Dagvaarding (Afd. 4, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Inleiding dagvaarding

*NB de links naar de wettekst verwijzen naar Rv. voor niet-digitaal procederen. Het onderstaande geldt alleen bij niet-digitaal procederen.

De regels inzake dagvaarding en de daarbij geldende termijnen zijn opgenomen in de 4e Afdeling, Titel 2, Boek 1 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (“Rv.”). De afdeling omvat 14 bepalingen (art. 111 Rv. tot en met art. 124 Rv.).

Zie voor de eisen die aan de betekening van exploten gesteld worden de pagina Exploten (Afd. 6, Titel 1, Boek 1 Rv.). Zie voor de wijze van aanbrengen van een uitgebrachte dagvaarding de pagina Verloop van de procedure (art. 125 e.v. Rv.).

Absolute bevoegdheid versus relatieve bevoegdheid

Wat is het verschil tussen de absolute bevoegdheid van de rechter en relatieve bevoegdheid van de rechter?

De absolute bevoegdheid bepaalt, welke soort rechter bevoegd is. Bij voorbeeld of een procedure moet worden ingeleid bij de rechtbank, of bij het Gerechtshof of bij de Hoge Raad. En bij welke instantie van die soort het rechtsmiddel (zoals verzet, hoger beroep of cassatie) moet worden ingesteld. De absolute bevoegdheid wordt afgeleid uit de aard van de ingestelde vordering.

De absolute bevoegdheid is van dwingend recht: partijen kunnen daar niet bij overeenkomst van afwijken.

De relatieve bevoegdheid bepaalt, bij welke rechter van een bepaalde soort – en dan met name in welke plaats – de procedure gevoerd moet worden. De rechtspraak in Nederland is ingedeeld in 4 hofressorten, die weer zijn opgedeeld in 11 arrondissementen. Zie ook de pagina Organisatie van de rechtspraak. De relatieve bevoegdheid wordt – in beginsel – bepaald door de woonplaats van gedaagde.

De relatieve bevoegdheid is in principe niet van dwingend recht: partijen kunnen daar bij overeenkomst van afwijken (forumkeuze beding). Uitzondering op deze regel is art. 108 Rv. met betrekking tot particulieren als gedaagde.

Dagvaarding

Dagvaarding dient te geschieden door middel van een deurwaardersexploot (art. 111 Rv.). Deze dient de gegevens te bevatten, omschreven in dit artikel. Zo moet het exploot de naam en de woonplaats van partijen vermelden.

In procedures betreffende onredelijk bezwarende bedingen (Titel 12, Boek 3 Rv.) wordt hierop – voor de leden en voormalige leden van vereniging ter belangenbehartiging van die leden – een uitzondering gemaakt (zie de pagina Procedures onredelijk bezwarende bedingen).

Griffierecht dagvaardingsprocedure

Partijen moeten griffierecht (ook wel ‘vastrecht’ genoemd) betalen als bijdrage in de kosten van het rechterlijk apparaat. Hoewel in sommige gevallen aanzienlijk zijn die kosten niet kostendekkend, maar meer te zien als een ‘eigen bijdrage’ van partijen, vergelijkbaar met leges bij overheidsinstanties. De hoogte van de griffierechten is geregeld in de Wet griffierechten burgerlijke zaken. Op de website van de Rechtspraak zijn ook per instantie tabellen van de tarieven gepubliceerd.

In de dagvaarding moet aan de wederpartij (art. 111 lid 2, sub i Rv.) worden meegedeeld, dat griffierecht verschuldigd is, en welk gevolg volgens art. 139 Rv. is verbonden aan het niet betalen van het griffierecht. Dat gevolg is, dat er verstek verleend wordt, alsof de partij in kwestie niet was verschenen, ook al heeft zich voor hem een advocaat gesteld. Alleen bij Kantonzaken is de gedaagde geen griffierecht verschuldigd.

