komen. In dat geval hoeft de rechter bij terugkomen op een eindbeslissing partijen niet opnieuw de gelegenheid geven tot hoor en wederhoor, als zij zich al voldoende over het betreffende geschilpunt hebben uitgelaten. Aldus HR 26 november 2010 (Kojen Enerji ve Otomasyon Sistemerli Sanayi Ticaret/ABB).

Lees de overwegingen van HR 26 november 2010 (Kojen enz./ABB)

De Hoge Raad overweegt in dat arrest (r.o. 3.5):

De rechter die in een tussenspraak een of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist is hieraan, in beginsel, in het verdere verloop van het geding aan gebonden. Deze gebondenheid heeft een – uit een oogpunt van goede procesorde positief te waarderen – op beperking van het debat gerichte functie (HR 4 mei 1984, nr. 12141, LJN AG4805, NJ 1985/3). Zij geldt evenwel niet onverkort. De eisen van een goede procesorde brengen immers tevens mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (HR 25 april 2008, nr. C06/250, LJN BC2800, NJ 2008/553). Een bindende eindbeslissing berust onder meer op een onjuiste feitelijke grondslag indien de rechter, na een dergelijke heroverweging, inziet dat zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel was gegrond op een onhoudbare feitelijke lezing van een of meer gedingstukken, welke lezing, bij handhaving, zou leiden tot een einduitspraak waarvan de rechter overtuigd is dat die ondeugdelijk zou zijn.

De rechter dient – ook – in een dergelijk geval te motiveren waarom het terugkomen van de eerder gegeven bindende eindbeslissing in dit opzicht geboden is (vgl. HR 5 januari 1996, nr. 15881, LJN ZC1946, NJ 1996/597 en HR 16 januari 2004, nr. C02/239, LJN AM2358, NJ 2004/318).

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, getuigt de beslissing van het hof om terug te komen van zijn bij tussenarrest van 6 april 2006 gegeven bindende eindbeslissing, niet van een onjuiste rechtsopvatting, nu naar het kennelijke oordeel van het hof anders een ondeugdelijke einduitspraak zou volgen. De beslissing is niet ontoereikend gemotiveerd en is ook niet onbegrijpelijk.”

In r.o. 3.9 overweegt de Hoge Raad ten aanzien van de klacht, dat het Hof Kojen ten onrechte niet eerst de kans had gegeven zich te verweren tegen het voornemen de eindbeslissing te herzien:

“Zoals het onderdeel terecht tot uitgangspunt neemt, is de rechter slechts bevoegd om van een bindende eindbeslissing terug te komen, nadat de partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, maar dat brengt niet mee dat de rechter die van een bindende eindbeslissing wil terugkomen in alle gevallen een tussenuitspraak moet doen waarin hij partijen van zijn voornemen op de hoogte stelt en hun gelegenheid geeft daarop te reageren. Indien het gewijzigde inzicht van de rechter is gestoeld op een reeds tussen de partijen met het oog daarop gevoerd debat behoeft de rechter niet in een tussenuitspraak de partijen nogmaals gelegenheid te geven zich uit te laten over een punt waarover zij zich reeds hebben uitgelaten. In het onderhavige geval heeft het hof dan ook in zijn einduitspraak mogen vaststellen dat Kojen niet alsnog bedoelde gelegenheid behoefde te worden geboden omdat ABB het processuele debat op het terrein waarop de bindende eindbeslissing zag, had heropend en Kojen daartegenover inhoudelijk stelling had genomen, zich daarbij niet op het standpunt stellende dat zij niet in staat was om (onmiddellijk) adequaat op de door ABB betrokken stellingen te reageren, en waarbij Kojen voorts geen beroep had gedaan op de gebondenheid van het hof aan de eindbeslissing. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.”

De rechter is ook maar een mens en kan dus ook fouten maken. Hij moet dan ook de kans krijgen fouten, die in een tussenuitspraak hebben geleid tot een onjuiste eindbeslissing, te herstellen. Het herzien van een eindbeslissing – inhoudende een akte niet-dienen door een rolrechter – op basis van een herziene afweging van de belangen van partijen is echter niet toegestaan. In HR 5 september 2015 (Earn out brasserie) overwoog de Hoge Raad (r.o. 4.2.2.):

“Volgens vaste rechtspraak is de beslissing tot het verlenen van akte niet-dienen een tussenvonnis of tussenarrest waarbij een bindende eindbeslissing is gegeven. De rechter mag van een dergelijke beslissing in dezelfde instantie in beginsel niet terugkomen. Gelet op het ingrijpende gevolg van het niet-dienen van grieven in hoger beroep, zal (de rolraadsheer van) het hof evenwel op verzoek van de appellant moeten nagaan of de eisen van een goede procesorde meebrengen dat van die eindbeslissing moet worden teruggekomen. Dat is bijvoorbeeld het geval indien die beslissing blijkt te berusten op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag, en voorts ingeval het op grond van een afweging van de aard van de fout die tot het niet nemen van het betrokken gedingstuk leidde en van alle betrokken belangen en omstandigheden, onaanvaardbaar zou zijn om aan de gegeven beslissing vast te houden en geen gelegenheid te geven tot herstel van de fout. In zijn beslissing waarbij wordt teruggekomen van het verlenen van akte niet-dienen dient (de rolraadsheer van) het hof nauwkeurig aan te geven op grond van welke bijzondere omstandigheden het onaanvaardbaar is om vast te houden aan de gebondenheid aan de eerdere eindbeslissing. (Vgl. onder meer HR 1 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2640, NJ 1999/563, en HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800, NJ 2008/553).”

