Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en ontbinding na scheiding (Par. 1, Afd. 2, Titel 6, Boek 3 Rv.)

Inleiding procedure echtscheiding en scheiding van tafel en bed

De procedure inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed (en de ontbinding na scheiding van tafel en bed) is geregeld in Par. 1 , Afd. 2, Titel 6, Boek 3 Rv.. De Par. is vrij kort, met effectief 6 bepalingen (art. 815 Rv. tot en met art. 820 Rv.). Art. 814 (de 1e bepaling) en art. 820a Rv. (de laatste van de paragraaf) zijn vervallen.

Per 1 januari 1993 is het procesrecht inzake de (echt)scheiding gewijzigd met de Wet tot herziening van het scheidingsprocesrecht (Stb. 1992, 373 zie Parl. Gesch. wetsvoorstel 21881). Het overgangsrecht gaat in art. VI uit van eerbiedigende werking. Per 13 januari 1993 zijn in aanvulling aanpassingen doorgevoerd in verband met wijziging van de pensioenwetgeving (zie Parl. Gesch. wetsvoorstel 22664).

NB De links naar de online wettekst verwijzen naar de niet-digitale versie van Rv., maar het kan zijn dat er nog links voorkomen naar digitaal. Let dus op naar welke je wordt verwezen.

Nadere eisen inhoud verzoek echtscheiding of tafel en bed

Het verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed moet wel voldoen aan de gewone eisen van de verzoekschriftprocedure ex art. 278 Rv., zoals de vermelding van de gegevens van de verzoeker (zie de pagina Verloop verzoekschriftprocedure), maar art. 815 lid 1 Rv. stelt aanvullende eisen. Omdat in dit geval er een duidelijke ‘wederpartij’ is en verondersteld kan worden dat er minderjarige kinderen kunnen zijn die door de echtscheiding automatisch betrokkene zijn, moet het verzoekschrift ook omvatten:

a. de naam, de voornamen en voorzover bekend de woonplaats en de werkelijke verblijfplaats van de echtgenoot die niet de verzoeker is;

b. voorzover bekend de naam van diens raadsman;

c. de naam en de voornamen en voorzover bekend de woonplaats en de werkelijke verblijfplaats van ieder minderjarig kind van de echtgenoten te zamen of van een van hen.

Verzoekschrift echtscheiding moet een ouderschapsplan bevatten

Een zeer nuttige eis is, dat de ouders bij het echtscheidingsverzoek een ‘ouderschapsplan’ aan de rechter moeten overhandigen, waarin is vastgelegd hoe zijn na de scheiding hun taken als ouders zullen blijven vervullen, zij elkaar zullen informeren over de kinderen en hoe de alimentatie (de kosten van verzorging en opvoeding) geregeld wordt.

Art. 815 lid 2 Rv. schrijft voor, dat het verzoekschrift – als er minderjarige kinderen zijn – wordt vergezeld van een ‘ouderschapsplan’. Dit geldt zowel hun gezamenlijke minderjarige kinderen over wie de echtgenoten al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen als eventuele minderjarige kinderen over wie de echtgenoten ingevolge artikel 253sa of 253t Rv. het gezag gezamenlijk uitoefenen.

Dit moet krachtens art. 815 lid 3 Rv. tenminste afspraken bevatten over:

a. de wijze waarop de echtgenoten de zorg- en opvoedingstaken, bedoeld in artikel 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, verdelen of het recht en de verplichting tot omgang, bedoeld in artikel 377a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek vormgeven;

b. de wijze waarop de echtgenoten elkaar informatie verschaffen en raadplegen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige kinderen;

c. de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen.

Het verzoekschrift vermeldt over welke van de gevraagde voorzieningen overeenstemming is bereikt en over welke van de gevraagde voorzieningen een verschil van mening bestaat met de gronden daarvoor. Tevens vermeldt het verzoekschrift op welke wijze de kinderen zijn betrokken bij het opstellen van het ouderschapsplan (art. 815 lid 4 Rv.).