Gevolg van het niet tijdig betalen van het griffierecht door de eiser is ontslag van instantie (art. 127a lid 2 Rv.). Voordat de rechter hiertoe overgaat, stelt hij eiser in de gelegenheid zich uit te laten over het niet tijdig voldoen van het verschuldigde griffierecht.

De rechter kan hier echter van afzien: de rechter laat het eerste en tweede lid, eerste volzin, geheel of ten dele buiten toepassing, indien hij van oordeel is dat de toepassing van die bepaling, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (art. 127a lid 3 Rv.).

Tegen deze beslissingen staat geen rechtsmiddel open (art. 127a lid 4 Rv.). Als er dus ontslag van instantie is verleend wegens het niet (tijdig) voldoen van het griffierecht, dan is het over en sluiten. Deze bepalingen zijn ook in hoger beroep van toepassing (art. 343 Rv. en art. 353 Rv.). In dat geval leidt dit dus tot het verval van de procedure in hoger beroep, terwijl de appeltermijn al is verstreken.

Vrije dagen tussen uitbrengen dagvaarding en de ‘dienende dag’

Tussen de datum waartegen de gedaagde wordt opgeroepen ( de ‘dienende dag’) en de dag van het uitbrengen van de dagvaarding dient tenminste een week te liggen (art. 114 Rv. niet-digitaal).

Gedaagde buiten Nederland in Europa

Als de gedaagde buiten Europa is gevestigd is de dagvaardingstermijn tenminste 4 weken (art. 115 lid 1 Rv.):

“Indien de gedaagde een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf buiten Nederland heeft in een Staat waar de in artikel 56, eerste lid, bedoelde verordening van toepassing is, of in een Staat die in Europa is gelegen en die partij is bij het op 15 november 1965 te ‘s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken (Trb. 1966, 91), is de termijn van dagvaarding ten minste vier weken.”

Gedaagde buiten Nederland (niet Europa)

Heeft de gedaagde geen bekende woonplaats in Nederland, dan is de termijn drie maanden (art. 115 lid 2 Rv.).

Termijn bij kantoorbetekening

Uitzondering is de kantoorbetekening c.q. het gekozen domicilie in Nederland: art. 115 lid 3 Rv.. Dan is de termijn een week.

Burgers digitaal oproepen

Het is al mogelijk om burgers zonder bekende woon- of verblijfplaats digitaal op te roepen. Bekendmakingen aan deze groep verschijnen in de online Staatscourant.

Gebreken in de dagvaarding leiden tot nietigheid

Alle bepalingen van deze afdeling zijn dwingend recht. Onjuiste toepassing brengt nietigheid van het processtuk mee (art. 120 lid 1 Rv.).

Herstelexploot

Een gebrek in het exploot van dagvaarding dat tot nietigheid leidt, kan worden hersteld door middel van een zgn. “herstelexploot” (art. 120 lid 2 Rv.). Dit dient te worden uitgebracht vóór de dienende dag waartegen in het gebrekkige exploot was opgeroepen. Bij het herstelexploot moeten dezelfde oproepingstermijnen in acht genomen worden, tenzij de rechter daarop een uitzondering toestaat.

Indien inachtneming van de termijn van dagvaarding meebrengt dat de roldatum niet kan worden gehandhaafd, moet een andere roldatum worden aangezegd, met vermelding van het uur indien alsdan een terechtzitting plaatsvindt. Het herstelexploot moet uiteraard ook weer aan alle wettelijke formele eisen van art. 45 e.v. Rv. voldoen.

Voor de voorschriften van art. 111 lid 3 Rv. geldt de noodzaak van een herstelexploot niet (art. 120 lid 4 Rv.): het verweer van de gedaagde, de opgaaf over welke bewijsmiddelen of welke getuigen de eiser beschikt. De rechter kan de eiser wel alsnog bevelen de ontbrekende gegevens te verstrekken.

Nieuw exploot in plaats van herstelexploot

Wanneer er geen termijn aan het oorspronkelijke exploot is verbonden (het is geen appèldagvaarding of cassatiedagvaarding, of het exploot hangt niet samen met een conservatoir beslag waaraan een termijn is verbonden voor het starten van de hoofdzaak, of het eerste exploot is niet essentieel in verband met verjaring- of vervaltermijnen), dan kan er ook een geheel nieuw exploot worden uitgebracht, zonder aanbrengen van het exploot met de fout.

