Toerekenbare niet-nakoming: schadevergoeding

In beginsel moet de schuldenaar van een verbintenis bij iedere “toerekenbare niet-nakoming” de schade vergoeden, die daarvan het gevolg is (art. 6:74 lid 1 B.W.). “Toerekenbaar” zijn van de niet-nakoming is dus een voorwaarde. Is de niet-nakoming “niet toerekenbaar”, dan is geen schadevergoeding verschuldigd. Onder het oude B.W. (voor 1992) sprak men in plaats van “toerekenbare niet-nakoming” van “wanprestatie”. Die term kom je nog steeds tegen en is dus uitwisselbaar met de wat omslachtiger term “toerekenbare niet-nakoming”.

In deze afdeling behandelt de wet met name de toerekening en wat daarbij komt kijken. En het begrip ‘overmacht’. Zie voor de wijze waarop de schade moet worden vastgesteld, die vergoed moet worden als de niet-nakoming toerekenbaar is, die de pagina Schadevergoeding.

Verzuim

In art. 6:74 lid 2 B.W. wordt wat gas teruggenomen van lid 1. De schuldenaar is alléén verplicht schade te vergoeden binnen de spelregels van de regeling van “verzuim” in Par. 2 van Afdeling 9 inzake de gevolgen van niet-nakoming. De schuldeiser moet volgens de spelregels van verzuim de schuldenaar eerst in gebreke stellen, voordat het gevolg van de niet-nakoming kan intreden. Wanneer de nakoming al blijvend onmogelijk is geworden, dan heeft ingebrekestelling uiteraard geen zin, zodat lid 2 zegt dat in die situatie de regels van par. 2 niet aan de orde zijn. Wanneer er sprake is van een “fatale termijn” (er is een uiterste termijn voor nakoming bedongen), dan is ingebrekestelling ook niet nodig. Zie de pagina Verzuim van de schuldenaar.

Ontbinding bij wederkerige overeenkomst

Wanneer er sprake is van een wederkerige overeenkomst, dan kan de schuldeiser van één van beide verbintenissen, die niet wordt nagekomen, ook de ontbinding van de overeenkomst vorderen. Dit heeft enigszins andere gevolgen dan het vorderen van nakoming en schadevergoeding. Zie de pagina Wederkerige overeenkomsten.

Er ontstaan dan “ongedaanmakingsverplichtingen”.

Niet-toerekenbare tekortkoming (overmacht)

Wanneer de tekortkoming (de wanprestatie) niet toerekenbaar is, dan is de schuldenaar niet aansprakelijk voor de tekortkoming. Onder het oude recht sprake men wel van “overmacht”. Die term is – net als het begrip “wanprestatie” – nog goed bruikbaar, omdat het een voor iedereen helder begrip is. Juridisch bezien kun je dit begrip als volgt duiden: het niet-nakomen van een verbintenis is aan te merken als een “onrechtmatig handelen” binnen de contractuele of verbintenisrechtelijke verhouding. Anders dan de onrechtmatige daad, die ook tot schade leidt maar zijn startpunt niet vindt in een specifieke verbintenis tussen twee of meer partijen, die tussen hen is aangegaan, maar in de algemene norm die zich tot eenieder richt dat men geen (feitelijke) handelingen mag verrichten, die schade voor een ander tot gevolg hebben.

Overmacht is te beschouwen als een rechtvaardigingsgrond voor niet-nakoming van een (contractuele) verbintenis: is er sprake van overmacht, dan treedt – net als bij de rechtvaardigingsgrond bij onrechtmatige daad – het gevolg dat de wet aan toerekenbare tekortkoming verbindt niet in. Dat gevolg is met name uiteraard aansprakelijkheid voor de schadelijke gevolgen van de niet-nakoming.

Bij overmacht is er sprake van onmogelijkheid om na te komen. Die onmogelijkheid kan tijdelijk zijn, of blijvend. Als iemand een congres organiseert, maar vanwege het corona virus mogen er tot nader order geen grote bijeenkomsten meer plaatsvinden, dan sluit dit niet uit dat het congres uitgesteld kan worden en op een later moment alsnog doorgaat. Omgekeerd is niet steeds wanneer er sprake is van tijdelijke of blijvende onmogelijkheid om na te komen sprake van overmacht. Het kan immers goed zijn, dat het (al dan niet tijdelijk) onmogelijk is om na te komen, maar dat kan afhankelijk van de omstandigheden zeer wel toerekenbaar zijn.

