Persoonlijk letsel door onrechtmatige daad

Inleiding letsel door onrechtmatige daad

Een ongeluk zit in een klein hoekje. Persoonlijke ongevallen komen zowel voor in de privé-sfeer (in en om het huis), als in sport en spel en in het verkeer. De Hoge Raad heeft door de jaren heen een stelsel van rechtsregels ontwikkeld voor de beoordeling van de vraag, wanneer een derde aansprakelijk is voor letsel en schade die is ontstaan door dergelijke ongevallen.

Kelderluik-arrest

Het standaard arrest is het zgn. Kelderluik-arrest, HR 5 november 1965 (Coca Cola Export Corporation/Mathieu Duchateau). Dit arrest is – hoewel nog gewezen onder het oude art. 1401 B.W. – nog steeds de maatstaf voor de toetsing van aansprakelijkheid bij persoonlijke ongevallen (letselschade). Om die reden is dit belangrijke arrest – hoewel uit 1965 – thans ook gepubliceerd in uitspraken.rechtspraak.

De centrale overweging in dit arrest – en de nadien steevast gehanteerde maatstaf bij letselschade – is dat in het licht van de omstandigheden van het gegeven geval moet worden beoordeeld:

“of en in hoever aan iemand die een situatie in het leven roept welke voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld, dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt;

dat daarbij dient te worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen.”

Lees de overwegingen van HR 11 november 1965 (Kelderluik-arrest)

Oudere arresten zijn wat lastiger te lezen, onder meer door de ingewikkelde zinsbouw en het ontbreken van een mooie indeling in genummerde rechtsoverwegingen. De zinnen beginnen allemaal met “dat”, waardoor de zinsbouw wordt omgegooid, en er worden veel bijzinnen gebruikt.

De casuspositie van het Kelderluik arrest was als volgt. Duchateau was in Café De Munt in Amsterdam, en wilde gebruik maken van de wc. Het café was tamelijk krap en donker, en net bij de toegang van de wc bevond zich het luik dat toegang gaf tot de kelder, waar de dranken werden opgeslagen. Een werknemer van Coca Cola – met de toepasselijke naam Sjouwerman – was net bezig het café te bevoorraden en had daartoe buiten medeweten van de eigenaar van het café het kelderluik geopend. Duchateau viel in het gat en liep daarbij ernstig letsel aan zijn linkerbeen op, waarvoor hij in een ziekenhuis (in Maastricht) werd behandeld. Sjouwerman had verzuimd iets voor het kelderluik te zetten om bezoekers van het café voor het gat te waarschuwen.

De aansprakelijkheid van Coca Cola was overigens een risico-aansprakelijkheid voor het handelen (c.q. nalaten) van haar ondergeschikte Sjouwerman. Bij de beoordeling van een dergelijke aansprakelijkheid staat de aansprakelijkheid van de werknemer centraal. Als die niet aansprakelijk gehouden kan worden, is uiteraard ook de werkgever niet aansprakelijk. Het Hof oordeelde, dat Sjouwerman inderdaad aansprakelijk was uit onrechtmatige daad, omdat hij onvoldoende maatregelen had genomen om te voorkomen, dat Duchateau in het openstaande gat van het kelderluik zou vallen.

Daartegenover staat, dat het Hof van oordeel was, dat het ongeval deels – en wel voor de helft – aan de eigen schuld van Duchateau was toe te rekenen, omdat hij zelf beter had moeten opletten. De Hoge Raad wijst de klachten van Coca Cola in cassatie af en laat het arrest van het Hof in stand.

Bij de beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag in dergelijke gevallen is een zorgvuldige weging van alle omstandigheden van het geval van belang. Het opnemen van de feitelijke situatie ter plaatse en het voldoende onderbouwen van de feitelijke omstandigheden zijn vaak cruciaal om aansprakelijkheid (of het ontbreken daarvan) vast te kunnen stellen.

Coca Cola vond, dat Duchateau zelf maar beter had moeten uitkijken. Zij stelde:

“dat een cafébezoeker, die van het herentoilet gebruik wilde maken en zich bewoog en gedroeg met de normale voorzichtigheid en oplettendheid, die van een ieder konden en mochten worden verwacht, ook al was hij ter plaatse niet bekend, een val in de kelderopening had kunnen vermijden, zodat van Sjouwerman in redelijkheid niet kon worden gevergd, dat hij voor de veiligheid van café-bezoekers, die zich tijdens het openstaan van het kelderluik naar het herentoilet begaven, nog andere maatregelen trof dan het opstapelen van een paar met lege flessen gevulde kistjes langs de rand van het keldergat aan de zijde waarlangs die bezoekers liepen en in ieder geval nalaten van dergelijke maatregelen geen grond opleverde tot het rechtens (mede) aansprakelijk stellen van Sjouwerman en Coca-Cola jegens Duchateau, indien deze het openstaan van het keldergat had opgemerkt, omdat niemand een dergelijk roekeloos en onvoorzichtig gedrag behoeft te voorzien.”

De centrale maatstaf voor aansprakelijkheid voor handelen of nalaten, waardoor een ander letsel kan overkomen, geeft de Hoge Raad met de volgende overwegingen over het tweede rechtsmiddel van Coca Cola:

“dat alleen in het licht van de omstandigheden van het gegeven geval kan worden beoordeeld of en in hoever aan iemand die een situatie in het leven roept welke voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld, dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt.

dat daarbij dient te worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen.

dat in de hier gegeven situatie, waarin Sjouwerman, door in de doorgang naar het toilet een kelderluik te openen, voor bezoekers die aan hun omgeving niet hun volledige aandacht zouden besteden, een ernstig gevaar had geschapen, hetwelk hij, naar het Hof overwoog, met eenvoudige middelen had kunnen voorkomen, het Hof door Sjouwerman te verwijten dat hij met de mogelijkheid van zodanige onoplettendheid geen rekening heeft gehouden en heeft nagelaten met het oog daarop maatregelen, als door het Hof aangegeven, te treffen, de maatstaven die voor de beoordeling van de schuld van Sjouwerman aan het Duchateau overkomen ongeval moeten worden aangelegd, niet heeft miskend.”