Verdere documenten vereist bij het verzoek tot echtscheiding

Verder moeten de documenten met betrekking tot het huwelijk worden bijgevoegd (art. 815 lid 5 Rv.). Te weten afschrift of uittreksel van de huwelijksakte, bescheiden betreffende de gronden waarop de rechter ingevolge artikel 4 rechtsmacht heeft, een afschrift of uittreksel van de akte van geboorte van ieder minderjarig kind van de echtgenoten te zamen of van een van hen, de processtukken die betrekking hebben op de voorlopige voorzieningen, bedoeld in de artikelen 822 en 823, indien deze zijn gevraagd en indien het een verzoek tot ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed betreft: een authentiek afschrift van de rechterlijke uitspraak waarbij de scheiding van tafel en bed is uitgesproken.

Stukken kunnen niet worden overgelegd

De wet biedt wel een escape voor het geval de wettelijk vereiste bijlagen niet kunnen worden overgelegd (art. 815 lid 6 Rv.). Indien het ouderschapsplan, bedoeld in het tweede lid, of de stukken, bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a tot en met c, redelijkerwijs niet kunnen worden overgelegd, kan worden volstaan met overlegging van andere stukken of kan op andere wijze daarin worden voorzien, een en ander ter beoordeling van de rechter.

Raad voor de Kinderbescherming

Indien ten behoeve van minderjarige kinderen voorzieningen moeten worden getroffen, zendt de griffier onverwijld een afschrift van het verzoekschrift aan de raad voor de kinderbescherming (art. 815 lid 7 Rv.).

Oproeping andere echtgenoot

Anders dan in een gewone verzoekschriftprocedure – waar de griffier een oproep voor de zitting aan de gerekwestreerde per post zendt – moet de echtgenoot, die het verzoekschrift zonder de andere echtgenoot indient, het verzoekschrift binnen 14 dagen aan de ander bij exploit betekenen (art. 816 lid 1 Rv.). De reden hiervoor laat zich eenvoudig raden: de ene echtgenoot (die immers op hetzelfde adres woont) zou de oproep van de griffier achterover kunnen drukken, waardoor de andere echtgenoot onwetend blijft van de echtscheidingsprocedure. De tweede reden was echter om te voorkomen dat de oproepen een vergroting van de werkbelasting van griffies mee zouden brengen. Immers wordt bij een reguliere verzoekschriftprocedure de oproep verzorgd door de griffie (zie Kamerstukken II, 1990/1991, 21 881, nr. 3, p. 4-5.).

Zie in dit verband ook Kamerstukken II 1990/91, 21881, nr. 3, p. 4; HR 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8115, rov. 3.3.2. De wetgever heeft in 1993 gekozen voor een hybride systeem, waarbij de procedure nog wel een echtscheidingsprocedure is, maar toch – net als bij de dagvaarding – betekening van het verzoekschrift door een deurwaarder nodig is. Afwijkend van de dagvaardingsprocedure is dat niet vooraf, maar na indiening van het inleidende verzoekschrift betekend moet worden. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de eis van betekening alleen in eerste aanleg geldt (Kamerstukken II, 1990/1991, 21 881, nr. 3, p. 7).

Art. 816 Rv is dan ook niet van overeenkomstige toepassing verklaard in hoger beroep (art. 820 lid 5 Rv).

De andere echtgenoot kan een verweerschrift indienen. Dit moet bij advocaat, de procedure kan niet in persoon gevoerd worden. Het verweerschrift moet uiterlijk worden ingediend voor de in het exploit vermelde datum. Het origineel (tweede) afschrift van het exploit moet bij de griffie worden ingediend, net als het exploit van dagvaarding bij een dagvaardingsprocedure (maar de wet vermeldt hier niet op welk tijdstip).