In de klassieke verschijningsvorm is overmacht te beschouwen als een verhindering door van buiten komende oorzaken. Zoals natuurgeweld. Dit neemt niet weg, dat zo’n verhindering niet steeds en per definitie kwalificeert als overmacht en daarmee de toerekenbaarheid wegneemt.

Regelend recht

Art. 6:74 B.W. is overigens van regelend recht. Partijen kunnen dus – in een specifieke overeenkomst, of in algemene voorwaarden – nadere afspraken maken, in welke gevallen er sprake is van overmacht en in welke gevallen van toerekenbare niet-nakoming. Daarbij kunnen de verplichtingen van de schuldenaar worden verzwaard – bvb. door een garantie oftewel instaan voor een bepaalde omstandigheid die aan de nakoming in de weg zou kunnen staan – en omgekeerd kunnen bepaalde risico’s op niet-nakoming worden uitgesloten voor de schuldenaar, waardoor de niet-nakoming op grond van die afspraken niet toerekenbaar zijn (en dus in feite in dezelfde categorie als objectieve overmacht komen te vallen).

Definitie “toerekenbaar”

Toerekenbaar is in de eerste plaats een niet-nakoming die de schuld is van degeen die moet nakomen. Daarnaast kan toerekening ook berusten op: de wet, de rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen (art. 6:75 B.W.).

De toerekening geldt ook voor niet-nakoming door hulppersonen (art. 6:76 B.W.) en – in beginsel – ook voor de gevolgen van het inzetten van ondeugdelijke hulpmiddelen (art. 6:77 B.W.).

Stelplicht en bewijslast toerekening

Degeen die een vordering instelt wegens toerekenbare niet-nakoming moet uiteraard stellen dat daar sprake van is. Het is echter aan de partij, aan wie verweten wordt toerekenbaar te zijn nagekomen, om te stellen en te bewijzen dat de niet-nakoming niet aan hem/haar is toe te rekenen. Zie HR 24 februari 2017 (SNR/afgestudeerden Stressmanagement) waarmee de Hoge Raad de klachten van SNR en tegen de beslissing van het Hof afwijst. SNR had toegezegd een MA titel te kunnen verstrekken, maar dat bleek niet te kunnen.

Lees de overwegingen van HR 24 februari 2017 (SNR/afgestudeerden)

De Hoge Raad citeert (in r.o. 3.2.3) het Hof, waar het overwoog:

“Het hof heeft voor recht verklaard dat SNR toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de studieovereenkomsten met verweerders in cassatie (de studenten, MdV) en uit dien hoofde aansprakelijk is jegens hen voor de daaruit voortvloeiende schade, en heeft SNR veroordeeld tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat. Daartoe heeft het hof in zijn tussenarrest als volgt overwogen.

SNR is door het niet verlenen (althans door het eerst verlenen en daarna intrekken) van de MA-graad tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomsten met de studenten. Tenzij die tekortkoming niet aan haar kan worden toegerekend, is SNR op grond van art. 6:74 BW verplicht de schade die de studenten als gevolg daarvan lijden te vergoeden. De stelplicht en bewijslast terzake van het ontbreken van de toerekenbaarheid rusten op SNR. (rov. 4.6)

SNR heeft betoogd dat de tekortkoming haar niet valt te verwijten, althans niet voor haar risico komt, omdat zij in de onzekere periode rond de wijziging van de WHW per 1 september 2002 en het daaruit voortvloeiende verbod aan niet-universitaire masteropleidingen om de MA-graad te verlenen, in onzekerheid verkeerde over de titel die aan afgestudeerden van de opleiding mocht worden verleend. De onzekerheid omtrent de te verlenen graad kan echter geen rechtvaardiging vormen voor het feit dat SNR de (in de hiervoor in 3.1 onder (vii) genoemde brief van 24 september 2004 besloten liggende) toezeggingen aan [verweerders] heeft gedaan, maar had SNR er juist van moeten weerhouden die toezeggingen aan de studenten te doen, althans had haar ertoe moeten bewegen op dit punt een voldoende duidelijk voorbehoud te maken. (rov. 4.8)