In 4.2.3. vervolgt de Hoge Raad:

“Voor zover het hof in rov. 3 heeft geoordeeld dat een rolbeslissing waarin akte niet-dienen is verleend, geen bindende eindbeslissing is, geeft zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het oordeel van het hof inhoudt dat van een zodanige beslissing kan worden teruggekomen indien een afweging van belangen van de partijen daartoe noopt, getuigt dit evenzeer van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het hof dan de in vaste rechtspraak neergelegde maatstaven voor het terugkomen van een bindende eindbeslissing heeft miskend.”

Tot slot kan nog worden vastgesteld, dat de rechter niet kan terugkomen van een eindbeslissing wanneer de onjuistheid daarvan is veroorzaakt door stellingen en erkenningen van de procespartij zelf, en niet een onjuist oordeel van de rechter. Aldus HR 16 januari 2004 (overname watersportbedrijf). De Hoge Raad overweegt:

“3.4.2 In cassatie is – terecht – niet in discussie dat het hier, zoals ook besloten ligt in ‘s hofs rov. 2.6, gaat om een eindbeslissing, te weten de beslissing van het hof dat [verweerder] c.s. het aan zichzelf te wijten hebben dat zij niet als huurder in de plaats van [eiser] zijn gesteld. Voor een dergelijke beslissing geldt de, op beperking van het processuele debat gerichte, regel dat daarvan in dezelfde instantie niet meer kan worden teruggekomen, behoudens indien bijzondere, door de rechter in zijn desbetreffende beslissing nauwkeurig aan te geven omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechter aan de eindbeslissing in kwestie zou zijn gebonden (vgl. onder meer HR 14 december 2001, nr. C00/042, NJ 2002, 57). Dit laatste kan met name het geval zijn indien sprake is van een evidente feitelijke of juridische misslag van de rechter of indien de desbetreffende beslissing blijkt te berusten op een, niet aan de belanghebbende partij toe te rekenen, onjuiste feitelijke grondslag.

3.4.3 In dit geval is echter geen sprake van een eindbeslissing die (mede) gegrond is op een fout die niet is toe te rekenen aan de partij wier belang gediend zou zijn met terugkomen van die beslissing. [Verweerder] c.s. hebben nagelaten tijdig gemotiveerd te betwisten dat zij, zoals [eiser] vanaf de repliek in eerste aanleg steeds heeft gesteld, het aan zichzelf hebben te wijten dat zij niet als huurder in de plaats van [eiser] zijn gesteld. Het hof heeft weliswaar geoordeeld dat daaraan kennelijk een misverstand “bij een aantal bij de diverse procedures betrokkenen” ten grondslag ligt, maar [verweerder] c.s. hebben niet aangevoerd dat de nalatigheid waarom het hier gaat hun niet kan worden toegerekend. Het door het hof aangenomen misverstand alleen kan niet leiden tot het oordeel dat het onaanvaardbaar zou zijn dat het hof aan de eindbeslissing waarover het hier gaat gebonden zou zijn. ‘s Hofs andersluidende oordeel geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan om die reden niet in stand blijven.”

Deugdelijke motivering terugkomen op eindbeslissing

Vanzelfsprekend moet de rechter moet de rechter deugdelijk motiveren, waarom hij op een eerder genomen eindbeslissing terugkomt. Dat geldt zelfs al, wanneer de eerdere beslissing geen bindende eindbeslissing is, maar er wel sprake is van een koerswijziging van de rechter. Dit laatste blijkt ook uit HR 19 juli 2019 (AABO Trading Drachten c.s./bestuurder). De Hoge Raad overweegt in die zaak (r.o. 3.2.):

“In het eindarrest overweegt het hof dat Aabo in eerste aanleg ‘nauwelijks iets heeft gesteld’ (rov. 2.3) en dat het door haar gestelde ‘summier is’ (rov. 2.5). Het hof bespreekt niet de inlichtingen die [verweerder] in zijn akte heeft gegeven naar aanleiding van de door het hof gestelde vragen, en wat daaruit is af te leiden voor de beantwoording van de kernvraag. Dit is niet zonder meer te rijmen met de overwegingen in het tussenarrest, en de daarin door het hof aan [verweerder] voorgelegde vragen. Bovendien is niet duidelijk welke (aanvullende of meer gedetailleerde) stellingen van Aabo het hof op het oog had, welke stellingen het hof miste en waarom het hof in het tussenarrest dan geen vragen aan Aabo heeft gesteld.”

en voorts:

“Dat het hof niet gebonden was aan de in het tussenarrest neergelegde overwegingen over de stortingsplicht, nu daarin geen bindende eindbeslissingen waren vervat, doet aan het voorgaande niet af. Als het hof in het eindarrest een andere richting wilde inslaan dan in het tussenarrest, had het moeten toelichten waarom daarvoor is gekozen; dat vloeit voort uit de algemene eis van een behoorlijke motivering van rechterlijke beslissingen. In het onderhavige geval heeft het hof dat niet gedaan.”

Rechtspraak

Kracht van gewijsde

Hof Den Haag 7 december 2010 (Gem. Den Haag/NN) – de beslissing in de verzetprocedure tegen het dwangbevel tot bestuursdwang heeft kracht van gewijsde voor de aansprakelijkstelling vanhet lid van de VvE

Auteur & Last edit

[MdV, 15-08-2018; laatste bewerking 28-08-2021]

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.