Herstelexploot alleen voor nietigheden

Het exploot met de fout moet bij het herstelexploot gehandhaafd blijven (in het herstelexploot wordt daarnaar verwezen). Het herstelexploot bouwt dus voort op het exploot met de fout, en herstelt alleen datgene was verkeerd was in het aanvankelijke exploot. De nietigheid heeft niet van rechtswege effect: het is de rechter die deze moet uitspreken. Zoals hierna blijkt bij art. 121 Rv. kan de rechter de eiser daartoe de gelegenheid bieden. Dit tenzij de rechter oordeelt dat het exploot de gedaagde als gevolg van het gebrek niet heeft bereikt. Dan spreekt de rechter wel de nietigheid uit (art. 121 lid 3 Rv.). Ook kan de nietigheid zonder gevolgen blijven als de gedaagde verschijnt (eventueel pas na verzet) en zich niet tegen het gebrek in de dagvaarding verweert, of zich wel verweert en de rechter vindt dat de gedaagde door het gebrek niet in zijn verdediging geschaad is (art. 122 lid 1 Rv.).

Een exploot kan alleen nietig zijn bij het niet in acht nemen van formaliteiten, die expliciet zijn bedreigd met nietigheid (art. 65 Rv.). In het niet gepubliceerde arrest HR 19 juni 1998 (Erato/Gipstein) overwoog de Hoge Raad dat voor een betekening ‘aan de woonplaats’ van de geëxploiteerde niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven om de plaats van betekening en de hoedanigheid van degene aan wie afschrift is gelaten in het exploit te vermelden. Wat niet wegneemt, dat dit wel aanbeveling verdient met het oog op het te leveren bewijs dat de betekening op de door de wet voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden. In het licht van art. 65 Rv. kon dit dus niet tot nietigheid leiden.

Een fout in een voorgeschreven formaliteit in het exploot van dagvaarding leidt dus niet zonder meer tot nietigheid. In het arrest HR 15 april 2016 (Getronics Global Services B.V./Top Mehrwert-Logistik GMBH & CO. KG) overwoog de Hoge Raad naar aanleiding van de cassatieklacht, dat de appeldagvaarding ‘zonder rechtsgevolg had dienen’ te blijven wegens gebreken als volgt:

“3.4.1 Uit de artikelen 120 lid 1, 111 lid 2 en 45 lid 3, aanhef en onder b, Rv volgt dat in een dagvaardingsexploot op straffe van nietigheid de naam behoort te zijn vermeld van degene op wiens verzoek de betekening geschiedt (hierna: de rekwirant). Een gebrek in een exploot van dagvaarding dat nietigheid meebrengt, kan volgens art. 120 lid 2 Rv worden hersteld bij exploot, uitgebracht voor de roldatum. Bij het uitbrengen van dat exploot dient volgens art. 120 lid 3 Rv de voor dagvaarding voorgeschreven termijn in acht te worden genomen; indien daardoor de roldatum niet kan worden gehandhaafd, dient een andere roldatum te worden aangezegd. 

3.4.2 Een exploot dat de naam van de rekwirant onjuist of onvolledig vermeldt, lijdt aan een gebrek dat de geldigheid van het exploot niet aantast (vgl. HR 22 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0996, NJ 1990/689). Dat brengt echter niet mee dat een dergelijk gebrek in een dagvaardingsexploot niet vatbaar zou zijn voor herstel bij exploot, uitgebracht voor de roldatum. Het geval van een onjuiste of onvolledige naamsvermelding van de rekwirant in een dagvaardingsexploot moet dan ook voor de toepassing van art. 120 lid 2 Rv op één lijn worden gesteld met het geval waarin een dagvaardingsexploot de naam van de rekwirant in het geheel niet vermeldt.

