Vonnis algemeen (Par. 1, Afd. 12, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Inleiding algemene bepalingen vonnis

In Par. 1 van Afd. 12, Titel 2 Boek I Rv. heeft de wetgever enkele algemene bepalingen gegeven over het vonnis in de dagvaardingsprocedure. De paragraaf omvat 8 artikelen (art. 229 Rv. tot en met art. 236 Rv.). Deze regels zijn ook van belang voor hoger beroep.

*NB de links naar de wettekst verwijzen naar de versie van de wet zoals die geldt voor niet-digitaal procederen.

Datumbepaling vonnis

De rechter stelt de datum voor het wijzen van vonnis vast, en deelt deze aan partijen mee, aldus art. 229 Rv.. Bij een rechtbankprocedure verloopt dit via de digitale rol, aan de hand van de bepalingen van het procesreglement (meestal 6 weken). Bij de Kantonrechter worden partijen – net als in de verzoekschriftprocedure – per brief door de griffier geïnformeerd. Ter comparitie kiest de rechter doorgaans een datum waarop de rechtbank hoopt uitspraak te kunnen doen. In de praktijk wordt dat vaak dan weer uitgesteld (de zaak wordt dan aangehouden tot een nadere datum).

Partijen kunnen de rechter verzoeken de uitspraak uit te stellen (2e volzin). Dat zal in de praktijk niet vaak gebeuren, want partijen moeten vanwege de achterstanden bij de rechtbanken (en Hoven) al eindeloos wachten op de uitspraak. De advocaten en procespartijen moeten binnen stricte termijnen proceshandelingen verrichten, die door de rechter streng worden gehandhaafd. Te laat “dienen”kan zelfs tot verlies van de mogelijkheid tot het verrichten van die handeling leiden.

Rechters kunnen zich echter voortdurende aanhoudingen permitteren. Partijen kunnen daar niets tegen uitrichten, behalve klagen per brief (wat weinig uithaalt).

Eisen aan de inhoud van het vonnis

Het vonnis moet op grond van art. 230 lid 1 Rv. in ieder geval de volgende bevatten:

a. de namen en de woonplaats van de partijen, en de namen van hun gemachtigden of advocaten;

b. het verloop van het geding;

c. de slotsom van de dagvaarding en de conclusies van partijen;

d. de slotsom van de conclusie van het openbaar ministerie in de gevallen waarin het is gehoord;

e. de gronden van de beslissing, waaronder begrepen de feiten waarop de beslissing rust;

f. de beslissing;

g. de naam van de rechter of, bij een meervoudige kamer, de namen van de rechters door wie het vonnis is gewezen;

h. de dag van de uitspraak.

Bij een verstekvonnis en de vorderingen van de eiser geheel of gedeeltelijk worden toegewezen, kan voor sub a), c), e) en f) worden volstaan met verwijzing naar een door de griffier gewaarmerkt afschrift van het exploot van dagvaarding dat aan het vonnis wordt gehecht (lid 2).

Ondertekening vonnis door de rechter

Het vonnis wordt bij een meervoudige kamer ondertekend door de voorzitter en de griffier. Het kan ook worden ondertekend door de rechter die het vonnis uitspreekt art. 230 lid 3 Rv..

Toezending van het vonnis

De griffier stuurt op de dag van de uitspraak een afschrift van het vonnis aan de procespartijen (art. 231 lid 1 Rv.). Dat wil zeggen aan de eiser(s) en aan de gedaagde(n) die in het geding is (c.q. zijn) verschenen. De gedaagden die niet zijn verschenen krijgen dus geen exemplaar.

Grosse van het vonnis

Betreft het een eindvonnis, dan is het afschrift dat wordt verstrekt aan een partij die tot tenuitvoerlegging van dat vonnis kan overgaan, opgemaakt in executoriale vorm. Deze kan op basis daarvan een deurwaarder inschakelen om het vonnis – zo nodig – aan de veroordeelde partij te betekenen en als de veroordeelde niet nakomt de executie ter hand te nemen. Zie de pagina Gerechtelijke tenuitvoerlegging. Een grosse is te herkennen aan het stempel “In Naam van de Koning”. Een niet in executoriale vorm opgemaakt afschrift krijgt simpelweg het stempel “Afschrift”.

