LawyrupBurgerlijke rechtsvorderingVerdragen burgerlijk procesrechtEuropese wetgeving burgerlijk procesrechtEuropees Executieverdrag EEX-Vo (herschikt) (Brussel I-bis)

Europees Executieverdrag EEX-Vo (herschikt) (Brussel I-bis)

Inleiding Europees Executieverdrag EEX-Vo (herschikt) (Brussel I-bis)

Eén van de centrale doelstellingen van de Europese Unie is het tot stand brengen van een uniforme markt (economie). Ten behoeve van dat doel is een goed functionerend rechtssysteem belangrijk, zodat verplichtingen die in het handelsverkeer binnen de EU ontstaan ook worden nagekomen. De burgers en ondernemingen binnen de EU moeten er op kunnen vertrouwen, dat grensoverschrijdende contracten binnen de EU worden nagekomen. In dat kader heeft de Europese Commissie meerdere Verordeningen in het leven geroepen om de weg te effenen voor een goed functionerend rechtssysteem, waardoor de nakoming van contracten ook in een andere EU-lidstaat eenvoudig kan worden afgedwongen.

Een belangrijke basis daarvoor is gelegd met de in 2001 vastgestelde “EG-verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken”. In de wandelgangen genaamd EEX-Vo of ook wel: “Brussel I” (Verordening (EG) nr. 44/2001). Deze verordening is in 2012 (i.w.tr. 2015) herzien, en gaat nu door het leven als EEX-Vo (herschikt), of ook wel “Brussel I-bis” (Verordening (EU) nr. 1215/2012).

Onderwerpen geregeld door EEX-Vo (herschikt)

Zoals de naam al aangeeft, regelt de EEX-Vo (herschikt) van 12 december 2012 de volgende onderwerpen:

1. de rechterlijke bevoegdheid en

2. de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in civiele zaken.

Het verdrag geldt dus voor burgerrechtelijke procedures (incl. handelszaken), mits er een grensoverschrijdend element in zit. Faillissementsprocedures, familierecht, fiscale procedures en bestuursrechtelijke procedures vallen er dus niet onder.

Rechterlijke bevoegdheid

Wanneer iemand die zelf ingezetene is van de EU een procedure wil beginnen tegen een partij in een andere EU-lidstaat, dan rijst de vraag bij welke rechter hij moet aankloppen. En daarmee ook, welk procesrecht geldt.

Overigens is de vraag, welk recht (van welk land) inhoudelijk op het geschil van toepassing is, een andere. Daarvoor zijn afspraken gemaakt in andere verdragen. Een rechter kan dus in een procedure de bevoegde rechter zijn, terwijl op het geschil het recht van een ander land moet worden toegepast (een Nederlandse rechter kan een vordering bvb. moeten beoordelen naar Duits recht – de procedure wordt dan gevoerd volgens het Nederlandse procesrecht, maar de contractuele rechten en verplichtingen van de procespartijen worden vastgesteld aan de hand van Duits contractenrecht).

Hoofdregel rechterlijke bevoegdheid: woonplaats van de verweerder (art. 4 EEX)

De hoofdregel van het EEX is dat een in de EU wonende verweerder – ongeacht zijn nationaliteit – dient te worden opgeroepen voor de rechter van zijn woonplaats. Dat is dus internationaal bezien de rechter die “rechtsmacht” heeft om een internationale procedure in behandeling te nemen.

Art. 4 EEX (herschikt) (was art. 2 oud) luidt:

1. Onverminderd de bepalingen van dit verdrag worden zij, die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die Staat.

2. Voor degenen die niet de nationaliteit bezitten van de Staat, waar zij woonplaats hebben, gelden de regels van rechterlijke bevoegdheid, die op de eigen onderdanen van die Staat van toepassing zijn.