De Hoge Raad overwoog in navolging van het Hof over de schuld van Sjouwerman in dit concrete geval als volgt:

“dat het Hof de schuld van Sjouwerman hierin heeft gezien, dat, hoewel Sjouwerman er rekening mee had moeten houden ‘’dat bezoekers aan de toegang van het toilet wellicht niet hun volledige aandacht zouden besteden’’, hij, toen hij zich verwijderde, de toegang tot het keldergat niet, zoals hij gemakkelijk had kunnen doen, afdoende had gebarricadeerd.

Coca Cola had verder geklaagd, dat het Hof ten onrechte niet had vastgesteld, dat Duchateau het openstaande luik van tevoren had opgemerkt. Er stonden wat kistjes voor het keldergat, waar Duchateau omheen gemaneuvreerd was. Pas voorbij de kistjes, bij het opendoen van de wc-deur, stapte hij opzij en viel in het gat. De verklaringen over de vraag of hij het openstaande luik al had opgemerkt liepen uiteen, maar Duchateau ontkende dit in elk geval.

Het Hof had hier behendig omheen gemaneuvreerd, door de vraag of Duchateau het openstaande luik vooraf had opgemerkt te omzeilen:

“dat, ook indien Duchateau bij zijn nadering van het toilet het daar boven zichtbare naar boven geklapte kelderluik heeft opgemerkt, zulks aan de verwijtbaarheid van de gedragingen van Sjouwerman, zoals het Hof deze beoordeelde, geen afbreuk zou hebben gedaan.”

De onoplettendheid van Duchateau bleef niet geheel zonder gevolgen en komt tot uiting in de mate van “eigen schuld”. Of Duchateau daarbij al bij nadering had opgemerkt dat het kelderluik openstond, of niet deed niet ter zake voor die eigen verantwoordelijkheid om de nodige oplettendheid in acht te nemen. De Hoge Raad volgt de overwegingen van het Hof hierin:

“dat het Hof, dat bij de beoordeling van de schuld van Duchateau de juistheid van genoemde stelling in het midden kon laten omdat het Hof reeds op andere gronden tot de conclusie was gekomen dat Duchateau bij de nadering van het herentoilet op zijn omgeving had behoren te letten, ook voor de beoordeling van de schuld van Sjouwerman de vraag of Duchateau vóór zijn val het naar boven geklapte kelderluik heeft opgemerkt, heeft kunnen daarlaten.”

Uit een recente zaak, waarover de Hoge Raad zich nog moet uitspreken, blijkt dat niet iedere gebeurtenis die mogelijk is toe te rekenen aan iemands handelen of nalaten, en die schade tot gevolg heeft, tot aansprakelijkheid leidt. De mate van voorzienbaarheid en de maatregelen die van de betrokkenen in het licht daarvan verwacht mochten worden zijn – net als gold voor het handelen van Sjouwerman bij het Kelderluik-arrest – nog steeds leidend. In zijn conclusie P-G 17 augustus 2020 (Zeeuwse oesterput) komt de P-G tot de slotsom, dat de verweerders geen rekening hoefden te houden met een storing van de automatische afsluiting van de oesterput, waardoor waterschade was ontstaan.

Aansprakelijkheid voor persoonlijk letsel of materiële schade na het Kelderluik-arrest

Het aansprakelijkheidsrecht heeft zich voor wat betreft persoonlijk letsel dat iemand is overkomen sinds het Kelderluik-arrest verder ontwikkeld, maar de maatstaven van dat arrest blijven daarbij van belang. In de rechtspraak is een aantal categorieën te onderkennen van situaties waarin men letsel heeft opgelopen. Overigens gelden deze criteria ook wanneer er materiële schade is geleden.

Onderscheiden kan worden in letsel door ongevallen:

1. in de privé-sfeer (huis en tuin ongevallen);

2. tijdens sport en spel;

3. in een werksituatie;

4. in het verkeer;

5. opgelopen als gevolg van een onveilige situatie op de openbare weg.

De weging van de aansprakelijkheid verschilt in deze situaties, hoewel de redenering van de rechter wel verloopt langs de lijnen van het Kelderluik-arrest. Wanneer de rechter tot de slotsom komt, dat de gelaedeerde zijn schade niet kan verhalen, dan is daar een mooie term voor: de schade is het gevolg van “een ongelukkige samenloop van omstandigheden”. Dit is niet een juridisch criterium en ook geen maatstaf, maar slechts een etiket dat de rechter op de situatie plakt wanneer er niemand aansprakelijk gehouden kan worden en het slachtoffer van dit ongeluk zijn eigen schade moet dragen, hoe zuur dat ook moge zijn.

Letsel opgelopen in de privé-sfeer

Het aantal ongevallen waarbij mensen letsel in de privé-sfeer oplopen is verreweg het grootste van alle ongevallen waarbij letsel ontstaat. Samen met letsel opgelopen bij sport en spel bijna 75% van alle gevallen van persoonlijk letsel. In het algemeen zal bij een ongeluk in de prive-sfeer (of bij recreatie of uitgaan) minder snel aansprakelijkheid worden aangenomen.