3.4.3 Het voorgaande laat onverlet dat na het aanbrengen van de zaak herstel van een onjuiste of onvolledige naamsvermelding kan plaatsvinden met toepassing van de regels van het arrest HR 13 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1881, NJ 2015/307, rov. 5.5.3.”

Een onjuiste partijbenaming kan dus op de voet van het hiervoor vermelde arrest HR 13 december 2013 (Montis Design door fusie opgegaan in Montis Holding) tijdens de procedure hersteld worden.

Het is niet toegestaan exploten te “repareren” voor andere fouten dan welke met nietigheid bedreigd zijn: het wijzigen van de eis of andere aanpassingen die niet te maken hebben met het herstel van een fout leiden tot niet-ontvankelijkheid van het herstelexploot.

In de zaak HR 15 december 2000 (Lichtdrukkerij Grapendaal/Nationale Nederlanden) had Lichtdrukkerij Grapendaal haar verzekeraar NN gedagvaard inzake een geschil over een schade. De rechtbank wees de vordering af bij vonnis van 31 juli 1996. Vervolgens bracht Grapendaal een appeldagvaarding uit bij dagvaarding van 29 oktober 1996 hoger beroep ingesteld en daarbij NN opgeroepen om te verschijnen ter terechtzitting van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 19 december 1998 <dit is een kennelijke verschrijving in het gepubliceerde arrest, want de casus spreekt verder van 1996, MdV>.

Vervolgens gaat (de advocaat van) appellant rommelen: de zaak was in verband met het vragen van een “second opinion” van een door Grapendaal geraadpleegde hoogleraar, niet op de rol van het Hof van 19 december 1996 ingeschreven. Grapendaal heeft bij exploit van 13 december 1996 NN opgeroepen om te verschijnen ter terechtzitting van het Hof van 20 februari 1997. De zaak is aanvankelijk onder rolnummer 97/110 ter rolle ingeschreven. Deze inschrijving is vóór de zitting van 20 februari 1997 op verzoek van Grapendaal ingetrokken en vervolgens ter griffie ongedaan gemaakt. Grapendaal heeft bij exploit van 18 februari 1997 NN opgeroepen om te verschijnen ter terechtzitting van het Hof van 3 april 1997. De zaak is toen onder rolnummer 97/286 ingeschreven ter rolle van 3 april 1997.

Het Hof heeft geoordeeld:
(i) dat aan het exploit van 13 december 1996 geen gevolg kan worden toegekend omdat de daarop gevolgde inschrijving ter rolle vóór de daarbij aangezegde rechtsdag op verzoek van Grapendaal weer is ingetrokken en daarom ter griffie ongedaan gemaakt;
(ii) dat het exploit van 18 februari 1997 te laat is uitgebracht nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die overschrijding van de termijn van 14 dagen, zoals genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 17 september 1993, nr. 15086, NJ 1993, 741, rechtvaardigen. Zodanige rechtvaardiging is, volgens het Hof, niet te vinden in de omstandigheid dat Grapendaal omtrent haar vordering de mening had gevraagd van een hoogleraar.

Op deze gronden heeft het Hof Grapendaal niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep. De Hoge Raad overwoog allereerst (r.o. 3.3):

“Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat een dagvaarding ertoe strekt de wederpartij op te roepen tegen een bepaalde rechtsdag. Het staat de partij die de dagvaarding heeft doen uitbrengen in beginsel niet vrij deze rechtsdag voor het verschijnen ervan te wijzigen. De uitzonderingen die op dit beginsel zijn toegelaten, zoals die vermeld in art. 92 Rv., betreffen uitsluitend gevallen waarin processuele fouten of verzuimen bij exploit worden hersteld. Indien de hiervoor bedoelde partij wijziging wenst te brengen in de in de dagvaarding geformuleerde eis dient hij de weg te volgen van art. 134 Rv..