Toepassing van art. 4 EEX-Vo

In de zaak Rb. Gelderland d.d. 1 oktober 2018 (landbouwonderzoekster Burkina Fasso/ICRA) stelde de rechtbank vast bevoegd te zijn van de vordering kennis te nemen. De zaak betrof een letselschadeclaim van een ingezetene van Burkina Fasso tegen een Nederlandse organisatie die een scholarship had uitgevoerd (zie ook de pagina Pakketreisovereenkomst). De rechtbank stelde zijn rechtsmacht vast op grond van art. 4 lid 1 van de herschikte EEX-Verordening (nr. 1215/2012), mede gelet op HvJ EG 13 juli 2000, NJ 2003/597.

Bevoegde rechter (art. 7 EEX)

Art. 7 EEX-Vo (art. 5 EEX oud) geeft een aantal uitzonderingen op de hoofdregel van de internationale rechtsmacht van de rechter.

Kwalificatie als particulier (art. 15 EEX-Vo)

In de uitspraak op prejudiciële vragen het Oberste Gerichtshof in Oostenrijk gesteld in de procedure van HvJ EU d.d. 25 januari 2018 (Max Schrems/Facebook Ireland) heeft het HvJ zich uitgesproken over twee vragen.

In de eerste plaats, of iemand die op zijn Facebook pagina actief op het terrein van privacy – die boeken publiceert, lezingen houdt (soms tegen betaling), een website exploiteert en giften inzamelt – nog is aan te merken als particulier en zich kan beroepen op art. 15 EEX-Vo (herschikt) en dus Facebook Ireland in eigen land kan dagvaarden. Het antwoord daarop is: ja. Het Hof maakt geen onderscheid, of hij dit op zijn bedrijfspagina doet of op zijn persoonlijke account.

Optreden in rechte op grond van cessie van vorderingen (art. 16 EEX-Vo)

En voorts of hij op grond van art. 16 EEX-Vo (herschikt) in zijn land ook in rechte kan optreden als cessionaris van vorderingen van derden tegen Facebook Ireland, die aan hem zijn gecedeerd. Het antwoord daarop is: nee.

Verbintenissen uit individuele arbeidsovereenkomsten (Afd. 5 EEX-Vo, art. 20 t/m 23)

Voor verbintenissen uit overeenkomst gaf art. 5 aanhef en sub 1 EEX een alternatieve bevoegdheidsregel, waaronder arbeidszaken. Daarvoor kent Afd. 5 (art. 20 t/m 23 EEX-Vo) thans een aparte afdeling. De inhoud van art. 5 aanhef en sub 1 EEX (inzake de arbeidsovereenkomst) staat nu in art. 20 EEX-Vo (herschikt). In de arbeidszaak die aan de orde was in HR 31 januari 2003 (werknemer/Universal Ogden Services Ltd. – een Schots bedrijf – kwam de vraag aan de orde welke rechter bevoegd was van de vorderingen van de werknemer tegen zijn Schotse werkgever in te stellen. De Kantonrechter in Alkmaar had zich bevoegd verklaard op basis van art. 10 WAMN (thans art. 1019dd Rv., zie Arbeid Continentaal Plat). De Hoge Raad stelde hierover vragen aan het Hof van Justitie, omdat deze vraag moest worden beoordeeld in het licht van art. 5 aanhef en sub 1 EEX en niet beantwoord kon worden aan de hand van de Nederlandse bevoegdheid van art. 10 WAMN.

Het Hof van Justitie beantwoordde de gestelde vragen als volgt:

“1) Arbeid die een werknemer op vaste of drijvende installaties die zich op of boven het aan een verdragsluitende staat toebehorend deel van het continentaal plat bevinden, in het kader van de exploratie en/of exploitatie van de natuurlijke rijkdommen ervan verricht, moet voor de toepassing van artikel 5, sub 1, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, bij het Verdrag van 25 oktober 1982 betreffende de toetreding van de Helleense Republiek en bij het Verdrag van 26 mei 1989 betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, worden aangemerkt als arbeid verricht op het grondgebied van die staat.