Nieuwe of extra grosse

Als de grosse kwijt is, dan is er geen man overboord. De griffier verstrekt aan de partij die tot tenuitvoerlegging van dat vonnis kan overgaan op diens verzoek een nieuwe grosse van het vonnis. Dit kunnen ook de rechtverkrijgenden onder algemene titel (hierbij valt met name te denken aan erfgenamen) zijn, die in de rechten van deze partij zijn getreden (art. 231 lid 2 Rv.).

In art. 29 lid 5 Rv. (zie ook de pagina Algemene beginselen procedures) is bepaald hoe het verzoek om een nieuwe grosse moet worden gedaan. Hiervoor wordt ook weer een griffierecht geheven.

Weigert de griffier (geheel of deels) een afschrift te verstrekken, kan de verzoeker binnen twee weken na de dagtekening van de weigering schriftelijk in verzet komen bij de voorzieningenrechter ( art. 29 lid 6 Rv.).

Elk in executoriale vorm opgemaakt afschrift wordt eveneens gedagtekend (art. 231 lid 3 Rv.).

Tussenvonnis

De rechter kan, voordat hij definitief over de zaak beslist, een tussenvonnis wijzen (art. 232 lid 1 Rv.). Dat is bij een normaal procesverloop meestal tenminste één keer het geval, omdat na de conclusie van antwoord standaard een comparitie na antwoord wordt gelast. De beslissing daartoe wordt neergelegd in een tussenvonnis. Zie voor de vraag wanneer hoger beroep tegen een tussenvonnis mogelijk is de pagina Appelabiliteit.

Welke uitspraken zijn tussenuitspraken?

Voor de vraag of hoger beroep mogelijk is, is dus van belang of een uitspraak een tussenuitspraak (dat is hetzelfde als tussenvonnis) is, of een einduitspraak (of eindvonnis). De Hoge Raad heeft dit in een aantal beslissingen toegelicht.

Tussenvonnis comparitie

Een vonnis waarin de rechter een comparitie van partijen gelast en elke verdere beslissing aanhoudt is een (veel voorkomend) voorbeeld van een tussenvonnis. Daartegen is dus in beginsel geen hoger beroep mogelijk.

Toewijzing incidentele vordering

Ook de toewijzing van een incidentele vordering is in beginsel een tussenuitspraak. Zie HR 13 juli 2012 (Ponzi-zwendel), waarin de Hoge Raad besliste dat tussentijds hoger beroep niet mogelijk was. De ABN AMRO Bank was alvast in hoger beroep gegaan en verzocht de rechtbank ondertussen tussentijds hoger beroep toe te staan, wat de rechtbank weigerde. Het Hof verklaarde de bank niet-ontvankelijk gelet op het verbod op tussentijds appel, waartegen de bank in cassatie kwam. De Hoge Raad overwoog (r.o. 3.6):

“De incidentele vordering berust op de stelling van de bank dat niemand van de eisers in de hoofdzaak heeft voldaan aan zijn stelplicht en bewijslast en dat zij, indien niet elk van de individuele eisers de gevraagde stukken en bescheiden overlegt, wordt benadeeld in haar mogelijkheden tot het voeren van verweer. Terecht heeft het hof hieruit de conclusie getrokken dat de door de bank gevorderde overlegging of afgifte van bescheiden de instructie van de zaak betreft als bedoeld in het door het hof aangehaalde arrest HR 22 januari 2010, LJN BK1639, NJ 2011/269, zodat ingevolge dit arrest de vordering geen betrekking had op het verkrijgen van een voorlopige voorziening als bedoeld in art. 337 lid 1 Rv.”

Dat geldt ook als een vordering ex art. 843a Rv. inzet is van het geschilpunt, aldus de Hoge Raad (r.0. 3.7):

“Dit wordt niet anders voor zover de incidentele vordering is gegrond op art. 843a Rv. Deze bepaling biedt weliswaar in het algemeen een zelfstandige grondslag voor een vordering van degene die daarbij een rechtmatig belang heeft, welke vordering kan worden gedaan in een afzonderlijke procedure of (als incidentele vordering) in een lopende procedure (vgl. HR 8 juni 2012, LJN BV8510) en met uiteenlopende oogmerken, zoals het verkrijgen van informatie in verband met (voorgenomen) onderhandelingen of met het oog op het voeren van of de bewijslevering in een lopende of mogelijke procedure. Echter, indien de op art. 843a gebaseerde vordering wordt ingesteld in een lopende procedure met het oog op de instructie van de zaak – ongeacht of dat gebeurt bij dagvaarding of conclusie – en de rechter daarop beslist in een afzonderlijk vonnis, dan moet dit worden beschouwd als een tussenvonnis waarop het bepaalde in art. 337 lid 2 Rv. van toepassing is en niet als een eindvonnis waarmee in het dictum omtrent enig deel van het gevorderde een einde wordt gemaakt aan het geding. Onder het gevorderde in deze zin is immers te verstaan de rechtsvordering die inzet van het geding is en daartoe behoren niet op de voortgang of instructie van de zaak betrekking hebbende vorderingen, zoals is beslist in het eerdergenoemde arrest van 22 januari 2010.”

