LawyrupBurgerlijke rechtsvorderingWijze van procederen (Boek 1 Rv.)Dagvaardingsprocedure 1e aanleg (Titel 2, Boek 1 Rv.)Relatieve bevoegdheid dagvaardingsprocedures (Afd. 3, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Relatieve bevoegdheid dagvaardingsprocedures (Afd. 3, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Inleiding relatieve bevoegdheid dagvaardingsprocedures

In Afd. 3, Titel 2, Boek I Rv. is de relatieve bevoegdheid van de rechter geregeld. De afdeling omvat 13 bepalingen (art. 99 Rv. tot en met art. 110 Rv.).

Absolute bevoegdheid versus relatieve bevoegdheid

Wat is het verschil tussen de absolute bevoegdheid van de rechter en relatieve bevoegdheid van de rechter?

De absolute bevoegdheid bepaalt, welke soort rechter bevoegd is. Bij voorbeeld of een procedure moet worden ingeleid bij de rechtbank, of bij het Gerechtshof of bij de Hoge Raad. En bij welke instantie van die soort het rechtsmiddel (zoals verzet, hoger beroep of cassatie) moet worden ingesteld. De absolute bevoegdheid wordt afgeleid uit de aard van de ingestelde vordering.

De absolute bevoegdheid is van dwingend recht: partijen kunnen daar niet bij overeenkomst van afwijken.

De relatieve bevoegdheid bepaalt, bij welke rechter van een bepaalde soort – en dan met name in welke plaats – de procedure gevoerd moet worden. De rechtspraak in Nederland is ingedeeld in 4 hofressorten, die weer zijn opgedeeld in 11 arrondissementen. Zie ook de pagina Organisatie van de rechtspraak. De relatieve bevoegdheid wordt – in beginsel – bepaald door de woonplaats van gedaagde. Zie over de woonplaats van natuurlijke personen en rechtspersonen de pagina Woonplaats.

De relatieve bevoegdheid is in principe niet van dwingend recht: partijen kunnen daar bij overeenkomst van afwijken (forumkeuze beding). Uitzondering op deze regel is art. 108 lid 2 Rv. jo. art. 103 Rv. met betrekking tot consumenten als gedaagde.

Omzeiling incident relatieve bevoegdheid: rechter-plaatsvervanger

In het vonnis van Voorzieningenrechter Rb. Amsterdam 5 december 2019 (Antea/Dataquint) laat de rechter wat leuk voetenwerk zien, door te overwegen dat iedere rechter krachtens art. 40 Wet R.O. van rechtswege rechter-plaatsvervanger is in iedere andere rechtbank.

De Voorzieningenrechter overweegt (r.o. 1.4):

“Ten overvloede heeft de voorzieningenrechter over de relatieve bevoegdheid nog het volgende overwogen. Artikel 99 lid 1 Rv – dat ingevolge artikel 78 Rv ook in kort geding geldt – bepaalt dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde relatief bevoegd is. Dat is in dit geval Rotterdam. Maar rechters in een rechtbank zijn van rechtswege ook rechter-plaatsvervanger in de overige rechtbanken (artikel 40 lid 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO)). Die laatste regel brengt in beginsel mee dat de Amsterdamse voorzieningenrechter, zitting houdend in Amsterdam, de zaak als rechter-plaatsvervanger van de Rotterdamse rechtbank kan behandelen. Dit is alleen dan niet het geval als de eiser misbruik maakt van de voormelde regel. Daarvan kan onder meer sprake zijn in de volgende gevallen:

1. de eiser brengt de zaak aan bij de rechter die in zijn eigen woonplaats bevoegd is met als doel de competentieregel van artikel 99 Rv te omzeilen;

2. de rechter van de woonplaats van gedaagde is in het bijzonder gespecialiseerd in het onderwerp van geschil, zoals bijvoorbeeld in IE-zaken het geval is met de rechtbank Den Haag;

3. voor een goede beoordeling van de zaak is plaatselijke bekendheid met het onderwerp van geschil vereist, althans in hoge mate wenselijk, zoals bijvoorbeeld in bepaalde huurkwesties het geval kan zijn;

4. partijen hebben een afspraak gemaakt over het relatief bevoegde gerecht, die langs deze weg zonder goede grond wordt doorkruist.

In deze zaak is echter geen specifieke grond aangevoerd die ertoe strekt dat de eiser misbruik maakt van de in artikel 40 lid 2 Wet RO besloten mogelijkheid. Weliswaar heeft mr. Schras erop gewezen dat in geval van een eventueel appel van een vonnis van de rechtbank Rotterdam, het hof Den Haag bevoegd is, dat een bijzondere deskundigheid bezit in IE-zaken, terwijl een eventueel appel van een uitspraak van deze rechtbank, zal dienen bij het hof Amsterdam. Maar mr. Schras heeft zich niet mede beroepen op specifieke IE-aspecten die voor de beoordeling van het geschil van partijen van betekenis zouden zijn. Andere redenen om misbruik van bevoegdheid in voormelde zin te aanvaarden, zijn gesteld noch gebleken. Dit betekent dat, zelfs als het bevoegdheidsverweer op zichzelf gegrond zou zijn, dit de voorzieningenrechter niet ervan zou hebben weerhouden het geschil tussen partijen te behandelen, zij het in dat geval in zijn voormelde hoedanigheid van rechter-plaatsvervanger.”

Aan dit lijstje kan worden toegevoegd dat verwijzing ook is aangewezen bij overeenkomsten tussen verkopers en consumenten (vgl. hiervoor art. 108 Rv. en HvJEU 27 juni 2000 (Oceano Cofidis en Mostaza) inzake oneerlijke bedingen in algemene voorwaarden en met name het forumkeuzebeding).

Uitgangspunt van de wet

Het uitgangspunt van de wet is dat de woonplaats van de gedaagde partij bepalend is voor de relatieve bevoegdheid (art. 99 Rv.). Dit sluit overigens aan op de hoofdregel in internationale verdragen, zoals het EEX-Verdrag. Zie ook de pagina EEX-Vo (herschikt).

Auteur & Last edit

[MdV, 20-11-2018; laatste bewerking 15-12-2020]

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.