2) Artikel 5, sub 1, Executieverdrag moet aldus worden uitgelegd dat ingeval de werknemer de uit zijn arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen in meerdere verdragsluitende staten vervult, de plaats waar hij gewoonlijk zijn arbeid verricht in de zin van deze bepaling, de plaats is waar of van waaruit hij, rekening houdend met alle omstandigheden van het concrete geval, feitelijk het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult.

Betreft het een arbeidsovereenkomst ter uitvoering waarvan de werknemer voor zijn werkgever dezelfde werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, dan moet in beginsel rekening worden gehouden met de volledige duur van de arbeidsverhouding om de plaats te bepalen waar de betrokkene gewoonlijk zijn arbeid verrichtte in de zin van deze bepaling.

Bij gebreke van andere criteria is deze plaats de plaats waar de werknemer het grootste deel van zijn arbeidstijd heeft doorgebracht.

Dit is slechts anders, indien het voorwerp van het betrokken geschil, gelet op de feitelijke gegevens van het concrete geval, nauwere aanknopingspunten heeft met een andere plaats van arbeid, in welk geval die plaats relevant is voor de toepassing van artikel 5, sub 1, Executieverdrag.

Kan de nationale rechterlijke instantie aan de hand van de door het Hof geformuleerde criteria niet de plaats bepalen waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag, dan heeft de werknemer de keus om zijn werkgever op te roepen hetzij voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt die hem in dienst heeft genomen, hetzij voor de gerechten van de verdragsluitende staat op het grondgebied waarvan de werkgever zijn woonplaats heeft.

3) Het op het hoofdgeding toepasselijke nationale recht heeft geen invloed op de uitlegging van het begrip plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag, dat het voorwerp van de tweede vraag vormt.

De zaak is voor partijen nader schriftelijk toegelicht door hun advocaten en voor UOS mede door mr. S.J. Schaafsma, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.”

De strekking van de navolgende uitspraak zal dus met inachtneming van deze wijziging (art. 5 aanhef en sub 1 EEX is thans art. 21 EEX-Vo) nog toepasbaar zijn.

Erkenning en tenuitvoerlegging

Erkenning

Als er eenmaal een beslissing is genomen door de rechter waar de procedure gevoerd is, dan moet er wel een verdragsregel zijn op basis waarvan die beslissing ook wordt erkend in een ander land. Elk land is immers soeverein, en zonder nadere afspraken kan de rechter van het ene land niet bepalen wat in een ander land heeft te gelden. De EEX-Vo (herschikt) geeft dus ook regels over erkenning van beslissingen van rechters uit een andere EU-lidstaat.

Tenuitvoerlegging buitenlandse titel

De erkenning van een buitenlandse beslissing wil nog niet zonder meer zeggen, dat die beslissing van een buitenlandse rechter ook zonder inmenging van de rechter in een ander land (bvb. de Nederlandse rechter) ten uitvoer gelegd (geëxecuteerd) kan worden. In principe kan dat alleen na een toetsing van de buitenlandse uitspraak door de rechter in het land waar men wil executeren.

Er moet dan een verzoek tot bekrachtiging (een zgn. “exequatur“) worden gevraagd bij de rechter in het land, waar men het vonnis ten uitvoer wil leggen. Die kijkt dan of de beslissing via een eerlijk proces tot stand is gekomen (en niet bvb. door een corrupte of niet onafhankelijke rechter is genomen). Die beslissing geldt dan alleen voor dat land.

De Europese Commissie heeft echter besloten, dat binnen de EU voldoende vertrouwd kan worden op een goed rechtssysteem en deugdelijke procedures. Vonnissen van EU-rechters zijn daarom in heel de EU uitvoerbaar zonder dat daar weer een exequatur-procedure voor nodig is.

