LawyrupFaillissementswetSurseance (Titel 2 Fw.)Akkoord in surseance (Afd. 2, Titel 2 Fw.)

Akkoord in surseance (Afd. 2, Titel 2 Fw.)

Inleiding akkoord surseance

In Afd. 2, Titel 2 Fw. is de regeling van het akkoord in een surseance opgenomen. De regeling omvat 33 bepalingen (art. 252 Fw. tot en met art.  281 Fw.).

Akkoord in surseance

Art. 252 Fw. bepaalt, dat de schuldenaar bevoegd is bij of na het verzoek tot surseance aan zijn schuldeisers, welke binnen de surseance vallen een akkoord aan te bieden. Het beoogde akkoord dient de schuldenaar bij de griffie van de rechtbank neer te leggen voor kosteloze inzage (art. 253 lid 1 Fw.). Daarnaast moet een afschrift van het akkoord per omgaande voorgelegd worden aan de bewindvoerders en de deskundigen (art. 253 lid 2 Fw.). 

Verval akkoord

Het akkoord komt te vervallen indien er een rechtelijke beslissing inzake de beëindiging van de surseance wordt uitgesproken en er op dat moment nog geen vonnis in kracht van gewijsde is gegaan omtrent de homologatie van het akkoord (art. 254 Fw.).

Akkoord gelijktijdig met verzoek surseance

Op het moment dat het ontwerp van akkoord gelijktijdig met het verzoek tot verlening van surseance bij de griffie is neergelegd, kan de rechtbank na overleg met de rechter-commissaris en de bewindvoerder, bepalen dat de in art. 218 Fw. bedoelde behandeling van het verzoek niet zal plaatsvinden, waarbij tevens zal worden vastgesteld (art. 255 lid 1 Fw.):

– de dag waarop de schuldeisers hun vorderingen uiterlijk moeten hebben ingediend bij de bewindvoerder (art. 255 lid 1 onder 1° Fw.). 

– de dag en het tijdstip waarop het aangeboden akkoord in het bijzijn van de rechter-commissaris of bij diens afwezigheid in de raadkamer zal worden geraadpleegd en beslist (art. 255 lid 1 onder 2° Fw.).

In aanvulling hierop bepaalt art. 255 lid 2 Fw. dat tussen de dag waarop de vordering uiterlijk ingediend dienen te zijn en de dag waarop er een beslissing wordt genomen omtrent het aangeboden akkoord, tenminste veertien dagen dient te zitten. Indien de rechtbank van de gelijktijdige behandeling geen gebruik maakt of het ontwerp van akkoord niet tegelijk met het verzoekschrift tot het verlenen van surseance is ingediend, zal de rechtbank de dag en tijdstip op grond van art. 255 lid 1 Fw. vaststellen, zodra de beschikking over de verlening van de surseance definitief is (art. 255 lid 3 Fw.).

Aankondiging Staatscourant

Op grond van art. 256 lid 1 Fw. is het de taak van de bewindvoerder om een aankondiging te doen in de Staatscourant. Daarnaast stellen hij de bekende schuldeisers in kennis, waarbij rekening dient te worden gehouden met art. 257 lid 2 Fw. (art. 256 lid 2 Fw.). Het staat de schuldeisers vrij om in persoon te verschijnen of bij schriftelijke gemachtigde of advocaat. Daarnaast kunnen de bewindvoerders vorderen dat de schuldenaar hun een door hen te bepalen bedrag voldoet om de  kosten van de aankondigingen en kennisgevingen te kunnen dekken (art. 256 lid 3 en 4 Fw.).

Indiening vorderingen

Schuldeisers kunnen hun vorderingen indienen bij de bewindvoerders. Hierbij dienen zij bewijsstukken aan te leveren inzake de hoogte van de vordering en de aard. Schuldeisers kunnen van de bewindvoerders een ontvangstbewijs vorderen (art. 257 lid 1 en lid 3 Fw.).

Ten aanzien van vordering die buiten de werking van de surseance vallen, kunnen niet worden ingediend. Indien een dergelijke vordering alsnog blijkt te zijn ingediend, dan werkt de surseance ook ten aanzien van deze vordering en vervallen alle aan de vordering verbonden voorrechten, zoals retentie- en pandrecht, mits de vordering niet voor de aanvang van de stemming wordt teruggenomen (art. 257 lid 2 Fw.). 

Toetsing van de ingediende vorderingen

Art. 257a Fw. bepaalt dat art. 110a Fw. van overeenkomstige toepassing is. Na de indiening van een vordering zullen de bewindvoerders de ingezonden vorderingen toetsen aan de administratie en opgaven van de schuldenaar. Indien zich bezwaren voordoen dan zullen de bewindvoerder met de schuldeisers in overleg treden. Indien gewenst kunnen de bewindvoerders de oorspronkelijke bewijsstukken opeisen en inzage in de administratie vorderen (art. 258 Fw.). 

Aansluitend zullen de bewindvoerders aan de hand van de ingediende vorderingen een crediteurenlijst opstellen, waarop de namen en verdere gegevens van de schuldeisers zijn opgenomen, alsmede of en in hoever de bewindvoerders de vorderingen erkennen of betwisten (art. 259 Fw.).