Een recent voorbeeld waarin het Kelderluik-arrest werd toegepast is Hof Arnhem-Leeuwarden 6 april 2021 (smeerkuil). Hier moest ook nog worden vastgesteld, of er sprake was een ongeval in de privésfeer of dat er sprake was van een bedrijfsmatige situatie. Het slachtoffer was in een smeerkuil gevallen, nadat een bevriende relatie hem had uitgenodigd zijn tractor bij hem op het erf met een speciale hogedrukspuit te reinigen. De verlener van deze vriendendienst had marginale bedrijfsmatige werkzaamheden. Bij het – uit interesse – bekijken van een kiepwagen, die in een loods boven een smeerkuil stond, was het slachtoffer in de smeerkuil gevallen en letsel opgelopen.

Het Hof vond dat dit geen bedrijfsmatige situatie was, zodat de WA-verzekeraar (mede) dekking moest verlenen. Verder een typische toetsing conform Kelderluik: had het slachtoffer de van hem te verwachten normale voorzichtigheid in acht genomen. De aansprakelijkheid berustte mede op het feit dat de verlener van de vriendendienst zich van het gevaar bewust was en was vergeten ervoor te waarschuwen. Zelf verklaarde hij ook, dat hij dat normaal altijd wel deed.

In de zaak Hof Den Bosch 17 februari 2009 (JA 2009, 81 – niet gepubliceerd in ECLI) was een dame ten val gekomen tijdens een verhuizing. De verhuizers die ze had ingehuurd gebruikten – zoals gebruikelijk bij verhuizingen – zogenaamde hondjes (een soort board op wieltjes om dingen op te zetten en te verplaatsen). Bij een moment van onoplettendheid – ze liep achteruit – viel ze over een hondje en liep letsel op. Het Hof was van oordeel dat dit niet aan de verhuizer was toe te rekenen. Het was door de verhuizing minder ordelijk dan normaal en ze wist dat er hondjes gebruikt werden. Dus ze had zelf beter moeten opletten.

Het komt heel vaak voor, dat mensen elkaar een “speelse duw” geven. HR 17 november 2006 (speelse duw café-bezoeker) wees de Hoge Raad de klacht van de gelaedeerde af, die een ander aansprakelijk hield voor het letsel dat hij had opgelopen nadat die ander hem tijdens het café-bezoek een speelse duw gegeven had, waardoor hij was gevallen.

De P-G overweegt in zijn conclusie, dat de stelling dat het geven van een duw, waarbij een ander ten val kan komen en misschien letsel kan overkomen, in alle gevallen onrechtmatig is, niet kan worden volgehouden:

“Overigens ligt … in de rede dat het in veel gevallen niet mogelijk is “generiek” te beoordelen of een gebleken handelwijze de waarschijnlijkheid van een ongeval in niet te verantwoorden mate met zich meebrengt, omdat de mate van risico die met die handelwijze gepaard gaat (te) sterk van de variabele omstandigheden van het geval afhangt.”

De P-G verwijst daarbij naar oudere – niet in ECLI gepubliceerde – arresten: HR 11 december 1987, NJ 1988, 393 met noot G, r.o. 3.2 en 3.3; HR 20 juni 1986, NJ 1986, 780, r.o. 3.

Ook verwijst de P-G naar de “verhuizende zusjes” (HR 12 mei 2000, NJ 2001, 300) en de “zwiepende tak” (HR 9 december 1996, NJ 1996, 403):

“Zo werd in het arrest van 12 mei 2003 (in rov. 4.3) overwogen dat de daar vastgestelde toedracht – namelijk het tijdens het gezamenlijk verplaatsen (verhuizen) van een kast langs een trap, maken van een horizontale draaibeweging waarbij de betrokkene de kast uit de handen liet schieten en in een onwillekeurige reactie daarop een duw gaf – het ongeval zoals dat vervolgens plaatsvond niet zodanig waarschijnlijk maakte, dat de betrokkene zich van haar handelwijze had behoren te onthouden. Ook in het arrest van 9 december 1994 – waarin het ging om het tijdens een boswandeling schoppen tegen een tak die daarna tegen een andere wandelaar aanzwiepte en deze (ernstig) verwondde – stelde de Hoge Raad (in rov. 3.6) vast dat de (vast)gestelde toedracht geen ruimte liet voor het oordeel dat de desbetreffende handelwijze de door de “waarschijnlijkheidsnorm” bepaalde grens overschreed.”

In de zaak Rb. Oost-Brabant 11 november 2015 (gevelplaten) was er ook sprake van een privé-situatie. Een aannemer was kapotte gevelplaten aan het verwijderen, die met toestemming van de opdrachtgever door een gepensioneerde agent mochten worden opgehaald voor zijn prive-woning. Een vriend van de oud agent kwam de platen met een auto met aanhanger ophalen. De aannemer hielp de vriend met het opladen, maar daarbij kwam zijn vinger tussen een plaat en de aanhanger, waardoor het topje van zijn vinger geamputeerd werd. Ook hier wees de rechtbank aansprakelijkheid van de vriend af.