Bij de herziening van de EEX-Vo in 2012 (die dus v.a. 10 januari 2015 van kracht is geworden) is daarom beslist, dat een exequatur van een vonnis uit een andere EU-lidstaat niet meer nodig is: het vonnis kan door de rechter die het gewezen heeft door middel van een eenvoudig formulier “bekrachtigd” worden, waardoor het in alle EU-lidstaten ten uitvoer gelegd kan worden zonder nieuwe toetsing in het land van tenuitvoerlegging. Zie meer hierover bij het kopje “Executie”.

Dit geldt ook voor andere “executoriale titels”, zoals een notariële akte die een executoriale titel kan opleveren (een zgn. authentieke akte). Zoals een akte waarin een lening is vastgelegd. En ook voor door een rechter vastgelegde minnelijke regeling (“gerechtelijke schikkingen”).

Executie

Met de invoering van EEX-Vo (herschikt) kunnen executoriale titels uit de ene EU-lidstaat zonder tussenkomst van de nationale rechter in het land van tenuitvoerlegging geëxecuteerd worden. Een exequatur is binnen de EU niet meer vereist. Dit is geregeld in Hoofdstuk III, “Erkenning en tenuitvoerlegging” EEX-Vo (herschikt).

Afd. 1 (art. 36 t/m 38 EEX-Vo herschikt) behandelt de erkenning. Art. 36 lid 1 EEX-Vo (herschikt) bepaalt:

“Een in een lidstaat gegeven beslissing wordt in de overige lidstaten erkend zonder vorm van proces”.

Afd. 2 (art. 39 t/m 44 EEX-Vo herschikt) regelt de tenuitvoerlegging. Art. 39 EEX-Vo (herschikt) bepaalt:

“Een in een lidstaat gegeven beslissing die in die lidstaat uitvoerbaar is, is in andere lidstaten uitvoerbaar zonder dat een verklaring van uitvoerbaarheid is vereist”.

De strekking van de regeling is, dat de tenuitvoerlegging van een executoriale titel uit een andere EU-lidstaat niet verschilt van de tenuitvoerlegging van een executoriale titel uit eigen land. Art. 41 lid 1 EEX-Vo (herschikt) bepaalt daarom, dat een in een lidstaat gegeven beslissing die in de aangezochte lidstaat uitvoerbaar is, onder dezelfde voorwaarden ten uitvoer wordt gelegd als een in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing.

Praktische uitvoering: formulier

Bij de Verordening EEX-Vo (herschikt) zijn twee bijlagen gevoegd: een bijlage ex art. 53 EEX-Vo (Bijlage I) en een bijlage ex art. 60 EEX-Vo (Bijlage II). De eerste is bedoeld voor de tenuitvoerlegging van vonnissen, de tweede voor tenuitvoerlegging van gerechtelijke schikkingen en authentieke akten.

De rechter (in de praktijk zal dat de griffie zijn), die het vonnis gewezen heeft – of de gerechtelijke schikking heeft vastgelegd – vult het formulier in, waarmee de titel wordt bekrachtigd voor tenuitvoerlegging in de hele EU. Het formulier moet worden opgesteld in de taal van het land van de tenuitvoerlegging, zodat men daar snapt wat de executoriale titel inhoudt.

Het mooie is echter, dat doordat de formulieren gelijkluidend zijn in alle talen, en de informatie die moet worden ingevuld een kwestie is van aankruisen en getallen invullen, je aan de hand van het formulier in je eigen taal makkelijk in kunt vullen in een andere taal, die je niet machtig bent. De ervaring leert, dat het wel handig is de griffie enigszins bij de hand te nemen, zodat niet vergeten wordt het formulier volledig in te vullen. Bvb. de rentevoet en op welke wettelijke bepaling die gebaseerd is, en de proceskostenveroordeling.

