Proceskosten (Par. 2, Afd. 12, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Proceskosten (Par. 2, Afd. 12, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Inleiding proceskosten

De rechter beslist bij het wijzen van het vonnis ook, wie de proceskosten moet dragen. Dit is bepaald in Boek 1, Titel 2, Afd. 12, Par. 2 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (art. 237-245 Rv.). De partij, die voor het merendeel in het ongelijk gesteld wordt, wordt in de proceskosten veroordeeld.

Wanneer de rechter vindt, dat beide partijen over en weer deels ongelijk hebben gekregen, dan kan hij de kosten “compenseren”. Dat houdt in, dat ieder de eigen kosten moet dragen. Bij het formuleren van de eis kan dit een reden zijn deze zo realistisch mogelijk in te steken, om het risico op compensatie van de proceskosten te beperken.

De regeling van art. 237 e.v. Rv. is echter niet van dwingend recht. Partijen kunnen bij het aangaan van contractuele afspraken van de wettelijke regeling afwijken. Deze mogelijkheid is dus beperkt tot vorderingen uit hoofde van een overeenkomst. Vorderingen uit onrechtmatige daad bieden die mogelijkheid niet. Over dit contractueel beding hierna nader.

*NB de links naar de wettekst verwijzen naar de versie van de wet zoals die geldt voor digitaal procederen. Zie voor niet-digitaal deze link.

Buitengerechtelijke kosten

De proceskosten zijn de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de daadwerkelijke procedure. Kosten die daaraan voorafgaand zijn gemaakt om een procedure te vermijden komen wel afzonderlijk in aanmerking voor vergoeding: dit zijn de zgn. buitengerechtelijke kosten (BGK) (zie art. 6:96 lid 2 aanhef en sub b en c B.W.).

Voor de begroting daarvan zijn net als voor de proceskosten maatstaven ontwikkeld (het zgn. Rapport Voorwerk II). Voor consumenten is in 2012 een nadere wettelijke regeling in het leven geroepen voor de vaststelling van de BGK bij inning van geldvorderingen, waarvan (voor consumenten) niet kan worden afgeweken. De BGK worden berekend aan de hand van een staffel die is vermeld op de website van de Rechtspraak.

Een evt. no-cure-no-pay vergoeding die is afgesproken met een rechtsbijstandsverzekeraar kan wel worden gevorderd op grond van art. 6:96 B.W. (zie het arrest uit 2014 vermeld op de pagina wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding).

Voor een contractuele afspraak tussen professionele partijen (dus niet particulieren) over buitengerechtelijke kosten geldt, dat de rechter deze slechts marginaal kan toetsen op redelijkheid. Vgl. de uitspraak van Rb. Rotterdam d.d. 8 juli 2016 (Maersk c.s./Ship-Road Rotterdam), r.o. 3.13 e.v..

Executiekosten gemaakt na het veroordelend vonnis

Art. 237 lid 3 Rv. bepaalt, dat de proceskosten in het veroordelend vonnis worden vastgesteld. Voor de executie van de proceskosten is een geldige executoriale titel nodig. Kosten die nadien ontstaan – zoals executiekosten – worden niet bestreken door het veroordelend vonnis en kunnen derhalve niet op grond van die titel executoriaal worden geïnd.

Aldus ook de Voorzieningenrechter van rechtbank Leeuwarden in diens vonnis d.d. 24 februari 2010 (r.o. 5.3 e.v.) over de kosten van ontruiming na een ontruimingsvonnis. Dit ondanks het feit, dat de Voorzieningenrechter overweegt: “De voorzieningenrechter stelt voorop dat de kosten die met de ontruiming van de woning gemoeid zijn ten laste van [eiser] als geëxecuteerde komen.

De in dat kader door de executant gelegde executoriale beslagen om de executiekosten op basis van deze executoriale titel mede te verhalen moeten volgens de Voorzieningenrechter daarom als onrechtmatig worden aangemerkt.

De executant kan echter wel een nader bevelschrift vragen ex art. 237 lid 4 Rv. voor de na het vonnis verschenen (executie)kosten.