Het genoemde arrest HR 22 januari 2010 behelst de volgende overweging:

“De uitzondering die in artikel 337, eerste lid, Rv wordt gegeven voor uitspraken waarbij een voorlopige voorziening wordt getroffen of geweigerd, dient aldus te worden opgevat, dat daaronder niet vallen beslissingen die de rechter geeft in het kader van de voortgang en de instructie van de zaak.”

Wanneer de incidentele vordering de kern van de zaak is, dan kan dit anders liggen en kan de beslissing van de rechter daarover wel een eindbeslissing zijn.

Bekrachtiging van tussenuitspraak lagere rechter met terugverwijzing

Ook een bekrachtiging van een tussenvonnis van de rechtbank, met terugverwijzing naar de rechtbank, is een tussenarrest en geen eindarrest. Vgl. HR 22 april 2016 (Imation Europe/Stichting Thuiskopie).

Hoger beroep tegen deeluitspraak/deelvonnis

Het is zaak op te letten of een tussenvonnis een deelvonnis bevat. Dat is een vonnis waarmee een deel van het gevorderde in het dictum wordt afgedaan. Is hoger beroep tegen een deelvonnis mogelijk, dan kan ook over het andere deel worden geklaagd waartegen zonder deelvonnis geen beroep zou openstaan. Zie over deelvonnissen nader de pagina Appellabiliteit).

Ook in hoger beroep kan het Hof een tussenarrest geven. De bovenstaande regels voor tussenuitspraken gelden ook voor hoger beroep. Zie ook de pagina Hoger beroep (met subpagina’s).

Vormvereisten beslissing incidentele vordering

Is het tussenvonnis een beslissing op een incidentele vordering hoeft niet aan de vormvereisten van art. 230 Rv. en art. 231 lid 1 Rv. als de wederpartij te kennen geeft tegen toewijzing geen bezwaar te hebben (de wederpartij in het incident refereert zich; bij voorbeeld bij een vrijwaringsincident of een verwijzingsincident).

Uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis

De rechter kan – mits dit door de eisende partij is gevorderd – verklaren dat zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad is (art. 233 lid 1 Rv.). Dit houdt in, dat het vonnis direct geëxecuteerd kan worden, ondanks daartegen nog openstaande rechtsmiddelen (zoals verzet of hoger beroep).

Het is zeer aan te raden steevast de uitvoerbaarheid bij voorraad te vorderen in het petitum (met de woorden “verzoekt de rechtbank de vordering voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren”). Net zoals het verstandig is voor de verwerende partij altijd voor de volledigheid en zekerheid verweer te voeren tegen de mogelijke uitvoerbaar bij voorraad verklaring.

Het kan zijn dat de uitvoerbaar bij voorraad verklaring vanwege de aard van de zaak niet mogelijk is. Denk bij voorbeeld aan een verklaring voor recht. Het kan ook zijn dat uitvoerbaarheid bij voorraad op grond van de wet niet kan.

Het vonnis kan volledig of slechts gedeeltelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard worden (lid 2).

Ambtshalve uitvoerbaarheid bij voorraad

De rechter kan een vonnis waarbij op grond van art. 195 Rv. wordt beslist omtrent een voorschot ter zake van de kosten van deskundigen, ook ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Zekerheidstelling voorwaarde uitvoerbaarheid bij voorraad

De rechter kan aan de uitvoerbaarheid bij voorraad ook de voorwaarde stellen dat de partij die kan executeren zekerheid stelt, voor het geval dat de toewijzing na een rechtsmiddel alsnog onderuit gaat en de executant moet terugbetalen (art. 233 lid 2 Rv.). Die voorwaarde kan het effect van de uitvoerbaarheid bij voorraad flink ondermijnen en het enthousiasme om direct te executeren temperen.

