LawyrupBurgerlijke rechtsvorderingVerdragen burgerlijk procesrechtEuropese wetgeving burgerlijk procesrechtEuropees Executieverdrag EEX-Vo (herschikt) (Brussel I-bis)

Europees Executieverdrag EEX-Vo (herschikt) (Brussel I-bis)

Inleiding Europees Executieverdrag EEX-Vo (herschikt) (Brussel I-bis)

Eén van de centrale doelstellingen van de Europese Unie is het tot stand brengen van een uniforme markt (economie). Ten behoeve van dat doel is een goed functionerend rechtssysteem belangrijk, zodat verplichtingen die in het handelsverkeer binnen de EU ontstaan ook worden nagekomen. De burgers en ondernemingen binnen de EU moeten er op kunnen vertrouwen, dat grensoverschrijdende contracten binnen de EU worden nagekomen. In dat kader heeft de Europese Commissie meerdere Verordeningen in het leven geroepen om de weg te effenen voor een goed functionerend rechtssysteem, waardoor de nakoming van contracten ook in een andere EU-lidstaat eenvoudig kan worden afgedwongen.

Een belangrijke basis daarvoor is gelegd met de in 2001 vastgestelde “EG-verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken”. In de wandelgangen genaamd EEX-Vo of ook wel: “Brussel I” (Verordening (EG) nr. 44/2001). Deze verordening is in 2012 (i.w.tr. 2015) herzien, en gaat nu door het leven als EEX-Vo (herschikt), of ook wel “Brussel I-bis” (Verordening (EU) nr. 1215/2012).

Onderwerpen geregeld door EEX-Vo (herschikt)

Zoals de naam al aangeeft, regelt de EEX-Vo (herschikt) van 12 december 2012 de volgende onderwerpen:

1. de rechterlijke bevoegdheid en

2. de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in civiele zaken.

Het verdrag geldt dus voor burgerrechtelijke procedures (incl. handelszaken), mits er een grensoverschrijdend element in zit. Faillissementsprocedures, familierecht, fiscale procedures en bestuursrechtelijke procedures vallen er dus niet onder.

Rechterlijke bevoegdheid

Wanneer iemand die zelf ingezetene is van de EU een procedure wil beginnen tegen een partij in een andere EU-lidstaat, dan rijst de vraag bij welke rechter hij moet aankloppen. En daarmee ook, welk procesrecht geldt.

Overigens is de vraag, welk recht (van welk land) inhoudelijk op het geschil van toepassing is, een andere. Daarvoor zijn afspraken gemaakt in andere verdragen. Een rechter kan dus in een procedure de bevoegde rechter zijn, terwijl op het geschil het recht van een ander land moet worden toegepast (een Nederlandse rechter kan een vordering bvb. moeten beoordelen naar Duits recht – de procedure wordt dan gevoerd volgens het Nederlandse procesrecht, maar de contractuele rechten en verplichtingen van de procespartijen worden vastgesteld aan de hand van Duits contractenrecht).

Hoofdregel rechterlijke bevoegdheid: woonplaats van de verweerder (art. 4 EEX)

De hoofdregel van het EEX is dat een in de EU wonende verweerder – ongeacht zijn nationaliteit – dient te worden opgeroepen voor de rechter van zijn woonplaats. Dat is dus internationaal bezien de rechter die “rechtsmacht” heeft om een internationale procedure in behandeling te nemen.

Art. 4 EEX (herschikt) (was art. 2 oud) luidt:

1. Onverminderd de bepalingen van dit verdrag worden zij, die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die Staat.

2. Voor degenen die niet de nationaliteit bezitten van de Staat, waar zij woonplaats hebben, gelden de regels van rechterlijke bevoegdheid, die op de eigen onderdanen van die Staat van toepassing zijn.