Wijze van begroten van de proceskosten

De wettelijke regeling van de proceskostenveroordeling is net als de regeling van de wettelijke rente een vorm van abstracte schadebegroting. De vergoeding van de gerechtelijke kosten (de proceskosten) vindt plaats aan de hand van een forfaitair systeem (het zgn. “liquidatietarief”, zoals gepubliceerd op de website van de rechtspraak). In dit systeem wordt een vergoeding toegekend aan de hand van een punt per verrichting. De waarde van een punt is bepaald in een staffel, waarbij naar mate het belang hoger is een hoger bedrag per punt wordt toegekend.

Blijkens onderstaand arrest (r.o. 3.5) omvat deze forfaitaire vergoeding óók kosten, die de procespartij zelf gemaakt heeft, zoals aangetekende brieven en tijdsbesteding. Die komen niet afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking.

Gevolg van dit systeem is, dat de partij die in het gelijk gesteld wordt, slechts een fractie van de werkelijke proceskosten (en dan met name de advocaatkosten) vergoed krijgt. In vergelijking met een systeem (zoals het Britse), waarbij de volledige proceskosten worden vergoed (en ook vooraf een zeer fors depot betaald moet worden om deze kosten te dekken) is het systeem socialer omdat dit de toegang tot het rechtssysteem laagdrempeliger maakt. Voor de partij die de procedure wint is dit vaak wel een doorn in het oog.

De memorie van toelichting bij de voorganger van art. 241 Rv. waarin de forfaitaire begroting van proceskosten is neergelegd, vermeldt hierover:

“dat het [artikel een] geval regelt van samenloop van de bepalingen betreffende proceskosten en die van artikel 6.1.9.2 lid 2 onder b en c Nieuw B.W. In de memorie van antwoord betreffende Boek 6 wordt bij dit artikel opgemerkt dat de kosten van lid 2 onder b en c niet mede de proceskosten omvatten. Dit behoeft echter verduidelijking, omdat beide groepen van kosten elkaar kunnen overlappen. Te denken valt met name aan de kosten van voorbereiding van de dagvaarding en andere gedingstukken en die van de instructie van de zaak. Zo het tot een proces komt, moeten deze kosten begrepen worden in de salarissen en verschotten en plegen zij in deze vorm in belangrijke mate te worden vergoed (…). Komt het echter niet tot een proces, dan zullen de kosten, voorzover zij redelijk zijn, krachtens artikel 6.1.9.1 lid 2 onder b en c voor vergoeding in aanmerking komen. (…)

Tegen deze achtergrond is het wenselijk dat komt vast te staan dat in geval de hier bedoelde bepalingen samenlopen, omdat een procedure is aangespannen, voor de onderhavige kosten geen vergoeding op grond van artikel 6.1.9.2 kan worden toegekend, maar dat dan uitsluitend de bepalingen betreffende proceskosten van toepassing zijn. (…)

Dat de verliezende partij in de proceskosten pleegt te worden veroordeeld, vindt (…) niet zijn grond in een verplichting tot schadevergoeding, maar in andere overwegingen die zich aldus laten samenvatten, dat het verbod van eigenrichting en de daarmee samenhangende, vrijwel onbeperkte vrijheid een ander in rechte te betrekken en zich in rechte tegen eens anders aanspraken te verdedigen, kan meebrengen dat het gerechtvaardigd is de kosten van het geding, voor zover zij niet ten laste van de overheid blijven, over partijen te verdelen op een wijze waarbij aan overwegingen van procesrisico en procesbeleid mede betekenis wordt toegekend, onder meer om te voorkomen dat de voormelde vrijheid door de vrees voor een veroordeling tot omvangrijke proceskosten in het gevaar zou worden gebracht (…). Dit kan verklaren waarom de proceskosten waarin de verliezende partij veelal wordt veroordeeld vaak geen volledige vergoeding opleveren van hetgeen de winnende partij aan het proces ten koste heeft gelegd. (…) Een volledige vergoedingsplicht is wel denkbaar, doch alleen in „buitengewone omstandigheden” (…). Daarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad.”