De datum die in het exploit vermeld moet worden is tenminste zes weken. Woont de andere echtgenoot in het buitenland dan is dat drie maanden (art. 816 lid 2 Rv.).

Indien  het bepaalde in lid 1 of lid 2 niet in acht is genomen, of indien het exploit anderszins lijdt aan een gebrek, zijn art. 120 Rv. (herstelexploot voor dienende dag als fout in exploot zit) en art. 121 Rv. (verstek of nietigverklaring) van overeenkomstige toepassing (art. 816 lid 3 Rv.). Zie ook de pagina Dagvaarding over deze twee bepalingen.

Maar als het exploot tot betekening van het verzoek te laat wordt uitgebracht, is herstel daarvan op de voet van art. 120 Rv. of art. 121 Rv. in principe niet mogelijk. Vgl. HR 13 oktober 2017 (tweewekentermijn KEI), rov. 2.4.4 en 2.4.5.

Voor de echtscheidingsprocedure lijdt dit echter uitzondering. De Hoge Raad ziet in het arrest HR 1 april 2022 (te late betekening echtscheidingsverzoek) niet in, waarom een te late betekening in die procedure tot niet-ontvankelijkheid zou moeten leiden. Het gaat er om, dat de andere partner van het verzoek op de hoogte gesteld wordt (hoor en wederhoor), alsmede van de in het exploot te vermelden termijnen voor verweer. De Hoge Raad volgt de redenering van de P-G, die adviseert (nr. 2.28):

“Uit de hiervoor geschetste parlementaire geschiedenis blijkt dat het doel van het betekeningsvereiste van art. 816 Rv (steeds) is geweest dat een echtgenoot op deugdelijke wijze ervan in kennis wordt gesteld dat tegen hem of haar een verzoek tot scheiding is ingediend. Dat doel is in het onderhavige geval verwezenlijkt doordat de vrouw op 4 december 2019 heeft bevestigd dat zij het echtscheidingsverzoek, dat haar (althans aan haar advocaat) op 2 december 2019 per e-mail was toegestuurd, heeft gelezen. Nu tevens vaststaat dat de man op 8 januari 2020 een afschrift van het verzoekschrift aan de vrouw heeft doen betekenen, behoefde m.i. de sanctie op overschrijding van de termijn van veertien dagen niet te worden toegepast.”

De andere optie voor de man was een nieuw echtscheidingsverzoek in te dienen en dit tijdig te laten betekenen. Het belang van de man om dit niet te hoeven doen was, dat in het onderhavige geval gold, dat voor verzoeken die werden ingediend vanaf 1 januari 2020 de kortere partneralimentatieduur geldt. Het was in deze zaak de man die alimentatie vroeg. Zie ook art. V lid 2 van de Wet herziening partneralimentatie, Stb. 2019, 283. Zie de pagina Algemene bepalingen levensonderhoud.

Indiening van het originele exploot ter griffie is in de parlementaire geschiedenis verder onbesproken gebleven. Wel bevat daarover paragraaf 4 van het Procesreglement Scheiding een nader voorschrift. Het Procesreglement Scheiding is een onderdeel van de Procesreglementen familie- en jeugdrecht rechtbanken. Ten tijde van het inkomen ter griffie van het verzoekschrift (2 december 2019) was de 18de versie van het Procesreglement Scheiding van toepassing (15 maart 2019, Stcrt. 2019,13353). Nadien is de 19de versie verschenen (6 december 2019, Stcrt. 2019, 65780) en per 1 maart 2021 is de 20ste versie van toepassing (26 februari 2021, Stcrt. 2021, 8418). De 19de en 20ste versie bevatten geen voor deze procedure van belang zijnde wijzigingen ten opzichte van de 18de versie. Het procesreglement bevat aldus een aanvulling op art. 816 lid 1 Rv met betrekking tot de termijn waarop het betekeningsexploot ter griffie moet worden ingediend: vier weken na inschrijving van het inleidend verzoek. Volgens de P-G is dit een ontoelaatbare oprekking door het Procesreglement van de wet (die immers van hogere rang is). Maar de andere vraag is, of in dit geval niet-ontvankelijkheid wenselijk is.