De gedaagde kan bij het verweer tegen de uitvoerbaarheid bij voorraad in stelling brengen, dat indien de vordering onverhoopt wordt toegewezen en bij voorraad uitvoerbaar wordt verklaard, deze voorwaarde gesteld moet worden. De grond daarvoor is doorgaans het zgn. “restitutierisico”: de kans dat het geld niet meer terug te halen is bij de wederpartij nadat deze door middel van executie geïnd heeft.

Alsnog vorderen van uitvoerbaarheid bij voorraad na rechtsmiddel

Is de eisende partij vergeten de uitvoerbaarheid bij voorraad te vorderen, dan kan hij dit bij incidentele vordering alsnog doen wanneer de verweerder een rechtsmiddel heeft ingesteld (zoals verzet of hoger beroep) (art. 234 Rv.). Dit is dus een vordering in de andere instantie (bij verzet bij dezelfde instantie, bij hoger beroep bij de hogere instantie). Zie ook de pagina Incidentele vorderingen.

Alsnog vorderen van zekerheidstelling na rechtsmiddel

Omgekeerd kan de veroordeelde partij tegen wie een bij voorraad uitvoerbaar vonnis is gewezen bij incidentele vordering vragen om zekerheidstelling (art. 235 Rv.).

Gezag van gewijsde

Beslissingen die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht (art. 236 Rv.). Dit geldt alleen voor beslissingen de rechtsbetrekking in geschil betreffen. Kracht van gewijsde wil zeggen dat er geen rechtsmiddel meer open staat (de verzet- en beroepstermijnen zijn verstreken).

Deze regel geldt ook voor rechtsopvolgers, zowel onder algemene of bijzondere titel (lid 2). Dit dan weer tenzij uit de wet anders voortvloeit.

Geen ambtshalve toepassing gezag van gewijsde

Op het gezag van gewijsde moeten partijen zich beroepen: het wordt niet ambtshalve door de rechter toegepast (lid 3). Over de omvang van het gezag van gewijsde kan ook discussie ontstaan, gelet op de woorden “beslissingen de rechtsbetrekking in geschil betreffen”.

Herstelvonnis of herstelbeschikking

Zie voor het herstelvonnis de pagina Algemene voorschriften procedures.

Eindbeslissingen

De rechter kan in een tussenvonnis uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een beslissing nemen, zonder daaraan in dat stadium nog een beslissing in het dictum te verbinden. Een dergelijke beslissing wordt een “eindbeslissing” genoemd. Deze term komt in de wet niet voor.

Dit kan zowel betrekking hebben op feitelijke als op juridische geschilpunten tussen partijen. De eindbeslissing onderscheidt zich hiermee van het in een tussenvonnis slechts geven van een voorlopig oordeel door de rechter.

Van een dergelijke uitdrukkelijke eindbeslissing mag de rechter – in dezelfde instantie – niet meer terugkomen. Dat staat niet in de wet, maar heeft te maken met een goede procesorde (zie HR 27 november 1981, NJ 1981, 3). Het kan immers niet zo zijn, dat telkens weer het debat over dit geschilpunt wordt heropend. Het processuele debat moet worden beperkt (oftewel ingeperkt: de rechter als trechter).

Uitspraken in kort geding zijn uit de aard der zaak geen eindbeslissingen (aldus de Hoge Raad in het arrest van 14 november 1997, NJ 1998, 113).

Terugkomen op eindbeslissingen

Maar wat nu als er nieuwe feiten of juridische inzichten aan de dag treden? De Hoge Raad heeft in een aantal uitspraken een lijn uitgezet, waaruit blijkt dat de rechter in een dergelijke (uitzonderlijke) situatie toch nog op de bindende eindbeslissing terug kan komen. Het heeft in dat geval dus nog wel zin tegen die eindbeslissing alsnog in het geweer te komen. Belangrijk is wel, dat de rechter met inachtneming van de regel van hoor en wederhoor partijen daarbij de gelegenheid biedt om te reageren op het voornemen om terug te komen op een eerdere eindbeslissing.