Voorts moet tot uitgangspunt worden genomen, zoals het Hof ook heeft gedaan, dat niet-tijdige inschrijving ter rolle in beginsel leidt tot niet-ontvankelijkheid van de vordering of het rechtsmiddel, waarop de dagvaarding betrekking had (HR 17 december 1982, nr. 12015, NJ 1984, 59, en 17 september 1993, nr. 15086, NJ 1993, 741).”

Zodoende ging de appèlprocedure totaal de mist in. De later uitgebrachte hersteldagvaarding strekte niet echt tot herstel, en was bovendien alsnog ingetrokken. En de dagvaarding van februari 1997 was ruimschoots te laat om het niet aanbrengen van het 1e exploit op de aangezegde dag van 19 december 1996 te herstellen. Dit kan wel, maar moet dan wel binnen 14 dagen worden hersteld met een nieuwe oproep.

Zie hierna bij ‘Verzuim aan te brengen’ en het hiervoor door het Hof al vermelde arrest van de Hoge Raad van 17 september 1993, nr. 15086, NJ 1993, 741.

In het arrest HR 12-01-2001 (Schermer/Vezo Beheer, door fusie opgegaan in Unigro) was het volgende aan de hand. Partijen hadden een geschil over indeplaatsstelling in een huurovereenkomst. Dit hadden zij voorgelegd aan de Kantonrechter ex art. 40 RO <art. 96 Rv., MdV>, met voorbehoud van hoger beroep. De Kantonrechter heeft de vordering van Schermer afgewezen en die van Vezo Beheer toegewezen.

Schermer heeft twee appeldagvaardingen uitgebracht, te weten op 12 en 23 september 1997. De eerste dagvaarding is binnen de termijn voor hoger beroep uitgebracht, de tweede na het verstrijken daarvan. Bij de eerste dagvaarding is 25 september 1997 als de eerste dienende dag aangewezen. De zaak is op deze dag niet ter rolle van de Rechtbank ingeschreven. Bij de dagvaarding van 23 september 1997, die vrijwel gelijkluidend is aan die van 12 september 1997, is 30 oktober 1997 als de eerste dienende dag aangewezen. Op laatstgenoemde dag is de zaak wel ter rolle van de Rechtbank ingeschreven.

De Rechtbank heeft voorts overwogen dat de eerste – tijdig uitgebrachte – dagvaarding niet ter rolle is ingeschreven en dat de tweede dagvaarding niet is uitgebracht om een processueel verzuim te herstellen, nu het tweede exploit is uitgebracht voordat het verzuim – te weten het niet inschrijven van de zaak ter rolle van 25 september 1997 – zich had geopenbaard. Gelet op deze omstandigheden en gegeven dat het tweede exploit van dagvaarding is uitgebracht na het verstrijken van de appeltermijn is er, aldus de Rechtbank, geen aanleiding een uitzondering te maken op het uitgangspunt dat niet-tijdige inschrijving ter rolle in beginsel leidt tot niet-ontvankelijkheid van de vordering of het rechtsmiddel, waarop de dagvaarding betrekking heeft. Op deze gronden heeft de Rechtbank [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.

De Hoge Raad herhaalt hier de overwegingen uit het arrest Lichtdrukkerij Grapendaal, en beslist vervolgens: “In het licht van deze omstandigheden is niet onbegrijpelijk het oordeel van de Rechtbank dat het exploit van 23 september 1997 moet worden beschouwd als een op zichzelf staande appeldagvaarding.” Aangezien de tijdige dagvaarding niet was aangebracht, en de te late dagvaarding niet een herstel was na abusievelijk niet aanbrengen (want immers al voor de dienende dag uitgebracht) strandde daarmee de zaak.

In het arrest HR 26-02-2010 (Jankie c.s./Staat) deed zich een soortgelijke situatie voor: het tijdig uitgebrachte exploot was niet aangebracht, het te laat uitgebrachte exploot wel: resultaat niet-ontvankelijkheid. Bij exploten in hoger beroep extra pijnlijk, omdat de termijnen voor hoger beroep (en cassatie) gezien het gesloten stelsel van rechtsmiddelen onverbiddelijk zijn.

