LawyrupBurgerlijk wetboekBijzondere overeenkomsten (Boek 7 B.W.)Arbeidsovereenkomst (Titel 10, Boek 7 B.W.)Bijzondere bepalingen uitzendovereenkomst (Afd. 11, Titel 10, Boek 7 B.W.)

Definitie uitzendovereenkomst

Allereerst bevat de afdeling uiteraard de definitie van de uitzendovereenkomst (art. 7:690 B.W.):

– de arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer

– door de werkgever, in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever (het uitzendbureau)

– ter beschikking wordt gesteld van een derde (de inlener)

– om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht

– arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde

In het arrest HR 4 november 2016 (Care4Care/StiPP) kwam de vraag aan de orde, of naast deze criteria voor kwalificatie als uitzendovereenkomst ook de zgn. “allocatiefunctie” een vereiste was. Deze functie vervult het uitzendbureau als het personeel levert voor tijdelijke vervanging in geval van ziekte of extra drukte (“ziek of piek”). Care4Care had namelijk een verklaring voor recht gevraagd, dat zij niet onder het pensioenfonds voor de uitzendbranche StiPP viel, omdat zij volgens haar niet de allocatiefunctie van het klassieke uitzendbureau had. Dit argument werd in de literatuur ook wel aangevoerd, door schrijvers die het onwenselijk vonden dat het verlichte ontslagregime van de uitzendovereenkomst ook gold voor uitzendbureaus die deze allocatiefunctie niet vervullen, zoals met name bij payrolling het geval zou zijn. De Hoge Raad wijst dit van de hand en beslist dat het Hof – anders dan de Kantonrechter – de gevraagde verklaring voor recht terecht had afgewezen. De Hoge Raad overweegt (r.o. 3.4.2.):

“Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 7:690 BW kan niet worden afgeleid dat voor het aannemen van een uitzendovereenkomst andere vereisten gelden dan vermeld in deze bepaling. De tekst van art. 7:690 BW eist niet dat de bij de derde te verrichten arbeid tijdelijk is, noch impliceert deze een beperkende ‘allocatiefunctie’ als door het onderdeel wordt bepleit. Uit de toelichting op het artikel blijkt dat de wetgever heeft beoogd dat ook andere driehoeksrelaties dan de – kort gezegd – ‘klassieke uitzendrelatie’ onder de reikwijdte van de bepaling zouden vallen, mits aan de begripsomschrijving wordt voldaan (Kamerstukken II 1996-1997, 25 263, nr. 3, p. 9-10).”

Ketenregeling en (tussentijds) einde

Voor de uitzendovereenkomst geldt een “verlicht regime” ten aanzien van het ontslagrecht (zie de pagina Einde van de  arbeidsovereenkomst). Deze komt tot uitdrukking in art. 7:691 B.W.. In het hierboven (en onder) vermelde arrest van de Hoge Raad Care4Care/StiPP kwam ook de vraag aan de orde, of voor deze bepaling wel het aanvullende vereiste van de allocatiefunctie gold, hiervoor dus een van art. 7:690 B.W. afwijkende definitie geldt. De Hoge Raad beantwoordt die vraag ontkennend (r.o. 3.4.3.):

“Opmerking verdient dat hetgeen hiervoor in 3.4.2 is overwogen over de uitleg van art. 7:690 BW, ook gevolgen heeft voor de uitleg van art. 7:691 BW. De wetsgeschiedenis biedt geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat de wetgever in art. 7:691 BW aan het begrip ‘uitzendovereenkomst’ een andere betekenis heeft willen geven dan in art. 7:690 BW. Gelet op de plaatsing van beide artikelen in een afzonderlijke afdeling in de wet, waarbij art. 7:690 BW de begripsomschrijving en art. 7:691 BW enkele regels geeft, ligt zo’n andere betekenis ook niet voor de hand.”

Het verlichte ontslagregime dat geldt bij de uitzendovereenkomst kent de volgende afwijkingen ten opzichte van de reguliere arbeidsovereenkomst.

De regeling van art. 7:668a B.W., dat de werknemer een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd verkrijgt na een opeenvolging van meerdere contracten voor bepaalde tijd, geldt bij de uitzendovereenkomst als de werknemer in meer dan 26 weken arbeid heeft verricht (art. 7:691 lid 1 B.W.).

In de uitzendovereenkomst kan schriftelijk worden bedongen dat die overeenkomst van rechtswege eindigt doordat de terbeschikkingstelling van de werknemer op verzoek van die derde ten einde komt (lid 2). In dat geval kan ook de werknemer per direct opzeggen.

De werkgever is – als dat beding is opgenomen – volgens lid 2 laatste volzin niet verplicht de werknemer een maand vooraf schriftelijk mee te delen of hij de overeenkomst wilt voortzetten, en zo ja onder welke voorwaarden (oftewel art. 7:668 B.W. lid 1 t/m 3 en lid 4 sub a B.W. is niet van toepassing).