Voor tenuitvoerlegging moet de titel eerst aan de schuldenaar worden betekend (art. 9 lid 3 Uitvoeringswet EU-executieverordening). De tenuitvoerlegging kan pas aanvangen een maand na betekening van de titel met het certificaat van art. 53 EEX. De deurwaarder kan echter – door middel van een (eenvoudig) verzoek van de deurwaarder aan de Voorzieningenrechter verkorting van de termijn vragen. De termijn kan – als daar gegronde redenen voor zijn – zelfs worden verkort naar nul dagen. Te denken valt aan de situatie dat het voornemen bestaat om beslag te leggen op onroerend goed (een woning), en die woning op Funda te koop staat zodat het risico bestaat dat die verkocht en geleverd wordt voordat het beslag gelegd is.

Voorlopige (bewarende) maatregelen

In art. 2 EEX-Vo (herschikt) is de verordening ook uitgebreid tot voorlopige en bewarende maatregelen. Zoals kort geding vonnissen of beschikkingen tot beslaglegging.

Werkingsgebied territoriaal

De EEX-Vo (herschikt) werkt in de hele EU. Denemarken heeft een afzonderlijke regeling getroffen, waardoor de verordening daar goeddeels werking heeft. In het kader van de Brexit zal moeten worden bezien, welke gevolgen dit heeft voor de EEX-Vo. Mogelijk zullen titels die verkregen zijn voor in effect gaan van de Brexit wel nog uitvoerbaar blijven in de UK. Zie voor de ontwikkelingen inzake de Brexit het blog Brexit: wat zijn de juridische gevolgen?

Woonplaats volgens EEX-V0 (art. 62 en 63 EEX-Vo)

Het gerecht past zijn interne recht toe om vast te stellen of een partij woonplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat waar de zaak aanhangig is (art. 62 lid 1 EEX-Vo). Lid 2 bepaalt, dat indien een partij geen woonplaats heeft in de lidstaat waar de zaak aanhangig is, voor de vaststelling of zij een woonplaats heeft in een andere lidstaat, het gerecht het recht van die lidstaat toepast. In art. 63 EEX-Vo zijn de regels gegeven voor de bepaling van de woonplaats van een rechtspersoon. Bepalend is de plaats van hun statutaire zetel, van hun hoofdbestuur, of van hun hoofdvestiging.

Om vast te stellen of een trust woonplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat waar de zaak aanhangig is gemaakt, past het gerecht de regels van het voor hem geldende internationaal privaatrecht toe (art. 63 lid 3 EEX-Vo).

Rechtspraak

IPR bevoegdheid

HvJ EU 18 januari 2018 (Max Schrems/Facebook Ireland Ltd.) – Wanneer is iemand particulier in de zin van art. 15 EEX-Vo (herschikt)? Kan een particulier een gedaagde voor de rechter o.g.v. art. 16 EEX-Vo (herschikt) in eigen land dagen op basis van aan hem door particulieren uit andere landen gecedeerde vorderingen?

HR 31 januari 2003 (ex-werknemer/Universal Ogden Services Ltd.) – in deze zaak had de Kantonrechter Alkmaar zich op grond van art. 10 WAMN (thans art. 1019dd Rv. zie pagina Procedures Arbeid Continentaal Plat) bevoegd geacht kennis te nemen van de loonvordering van een werknemer van UOS die werkzaam was (geweest) op schepen boven het continentaal plat. Dat leidde tot lastige vraagstukken omtrent de bevoegdheid van de rechter. Daarbij moet echter – blijkens de antwoorden op de vragen die de Hoge Raad gesteld had aan het Europees Hof van Justitie – worden aangehaakt bij art. 5 aanhef en sub 1 EEX (oud) (thans: art. 21 EEX-Vo herschikt) en kan het nationale recht – in casu art. 10 WAMN – geen rol spelen.

Auteur & Last edit

[MdV, 3-04-2018; laatste bewerking 6-02-2020]

1 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 5 (1 votes, average: 4,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.