Toepassing van art. 4 EEX-Vo

In de zaak Rb. Gelderland d.d. 1 oktober 2018 (landbouwonderzoekster Burkina Fasso/ICRA) stelde de rechtbank vast bevoegd te zijn van de vordering kennis te nemen. De zaak betrof een letselschadeclaim van een ingezetene van Burkina Fasso tegen een Nederlandse organisatie die een scholarship had uitgevoerd (zie ook de pagina Pakketreisovereenkomst). De rechtbank stelde zijn rechtsmacht vast op grond van art. 4 lid 1 van de herschikte EEX-Verordening (nr. 1215/2012), mede gelet op HvJ EG 13 juli 2000, NJ 2003/597.

Bevoegde rechter (art. 7 EEX)

Art. 7 EEX-Vo (art. 5 EEX oud) geeft een aantal uitzonderingen op de hoofdregel van de internationale rechtsmacht van de rechter.

Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1.

a)

ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b)

voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;

voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

c)

punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is;

2.

ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen;

3.

ten aanzien van een op een strafbaar feit gegronde rechtsvordering tot schadevergoeding of tot teruggave, voor het gerecht waarbij de strafvervolging is ingesteld, voor zover dit gerecht volgens de interne wetgeving van de burgerlijke vordering kennis kan nemen;

4.

ten aanzien van een op eigendom gebaseerde vordering tot teruggave van een cultuurgoed in de zin van artikel 1, punt 1, van Richtlijn 93/7/EEG, ingesteld door degene die een eigendomsrecht op een zodanig goed stelt te hebben, voor het gerecht van de plaats waar het goed zich bevindt op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt;

5.

ten aanzien van een geschil betreffende de exploitatie van een filiaal, van een agentschap of enige andere vestiging, voor het gerecht van de plaats waar het filiaal, het agentschap of andere vestiging gelegen zijn;

6.

ten aanzien van een geschil dat aanhangig wordt gemaakt tegen een oprichter, trustee of begunstigde van een trust die in het leven is geroepen op grond van de wet of bij geschrifte dan wel bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst, voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de trust woonplaats heeft;

7.

ten aanzien van een geschil betreffende de betaling van de beloning wegens de hulp en berging die aan een lading of vracht ten goede is gekomen, voor het gerecht in het rechtsgebied waarvan op deze lading of de daarop betrekking hebbende vracht:

a)

beslag is gelegd tot zekerheid van deze betaling, of

b)

daartoe beslag had kunnen worden gelegd, maar borgtocht of andere zekerheid is gesteld,

met dien verstande dat bepaling slechts van toepassing is indien wordt beweerd dat de verweerder een recht heeft op de lading of de vracht, of dat hij daarop een zodanig recht had op het tijdstip van deze hulp of berging.

Onrechtmatige daad; Erfolgsort (art. 7 aanhef en sub 2 EEX-Vo herschikt)

De Hoge Raad heeft in HR 20 september 2019 (VEB/BP) prejudiciële vragen gesteld over de vraag, of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van een collectieve claim van de VEB ten behoeve van beleggers als gevolg van schade geleden doordat BP heen onjuist, onvolledig of misleidend heeft geïnformeerd over de olieramp uit 2010 in de Golf van Mexico (met Deepwater Horizon). Na de olieramp daalde de koers van het aandeel BP met meer dan 48 procent. In de Amerikaanse procedures heeft BP in 2016 een schikking bereikt van USD 175 miljoen met een deel van de gedupeerden. BP heeft geweigerd om te schikken met de Europese beleggers.  In het arrest van 20 september 2019 heeft de Hoge Raad naast de vraagstelling de problematiek nader toegelicht onder vermelding van meerdere uitspraken van het HvJEU.

Toepasselijk recht en de Brexit

Het VK heeft de Rome I en II-verordeningen (die betrekking hebben op contractuele en niet-contractuele verplichtingen) in nationaal recht omgezet. Dit betekent dat de wijze van bepalen van het toepasselijk recht in het VK onveranderd blijven ten opzichte van de periode voor de Brexit. Ook rechtskeuzebedingen zullen dus door Britse rechtbanken nog steeds erkend worden.