Heeft de werknemer in meer dan 26 weken arbeid verricht voor het uitzendbureau, dan vervalt het beding van lid 2 en kan niet meer worden opgezegd omdat de inlener de opdracht beëindigt (lid 3).

Voor de berekening van de termijnen, bedoeld in de leden 1 en 3, worden perioden waarin arbeid wordt verricht die elkaar opvolgen met tussenpozen van ten hoogste zes maanden mede in aanmerking genomen (lid 4). Wanneer daarbij voor verschillende werkgevers wordt gewerkt die gezien de arbeid elkaars opvolgers zijn, dan geldt deze regel ook (lid 5).

Behoud loon bij stilzit

In art. 7:691 lid 7 B.W. is bepaald, dat de aanspraak op loon op grond van art. 7:628 lid 1 B.W. (werknemer behoudt recht op loon indien hij niet heeft kunnen werken door een oorzaak die voor rekening van de werkgever komt) in een uitzendovereenkomst kan worden beperkt of uitgesloten. Dit echter tot ten hoogste de eerste 26 weken waarin de werknemer arbeid verricht. Art. 7:628 leden 5, 6 en 7 is niet van toepassing.

Art. 7:691 lid 1 B.W. geldt niet wanneer de uitzendwerkgever en de inlener onderdeel zijn van hetzelfde concern in de zin van art. 2:24a of 2:24b B.W..

Afwijking bij CAO

Bij CAO kunnen de hiervoor vermelde termijnen van 26 weken worden opgerekt tot ten hoogste 78 weken. Ook kan voor de bepaling met betrekking tot concerns bij CAO uitzondering mogelijk gemaakt worden (lid 8).

Payrolling

In het hiervoor genoemde arrest Care4Care/StiPP ging de Hoge Raad ook in op de vraag, of het wenselijk is dat bedrijven, die personeel uitlenen met een andere doelstelling dan de allocatiefunctie – en dan met name bij payrolling – ook onder het verlichte ontslagregime van de uitzendovereenkomst vallen. De Hoge Raad vond dat hier een taak lag voor de wetgever (r.o. 3.4.3, 2e alinea). De wetgever heeft die taak opgepakt.

Met de Wet Arbeidsmarkt in Balans) (Stb. 2019, 219) (i.w.tr. 1-01-2020, Stb. 2019, 266) heeft de wetgever art. 7:692 B.W. vernummerd naar art. 7:692a B.W. en twee bepalingen gewijd aan het uitzonderen van payrolling van de regeling voor uitzendovereenkomsten. In art. 7:692 B.W. wordt een definitie gegeven van payrolling:

“De payrollovereenkomst is de uitzendovereenkomst, waarbij de overeenkomst van opdracht tussen de werkgever en de derde niet tot stand is gekomen in het kader van het samenbrengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en waarbij de werkgever alleen met toestemming van de derde bevoegd is de werknemer aan een ander ter beschikking te stellen.”

En in art. 7:692a lid 1 B.W. is bepaald, dat het verlichte regime van art. 7:691 B.W. niet geldt voor de payrollingovereenkomst.

Aansprakelijkheid inlener werk zeeschip

Wanneer de arbeid op een zeeschip in de zin van Afd. 12, Titel 10, Boek 7 B.W. verricht wordt, is de inlener aansprakelijk voor de nakoming van de verplichtingen die gelden voor zeevarende werknemers inzake:

– betaling loon (art. 7:706 B.W. tot en met art. 7:709 B.W.);

– vakantie (art. 7:717 B.W.);

– repatriëring (art. 7:718 B.W.);

– vergoeding in geval van schipbreuk en overlijden (art. 7:719 B.W. en art. 7:720 B.W.), en;

– de bepalingen bij ziekte van de zeevarende werknemer (art. 7:734 B.W. tot en met art. 7:734l B.W.),

ongeacht het op de uitzendopdracht of de uitzendovereenkomst toepasselijke toepasselijke recht (art. 7:693 B.W.). Echter alleen als de werkgever (de uitlener) met de nakoming daarvan in gebreke is.

Deze bepaling is evenals Afd. 12 en Afd. 12A toegevoegd per 20 augustus 2013 met invoering van de Implementatiewet Maritiem Arbeidsverdrag. Zie meer hierover op de pagina Zee-arbeidsovereenkomst.

Rechtspraak

Definitie uitzendovereenkomst

HR 4 november 2016 (Care4Care/StiPP) – Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 7:690 BW kan niet worden afgeleid dat voor het aannemen van een uitzendovereenkomst andere vereisten gelden dan vermeld in deze bepaling.

Auteur & Last edit

[MdV, 24-11-2018; bijgewerkt 11-01-2020]

0 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 5 (0 votes, average: 0,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.