In de zaak die leidde tot het arrest HR 25 april 2008 (RWW-uitkeringsaanvrager/Gemeente Voorst) had het Hof geconstateerd, dat een eerdere eindbeslissing in een tussenarrest bij nader inzien heroverwogen moest worden. Het Hof had de reikwijdte van de rechtskracht van mededelingen van het bestuursorgaan voorafgaande aan besluiten met formele rechtskracht miskend, zo bleek uit een arrest van de Hoge Raad uit 2005 in een andere zaak tegen de Gemeente Valkenswaard. Het Hof kwam daarom terug op zijn eerdere eindbeslissing, overwegende (r.o. 2.3):

“Het vernieuwende karakter van het arrest geeft het hof aanleiding om de reikwijdte van de formele rechtskracht van de beschikking van 18 mei 1993 opnieuw te beoordelen en zo nodig van de eerdere beslissing terug te komen. Vasthouden aan die beslissing zou partijen dwingen daartegen een rechtsmiddel aan te wenden om te bewerkstelligen dat het daaraan ten grondslag liggende geschilpunt wordt beoordeeld naar het geldende recht. Het zou onaanvaardbaar zijn, indien het hof zich gebonden zou achten aan een, gelet op latere rechtspraak, onjuiste eindbeslissing.”

Tegen die beslissing werd cassatie ingesteld, maar de Hoge Raad gaf het Hof gelijk. De Hoge Raad overwoog (r.o. 3.3.3):

“Het hof was kennelijk op grond van de genoemde uitspraak van de Hoge Raad tot de conclusie gekomen dat het in zijn eerste tussenarrest met toepassing van een onjuiste maatstaf verkeerd had beslist. Daarom was het hof bevoegd die beslissing te heroverwegen. De eisen van een goede procesorde brengen immers mee dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.”

Deze lijn is bevestigd in het arrest HR 22 februari 2013 (Chipshol III/Luchthaven Schiphol). In die zaak – die betrekking had op een vordering tot schadevergoeding van de kant van Chipshol tegen Luchthaven Schiphol – had de rechtbank in de procedure een naar hij aanvankelijk meende een bindende eindbeslissing genomen in een tussenvonnis, die echter niet was neergelegd in het dictum omdat er nog andere procedures liepen. De rechtbank overwoog:

“De voorgaande overwegingen bevatten (…) bindende eindbeslissingen. Om redenen van proces-economie zal de rechtbank deze beslissing thans evenwel nog niet in een dictum neerleggen.

Die redenen zijn dat tal van uitgangspunten, die de rechtbank in de artikel 50 procedure heeft aanvaard en die de rechtbank ook in deze procedure tot uitgangspunt heeft genomen, thans onderwerp van debat zijn in de bij de Hoge Raad aanhangige cassatieprocedure. Niet ondenkbaar is dat de Hoge Raad uiteindelijk op een of meer punten anders zal oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Door nu reeds een eindvonnis te wijzen zouden partijen zich daarom, al was het maar ter bewaring van rechten, gedwongen kunnen voelen om daartegen cassatie in te stellen (voor zover de Luchthaven haar vordering op artikel 55 LVW heeft gebaseerd) dan wel in hoger beroep te gaan (voor zover de Luchthaven haar vordering op andere grondslagen heeft gebaseerd). Met name voor partij [betrokkene 1] zou dit een onaanvaardbare – en weinig nuttige – belasting vormen, maar ook voor de andere procespartijen zou dit alleen maar nadeel brengen en zou de procesrechtelijke kluwen van deze zaak alleen maar groter worden.”

Daar deed de rechtbank verstandig aan, want vervolgens pakte de andere procedure, die inmiddels bij de Hoge Raad was beland en waarin de zaak werd terugverwezen naar een ander Hof, anders uit. De Hoge Raad besliste dat in procedures inzake de Luchtvaartwet er – anders dan normaal – geen sprake kon zijn van bindende eindbeslissingen. De rechtbank kwam daarom op zijn eerdere beslissing terug. De Hoge Raad wees de cassatieklacht daartegen af:

… zoals de rechtbank terecht in haar eindvonnis heeft overwogen, heeft de Hoge Raad in zijn voormelde arrest geoordeeld dat de leer van de bindende eindbeslissing niet geldt in een procedure op de voet van art. 50 LVW. Op dezelfde gronden als in dat arrest onder 6.5.2 uiteengezet, geldt dit ook in een procedure op de voet van art. 55 LVW.