Lees de overwegingen van Rb. Oost-Brabant 11 november 2015 (gevelplaten)

De rechtbank oordeelde, dat uit de stellingen van de gelaedeerde niet bleek, dat de vriend een verwijt gemaakt kon worden dat hij zich schuldig gemaakt had aan ongebruikelijk gevaarzettend gedrag, waar hij zich van had moeten onthouden. Bovendien had de aannemer zelf verklaard de regie over het inladen te hebben genomen, omdat hij meende dat hij daar meer kaas van gegeten had dan de vriend in kwestie. In die situatie moest de aannemer zijn eigen schade dragen. De rechtbank overwoog (r.o. 4.11):

“De rechtbank acht niet aannemelijk dat het ongeval is gebeurd doordat de vriend na het optillen van het paneel eerder is gaan lopen dan de aannemer had verwacht. De aannemer stond immers op enige afstand van de aanhangwagen en moest eerst een stukje met de vriend mee lopen voordat hij bij (de rong van) de aanhangwagen was. Indien het zo is, zoals de aannemer stelt, dat hij met zijn rechter wijsvinger tussen de opstaande rong en het paneel is gekomen, dan zal dit zijn gebeurd bij het naar rechts brengen van het paneel om dit in de aanhangwagen te leggen. Of dit is veroorzaakt doordat de vriend tijdens deze manoeuvre zonder te waarschuwen tegen het paneel aan duwde, zoals de aannemer ter zitting heeft verklaard, staat niet vast want is door de vriend betwist.

Maar ook als dit wel het geval is geweest, dan betekent dit naar het oordeel van de rechtbank niet dat de vriend onrechtmatig heeft gehandeld. Door het paneel te duwen zonder de aannemer te waarschuwen ontstond weliswaar het gevaar dat de aannemer met zijn handen te dicht bij de aanhangwagen zou komen en daardoor bekneld zou raken, maar dit duwen maakte de kans op een ongeval niet zo groot dat de vriend zich daarvan naar maatstaven van zorgvuldigheid had moeten onthouden.

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de vriend de taak had het paneel in de richting van de aanhangwagen te brengen terwijl hij – uitgaande van de lezing van de aannemer over de lengte van de panelen – op zo’n 6 meter afstand van de aannemer stond en dus geen goed zicht had op de exacte plaats van de handen van de aannemer ten opzichte van de aanhangwagen. Gelet op de leidende rol die de aannemer op zich had genomen, zijn ervaring met de panelen en zijn positie ten opzichte van de aanhangwagen, mocht de vriend er op vertrouwen dat de aannemer met zijn handen voldoende afstand zou houden van de aanhangwagen en het zo nodig zou aangeven wanneer de vriend even zou moeten stoppen met lopen en/of duwen.”

De aannemer die letsel had opgelopen verwees bij zijn eis overigens naar een – volgens hem – soortgelijke zaak, Hof Leeuwarden 23 juli 2003 (verhuizing wasmachine), waarbij een wasmachine in een aanhanger geladen werd. In die zaak werd de helper van de gelaedeerde wel aansprakelijk gehouden. De rechtbank vond dat er relevante verschillen waren, waardoor degeen die hielp met het verhuizen van de wasmachine wèl aansprakelijk was. Doorslaggevend in die zaak was, dat de veroorzaker van de schade daar de regie op zich had genomen en verantwoordelijk was voor de aanpak en gebruikte materialen.

In de zaak leidend tot het arrest Hof Den Bosch 28 juni 2016 (botsing bij privé-zwembad) kwam het Hof ook tot de conclusie, dat de botsing tussen de bezitter van het zwembad (de gelaedeerde) en een (toen nog) vriend die op bezoek was en ook van het zwembad gebruik maakte een ongelukkige samenloop van omstandigheden was. Het Hof overwoog:

“Het leven van alledag wordt onwerkbaar indien te allen tijde van iedereen de hoogste zorgvuldigheid en oplettendheid zou worden geëist. Mensen zijn soms minder handig en daar kunnen, soms, andere mensen de dupe van worden. Dat valt, bezien vanuit de optiek van die andere mensen – de “slachtoffers” – onder de gevaren van alledag die voor risico van dat slachtoffer zelf komen. In het onderhavige geval ware het wenselijk geweest indien geïntimeerde een grotere mate van oplettendheid en behoedzaamheid in acht had genomen dan hij feitelijk heeft gedaan, maar dat hij dat niet heeft gedaan maakt zijn gedrag nog niet onrechtmatig jegens appellant.”

Dat de regels van het Kelderluik-arrest ook gelden bij materiële schade blijkt uit Hof Den Bosch 7 juli 2018 (omgewaaide boom). Het ging hier om een omgevallen boom die schade had veroorzaakt aan het hek van de buurman. Het Hof haalt in zijn arrest ook de criteria aan die gelden voor de redelijke maatregelen die iemand moet nemen om schade te voorkomen, zoals aan de orde kwamen in de Surfplank-zaak:

“voor het aannemen van onrechtmatigheid in gevaarzettingssituaties ten minste is vereist dat de dader wist of behoorde te weten van het door hem gecreëerde gevaar en de dreigende verwezenlijking daarvan. De in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid gaat immers niet zo ver dat men, wanneer men een gevaarzettende situatie in het leven heeft geroepen of in stand heeft gelaten, ook voorzorgsmaatregelen zou moeten nemen indien men niet weet en ook geen redenen heeft om aan te nemen dat er enig gevaar dreigt, vgl. HR 23 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:AJ6863 (VR 1991/154 (Surfplank). In zoverre is grief 1 terecht voorgedragen, aangezien de kantonrechter in het bestreden vonnis heeft miskend dat aan dit vereiste moet zijn voldaan om aansprakelijkheid te kunnen aannemen.”

De eigenaar van de boom komt echter in dit geval niet onder een veroordeling uit. De eigenaar van de boom had namelijk niets gedaan aan het onderhoud van de boom en had waarschuwingen van de buurman in de wind geslagen. Dit terwijl hij redelijkerwijs had moeten onderkennen, dat de boom teveel was uitgegroeid en onderhoud noodzakelijk was om het gerealiseerde gevaar te voorkomen.