Uitzonderingen op bevoegdheid gerecht woonplaats gedaagde (art. 8 EEX-Vo)

In art. 8 EEX-Vo wordt een aantal uitzonderingen genoemd, waarbij een partij in afwijking van de hoofdregel van art. 2 EEX-Vo toch van de rechter van zijn eigen woonplaats kan worden afgehouden.

Het betreft hier de volgende gevallen:

1. wanneer meerdere partijen worden gedagvaard, kan worden gekozen voor het gerecht van de woonplaats van één van hen, mits er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting;
2. in geval van oproeping van de gedaagde in vrijwaring in een hoofdzaak die reeds in een ander land aanhangig is;
3. bij een vordering in reconventie;
4. wanneer aan de vordering op grond van een verbintenis een vordering met betrekking tot een onroerende zaak verknocht is: het land waar die onroerende zaak is gelegen.

Vrijwaring

Art. 8 aanhef en lid 2 EEX-Vo (herschikt) bepaalt, dat een partij ook op basis van een vordering tot vrijwaring in een ander land in rechte (in de daar aanhangige hoofdzaak) kan worden betrokken, in afwijking van de hoofdregel dat iemand moet worden gedaagd voor de rechter van zijn woonplaats. Zie ook de pagina Vrijwaring. In de oude versie was dit bepaald in art. 6 lid 2 EEX-Vo. Voorwaarde is, dat de vordering in vrijwaring niet is bedoeld om de in vrijwaring opgeroepen partij van zijn eigen rechter af te houden. Vergelijk het vonnis Rb. Overijssel 2 oktober 2013 (Wavin Overseas B.V./Picenum Plast Spa).

Kwalificatie als particulier (art. 15 EEX-Vo)

In de uitspraak op prejudiciële vragen het Oberste Gerichtshof in Oostenrijk gesteld in de procedure van HvJ EU d.d. 25 januari 2018 (Max Schrems/Facebook Ireland) heeft het HvJ zich uitgesproken over twee vragen.

In de eerste plaats, of iemand die op zijn Facebook pagina actief op het terrein van privacy – die boeken publiceert, lezingen houdt (soms tegen betaling), een website exploiteert en giften inzamelt – nog is aan te merken als particulier en zich kan beroepen op art. 15 EEX-Vo (herschikt) en dus Facebook Ireland in eigen land kan dagvaarden. Het antwoord daarop is: ja. Het Hof maakt geen onderscheid, of hij dit op zijn bedrijfspagina doet of op zijn persoonlijke account.

Optreden in rechte op grond van cessie van vorderingen (art. 16 EEX-Vo)

En voorts of hij op grond van art. 16 EEX-Vo (herschikt) in zijn land ook in rechte kan optreden als cessionaris van vorderingen van derden tegen Facebook Ireland, die aan hem zijn gecedeerd. Het antwoord daarop is: nee.

Verbintenissen uit individuele arbeidsovereenkomsten (art. 20 t/m 23 EEX-Vo herschikt, Afd. 5)

Voor verbintenissen uit overeenkomst gaf het oude art. 5 aanhef en sub 1 EEX een alternatieve bevoegdheidsregel, waaronder arbeidszaken. Daarvoor kent Afd. 5 (art. 20 t/m 23 EEX-Vo) thans een aparte afdeling. De inhoud van art. 5 aanhef en sub 1 EEX (inzake de arbeidsovereenkomst) staat nu in art. 20 EEX-Vo (herschikt). In de arbeidszaak die aan de orde was in HR 31 januari 2003 (werknemer/Universal Ogden Services Ltd. – een Schots bedrijf – kwam de vraag aan de orde welke rechter bevoegd was van de vorderingen van de werknemer tegen zijn Schotse werkgever in te stellen. De Kantonrechter in Alkmaar had zich bevoegd verklaard op basis van art. 10 WAMN (thans art. 1019dd Rv., zie Arbeid Continentaal Plat). De Hoge Raad stelde hierover vragen aan het Hof van Justitie, omdat deze vraag moest worden beoordeeld in het licht van art. 5 aanhef en sub 1 EEX en niet beantwoord kon worden aan de hand van de Nederlandse bevoegdheid van art. 10 WAMN.