Ook in de onderhavige procedure had de rechtbank dus, anders dan zij in haar tussenvonnis nog had aangenomen, zonder beperking de vrijheid haar oordelen uit het tussenvonnis te heroverwegen, voor zover dat de onderhavige grondslag van de vorderingen van de Luchthaven betrof. De rechtbank mocht derhalve haar beslissingen in het tussenvonnis als niet-bindend aanmerken, en alsnog op andere gronden de Luchthaven in haar op art. 55 LVW gebaseerde vorderingen niet-ontvankelijk verklaren. Het feit dat de Luchthaven hierdoor de kans krijgt haar standpunt opnieuw te bepleiten ten overstaan van het gerechtshof, brengt niet mee dat de rechtbank in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld.”

Naast na het tussenvonnis gebleken nieuwe feiten of wijzigingen in het (toepasselijke) recht (zoals in bovenstaand arrest van 25 april 2008), kunnen ook een rol spelen voortschrijdend inzicht van de rechter na een getuigenverhoor, gewijzigde inzichten van de rechter of fouten van de rechter. Het eerste deed zich voor in de zaak die leidde tot het arrest HR 15 september 2006 (Amba Automaterialen/NN). De Hoge Raad overwoog (r.o. 3.4):

“Het oordeel van het hof dat de verklaringen van de beide door Amba voorgebrachte getuigen – haar directeur en haar verkoper/vertegenwoordiger – erop neerkomen dat Amba aan de zoon van de oorspronkelijk gedaagde geleverd heeft, moet aldus worden begrepen dat die verklaringen alsnog duidelijk maken dat ook volgens de aan de zijde van Amba direct betrokkenen (onder wie haar directeur) niet de oorspronkelijk gedaagde, zoals eerder in overeenstemming met hetgeen Amba had gesteld door het hof was aangenomen, maar de zoon van de oorspronkelijk gedaagde de wederpartij van Amba was bij de koopovereenkomsten die aan de vordering van Amba ten grondslag liggen. Aldus bezien heeft het hof in zijn eindarrest tot uitdrukking gebracht dat dit nieuwe gegeven het onaanvaardbaar maakte dat het hof gebonden zou zijn aan zijn hiervoor weergegeven eindbeslissing, aangezien het dan zou worden gedwongen tot het doen van een einduitspraak waarvan het wist dat deze ondeugdelijk was. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”

De rechter kan ook – na herlezing van de processtukken – tot een ander inzicht komen. In dat geval hoeft de rechter bij terugkomen op een eindbeslissing partijen niet opnieuw de gelegenheid geven tot hoor en wederhoor, als zij zich al voldoende over het betreffende geschilpunt hebben uitgelaten. Aldus HR 26 november 2010 (Kojen Enerji ve Otomasyon Sistemerli Sanayi Ticaret/ABB). De Hoge Raad overweegt in dat arrest (r.o. 3.5):

De rechter die in een tussenspraak een of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist is hieraan, in beginsel, in het verdere verloop van het geding aan gebonden. Deze gebondenheid heeft een – uit een oogpunt van goede procesorde positief te waarderen – op beperking van het debat gerichte functie (HR 4 mei 1984, nr. 12141, LJN AG4805, NJ 1985/3). Zij geldt evenwel niet onverkort. De eisen van een goede procesorde brengen immers tevens mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (HR 25 april 2008, nr. C06/250, LJN BC2800, NJ 2008/553). Een bindende eindbeslissing berust onder meer op een onjuiste feitelijke grondslag indien de rechter, na een dergelijke heroverweging, inziet dat zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel was gegrond op een onhoudbare feitelijke lezing van een of meer gedingstukken, welke lezing, bij handhaving, zou leiden tot een einduitspraak waarvan de rechter overtuigd is dat die ondeugdelijk zou zijn.

De rechter dient – ook – in een dergelijk geval te motiveren waarom het terugkomen van de eerder gegeven bindende eindbeslissing in dit opzicht geboden is (vgl. HR 5 januari 1996, nr. 15881, LJN ZC1946, NJ 1996/597 en HR 16 januari 2004, nr. C02/239, LJN AM2358, NJ 2004/318).

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, getuigt de beslissing van het hof om terug te komen van zijn bij tussenarrest van 6 april 2006 gegeven bindende eindbeslissing, niet van een onjuiste rechtsopvatting, nu naar het kennelijke oordeel van het hof anders een ondeugdelijke einduitspraak zou volgen. De beslissing is niet ontoereikend gemotiveerd en is ook niet onbegrijpelijk.”