Slotsom aansprakelijkheid privé-situatie

Er kan dus niet in zijn algemeenheid worden gesteld, dat onvoorzichtig handelen zoals het geven van een amicale duw of het schoppen tegen een tak in het bos per definitie een handeling is die vanwege de gevaarzetting die ervan kan uitgaan achterwege moet blijken. Pakt dat verkeerd uit, dan kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden worden vastgesteld dat de “dader” voor de onbedoelde schadelijke gevolgen (het letsel dat een ander daardoor overkomt) aansprakelijk is. Juridische causaliteit is dus niet hetzelfde als natuurkundige causaliteit.

Ook de onderlinge verhouding tussen de betrokken personen en de voorzienbaarheid van de schade spelen een rol. Met name in een situatie waarin mensen zich als privé personen tot elkaar verhouden, zal er meer nodig zijn voor aansprakelijkheid. Ook in een sport en spel situatie geldt, dat aansprakelijkheid minder snel wordt aangenomen, heel anders dan in een werksituatie.

Letsel opgelopen tijdens sport en spel

Bij activiteiten in een sport en spel situatie geldt een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel: de deelnemers moeten bij deelname aan sport en spel rekening houden met meer risico. In het arrest HR 28 maart 2003 (“Witmarsumer Merke”) heeft de Hoge Raad zich hier over uitgelaten. In dat arrest wijst de Hoge Raad op meerdere eerder door hem gewezen arresten, waarbij in een sport en spelsituatie:

de vraag of een deelnemer aan een sport of spel onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging als gevolg waarvan aan een andere deelnemer letsel is toegebracht, minder spoedig bevestigend moet worden beantwoord dan wanneer die gedraging niet in een sport- of spelsituatie had plaatsgevonden. De reden daarvan is dat de deelnemers aan die sport of dat spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten”.

Lees meer over het arrest Hoge Raad 28 maart 2003 (“Witmarsumer Merke”)

De casuspositie was als volgt. In het kader van de Witmarsumer Merke heeft op 2 augustus 1997 in de gemeente Wûnseradiel, een wedstrijd met een spelelement plaatsgevonden. Over de Bottefeart is een kabel gespannen, waaraan een katrol hing. De deelnemers aan de wedstrijd moesten hangende aan deze katrol naar het midden van de Bottefeart zweven en de katrol dan loslaten, om te landen op een drijvend plateau. Vervolgens dienden zij over drijvende platen naar de overkant van het vaarwater te lopen naar een kanosteiger, waar zij een bel moesten luiden. Dit alles moesten de deelnemers zo snel mogelijk doen, zonder daarbij nat te worden.

Aan dit spel deden – naast anderen – drie deelnemers mee. De verweerder in cassatie had de overkant droog gehaald, maar de twee anderen niet. Zij hebben de verweerder daarna in het water gegooid, hoewel hij zich daartegen verzette. Bij de val in het water is hij met zijn linkerbeen in aanraking gekomen met een voorwerp dat zich onder het wateroppervlak bevond in de modderige bodem van de sloot. Dientengevolge is hij gewond geraakt. Hij ondervindt nog steeds de gevolgen van deze verwonding. Voordat de wedstrijd begon, hebben de organisatoren het wedstrijdwater oppervlakkig gecontroleerd op de aanwezigheid van mogelijk gevaarlijke voorwerpen.

De gelaedeerde legde aan zijn vordering ten grondslag dat de andere twee onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld door hem tegen zijn wil in het water te gooien, zonder te (kunnen) weten of onder water wellicht gevaarlijke obstakels aanwezig waren. Zij bestreden dat zij jegens gelaedeerde onrechtmatig hebben gehandeld, waartoe zij onder meer hebben aangevoerd dat het onderhavige voorval plaatsvond in het kader van een sport- en spel-situatie. Het feit dat zij hem in het water hebben gegooid, lag in de lijn der verwachtingen bij een wedstrijd die op waterpret was gericht. Normaal gesproken is dit volstrekt onschuldig en risicoloos; het feit dat dit in het onderhavige geval tot een (ernstige) verwonding heeft geleid, lag volgens hen buiten het normale verwachtingspatroon en was voor hen onvoorzienbaar.

Rechtbank en Hof oordeelden, dat de spelsituatie voorbij was en daarom de regel voor sport en spel niet aan de orde was. De rechtbank oordeelde, dat het een ongeluk was, maar het Hof veroordeelde de twee gedaagden wel. De Hoge Raad overwoog, dat de sport en spelsituatie niet zonder meer voorbij hoeft te zijn als het spel volgens de regels is afgelopen (in dit geval het laten rinkelen van de bel). De Hoge Raad overwoog (r.o. 3.6):

“De Hoge Raad heeft in een reeks arresten, zoals vermeld in de conclusie van de Procureur-Generaal onder 10, geoordeeld dat de vraag of een deelnemer aan een sport of spel onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging als gevolg waarvan aan een andere deelnemer letsel is toegebracht, minder spoedig bevestigend moet worden beantwoord dan wanneer die gedraging niet in een sport- of spelsituatie had plaatsgevonden. De reden daarvan is dat de deelnemers aan die sport of dat spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten (vgl. HR 28 juni 1991, 14235, NJ 1992, 622).