Rentedragende vorderingen

Ten aanzien van rentedragende vorderingen bepaalt art. 260 lid 1 Fw. dat deze vorderingen op de lijst worden opgenomen met bij rekening van de rente tot de aanvang van de surseance. Daarnaast zijn de artt. 129, 133-135 en 136 lid 1 en 2 Fw. van toepassing.

Opschortende voorwaarde

Ook vorderingen onder een opschortende voorwaarde kunnen opgenomen op de crediteurenlijst. Hierbij wordt de waarde bij de aanvang van de surseance aangehouden. Indien de schuldeisers en bewindvoerders het niet eens worden over de waardebepaling, dan wordt de vordering voor het volle bedrag voorwaardelijk toegelaten (art. 261 lid 1 en 2 Fw.).

Tijdstip opeisbaarheid onzeker

Ook kan het zo zijn dat er een vordering aanwezig is waarvan het tijdstip van opeisbaarheid onzeker is, of waarbij er een recht op periodieke uitkeringen is. In dit geval wordt de vorderingen op de crediteurenlijst opgenomen voor de waarde bij de aanvang van de surseance (art. 262 lid 1 Fw.). Ten aanzien van schuldvorderingen die binnen één jaar na aanvang van de surseance komen te vervallen, bepaalt art. 262 lid 2 Fw. dat deze dienen te worden behandeld alsof zij op dat tijdstip opeisbaar worden. Vorderingen die later dan één jaar vervallen, worden op de crediteurenlijst opgenomen voor de waarde, die zij hebben na verloop van een jaar na dat tijdstip.

Bij de berekening wordt op grond van art. 262 lid 3 Fw. uitsluitend gelet op:

– het tijdstip
– de wijze van aflossing
– het kansgenot
– en indien de vordering rentedragend is, de bedongen rentevoet

Afschrift crediteurenlijst

De crediteurenlijst zoals genoemd in art. 259 Fw. wordt door de bewindvoerders ter griffie van de rechtbank kosteloos neergelegd, om gedurende zeven dagen voorafgaande aan de vergadering ex art. 255 Fw. kosteloos te kunnen inzien (art. 263 lid 1 en 2 Fw.).

Uitstel raadpleging en stemming

Indien de bewindvoerders dat verzoeken kan de rechter-commissaris of de rechtbank de raadpleging en stemming over het akkoord uitstellen. Deze bevoegdheid heeft de rechter-commissaris of de rechtbank ook ambtshalve. In een dergelijke situatie is art. 256 Fw. overeenkomstig van toepassing (art. 264 lid 1 en 2 Fw.).

Vergadering en laatste mogelijkheid indienen vorderingen

Op de vergaderingen dienen de bewindvoerders en de deskundigen schriftelijk verslag uit te brengen over het aangeboden akkoord. Hierbij is art. 144 Fw. overeenkomstig van toepassing (art. 265 lid 1 Fw.). Vorderingen die na afloop van de in art. 255 onder 1° Fw. genoemde termijn, maar wel twee dagen voor de dag van de vergadering bij de bewindvoerders zijn ingediend, worden op een daartoe op de vergadering gedaan verzoek op de crediteurenlijst opgenomen, mits de bewindvoerders dan wel de schuldeisers daartegen geen bezwaar maken (art. 265 lid 2 Fw.). Indien een vordering later wordt ingediend dan wordt deze niet mee opgenomen op de crediteurenlijst (art. 265 lid 3 Fw.). Dit geldt niet ten aanzien van schuldeisers die buiten Europa wonen en daardoor niet eerder een melding kon doen (art. 265 lid 4 Fw.). 

Indien er een bezwaar voordoet op grond van art. 265 lid 2 Fw. of een geschil over de verhindering van een schuldeisers op grond van art. 265 lid 4 Fw., beslist de rechter-commissaris, dan wel de rechtbank na de raadpleging van de vergadering (art. 265 lid 5 Fw.).

Erkenning en betwisting

Art. 266 lid 1 Fw. bepaalt dat de bewindvoerder de bevoegdheid hebben om op de vergadering op elke door hen gedane erkenning of betwisting terug te komen. Daarnaast kunnen zowel de schuldenaar als een verschenen schuldeisers een door de bewindvoerders geheel of gedeeltelijk erkende vordering betwisten. Deze betwistingen of erkenningen die op de vergadering zijn gedaan, worden op de crediteurenlijst aangetekend (art. 266 lid 2 en 3 Fw.).  

Het is vervolgens aan de rechter-commissaris of de rechtbank om vervolgens de bepalen of en tot welke bedrag de schuldeisers waarvan de vorderingen worden betwist, tot de stemming worden toegelaten (art. 267 Fw.).

Vereisten akkoord

Om een akkoord te kunnen bereiken wordt vereist dat de gewone meerderheid van de verschenen erkende en toegelaten schuldeisers, die tezamen ten minste de helft van het bedrag van de erkende en toegelaten schuldenvordering vertegenwoordigen, instemmen met het aangeboden akkoord. Er is geen toestemming vereist van een erkende of toegelaten schuldeiser, indien de schuldvordering is gebaseerd op een verbeurde dwangsom (art. 268 lid 1 Fw.). Art. 147 Fw. is eveneens van toepassing (art. 268 lid 2 Fw.).

Auteur & Last edit

[AB, 9-12-2018]

1 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 5 (1 votes, average: 4,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.

Wat vond u van dit artikel ?

1 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 5 (1 votes, average: 4,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.