De achterliggende gedachte is dus, dat eenieder toegang tot de rechter moet hebben en het naar Nederlands recht niet opportuun wordt gevonden dat een partij, die hetzij eisend of verwerend in een procedure een enigszins verdedigbaar standpunt inneemt, meteen wordt veroordeeld alle kosten te voldoen als deze partij in het ongelijk gesteld wordt. De keerzijde daarvan is dat de partij, die in het gelijk wordt gesteld, (lang) niet alle kosten vergoed krijgt doordat deze schadepost gefixeerd wordt vastgesteld.

Ambtshalve beslissing

De rechter beslist ambtshalve over de proceskosten. In beginsel zou in het petitum volstaan kunnen worden met de woorden “kosten rechtens”.

Toch is het wel aan te raden daar wat meer handen en voeten aan te geven en ook de nakosten conform het liquidatietarief te vorderen, plus de wettelijke rente over de proceskosten.

Wanneer er een afwijkende contractuele afspraak is gemaakt, of een andere uitzondering geldt, moet de partij die aanspraak op deze kosten wil maken dit wel stellen en bewijzen (de kosten onderbouwen). De rechter vult deze gronden niet zelf aan.

Art. 6:96 lid 3 B.W. en art. 241 Rv.: gesloten systeem

De wet sluit in art. 6:96 lid 3 B.W. de proceskosten expliciet uit van de schadevergoeding van dat artikel. Omgekeerd verwijst ook art. 241 Rv. naar die bepaling door te bepalen, dat alle kosten die worden gemaakt voor de voorbereiding van de zaak (zoals de bestudering en het opstellen van de dagvaarding) niet afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komen, maar geacht worden te zijn begrepen in de proceskostenveroordeling.

De rechter zal in beginsel aan de forfaitaire begroting van art. 237 Rv. vasthouden. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen zal daarvan worden afgeweken. Er zal dan sprake moeten zijn van zodanig evident onnodig veroorzaken van een procedure, dat dit neerkomt op misbruik van procesrecht.

In een arrest van de Hoge Raad d.d. 12 juni 2015 (K./Rabobank)heeft een eiser geprobeerd dit te omzeilen door de volledige proceskosten te vorderen, stellende dat dit een zelfstandige schadepost is als bedoeld in art. 6:96 B.W.. Daarbij zag de eiser art. 6:96 lid 6 B.W. en art. 241 Rv. over het hoofd. Dit standpunt is dan ook door het Hof van de hand gewezen en de Hoge Raad heeft dit oordeel bevestigd. De regeling van de proceskostenveroordeling is een lex specialis ten opzichte van de algemene wettelijke regeling inzake schadevergoeding van art 6:95 e.v. B.W., en gaat dus boven de algemene regeling (“derogeert aan de algemene regel”).

Contractueel beding

Zoals hiervoor aangegeven is de regeling van art. 237-241 Rv. van regelend recht. In overeenkomsten en algemene voorwaarden kan daar van worden afgeweken.

Partijen kunnen hetzij in de overeenkomst zelf, of in algemene voorwaarden, de vergoeding van de volledige buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten bedingen.

De Hoge Raad heeft dit bevestigd in het arrest d.d. 23 januari 1993, NJ 1993, 597 The Windward Islands Bank Ltd. N.V./Jongsma. De A-G mr. Vranken onderzocht de Parlementaire Geschiedenis op dit punt (art. 56-58 oud Rv., nu art. 137 e.v. Rv) en concludeerde dat de regeling inzake de proceskostenveroordeling ongetwijfeld van regelend recht is.

De rechter mag deze schadepost op grond van art. 242 Rv. echter wel matigen. Met name bij procedures met buitenlandse partijen of tussen professionele partijen (grotere bedrijven) wordt het beding wel gehonoreerd, evt. met een (beperkte) matiging van de gevorderde kosten. Bij andere zaken zal een zekere neiging bestaan om toch op het liquidatietarief uit te komen.