In r.o. 3.9 overweegt de Hoge Raad ten aanzien van de klacht, dat het Hof Kojen ten onrechte niet eerst de kans had gegeven zich te verweren tegen het voornemen de eindbeslissing te herzien:

“Zoals het onderdeel terecht tot uitgangspunt neemt, is de rechter slechts bevoegd om van een bindende eindbeslissing terug te komen, nadat de partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, maar dat brengt niet mee dat de rechter die van een bindende eindbeslissing wil terugkomen in alle gevallen een tussenuitspraak moet doen waarin hij partijen van zijn voornemen op de hoogte stelt en hun gelegenheid geeft daarop te reageren. Indien het gewijzigde inzicht van de rechter is gestoeld op een reeds tussen de partijen met het oog daarop gevoerd debat behoeft de rechter niet in een tussenuitspraak de partijen nogmaals gelegenheid te geven zich uit te laten over een punt waarover zij zich reeds hebben uitgelaten. In het onderhavige geval heeft het hof dan ook in zijn einduitspraak mogen vaststellen dat Kojen niet alsnog bedoelde gelegenheid behoefde te worden geboden omdat ABB het processuele debat op het terrein waarop de bindende eindbeslissing zag, had heropend en Kojen daartegenover inhoudelijk stelling had genomen, zich daarbij niet op het standpunt stellende dat zij niet in staat was om (onmiddellijk) adequaat op de door ABB betrokken stellingen te reageren, en waarbij Kojen voorts geen beroep had gedaan op de gebondenheid van het hof aan de eindbeslissing. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.”

De rechter is ook maar een mens en kan dus ook fouten maken. Hij moet dan ook de kans krijgen fouten, die in een tussenuitspraak hebben geleid tot een onjuiste eindbeslissing, te herstellen. Het herzien van een eindbeslissing – inhoudende een akte niet-dienen door een rolrechter – op basis van een herziene afweging van de belangen van partijen is echter niet toegestaan. In HR 5 september 2015 (Earn out brasserie) overwoog de Hoge Raad (r.o. 4.2.2.):

“Volgens vaste rechtspraak is de beslissing tot het verlenen van akte niet-dienen een tussenvonnis of tussenarrest waarbij een bindende eindbeslissing is gegeven. De rechter mag van een dergelijke beslissing in dezelfde instantie in beginsel niet terugkomen. Gelet op het ingrijpende gevolg van het niet-dienen van grieven in hoger beroep, zal (de rolraadsheer van) het hof evenwel op verzoek van de appellant moeten nagaan of de eisen van een goede procesorde meebrengen dat van die eindbeslissing moet worden teruggekomen. Dat is bijvoorbeeld het geval indien die beslissing blijkt te berusten op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag, en voorts ingeval het op grond van een afweging van de aard van de fout die tot het niet nemen van het betrokken gedingstuk leidde en van alle betrokken belangen en omstandigheden, onaanvaardbaar zou zijn om aan de gegeven beslissing vast te houden en geen gelegenheid te geven tot herstel van de fout. In zijn beslissing waarbij wordt teruggekomen van het verlenen van akte niet-dienen dient (de rolraadsheer van) het hof nauwkeurig aan te geven op grond van welke bijzondere omstandigheden het onaanvaardbaar is om vast te houden aan de gebondenheid aan de eerdere eindbeslissing. (Vgl. onder meer HR 1 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2640, NJ 1999/563, en HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800, NJ 2008/553).”

In 4.2.3. vervolgt de Hoge Raad:

“Voor zover het hof in rov. 3 heeft geoordeeld dat een rolbeslissing waarin akte niet-dienen is verleend, geen bindende eindbeslissing is, geeft zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het oordeel van het hof inhoudt dat van een zodanige beslissing kan worden teruggekomen indien een afweging van belangen van de partijen daartoe noopt, getuigt dit evenzeer van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het hof dan de in vaste rechtspraak neergelegde maatstaven voor het terugkomen van een bindende eindbeslissing heeft miskend.”