Verzuim aan te brengen

Het is ook mogelijk het verzuim om aan te brengen te herstellen. Binnen veertien dagen na de dienende dag dient met een herstelexploot tegen een latere datum alsnog te worden opgeroepen. Daarbij mag de inhoud van het eerste exploit niet gewijzigd worden.

In de zaak HR 25 januari 2008 (VOF Vennoten Maatwerk Beheer) deed zich de volgende situatie voor. Eiser in cassatie is bij exploot van dagvaarding van 16 april 2007 in cassatie gekomen van het arrest van het hof van 4 december 2006 <dit was dus abusievelijk een verkeerde datum, MdV> met oproeping van [verweerder] te verschijnen ter rolzitting van de Hoge Raad van 4 mei 2007. Vervolgens heeft [eiser] bij exploot van dagvaarding van 1 mei 2007 “onder intrekking” van eerstgenoemd exploot cassatieberoep ingesteld tegen ‘s hofs arrest van 20 februari 2007 en heeft hij [verweerder] opgeroepen te verschijnen ter rolzitting van de Hoge Raad van 8 juni 2007.

Beide exploten van dagvaarding zijn behoudens het vorenstaande inhoudelijk gelijk en bevatten drie cassatiemiddelen met klachten tegen het arrest van 20 februari 2007. Het exploot van 16 april 2007 heeft [eiser] niet (tijdig) ter rolle van 4 mei 2007 laten inschrijven.

De Hoge Raad serveert dit af (r.o. 3.3):

“Doordat het eerste exploot niet ter rolle is ingeschreven, is het geding in cassatie niet meer aanhangig, tenzij het tweede exploot kan worden beschouwd als een rechtsgeldig uitgebracht herstelexploot.

Dit laatste is niet het geval. Het tweede exploot van dagvaarding van 1 mei 2007 strekt immers niet tot herstel van een gebrek in de zin van art. 120 lid 2 Rv. in het eerste exploot van dagvaarding, nu de wijziging van de daarin vermelde (onjuiste) datum van het in cassatie bestreden arrest van het hof niet als zodanig kan worden aangemerkt, zodat de aanzegging van een nieuwe rechtsdag in dit tweede exploot [eiser] op die grond niet was toegestaan. In het tweede exploot wordt geen melding gemaakt van herstel van een fout en daarin is voorts het eerste exploot uitdrukkelijk niet gehandhaafd. Van een kennelijke vergissing kan hier dan ook geen sprake zijn.

3.4 Nu het tweede exploot van dagvaarding is uitgebracht vóór de in het eerste exploot van dagvaarding vermelde roldatum (4 mei 2007) en niet strekt tot herstel van het verzuim van het niet-inschrijven ter rolle en niet heeft te gelden als een (geldig) herstelexploot in de zin van art. 125 lid 4 Rv., kan [eiser] niet in zijn beroep in cassatie worden ontvangen omdat dit laatste exploot is uitgebracht na het verstrijken van de cassatietermijn op 17 april 2007.”

Aanbrengen op latere datum na verzuim tijdig aan te brengen met instemming van wederpartij

Een andere wijze om de procedure alsnog aanhangig te maken op een latere datum is wanneer de wederpartij daarmee instemt. Wanneer de wederpartij zich op die latere datum vrijwillig stelt en geen verweer voert tegen het te laat aanbrengen, dan is de zaak alsnog op juiste wijze aangebracht en  ontvankelijk. Zie HR 4 oktober 2010 (Albeco Europe Holding S.A. c.s./Overes q.q.). De Hoge Raad overwoog in dat arrest (r.o. 3.3):