Het Hof van Justitie beantwoordde de gestelde vragen als volgt:

“1) Arbeid die een werknemer op vaste of drijvende installaties die zich op of boven het aan een verdragsluitende staat toebehorend deel van het continentaal plat bevinden, in het kader van de exploratie en/of exploitatie van de natuurlijke rijkdommen ervan verricht, moet voor de toepassing van artikel 5, sub 1, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, bij het Verdrag van 25 oktober 1982 betreffende de toetreding van de Helleense Republiek en bij het Verdrag van 26 mei 1989 betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, worden aangemerkt als arbeid verricht op het grondgebied van die staat.

2) Artikel 5, sub 1, Executieverdrag moet aldus worden uitgelegd dat ingeval de werknemer de uit zijn arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen in meerdere verdragsluitende staten vervult, de plaats waar hij gewoonlijk zijn arbeid verricht in de zin van deze bepaling, de plaats is waar of van waaruit hij, rekening houdend met alle omstandigheden van het concrete geval, feitelijk het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult.

Betreft het een arbeidsovereenkomst ter uitvoering waarvan de werknemer voor zijn werkgever dezelfde werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, dan moet in beginsel rekening worden gehouden met de volledige duur van de arbeidsverhouding om de plaats te bepalen waar de betrokkene gewoonlijk zijn arbeid verrichtte in de zin van deze bepaling.

Bij gebreke van andere criteria is deze plaats de plaats waar de werknemer het grootste deel van zijn arbeidstijd heeft doorgebracht.

Dit is slechts anders, indien het voorwerp van het betrokken geschil, gelet op de feitelijke gegevens van het concrete geval, nauwere aanknopingspunten heeft met een andere plaats van arbeid, in welk geval die plaats relevant is voor de toepassing van artikel 5, sub 1, Executieverdrag.

Kan de nationale rechterlijke instantie aan de hand van de door het Hof geformuleerde criteria niet de plaats bepalen waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag, dan heeft de werknemer de keus om zijn werkgever op te roepen hetzij voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt die hem in dienst heeft genomen, hetzij voor de gerechten van de verdragsluitende staat op het grondgebied waarvan de werkgever zijn woonplaats heeft.

3) Het op het hoofdgeding toepasselijke nationale recht heeft geen invloed op de uitlegging van het begrip plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag, dat het voorwerp van de tweede vraag vormt.

De zaak is voor partijen nader schriftelijk toegelicht door hun advocaten en voor UOS mede door mr. S.J. Schaafsma, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.”

De strekking van de navolgende uitspraak zal dus met inachtneming van deze wijziging (art. 5 aanhef en sub 1 EEX is thans art. 21 EEX-Vo) nog toepasbaar zijn.

Forumkeuze (art. 25 EEX-Vo herschikt)

Volgens art. 25 EEX-Vo kunnen partijen in een overeenkomst ook een forumkeuzebeding (of “jurisdictieclausule”) opnemen, waarmee zij besluiten – in internationale overeenkomsten – voor het gerecht in welk land een geschil gebracht zal worden.

Forumkeuze na de Brexit

Nu de EEX-Vo niet meer voor het VK geldt, moest er op een andere wijze worden voorzien in de gevolgen van forumkeuzebedingen. Het VK is als onafhankelijke verdragsluitende staat tot het Haags forumkeuzeverdrag van 2005 toegetreden. Het Haags forumkeuzeverdrag is bedoeld om uitvoering te geven aan exclusieve forumkeuzes, in het bijzonder door te eisen dat de verdragsluitende staten dergelijke clausules respecteren en beslissingen die uit deze clausules voortvloeien, ten uitvoer te leggen.