Aangezien de door die sport of dat spel bepaalde verhouding tussen de deelnemers daaraan niet direct en geheel hoeft te veranderen doordat en op het moment waarop aan die sport of dat spel volgens de daarvoor geldende regels, een einde komt, houdt ook de verhoogde drempel om aansprakelijkheid te kunnen aannemen, dan niet steeds direct en geheel op te gelden. Een (korte) tijd daarna kan het feit dat partijen zo-even nog met elkaar hebben gewedijverd of in een spelsituatie waren verwikkeld, de verwachtingen die zij van elkaar mogen of moeten hebben, blijven beïnvloeden, afhankelijk van de aard van die activiteit en de verdere omstandigheden van het geval.”

De P-G overwoog in nr. 10 van zijn conclusie:

“Deze arresten hadden betrekking op sporten waarbij gelijktijdig meer dan één speler betrokken is, zoals judo, voetbal en tennis; zie HR 19 oktober 1990, NJ 1992, 621 (tennisbal) en HR 28 juni 1991, NJ 1992, 622 (natrap), beide m.nt. CJHB; HR 11 november 1994, NJ 1996, 376 m.nt. CJHB (judoworp).”

Daarom verschilde de situatie in die gevallen van de situatie tijdens de Witmarsumer Merke, aldus de P-G (en ook de Hoge Raad):

“door eisers in cassatie is onweersproken erop gewezen dat de onderhavige, in het kader van de Witmarsumer Merke georganiseerde wedstrijd, onderdeel uitmaakte van festiviteiten waarbij in het water geraken van de deelnemers tot het beoogde vermaak behoorde. Met name in een dergelijke situatie kan aanleiding bestaan aan te nemen dat de door die wedstrijd bepaalde verhouding tussen de deelnemers niet direct geheel hoefde te veranderen doordat en op het moment waarop aan die wedstrijd, volgens de regels waaronder deze plaatsvond, een einde kwam.”

Het verzet van de gelaedeerde moesten zij wel serieus nemen:

“Wie een handeling of gedraging doorzet ondanks verzet van een ander, dient in beginsel steeds rekening te houden met de mogelijkheid (zo niet: waarschijnlijkheid) dat dit verzet serieus is gemeend en die ander werkelijk niet wil dat de desbetreffende handeling of gedraging plaatsvindt.”

Maar daarmee was de onrechtmatigheid daarvan niet in zichzelf reeds een gegeven, oordeelde de Hoge Raad. En doordat het Hof de sport en spelsituatie niet in de afweging had meegenomen, was het oordeel van het Hof niet deugdelijk gemotiveerd. Het Hof begon wel vanuit een juist vertrekpunt, namelijk dat de voorzienbaarheid van het letsel van belang is. Aldus de Hoge Raad (r.o. 3.11):

“Het Hof heeft terecht tot uitgangspunt gekozen dat niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar, dat gedrag onrechtmatig doet zijn, maar dat zodanig gevaarscheppend gedrag slechts onrechtmatig is indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden (HR 9 december 1994, 15527, NJ 1996, 403).”

Het arrest van het Hof werd daarom vernietigd en de zaak werd verwezen ter verdere afdoening door een ander Hof.

In een uitspraak van Rb. Oost-Brabant 12 april 2018 (onfortuinlijke wielrenner/ASR & Univé) had een wielrenner dubbel pech. Tijdens een sportieve tocht met zijn fietsmaten kwam hij door hun toedoen maar liefst twee keer ten val.

Lees meer over Rb. Oost-Brabant 12 april 2018 (onfortuinlijke wielrenner)

De casus was als volgt. Een wielrenner, die met twee maten aan het fietsen was, was bij een inhaalwedstrijdje ten val gekomen doordat ze elkaar raakten, waarbij hij een kwetsuur aan zijn linkerschouder had opgelopen.

Tot overmaat van ramp wilde de andere wielrenner hem iets later bemoedigend toespreken, waarbij hij hem een schouderklopje gaf op de gekwetste schouder. Daardoor raakte hij weer de macht over het stuur kwijt, belandde in een geul en kwam hard neer op zijn hoofd en zijn rechterschouder. De rechtbank toetst aan de hand van het Kelderluik-arrest of deze handelingen aan de twee fietsmaten te verwijten waren als een onrechtmatige daad. De gelaedeerde sprak zijn beide fietsmaten en hun verzekeraars (op grond van art. 7:954 B.W.) aan en vorderde schadevergoeding wegens het hem overkomen letsel.

De rechtbank wil er niet aan. Zij moesten zich weliswaar aan de verkeersregels houden, maar in de competitieve sportieve situatie moest de gelaedeerde er rekening mee houden dat hij links kon worden ingehaald, aldus de rechtbank. Zijn val was dus niet verwijtbaar jegens zijn medewielrenner. Zij moesten er – ondanks dat het een recreatief tochtje was en geen echte wielerwedstrijd – wel rekening mee houden, dat de andere deelnemers zich mogelijk wat anders zouden gedragen en wat meer risico zouden nemen dan men buiten een sportieve situatie zou doen.

De rechtbank past (deels) de regels van sport en spel toe en overweegt (r.o. 4.7):

“De maatschappelijke zorgvuldigheid eist dat men in situaties die potentieel gevaarlijk zijn een ander niet blootstelt aan een groter risico dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord is en waarop een normaal mens bedacht moet zijn. Niet elk gedrag dat tot een ongeval kan leiden is ook onrechtmatig. Gevaarzettend gedrag is alleen dan onrechtmatig als de waarschijnlijkheid van een ongeval als gevolg van dat gedrag zo groot is dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had behoren te onthouden (zie: Hoge Raad 12 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5784, “verhuizende zussen”).