SNR heeft ook overigens geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat haar niet kan worden verweten dat zij de bedoelde toezeggingen aan de studenten heeft gedaan, althans dat de niet-nakoming van die toezeggingen niet voor haar rekening zou moeten komen. De stelling van SNR dat zij is afgegaan op hetgeen de DVC haar had medegedeeld omtrent de bevoegdheid om de MA-graad aan de studenten van de cohorten I t/m III te verlenen, is daarvoor onvoldoende. Met de wijziging van de WHW per 1 september 2002 en de invoering van het bachelor-masterstelsel in Nederland bestond voor SNR een belangrijke indicatie om aan te nemen dat zij als instelling van hoger beroepsonderwijs niet bevoegd was de MA-titel toe te kennen. SNR heeft niet, althans in onvoldoende mate toegelicht dat en om welke reden zij bij het aangaan van de overeenkomsten met de studenten en de in dat kader nog in september 2004 aan de studenten gedane toezeggingen niet van de consequenties van de (naderende) wetgeving op de hoogte was of heeft kunnen zijn. Het lag op de weg van SNR zich daarvan wel op de hoogte te stellen, zeker nu zij zich voor het eerst in dit opleidingssegment begaf. (rov. 4.9)

Nu vaststaat dat belangrijke indicaties bestonden op grond waarvan aan de informatie van de DVC op zijn minst kon worden getwijfeld, lag het op de weg van SNR om niet op de van de DVC verkregen informatie af te gaan zonder ook zelf voldoende inspanning en zorgvuldigheid te betrachten om de juistheid van die informatie te verifiëren. SNR heeft aangevoerd dat de NVAO pas met ingang van 1 januari 2005 (in de per die datum gewijzigde WHW) als accreditatieorgaan met name werd genoemd en in de periode tussen 1 september 2002 en 1 januari 2005 slechts in oprichting was, zodat SNR er ook daarom vanuit is gegaan dat tot die tijd de DVC-accreditaties gelding bleven behouden. Tegen de achtergrond van de hiervoor geschetste uitgangspunten van de per 1 september 2002 gewijzigde WHW en het daarin duidelijk vastlegde onderscheid tussen graden in het wo-onderwijs en het hbo-onderwijs, zijn deze stellingen, wat daar ook van zij, onvoldoende om aan te nemen dat SNR op dit punt niet tot enig (nader) onderzoek was gehouden. (rov. 4.10)”.

Toerekening naar verkeersopvattingen

Wanneer de niet-nakoming van een verbintenis niet kan worden toegerekend op grond van schuld van degeen die moet nakomen (de schuldenaar), dan kan – als de toerekening niet uit de wet voortvloeit en ook niet uit de rechtshandeling (en dan met name de afspraken in een wederkerige overeenkomst) – de niet-nakoming alsnog voor diens rekening komen op basis van toerekening op grond van de opvattingen in het maatschappelijk verkeer (de ‘verkeersopvattingen’). In de casus HR 1 februari 2008 (Perry Sport/SBZ) besliste de Hoge Raad, dat de schade door tegenvallende bezoekersaantallen in een winkelcentrum niet aan de verhuurder konden worden toegerekend.

Lees de overwegingen van HR 1 februari 2008 (Perry sport/SBZ)

De Hoge Raad overwoog, dat:

“van een “aan de huurder toe te rekenen omstandigheid” in de zin van het tweede lid van dat artikel onder meer ook dan sprake is indien het gaat om een omstandigheid die ingevolge art. 6:75 BW krachtens in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van de huurder komt. Wat betreft dit laatste heeft het hof in rov. 4.2, gelezen in samenhang met rov. 4.7 en 4.8, voorts terecht geoordeeld dat de in teleurstellende bezoekersaantallen tot uiting komende nadelen die verbonden blijken te zijn aan de opzet en ligging van een (nieuw) winkelcentrum – in dit geval: verdiept, aan de voet van het oude sociëteitsgebouw, op enige afstand van de uiteinden van Utrechtsestraat en Arnhemsestraat en dus zonder bestaande passantenstroom – naar verkeersopvattingen in beginsel voor rekening van de huurders komen”.