De rechter zal daartoe in de stellingen of de omstandigheden aanknopingspunten zoeken om die (door de rechter gewenste) beslissing te onderbouwen. Bij voorbeeld: “degeen die zich op het beding beroept heeft onvoldoende gespecificeerd wat de proceskosten zijn en wat de buitengerechtelijke kosten”, of “onvoldoende gespecificeerd wat is toe te schrijven aan een verweer waarvoor het beding niet geldt”. Of matiging gelet op de “stand van partijen” (een machtiger tegenover een zwakkere partij), of de wijze van totstandkoming van het beding (in algemene voorwaarden versus in de overeenkomst zelf).

Daar komt bij dat de rechter veel beleidsvrijheid heeft ten aanzien van het oordeel inzake de proceskosten. Zie bvb. het arrest van de Hoge Raad d.d. 20 december 2013 inzake Schreurs q.q./Favini Real Estate B.V..

Recent zijn in twee procedures tussen professionele partijen wel proceskostenveroordelingen uitgesproken op basis van de werkelijke kosten (op basis van een daartoe strekkend beding). Maar daarbij zijn de gevorderde proceskosten wel gematigd. Zie Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 16 mei 2017 (Europa Marchand). In die zaak betrof het de terugbetaling van een lening naar het recht van de staat Massachusetts. De vordering in het incidenteel appèl inzake de volledige proceskosten werd door de rechtbank echter getoetst aan het Nederlandse procesrecht, waarbij de volledige kosten zoals gevorderd – zonder matiging – werden toegewezen.

En voorts Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 19 september 2017 (Next Stage Investment B.V./BMC Software Distribution B.V.). Hier betrof het duidelijk twee grotere ondernemingen. Het Hof zag geen reden tot matiging, mede gelet op de complexiteit van de procedure waren de gevorderde kosten volgens het Hof redelijk.

Zie ook hierna wat betreft de proceskosten in een IE-zaak, waar een indicatief richtsnoer wordt gehanteerd voor matiging. Daar wordt wel strikter vastgehouden aan de werkelijke kosten, omdat daar niet de bedoeling van de Nederlandse wetgever (laagdrempelige toegang tot het recht) voorzit, maar de bedoeling van de Europese wetgever die de belangen van IE-gerechtigden wil dienen.

Boetebeding

Naast een dergelijk beding kan ook een boetebeding ex art. 6:94 B.W. worden bedongen. Mits dat niet is geformuleerd als vergoeding voor de (buitengerechtelijke) proceskosten (want dan valt het alsnog onder de forfaitaire regels).

Boetes plegen ook wel gematigd te worden, maar kunnen niettemin fors oplopen waardoor dit een effectiever middel is dan het trachten te verkrijgen van een schadevergoeding voor alle kosten door middel van een (proces)kostenbeding.

Wettelijke uitzondering: IE-zaken

In IE-zaken kent de wet een uitzondering: art. 1019h Rv.. Deze uitzondering vloeit voort uit de EU Richtlijn 2004/48/EG die de nationale wetgever verplicht om de volledige proceskosten toe te kennen in zaken betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten. Daardoor kan een inbreuk op dergelijke rechten de inbreukmaker zeer duur komen te staan. De Raad voor Rechtspraak heeft een zgn. Indicatietarief opgesteld (op de website van de Rechtspraak hier te raadplegen), om een richtsnoer te hebben voor de redelijke werkelijke kosten in zo’n procedure. Dit is echter niet een forfaitair systeem zoals het liquidatietarief.

Rechtspraak

Hoge Raad d.d. 12 juni 2015 (K./Rabobank) – stelsel van proceskostenveroordeling is een gesloten systeem;

Hoge Raad d.d. 15 september 2017 (NN/NN) – Hoge Raad herhaalt overwegingen uit het arrest K./Rabobank;

Auteur & Last edit

[MdV, 23-10-2017; bijgewerkt 14-02-2018]

1 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 5 (1 votes, average: 4,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.