Om vervolgens de criteria op te sommen uit het Kelderluik arrest:

“Of dit in een bepaalde situatie het geval is geweest, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Vier concrete factoren die hierbij een rol kunnen spelen zijn geformuleerd in het bekende Kelderluikarrest van de Hoge Raad van 5 november 1956. Het gaat dan samengevat om:

(i) de waarschijnlijkheid van onoplettendheid of onvoorzichtigheid van de ander
(ii) de kans dat daardoor een ongeval ontstaat
(iii) de ernst van de mogelijke gevolgen van zo’n ongeval en
(iv) de bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.”

Hoewel de rechtbank oordeelde, dat het tweede voorval niet meer onder een sport- en spelsituatie viel, vond de rechtbank toch niet dat het handelen van de tweede fietser aan die criteria voldeed. De onfortuinlijke wielrenner moest dus zijn eigen schade dragen.

In de deelgeschilprocedure Rb. Noord-Nederland 11 maart 2016 (letsel bij voetbalwedstrijd) kwam de rechtbank na onderzoek van het handelen van de speler, die het letsel veroorzaakt had tijdens sport en spel tot de conclusie, dat er geen sprake was van onrechtmatigheid omdat de sliding van de verdediger viel binnen de aanvaardbare grenzen van het voetbalspel, dat een zeker risico op letsel met zich mee kan brengen.

De rechtbank verwijst nog naar een (straf)arrest van de Hoge Raad waarin wel sprake was van onrechtmatig handelen (en zelfs een strafrechtelijke veroordeling) van een verdediger van Sparta, die in vliegende vlucht met gestrekt been verdedigde (zie HR 24 april 2008). In dat geval wordt de grens van de normale gevaarzetting van sport en spel overschreden en is er wel sprake van onrechtmatig handelen.

Letsel opgelopen in een werksituatie

De kaarten zijn al snel anders geschud, wanneer een soortgelijk ongeval zich voordoet in een werksituatie. Wanneer de ene werknemer de andere een speelse duw geeft, waardoor die letsel oploopt, is er immers een werkgever in het spel die aansprakelijk gehouden kan worden voor het handelen van de ene werknemer jegens de andere. De maatstaven veranderen dan al snel.

Dit zien we onder meer in Rb. Rotterdam 13 juni 2012 (speelse duw werknemer). Waar een speelse duw in het café niet zonder meer tot aansprakelijkheid leidt, is dat in een werksituatie – waaronder ook de pauze valt – al snel anders. De metselaar van een hoofdaannemer kwam door een speelse duw van de elektriciën van een onderaannemer ten val en liep letsel op.

Lees meer over Rb. Rotterdam 13 juni 2012 (speelse duw werknemer)

De gelaedeerde stelde een vordering tot schadevergoeding in tegen een aantal betrokkenen:

– de metselaar grondt zijn vorderingen jegens de onderaannemer (werkgever van de duwer) op artikel 6:170 Burgerlijk Wetboek (BW) (aansprakelijkheid werkgever voor fouten van ondergeschikten);

– jegens Aegon (de verzekeraar van de onderaannemer) op artikel 7:954 BW (directe actie bij aansprakelijkheidsverzekering) (zie ook de pagina Schadeverzekering).

– en jegens zijn werkgever – de hoofdaannemer – op artikel 6:171 BW (aansprakelijkheid voor niet-ondergeschikten), en subsidiair op artikel 7:658 BW (aansprakelijkheid werkgever) en/of artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap).

De rechtbank kan de lol van de duw niet inzien en overweegt:

“Dat de metselaar van een plotselinge duw tegen zijn linkerschouder zou kunnen schrikken en naar rechts ten val zou kunnen komen, was alleszins voorzienbaar. Weliswaar hoeft een dergelijke val op de stenen niet noodzakelijkerwijs ernstige gevolgen te hebben, maar met de mogelijkheid daarvan diende de elektriciën in juridische zin wel degelijk rekening te houden. Door in de gegeven omstandigheden de metselaar plotseling een duw tegen de linkerschouder te geven, handelde de elektriciën jegens hem in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, en daarmee onrechtmatig.”

De rechtbank neemt geen genoegen met de stelling, dat de schadelijke gevolgen van deze speelse duw te scharen zijn onder de noemer “ongelukkige samenloop van omstandigheden”. De rechtbank betrekt daarin de voorzienbaarheid van die gevolgen: alleen als niet te voorzien was dat die val letsel als gevolg zou hebben, zou dit een onschuldige duw zijn. Nu de collega naast een talud zat waar onderaan een hoop stenen lag, was te voorzien dat dit niet goed zou aflopen.

Alledrie de gedaagden worden aansprakelijk gehouden.

Zie wat betreft de mogelijkheid tot het (mede) dagvaarden van de verzekeraar van de wederpartij, zoals in deze zaak aan de orde was, de pagina Schadeverzekering.

Voor de bespreking van de aansprakelijkheid van de werkgever jegens zijn werknemer(s) op grond van art. 7:658 lid 2 B.W. op grond van tekortschieten in het waarborgen van de veiligheid op de werkvloer zie de pagina Bijzondere verplichtingen van de werkgever. Daarnaast kan de werkgever ook aansprakelijk zijn op de meer algemene grondslag van goed werkgeverschap als bedoeld in art. 7:611 B.W.. Zie daarover de pagina Algemene bepalingen arbeidsovereenkomst. Doorgaans zal een werknemer die letsel is overkomen voor twee ankers gaan liggen en zijn vordering op beide grondslagen baseren.

Letsel opgelopen in het verkeer

Wanneer letsel ontstaat bij verkeersdeelname ontstaat en andere situatie. In het verkeer spelen de verkeersregels namelijk ook een rol.