Het Haags forumkeuzeverdrag is echter beperkt tot exclusieve bevoegdheidsclausules in zakelijke overeenkomsten. Over forumkeuzebedingen die zijn gesloten tussen de inwerkingtreding van het Haags forumkeuzeverdrag (1 oktober 2015) en de datum waarop het VK zelf een verdragsluitende partij wordt (1 januari 2021) zou debat gevoerd kunnen worden.

In de visie van de EU is het Haags forumkeuzeverdrag in dat tijdvak voor het VK niet van toepassing, omdat de EEX-Vo (herschikt) in die periode dient te worden toegepast nu het VK in die periode EU-lid was en dus onderworpen aan de EEX-Vo (herschikt). Het VK heeft aangegeven voor bedingen in die periode uit te gaan van het Haagse verdrag.

Erkenning en tenuitvoerlegging

Erkenning

Als er eenmaal een beslissing is genomen door de rechter waar de procedure gevoerd is, dan moet er wel een verdragsregel zijn op basis waarvan die beslissing ook wordt erkend in een ander land. Elk land is immers soeverein, en zonder nadere afspraken kan de rechter van het ene land niet bepalen wat in een ander land heeft te gelden. De EEX-Vo (herschikt) geeft dus ook regels over erkenning van beslissingen van rechters uit een andere EU-lidstaat.

Tenuitvoerlegging buitenlandse titel

De erkenning van een buitenlandse beslissing wil nog niet zonder meer zeggen, dat die beslissing van een buitenlandse rechter ook zonder inmenging van de rechter in een ander land (bvb. de Nederlandse rechter) ten uitvoer gelegd (geëxecuteerd) kan worden. In principe kan dat alleen na een toetsing van de buitenlandse uitspraak door de rechter in het land waar men wil executeren.

Er moet dan een verzoek tot bekrachtiging (een zgn. “exequatur“) worden gevraagd bij de rechter in het land, waar men het vonnis ten uitvoer wil leggen. Die kijkt dan of de beslissing via een eerlijk proces tot stand is gekomen (en niet bvb. door een corrupte of niet onafhankelijke rechter is genomen). Die beslissing geldt dan alleen voor dat land.

De Europese Commissie heeft echter besloten, dat binnen de EU voldoende vertrouwd kan worden op een goed rechtssysteem en deugdelijke procedures. Vonnissen van EU-rechters zijn daarom in heel de EU uitvoerbaar zonder dat daar weer een exequatur-procedure voor nodig is.

Bij de herziening van de EEX-Vo in 2012 (die dus v.a. 10 januari 2015 van kracht is geworden) is daarom beslist, dat een exequatur van een vonnis uit een andere EU-lidstaat niet meer nodig is: het vonnis kan door de rechter die het gewezen heeft door middel van een eenvoudig formulier “bekrachtigd” worden, waardoor het in alle EU-lidstaten ten uitvoer gelegd kan worden zonder nieuwe toetsing in het land van tenuitvoerlegging. Zie meer hierover bij het kopje “Executie”.

Dit geldt ook voor andere “executoriale titels”, zoals een notariële akte die een executoriale titel kan opleveren (een zgn. authentieke akte). Zoals een akte waarin een lening is vastgelegd. En ook voor door een rechter vastgelegde minnelijke regeling (“gerechtelijke schikkingen”).

Executie

Met de invoering van EEX-Vo (herschikt) kunnen executoriale titels uit de ene EU-lidstaat zonder tussenkomst van de nationale rechter in het land van tenuitvoerlegging geëxecuteerd worden. Een exequatur is binnen de EU niet meer vereist. Dit is geregeld in Hoofdstuk III, “Erkenning en tenuitvoerlegging” EEX-Vo (herschikt).

Afd. 1 (art. 36 t/m 38 EEX-Vo herschikt) behandelt de erkenning. Art. 36 lid 1 EEX-Vo (herschikt) bepaalt:

“Een in een lidstaat gegeven beslissing wordt in de overige lidstaten erkend zonder vorm van proces”.