“Niet tijdige inschrijving ter rolle van een uitgebrachte dagvaarding leidt in beginsel tot niet-ontvankelijkheid van de vordering of het rechtsmiddel, waarop de vordering betrekking had (HR 12 januari 2001, nr. C99/003, NJ 2002, 34). Deze regel lijdt evenwel uitzondering indien de zaak met toestemming van de wederpartij alsnog op de rol wordt geplaatst (HR 17 december 1982, nr. 12015, NJ 1984, 59). Indien, zoals in het onderhavige geval, de zaak alsnog op een andere dan de oorspronkelijk aangezegde dag wordt aangebracht, brengen de eisen van een behoorlijke procesorde mee dat de wederpartij die zich stelt, in haar eerste processtuk melding ervan maakt dat zij niet erin heeft toegestemd dat de zaak op een andere dag dan de oorspronkelijk aangezegde is aangebracht. Nu de curator is verschenen en bij memorie van antwoord niet op dit punt, maar alleen inhoudelijk verweer heeft gevoerd en aldus de rechtsstrijd in hoger beroep is aangegaan, ligt in dit een en ander besloten dat hij erin heeft toegestemd dat de zaak op een latere datum is aangebracht. Het andersluidende oordeel van het Hof is daarom onjuist.”

In soortgelijke zin HR 22 april 2005 (Kartclub Maas-Kempenland). Het Hof had overwogen:

“dat eiser zijn verzuim de zaak op de oorspronkelijk aangezegde rechtsdag, 19 juli 2001, op de rol te doen inschrijven, slechts had kunnen herstellen door binnen veertien dagen na 19 juli 2001 een herstelexploot te doen uitbrengen met oproeping tegen een nieuwe rechtsdag en dat als herstelexploot slechts kan gelden een exploot dat een nieuwe rechtsdag aanzegt en gevolgd wordt door inschrijving op de rol van de aangezegde rechtsdag. Het op 25 juli 2001 uitgebrachte herstelexploot bevatte een aanzegging van een nieuwe dag, op welke dag het hof echter geen zitting hield, zodat de zaak niet op de rol kon worden ingeschreven en niet op de aangezegde dag heeft gediend. Aan dit exploot dient daarom, aldus het hof, geen enkel gevolg te worden verbonden. Het exploot van 22 augustus 2001 is naar het oordeel van het hof niet binnen de bedoelde termijn van veertien dagen na de oorspronkelijk aangezegde rechtsdag en derhalve niet met bekwame spoed uitgebracht, zodat het verzuim van inschrijving niet door dit exploot is hersteld. Het hof heeft daaraan het gevolg verbonden dat eiser niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen.”

De Hoge Raad corrigeert dit oordeel, overwegende:

“Weliswaar leidt verzuim van inschrijving ter rolle van de aangezegde rechtsdag in beginsel tot niet-ontvankelijkheid van de vordering of het rechtsmiddel waarop de dagvaarding betrekking heeft, maar dit verzuim kan worden hersteld doordat de zaak met toestemming van de wederpartij alsnog op de rol wordt geplaatst (HR 17 december 1982, nr. 12015, NJ 1984, 59). Indien, zoals in het onderhavige geval, de zaak alsnog op een andere dan de oorspronkelijk aangezegde dag wordt aangebracht, brengen de eisen van een behoorlijke procesorde mee dat de wederpartij die zich stelt, in haar eerste processtuk melding ervan maakt dat zij niet erin heeft toegestemd dat de zaak op een andere dag dan de oorspronkelijk aangezegde is aangebracht (HR 4 oktober 2002, nr. C01/284, NJ 2004, 149). Nu [verweerder 1] en [verweerder 2] zijn verschenen en in hun memories van antwoord niet op dit punt, maar alleen inhoudelijk verweer hebben gevoerd en aldus de rechtsstrijd in hoger beroep zijn aangegaan, ligt in dit een en ander besloten dat zij erin hebben toegestemd dat de zaak op een latere datum is aangebracht. De constatering door het hof dat [eiser] geen deugdelijk herstelexploot heeft doen uitbrengen doet hieraan niet af.”

Ook hier was de niet-ontvankelijkheid – ondanks het niet uitbrengen van een herstelexploot – gedekt doordat de verweerder in hoger beroep zich niet op de niet-ontvankelijkheid had beroepen.