In feite wordt hiermee het omgekeerde vastgesteld, dat deze omstandigheden niet als een tekortkoming aan de verhuurder kunnen worden toegerekend.

Ondeugdelijk product

Is een geleverd product ondeugdelijk, dan hangt de toerekening van de niet-nakoming aan de tussenleverancier – wanneer die daar geen schuld aan heeft en ook niet met het gebrek bekend was – af van de ‘verkeersopvattingen’. In het arrest HR 27 april 2001 (ondeugdelijke kunstmest Biofer) laat de Hoge Raad aan de hand van het vertrekpunt, dat het geleverde product ondeugdelijk is, zien hoe het criterium “toerekenbaar” moet worden onderzocht.

Lees de overwegingen van HR 27 april 2001 (ondeugdelijke kunstmest Biofer)

De Hoge Raad overweegt (r.o. 3.6):

Bij de beoordeling van de vraag of eiseres (de wederverkoper van Biofer, MdV) gehouden is de door de rozenkwekerij geleden schade te vergoeden heeft als uitgangspunt te gelden dat het ijzerchelaat door de verontreiniging met Ethimiduron niet aan de overeenkomst beantwoordde. Er is derhalve sprake van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst, die ingevolge art. 6:74 BW tot schadevergoeding verplicht, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. Nu in cassatie (…) ervan moet worden uitgegaan dat de wederverkoper het ijzerchelaat niet zelf heeft geproduceerd, dat het gaat om een gebrek dat geheel buiten haar toedoen is ontstaan en dat zij kende noch behoorde te kennen, zodat de tekortkoming niet aan haar schuld is te wijten, terwijl de tekortkoming evenmin krachtens de wet of een rechtshandeling voor haar rekening komt, moet, zoals het Hof met juistheid heeft overwogen, de vraag of zij aan de wederverkoper moet worden toegerekend, worden beantwoord aan de hand van de in het verkeer geldende opvattingen (art. 6:75).

De verkeersopvattingen brengen mee dat in een geval als het onderhavige een tekortkoming bestaande in een gebrek van een verkocht product in beginsel voor rekening van de verkoper komt, ook als deze het gebrek kende noch behoorde te kennen. Dit zal slechts anders kunnen zijn in geval van, door de verkoper zo nodig te bewijzen, bijzondere omstandigheden. Het bestaan van dergelijke bijzondere omstandigheden, waarop in het onderhavige geval overigens geen beroep is gedaan, zal niet snel mogen worden aangenomen. Dit een en ander vindt ook steun in de parlementaire geschiedenis van het te dezen niet toepasselijke, immers voor consumentenkoop geldende art. 7:24 (vgl. hetgeen daaromtrent is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp onder 9, met name noot 5).

Voor zover het middel onder 7 klaagt dat de door het Hof aanvaarde regel een feitelijke risicoaansprakelijkheid voor de leverancier van “industrieel vervaardigde zaken” introduceert, miskent het dat volgens het uitgangspunt van art. 6:74 deze leverancier aansprakelijk is, tenzij de tekortkoming hem op de voet van art. 6:75, onder meer krachtens in het verkeer geldende opvattingen, niet kan worden toegerekend. Evenmin valt in te zien waarom deze regel op gespannen voet zou staan met de regeling van de productenaansprakelijkheid, die niet op contractuele aansprakelijkheid maar op aansprakelijkheid uit de wet betrekking heeft, en de daarmee verband houdende regeling van art. 7:24 lid 2. Aan de in deze bepaling neergelegde regeling van de aansprakelijkheid van de leverancier in geval van consumentenkoop ligt de gedachte ten grondslag dat hij, anders dan in een geval als het onderhavige, zijn aansprakelijkheid jegens de consument niet kan beperken of uitsluiten.”

Toerekening gedrag van derden

In de (huur)zaak die leidde tot HR 22 juni 2007 (Land van Rode/huurder) had het Hof vastgesteld, dat de mishandeling van de huismeester door de zoon van de huurder – terwijl die niet voorzienbaar was – niet was toe te rekenen aan de huurder. De gevorderde ontbinding en schadevergoeding werden dan ook afgewezen.