Tot slot kan nog worden vastgesteld, dat de rechter niet kan terugkomen van een eindbeslissing wanneer de onjuistheid daarvan is veroorzaakt door stellingen en erkenningen van de procespartij zelf, en niet een onjuist oordeel van de rechter. Aldus HR 16 januari 2004 (overname watersportbedrijf). De Hoge Raad overweegt:

“3.4.2 In cassatie is – terecht – niet in discussie dat het hier, zoals ook besloten ligt in ‘s hofs rov. 2.6, gaat om een eindbeslissing, te weten de beslissing van het hof dat [verweerder] c.s. het aan zichzelf te wijten hebben dat zij niet als huurder in de plaats van [eiser] zijn gesteld. Voor een dergelijke beslissing geldt de, op beperking van het processuele debat gerichte, regel dat daarvan in dezelfde instantie niet meer kan worden teruggekomen, behoudens indien bijzondere, door de rechter in zijn desbetreffende beslissing nauwkeurig aan te geven omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechter aan de eindbeslissing in kwestie zou zijn gebonden (vgl. onder meer HR 14 december 2001, nr. C00/042, NJ 2002, 57). Dit laatste kan met name het geval zijn indien sprake is van een evidente feitelijke of juridische misslag van de rechter of indien de desbetreffende beslissing blijkt te berusten op een, niet aan de belanghebbende partij toe te rekenen, onjuiste feitelijke grondslag.

3.4.3 In dit geval is echter geen sprake van een eindbeslissing die (mede) gegrond is op een fout die niet is toe te rekenen aan de partij wier belang gediend zou zijn met terugkomen van die beslissing. [Verweerder] c.s. hebben nagelaten tijdig gemotiveerd te betwisten dat zij, zoals [eiser] vanaf de repliek in eerste aanleg steeds heeft gesteld, het aan zichzelf hebben te wijten dat zij niet als huurder in de plaats van [eiser] zijn gesteld. Het hof heeft weliswaar geoordeeld dat daaraan kennelijk een misverstand “bij een aantal bij de diverse procedures betrokkenen” ten grondslag ligt, maar [verweerder] c.s. hebben niet aangevoerd dat de nalatigheid waarom het hier gaat hun niet kan worden toegerekend. Het door het hof aangenomen misverstand alleen kan niet leiden tot het oordeel dat het onaanvaardbaar zou zijn dat het hof aan de eindbeslissing waarover het hier gaat gebonden zou zijn. ‘s Hofs andersluidende oordeel geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan om die reden niet in stand blijven.”

Deugdelijke motivering terugkomen op eindbeslissing

Vanzelfsprekend moet de rechter moet de rechter deugdelijk motiveren, waarom hij op een eerder genomen eindbeslissing terugkomt. Dat geldt zelfs al, wanneer de eerdere beslissing geen bindende eindbeslissing is, maar er wel sprake is van een koerswijziging van de rechter. Dit laatste blijkt ook uit HR 19 juli 2019 (AABO Trading Drachten c.s./bestuurder). De Hoge Raad overweegt in die zaak (r.o. 3.2.):

“In het eindarrest overweegt het hof dat Aabo in eerste aanleg ‘nauwelijks iets heeft gesteld’ (rov. 2.3) en dat het door haar gestelde ‘summier is’ (rov. 2.5). Het hof bespreekt niet de inlichtingen die [verweerder] in zijn akte heeft gegeven naar aanleiding van de door het hof gestelde vragen, en wat daaruit is af te leiden voor de beantwoording van de kernvraag. Dit is niet zonder meer te rijmen met de overwegingen in het tussenarrest, en de daarin door het hof aan [verweerder] voorgelegde vragen. Bovendien is niet duidelijk welke (aanvullende of meer gedetailleerde) stellingen van Aabo het hof op het oog had, welke stellingen het hof miste en waarom het hof in het tussenarrest dan geen vragen aan Aabo heeft gesteld.”

en voorts:

“Dat het hof niet gebonden was aan de in het tussenarrest neergelegde overwegingen over de stortingsplicht, nu daarin geen bindende eindbeslissingen waren vervat, doet aan het voorgaande niet af. Als het hof in het eindarrest een andere richting wilde inslaan dan in het tussenarrest, had het moeten toelichten waarom daarvoor is gekozen; dat vloeit voort uit de algemene eis van een behoorlijke motivering van rechterlijke beslissingen. In het onderhavige geval heeft het hof dat niet gedaan.”

Rechtspraak

Kracht van gewijsde

Hof Den Haag 7 december 2010 (Gem. Den Haag/NN) – de beslissing in de verzetprocedure tegen het dwangbevel tot bestuursdwang heeft kracht van gewijsde voor de aansprakelijkstelling vanhet lid van de VvE

Auteur & Last edit

[MdV, 15-08-2018; bijgewerkt 30-12-2019]

1 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 5 (1 votes, average: 4,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.