Nog wat jurisprudentie inzake verzuim aan te brengen

HR 26 februari 2010, NJ 2010, 129 – Procesrecht. Zaak niet ter rolle ingeschreven. Art. 120 lid 2 Rv. Tijdig uitgebracht exploot niet ingeschreven, wel ingeschreven exploot niet tijdig uitgebracht. Niet-ontvankelijkheid (vgl. HR 25 januari 2008, NJ 2008, 67).

HR 25 januari 2008, NJ 2008, 67 – niet (tijdig) inschrijven ter rolle, aanhangigheid; herstelexploot, gebrek als bedoeld in art. 120 lid 2 Rv., geldig herstelexploot ex art. 125 lid 4 Rv.

HR 16 december 2005, NJ 2006, 8 – cassatie, rechtsgeldigheid van de intrekking en inhoudelijke wijziging van middelen bij wege van een eiswijziging bij “akte aanpassing cassatiedagvaarding”.

HR 4 maart 2003, NJ 2003, 418 (eiser/Paperclip) – Nu het exploit van 8 oktober 2000 waarbij Paperclip in hoger beroep is gedagvaard tegen 18 oktober 2000, niet ter rolle van die datum is ingeschreven, is van doorslaggevende betekenis, of het herstelexploot met bekwame spoed is uitgebracht (r.o. 2.4). Een geldig herstelexploot dient binnen veertien dagen na de oorspronkelijk aangezegde rechtsdag te worden uitgebracht. Dat is hier niet gebeurd, zodat er sprake is van niet-ontvankelijkheid van de herstelexploten. Het oordeel van de Rechtbank, dat eiser niet binnen de appeltermijn opnieuw een appèldagvaarding heeft kunnen uitbrengen, geeft echter blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Intrekken dagvaarding

De eiser kan ook besluiten de dagvaarding niet aan te brengen. In dat geval kan de gedaagde partij er toch belang bij hebben dat deze wel wordt aangebracht. De Hoge Raad heeft in het arrest HR 16 december 2005 (Scientology/Dataweb cs.) ten aanzien van de intrekking (gedurende de procedure) van het cassatieberoep overwogen:

“Indien het geding in cassatie tijdig en door een aan de wettelijke vereisten beantwoordende dagvaarding aanhangig is gemaakt, moet bij het vaststellen van de rechtsgevolgen van intrekken van het cassatieberoep mede rekening worden gehouden met de gerechtvaardigde belangen van de verweerder, waaronder begrepen diens belang bij het kunnen instellen, ook na berusting of na het verstrijken van de cassatietermijn, van incidenteel beroep in cassatie. De verweerder zal erop mogen vertrouwen dat hij gelegenheid zal hebben incidenteel beroep in te stellen (vgl. HR 18 februari 1994, nr. 15378, NJ 1994, 606).”

Dit geldt dus ook voor bvb. het niet aanbrengen of zelfs expliciet (met een exploot) intrekken van een dagvaarding in eerste instantie. De gedaagde zou er immers belang bij kunnen hebben om van de dagvaarding gebruik te maken door een reconventionele vordering in te stellen. Bij het intrekken van een dagvaarding waarmee een rechtsmiddel (verzet, hoger beroep, cassatie) wordt ingesteld heeft de gedaagde partij te meer belang omdat er termijnen in het spel kunnen zijn. Bvb. als de appellant na het verstrijken van de termijn voor hoger beroep de appèldagvaarding intrekt, zou daarmee anders de mogelijkheid om zelf ook te appelleren bij incidenteel beroep aan de geïntimeerde komen te ontvallen. Dat kan niet de bedoeling zijn, aldus de Hoge Raad.

Zie ook de pagina Verloop van de procedure, waar ook het aanbrengen van de procedure door de gedaagde (op de voet van art. 127 lid 1 Rv.) aan de orde komt. Een ingetrokken vordering verliest haar stuitende werking ten aanzien van de verjaring ( art. 3:316 lid 2, laatste volzin B.W.). Zie ook de pagina Verjaring en stuiting.

Auteur & Last edit

[MdV 2-11-2016; laatste bewerking 24-03-2022]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank voor burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.