Lees de overwegingen van HR 22 juni 2007 (Land van Rode/huurder)

De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af, overwegende (r.o. 3.3.2 en 3.3.3):

“Gelet op de bewoordingen van art. 1602 BW, zoals die luidden tot 1 januari 1992 en de totstandkomingsgeschiedenis van de tekst zoals deze vanaf die datum geldt, een en ander als weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 7, moet worden aangenomen dat art. 7A:1602 (oud) BW – thans 7:219 BW – aansprakelijkheid vestigt van de huurder jegens de verhuurder voor schade, toegebracht aan het gehuurde door derden die met goedvinden van de huurder het gehuurde gebruiken, dan wel zich met diens goedvinden op het gehuurde bevinden. Deze bepaling brengt echter niet mee dat een verzoek tot beëindiging van een opgezegde huurovereenkomst als bedoeld in art. 7A:1623c lid 2 (oud), reeds toewijsbaar is op de enkele grond dat personen die met goedvinden van de huurder het gehuurde gebruiken of zich daarop bevinden, gedragingen hebben verricht die weliswaar niet tot schade aan het gehuurde hebben geleid, maar die, als zij zouden zijn verricht door de huurder, in strijd zouden zijn met diens verplichting zich als een goed huurder te gedragen en bovendien voldoende ernstig zijn om beëindiging van de opgezegde huurovereenkomst te rechtvaardigen. Beslissend is of geoordeeld moet worden dat de huurder zich, in het licht van die gedragingen, zelf niet als een goed huurder heeft gedragen. Bij de beantwoording van de vraag of hiervan sprake is, dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de vraag of er een voldoende verband bestaat tussen die gedragingen en het gebruik van het gehuurde. Daarvan is in elk geval sprake indien de huurder van (het voornemen tot) die gedragingen op de hoogte was, of daarmee ernstig rekening had te houden, maar heeft nagelaten de in verband daarmee redelijkerwijs van hem te verlangen maatregelen te treffen.

Kennelijk heeft het hof bedoeld tot uitdrukking te brengen dat het onvoldoende verband heeft gezien tussen de gedragingen van de zoon en het gebruik door [verweerster] van het gehuurde om op grond daarvan te oordelen dat [verweerster] zich niet als een goed huurder heeft gedragen, waarbij het heeft laten meewegen dat Land van Rode andere middelen ten dienste stonden dan opzegging van de huurovereenkomst. Aldus verstaan, geeft het oordeel van het hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”

Toerekening gedragingen van hulppersonen en werknemers

Een voorbeeld van aansprakelijkheid op grond van toerekening van handelen (i.c. een fout van een eigen werknemer) van een hulppersoon of werknemer deed zich voor in HR 14 juli 2017 (JMV Spoorwegveiligheid/Zurich Insurance).

Lees de overwegingen van HR 14 juli 2017 (JMV Spoorwegveiligheid/Zurich Insurance)

De Hoge Raad overweegt in die zaak dat er in die situatie meerdere wegen zijn waarlangs aansprakelijkstelling kon plaatsvinden (r.o. 3.3.3):

a. Het gaat in deze zaak om schade die is toegebracht bij de uitvoering van een overeenkomst en die voor rekening van een contractspartij is gekomen. Dergelijke schade is – behoudens andersluidend beding in de overeenkomst en mits van een toerekenbare tekortkoming sprake is – verhaalbaar op de met die uitvoering belaste contractspartij, ook indien die schade is veroorzaakt door een als onrechtmatige daad van een werknemer of een hulppersoon aan te merken gedraging (art. 6:74 en 6:75 BW). Vergoedt de tekortschietende contractspartij de schade, dan kan zij, indien de schade is veroorzaakt door onrechtmatig handelen van een eigen werknemer, die schade in beginsel slechts dan op die werknemer verhalen, indien die een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de betrokken werknemer (art. 7:661 lid 1 BW).

b. De benadeelde contractspartij kan ook ervoor kiezen – ook hier: behoudens andersluidend beding in de overeenkomst – haar wederpartij niet aan te spreken op de grondslag van de overeenkomst, maar op de voet van art. 6:170 lid 1 BW. Daartoe zal moeten komen vast te staan (naast het bestaan van ondergeschiktheid als in die bepaling bedoeld en onverminderd het in lid 2 bepaalde) dat de betrokken werknemer jegens de benadeelde aansprakelijk is wegens een onrechtmatige daad.

c. Ten slotte kan – tenzij de overeenkomst dat belet – de benadeelde in beginsel ook de betrokken werknemer persoonlijk aanspreken tot vergoeding van de schade. In dat geval heeft de werknemer ingevolge art. 6:170 lid 3 BW, dat op dit punt het spiegelbeeld vormt van art. 7:661 lid 1 BW, regres op de werkgever, tenzij de schade een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer zelf.

