Curator (Par. 2, Afd. 3, Titel 1 Fw.)

Curator (Par. 2, Afd. 3, Titel 1 Fw.)

Inleiding taak en bevoegdheden curator

De door de rechtbank aangestelde curator heeft tot taak het vermogen van de gefailleerde schuldenaar (oftewel: de “boedel”) te vereffenen. De bevoegdheden van de curator in relatie tot die taak zijn geregeld in Par. 2, Afd. 3 van Titel I Fw..

De curator staat onder toezicht van een rechter-commissaris (afgekort “R-C”). Voor alle beschikkingshandelingen heeft de curator toestemming van de R-C nodig. Zie de pagina rechter-commissaris.

Bevel tot handelen of nalaten (art. 69 Fw.)

De schuldeiser, de commissie uit de schuldeisers of de gefailleerde die het niet eens is met de taakuitoefening door de curator kan bij de rechter-commissaris een verzoek indienen, waarin wordt gevraagd de curator te bevelen iets te doen of juist na te laten (art. 69 Fw.). De “procedure” is heel eenvoudig: een simpele brief is genoeg.

Beperkt toetsingskader

Aan het verzoek ex art. 69 Fw. worden specifieke eisen gesteld: het verzoek wordt beoordeeld vanuit het belang van de boedel en mag niet zien op een specifiek eigen belang van de verzoeker. Het mag ook niet een procedure zijn betreffende de rechten van de boedel in de zin van art. 25 Fw.. Het moet specifiek gaan om (de wijze van) het beheer van de boedel door de curator.

Het standaardarrest van de Hoge Raad waarin de beperkte marges zijn geschetst, waarbinnen gebruik gemaakt kan worden van dit rechtsmiddel, dateert van 31 december 1925 (NJ 1926, p. 316).

De Hoge Raad overweegt in dat arrest:

“(…) dat toch het voorschrift van artikel 69 Fw. alleen is gegeven om onder meer den schuldeischers invloed toe te kennen op het beheer over den faillieten boedel en om, zoo zij meenen, dat bij dat beheer door doen of laten fouten worden gemaakt, deze te doen herstellen of voorkomen, geenszins om die schuldeischers in de gelegenheid te stellen op deze uiterst eenvoudige, maar ook weinig waarborgen biedende wijze aan hen persoonlijk toekomende rechten tegenover den boedel geldend te maken”.

Zie de conclusie van de P-G d.d. 19 februari 2010 (Groot Amer/Gustenhoven q.q.) bij het arrest van die datum, waarbij het beroep van de verzoeker zonder verdere motivering werd afgewezen op de voet van art. 81 lid 1 RO.

Termijn beslissing

De R-C beslist “binnen drie dagen, na de curator gehoord te hebben”. In beginsel heeft te gelden, dat binnen drie dagen na indiening van het verzoek beslist moet worden. In de praktijk kan dit langer in beslag nemen, doordat ook is voorgeschreven dat de curator gehoord wordt. Horen van de verzoeker is niet verplicht. Overschrijding van de termijn heeft geen gevolgen (niet bedreigd met nietigheid). De R-C zal de curator om een toelichting vragen, en daarbij kan de rechtbank de curator een zelf gekozen termijn stellen om te reageren, van een week tot 14 dagen. In de praktijk kan het dus langer duren eer wordt beslist.

Proceskosten verzoek art. 69 Fw.

Bij de beslissing op het verzoek kan ten laste van de in het ongelijk gestelde partij ook een proceskostenveroordeling worden uitgesproken. Zie het arrest van de Hoge Raad d.d. 15-12-2017 (Brammer/Aarnink q.q.). Zie ook de pagina proceskosten.

Onafhankelijkheid R-C bij verzoek art. 69 Fw. en art. 6 EVRM

In de literatuur wordt de nodige kritiek geuit op de procedure van art. 69 Fw.. Omdat de R-C ook belast is met het toezicht op de curator en beslissingen, die onderwerp kunnen zijn van dit klachtrecht ook reeds door de R-C zelf goedgekeurd kunnen zijn, zijn er vraagtekens te plaatsen bij de onafhankelijkheid. De vraag wordt ook opgeworpen of de procedure in strijd is met art. 6 EVRM.

De Hoge Raad heeft bezwaren over de onafhankelijkheid van de hand gewezen. Zie HR 20 januari 2006 (Bozua/Huizing q.q. RvdW 2006, 106). En HR 5 september 2003 (faillissement Binair Nederland/Litjens q.q.), zie daar met name de conclusie van de P-G  (met name nr. 4.11) omdat het arrest zelf is afgedaan ex art. 81 R.O..

Hoger beroep beslissing art. 69 Fw.

Tegen de beslissing van de R-C op het verzoek van art. 69 Fw. is “hoger beroep” mogelijk bij de rechtbank (art. 67 Fw.).

De termijn voor het instellen van dit beroep is vijf dagen.

Rechtspraak

HR 15-12-2017 (Brammer/Aarnink q.q.) – verzoek delen informatie t.b.v. gezamenlijk optreden tegen bestuurder(s); proceskostenveroordeling beslissing art. 69 Fw.

HR 19 februari 2010 (Groot Amer B.V./Gustenhoven q.q.) – verzoeker geen belang (meer) en streeft vooral eigen individueel belang na

HR 20 januari 2006 (Bozua/Huizing q.q. RvdW 2006, 106) – R-C voldoende onafhankelijk in procedure art. 69 Fw.

Auteur & Last edit

[MdV, 26-04-2018; bijgewerkt 14-11-2018]

1 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 5 (1 votes, average: 4,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.

Wat vond u van dit artikel ?

1 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 5 (1 votes, average: 4,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.