De Hoge Raad heeft in de beschikking HR 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8115, NJ 2003/646 beslist, dat betekening aan de advocaat van de andere partner – als daar geen domicilie is gekozen voor de echtscheiding – wel leidt tot niet-ontvankelijkheid. Er moet immers echt aan de andere partner betekend worden. de Hoge Raad overwoog:

“3.4 (…). Ingevolge art. 816 lid 3 Rv zijn de art. 120 en 121 Rv van overeenkomstige toepassing indien het exploot van betekening aan een gebrek lijdt. Dit brengt mee dat de rechtbank, nadat zij — naar uit het vorenoverwogene volgt terecht — had vastgesteld dat geen geldige betekening had plaatsgevonden en de vrouw niet een verweerschrift had ingediend, met overeenkomstige toepassing van art. 121 lid 2 Rv de man niet zonder meer niet-ontvankelijk in zijn verzoek had behoren te verklaren, maar hem in de gelegenheid had moeten stellen het gebrek op zijn kosten te herstellen. Indien de rechtbank op de voet van art. 121 lid 3 Rv zou hebben geoordeeld dat aannemelijk is dat het exploot de vrouw als gevolg van het gebrek niet heeft bereikt, had het zulks in haar beschikking moeten vermelden. Het hof heeft het voorgaande miskend door zich te beperken tot het oordeel dat de man het inleidend verzoekschrift niet geldig aan de vrouw heeft doen betekenen zonder te onderzoeken of de rechtbank gelegenheid had moeten bieden tot herstel van het gebrek.”

Termijn voor verweerschrift echtscheiding

Als de andere echtgenoot tijdig om uitstel heeft verzocht, alsmede indien een ingediend verweerschrift een zelfstandig verzoek bevat, bepaalt de rechter een termijn waarbinnen de andere echtgenoot respectievelijk de echtgenoot die het oorspronkelijke verzoekschrift heeft ingediend, een verweerschrift kan indienen (art. 816 lid 4 Rv.).

Op eensluidend verzoek van de echtgenoten verlengt de rechter de termijn bedoeld in lid 4, tenzij dit leidt tot onredelijke vertraging van het geding. Hij kan deze termijn ook verlengen op verzoek van een der echtgenoten of ambtshalve (art. 816 lid 5 Rv.).

Achterwege laten zitting echtscheidingsprocedure

In afwijking van art. 279 lid 1 Rv. (zie de pagina Verloop verzoekschriftprocedure) kan een behandeling ter terechtzitting achterwege blijven indien er geen minderjarige kinderen zijn die ingevolge art. 809 Rv. in de gelegenheid moeten worden gesteld hun mening kenbaar te maken en er, wanneer het een verzoek van een der echtgenoten betreft, niet tijdig verweer is gevoerd (art. 818 lid 1 Rv.)

De rechtbank verwacht van partijen, dat zij moeite doen om zaken onderling te regelen, en de rechtbank niet nodeloos belasten. Wanneer het ouderschapsplan in goed onderling overleg tot stand kan komen, en er geen minderjarigen ouder dan 12 jaar zijn die gehoord moeten worden, dan kunnen zij dat zelf, eventueel met een echtscheidingsbemiddelaar of mediator (art. 818 lid 2 Rv.). In de uitspraak van Rb. Oost-Brabant 14 december 2020 was de rechtbank ‘not amused’ dat tijdens de zitting bleek, dat de ouders (en hun advocaten) niet hadden gedaan en de zitting door hadden laten gaan.

Auteur & Last edit

[MdV, 6-07-2018; laatste bewerking 7-04-2022]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank voor burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.