Het rechtstreeks aanspreken van de werknemer is voor deze werknemer mogelijk zeer nadelig, omdat hij bij zijn evenbedoelde regres het insolventierisico van zijn werkgever draagt.

d. Mede gelet op de betekenis die een op art. 6:170 lid 1 BW gebaseerde, de werkgever veroordelende uitspraak kan hebben in een eventuele (bijvoorbeeld wegens insolventie van de werkgever aangespannen) opvolgende procedure tegen de werknemer, maar gezien ook het nadeel dat een dergelijke uitspraak in ander opzicht (zoals voor zijn reputatie) voor de werknemer kan opleveren, dient de rechter in een op art. 6:170 BW stoelende procedure – waarin de werknemer zelf geen partij is – de onrechtmatigheid van het handelen van de werknemer niet anders te beoordelen dan indien de aansprakelijkheid van de werknemer zelf in het geding is.”

Zie in dit verband ook de pagina Aansprakelijkheid voor personen en zaken op grond van onrechtmatige daad en de pagina Bijzondere verplichtingen van de werknemer.

Voordeel door niet-nakoming

Een voordeel dat de schuldenaar toevalt als gevolg van de niet-nakoming komt aan de schuldeiser toe, tot ten hoogste de waarde daarvan (art. 6:78 B.W.). De regels van ongerechtvaardigde verrijking zijn van toepassing. Is dit voordeel een vordering op een derde, dan moet de schuldenaar die cederen (lid 2).

Intreden gevolgen niet-nakoming voordat er verzuim is

De gevolgen van niet-nakoming kunnen ook intreden voordat er verzuim is, zoals bij blijvende onmogelijkheid tot nakomen

Om een wederpartij te kunnen aanspreken tot nakoming is vereist, dat deze in verzuim is. De vordering moet opeisbaar zijn en de debiteur van de verbintenis moet in verzuim zijn.

Verzuim kan intreden door ingebrekestelling (art. 6:82 B.W.) of wanneer er sprake is van een fatale termijn (art. 6:83 aanhef en sub a B.W.). In het laatste geval raakt de debiteur van rechtswege in verzuim, zodra de fatale termijn is verstreken. Een dergelijke termijn is bvb. de betalingstermijn op een factuur. Overigens geldt voor verbintenissen uit onrechtmatige daad directe opeisbaarheid (art. 6:83 aanhef en sub b B.W.).

Anticiperende opeisbaarheid en ontbinding

Een uitzondering op het vereiste dat de schuldenaar in gebreke gesteld moet worden om in verzuim te raken – als er geen fatale termijn is – biedt art. 6:80 lid 1 B.W.. Dit artikel biedt de schuldeiser de mogelijkheid om een vordering op te eisen voordat deze volgens de overeenkomst opeisbaar is. Dit verzuim kan de opmaat vormen voor ontbinding ex art. 6:265 B.W. (zie de pagina Wederkerige overeenkomsten).

Die mogelijkheid bestaat, wanneer hetzij:

– nakoming van de verbintenis blijvend onmogelijk is (art. 6:80 aanhef en sub a B.W.)

– de debiteur te kennen geeft deze niet (meer) te willen nakomen  (art. 6:80 aanhef en sub b B.W. vgl. ook art. 6:83 aanhef en sub c B.W.)

– voorzienbaar is dat de debiteur niet zal nakomen  (art. 6:80 aanhef en sub c B.W., vgl. ook art. 6:82 lid 2 B.W.)

Blijvende onmogelijkheid tot nakomen

De regeling van de blijvende onmogelijkheid tot nakomen maakt de verbintenis opeisbaar en biedt daardoor een mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die normaliter aan verzuim zijn verbonden, zoals dat intreedt na ingebrekestelling of een fatale termijn. De belangrijkste daarvan zijn het ontbinden van de overeenkomst en schadevergoeding vragen.