Afd. 2 (art. 39 t/m 44 EEX-Vo herschikt) regelt de tenuitvoerlegging. Art. 39 EEX-Vo (herschikt) bepaalt:

“Een in een lidstaat gegeven beslissing die in die lidstaat uitvoerbaar is, is in andere lidstaten uitvoerbaar zonder dat een verklaring van uitvoerbaarheid is vereist”.

De strekking van de regeling is, dat de tenuitvoerlegging van een executoriale titel uit een andere EU-lidstaat niet verschilt van de tenuitvoerlegging van een executoriale titel uit eigen land. Art. 41 lid 1 EEX-Vo (herschikt) bepaalt daarom, dat een in een lidstaat gegeven beslissing die in de aangezochte lidstaat uitvoerbaar is, onder dezelfde voorwaarden ten uitvoer wordt gelegd als een in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing.

Erkenning en tenuitvoerlegging na de Brexit

Als gevolg van de Brexit is de EEX-Vo (herschikt) betreffende de bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van uitspraken niet langer van toepassing op het VK.

In het terugtrekkingsakkoord zijn echter overgangsbepalingen opgenomen, die voorzien in voortzetting van de toepassing op procedures, met inbegrip van uitspraken die voortvloeien uit procedures die vóór 31 december 2020 zijn gestart.

Beslissingen die zijn gegeven op basis van een jurisdictieclausule die wordt beheerst door het Haags forumkeuzeverdrag zullen – behoudens het mogelijke debat over het tijdvak 2015 tot 2020 – wederzijds worden erkend door het VK en de EU.

In zaken waarin de EEX-Vo (herschikt) en/of het Haags forumkeuzeverdrag niet van toepassing zijn, zijn er daarnaast verschillende bilaterale verdragen van kracht tussen het VK en verschillende EU-lidstaten.

Praktische uitvoering: formulier

Bij de Verordening EEX-Vo (herschikt) zijn twee bijlagen gevoegd: een bijlage ex art. 53 EEX-Vo (Bijlage I) en een bijlage ex art. 60 EEX-Vo (Bijlage II). De eerste is bedoeld voor de tenuitvoerlegging van vonnissen, de tweede voor tenuitvoerlegging van gerechtelijke schikkingen en authentieke akten.

De rechter (in de praktijk zal dat de griffie zijn), die het vonnis gewezen heeft – of de gerechtelijke schikking heeft vastgelegd – vult het formulier in, waarmee de titel wordt bekrachtigd voor tenuitvoerlegging in de hele EU. Het formulier moet worden opgesteld in de taal van het land van de tenuitvoerlegging, zodat men daar snapt wat de executoriale titel inhoudt.

Het mooie is echter, dat doordat de formulieren gelijkluidend zijn in alle talen, en de informatie die moet worden ingevuld een kwestie is van aankruisen en getallen invullen, je aan de hand van het formulier in je eigen taal makkelijk in kunt vullen in een andere taal, die je niet machtig bent. De ervaring leert, dat het wel handig is de griffie enigszins bij de hand te nemen, zodat niet vergeten wordt het formulier volledig in te vullen. Bvb. de rentevoet en op welke wettelijke bepaling die gebaseerd is, en de proceskostenveroordeling.

Voor tenuitvoerlegging moet de titel eerst aan de schuldenaar worden betekend (art. 9 lid 3 Uitvoeringswet EU-executieverordening). De tenuitvoerlegging kan pas aanvangen een maand na betekening van de titel met het certificaat van art. 53 EEX. De deurwaarder kan echter – door middel van een (eenvoudig) verzoek van de deurwaarder aan de Voorzieningenrechter verkorting van de termijn vragen. De termijn kan – als daar gegronde redenen voor zijn – zelfs worden verkort naar nul dagen. Te denken valt aan de situatie dat het voornemen bestaat om beslag te leggen op onroerend goed (een woning), en die woning op Funda te koop staat zodat het risico bestaat dat die verkocht en geleverd wordt voordat het beslag gelegd is.