Het niet tijdig (dus vóór de trouwerij) leveren van een trouwjurk, is een voorbeeld van niet tijdig nakomen. Dat is wat anders dan blijvende onmogelijkheid tot nakomen. Die situatie is dus een voorbeeld van een fatale termijn, die leidt tot verzuim wanneer de termijn is verstreken.

Blijvende onmogelijkheid is evidente (en absolute) blijvende onmogelijkheid tot nakoming. Wanneer bvb. een antiek meubel ter restauratie wordt afgegeven en dit teniet gaat bij de werkzaamheden. Men spreekt dan van een objectieve blijvende onmogelijkheid.

Relatieve blijvende onmogelijkheid

Er kan zich ook een relatieve blijvende onmogelijkheid tot nakoming voordoen. Wanneer een prestatie al verricht is, maar niet-deugdelijk, en herstel alleen nog mogelijk zou zijn door het hele werk ongedaan te maken en het opnieuw te maken, dan is volgens de Hoge Raad sprake van relatieve blijvende onmogelijkheid. Zie HR 22 mei 1981, NJ 1982, 59 (Van der Gun/Farmex).

Dit kan zich met name in de ICT-wereld voordoen. Wanneer een software systeem gebouwd wordt, dat niet aan de eisen voldoet en slechts met veel extra tijd en werk alsnog (opnieuw) gebouwd kan worden, doet zich ook een situatie van relatieve blijvende onmogelijkheid voor.

Het moet wel gaan om een uitzichtloos project. De basis van de software moet dermate dramatisch zijn dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden van de opdrachtgever om het werk over te doen. Het enkele verlies van vertrouwen in de goede afloop vanwege vertragingen in de uitvoering is onvoldoende om van blijvende onmogelijkheid van de deugdelijke nakoming te kunnen spreken. Zie in dit verband bvb. Rb. Amsterdam 10 maart 2010 (Waterdrinker/SAP).

Veel zal dus afhangen van de beoordeling van de rechter van de feiten. En van de vraag of partijen (en met name de eisende partij die de opdracht wil ontbinden of heeft ontbonden) voldoende feiten gesteld heeft om hard te maken dat er sprake is van blijvende onmogelijkheid tot nakomen.

Rechtspraak

Toerekening

HR 1 februari 2008 (Perry Sport/SBZ) – van een “aan de huurder toe te rekenen omstandigheid” in de zin van art. 7:204 B.W. is onder meer ook dan sprake indien het gaat om een omstandigheid die ingevolge art. 6:75 BW krachtens in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van de huurder komt. Wat betreft dit laatste heeft het hof terecht geoordeeld dat de in teleurstellende bezoekersaantallen tot uiting komende nadelen die verbonden blijken te zijn aan de opzet en ligging van een (nieuw) winkelcentrum naar verkeersopvattingen in beginsel voor rekening van de huurders komen.

HR 22 juni 2007 (Land van Rode/huurder) – mishandeling van huismeester verhuurder door zoon huurder niet toerekenbaar aan huurder.

HR 27 april 2001 (ondeugdelijke kunstmest Biofer) – aan de (weder)verkoper van een ondeugdelijk product moet – ook wanneer hij niet bekend is met het gebrek en derhalve geen schuld heeft – de tekortkoming niettemin worden toegerekend.

Blijvende onmogelijkheid tot nakomen

HR 22 mei 1981, NJ 1982, 59 (Van der Gun/Farmex) – Wanneer een prestatie al verricht is, maar niet-deugdelijk, en herstel alleen nog mogelijk zou zijn door het hele werk ongedaan te maken en het opnieuw te maken, dan is volgens de Hoge Raad sprake van relatieve blijvende onmogelijkheid.

Rb. Amsterdam 10 maart 2010 (Waterdrinker/SAP) – Het enkele verlies van vertrouwen in de goede afloop vanwege vertragingen in de uitvoering is onvoldoende om van blijvende onmogelijkheid van de deugdelijke nakoming te kunnen spreken.

Auteur & Last edit

[MdV, 13-07-2018; laatste bewerking 17-03-2020]

0 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 5 (0 votes, average: 0,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.