Voorlopige (bewarende) maatregelen

In art. 2 EEX-Vo (herschikt) is de verordening ook uitgebreid tot voorlopige en bewarende maatregelen. Zoals kort geding vonnissen of beschikkingen tot beslaglegging.

Werkingsgebied territoriaal

De EEX-Vo (herschikt) werkt in de hele EU. Denemarken heeft een afzonderlijke regeling getroffen, waardoor de verordening daar goeddeels werking heeft. In het kader van de Brexit zal moeten worden bezien, welke gevolgen dit heeft voor de EEX-Vo.

Net voor Kerst 2020 heeft de EU de zgn. “Trade & Cooperation Agreement” met het Verenigd Koninkrijk gesloten (afgekort: TCA) waarmee de ontvlechting van het VK uit de EU verdere invulling heeft gekregen.

De TCA bevat geen afspraken over samenwerking op het vlak van procedures en executie in burgerlijke en handelszaken. Als gevolg hiervan zijn de EU-regelgeving op conflicten van wetten, jurisdictie en tenuitvoerlegging van vonnissen zijn niet langer van toepassing op het VK. Het VK neemt als gevolg van de Brexit ook niet langer deel aan het Verdrag van Lugano (2007), maar het heeft wel toelating tot dit verdrag aangevraagd als zelfstandige staat. Deze aanvraag is nog in behandeling.

Woonplaats volgens EEX-V0 (art. 62 en 63 EEX-Vo)

Het gerecht past zijn interne recht toe om vast te stellen of een partij woonplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat waar de zaak aanhangig is (art. 62 lid 1 EEX-Vo). Lid 2 bepaalt, dat indien een partij geen woonplaats heeft in de lidstaat waar de zaak aanhangig is, voor de vaststelling of zij een woonplaats heeft in een andere lidstaat, het gerecht het recht van die lidstaat toepast. In art. 63 EEX-Vo zijn de regels gegeven voor de bepaling van de woonplaats van een rechtspersoon. Bepalend is de plaats van hun statutaire zetel, van hun hoofdbestuur, of van hun hoofdvestiging.

Om vast te stellen of een trust woonplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat waar de zaak aanhangig is gemaakt, past het gerecht de regels van het voor hem geldende internationaal privaatrecht toe (art. 63 lid 3 EEX-Vo).

Rechtspraak

IPR bevoegdheid

HvJ EU 18 januari 2018 (Max Schrems/Facebook Ireland Ltd.) – Wanneer is iemand particulier in de zin van art. 15 EEX-Vo (herschikt)? Kan een particulier een gedaagde voor de rechter o.g.v. art. 16 EEX-Vo (herschikt) in eigen land dagen op basis van aan hem door particulieren uit andere landen gecedeerde vorderingen?

HR 31 januari 2003 (ex-werknemer/Universal Ogden Services Ltd.) – in deze zaak had de Kantonrechter Alkmaar zich op grond van art. 10 WAMN (thans art. 1019dd Rv. zie pagina Procedures Arbeid Continentaal Plat) bevoegd geacht kennis te nemen van de loonvordering van een werknemer van UOS die werkzaam was (geweest) op schepen boven het continentaal plat. Dat leidde tot lastige vraagstukken omtrent de bevoegdheid van de rechter. Daarbij moet echter – blijkens de antwoorden op de vragen die de Hoge Raad gesteld had aan het Europees Hof van Justitie – worden aangehaakt bij art. 5 aanhef en sub 1 EEX (oud) (thans: art. 21 EEX-Vo herschikt) en kan het nationale recht – in casu art. 10 WAMN – geen rol spelen.

Auteur & Last edit

[MdV, 3-04-2018; laatste bewerking 14-01-2021]

1 stem, gemiddeld: 4,00 van de 51 stem, gemiddeld: 4,00 van de 51 stem, gemiddeld: 4,00 van de 51 stem, gemiddeld: 4,00 van de 51 stem, gemiddeld: 4,00 van de 5 (1 votes, average: 4,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.