In de zaak van HR 21 december 2001 (Sun Alliance/ten val gekomen fietser) oordeelden zowel rechtbank, Hof als Hoge Raad dat het onvoorzichtige rijgedrag van één van beide fietsers, waardoor de sturen elkaar raakten en de ander ten val kwam en letsel opliep, niet was toe te rekenen aan “een ongelukkige samenloop van omstandigheden”. De vraag dringt zich op, of het feit dat de veroorzaker hier verzekerd was wellicht tot die conclusie heeft bijgedragen. In ieder geval was er een wettelijk voorschrift (een verkeersregel) geschonden: te weten art. 25 WVW (oud), terwijl zijn handelen tevens in strijd komt met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Art. 25 WVW hield in dat je bij het deelnemen aan het verkeer de nodige zorgvuldigheid in acht moet nemen en andere verkeersdeelnemers niet in gevaar mag brengen (zie nu art. 5 WVW). Door te dicht op de andere fietser te fietsen – wat axiomatisch bleek uit het feit dat beiden vielen toen hij met zijn stuur wat uitweek – overtrad hij die regel en was hij aansprakelijk.

Schade bij botsing auto’s of trams enerzijds en voetgangers of fietsers anderzijds

Bij verkeersongevallen waarbij niet gemotoriseerd verkeer in aanvaring komt met gemotoriseerd verkeer geldt ter bescherming van de zwakkere partij de zgn. 50%-regel: ongeacht de onvoorzichtigheid van de niet gemotoriseerde verkeersdeelnemer is de helft van de schade steeds voor rekening van de gemotoriseerde verkeersdeelnemer. Tenzij aan de zijde van de niet gemotoriseerde verkeersdeelnemer sprake is van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid.

Daaronder vallen ook trams, zoals blijkt uit HR 14 juli 2000 (voetganger/HTM). Ook in Amsterdam deed zich een geval voor waarbij een voetganger door een tram werd aangereden: Rb. Amsterdam 7 augustus 2019 (voetganger/GVB) (met een leuk fotootje van de situatie ter plaatse).

Verplichte verzekering personenauto’s en vrachtwagens

Aan gemotoriseerd verkeer kleeft vanwege de hogere snelheden een inherent risico, waarvoor de wetgever een regeling heeft getroffen om de gevolgen zoveel mogelijk op te vangen. De centrale gedachte achter de regeling inzake de aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt met motorrijtuigen is, dat het slachtoffer van een aanrijding niet geconfronteerd wordt met een veroorzaker, die geen verhaal biedt.

Art. 185 lid 1 WVW bepaalt, dat de eigenaar van het voertuig aansprakelijk is voor de daarmee veroorzaakte schade. De verzekering voor een motorrijtuig wordt afgesloten op het voertuig zelf. Op grond van art. 185 lid 2 WVW is de eigenaar ook aansprakelijk, wanneer hij of zij niet zelf in het voertuig rijdt. Daardoor biedt de verzekering ook dekking wanneer een ander in het motorrijtuig rijdt, bij voorbeeld als die uitgeleend is (art. 3 lid 1 WAM). De eigenaar is niet aansprakelijk, wanneer er sprake is van overmacht waarvoor hij niet aansprakelijk gehouden kan worden. Zoals wanneer de auto gestolen is. Als aan hem onachtzaamheid verweten kan worden, waardoor het onbevoegde gebruik van het motorrijtuig aan hem te wijten is, dan is de eigenaar of bezitter van de auto wel aansprakelijk. Bij voorbeeld als zoonlief de sleutels van de Jaguar pakt die ergens voor het grijpen liggen en vervolgens schade veroorzaakt.

Voor motorrijtuigen geldt een verzekeringsplicht (art. 2 WAM). Onverzekerd met een motorrijtuig rijden is zelfs een strafbaar feit (art. 30 WAM). Verplicht tot verzekering is in principe de eigenaar of kentekenhouder; wanneer uit de aard van de rechtsverhouding volgt dat een ander de regelmatige berijder is – zoals bij een lease-overeenkomst of verhuur van de auto – dan moet de berijder voor de verzekering zorgen. De verzekering moet tenminste een WA-dekking bieden: dat wil zeggen een dekking tegen aansprakelijkheid tegenover derden, die met het motorrijtuig schade is toegebracht. De bestuurder zelf hoeft niet meeverzekerd te worden (art. 4 lid 1 WAM).

Dat betekent, dat de auto niet all-risk of casco verzekerd hoeft te zijn. Alleen schade die aan derden wordt toegebracht is gedekt. Voor de inzittenden van de auto moet een aparte verzekering worden afgesloten (met de toepasselijke naam inzittendenverzekering). Wanneer iemand die een auto leent een ongeluk veroorzaakt, dan is de schade van derden dus ook gedekt. Maar de schade aan de inzittenden en aan de auto zelf niet, tenzij de polis daar ook dekking voor biedt. In die situatie kan de eigenaar de bruiklener aansprakelijk stellen voor de niet door de verzekering schade die door de fout van de bruiklener is veroorzaakt. Dus de schade aan de auto waarmee het ongeluk is veroorzaakt en de (letsel)schade die inzittenden hebben geleden.

De gelaedeerde heeft een rechtstreeks vorderingsrecht tegenover de verzekeraar (art. 6 lid 1 WAM), naast zijn vorderingsrecht jegens de veroorzaker van het ongeluk (de verzekerde).

In situaties, waarin de dader onbekend is of de auto om welke reden ook onverzekerd blijkt te zijn, is er ook nog het Waarborgfonds Motorverkeer. Op grond van art. 25 lid 1 WAM kan de benadeelde een beroep doen op dit fonds om zo toch zijn schade vergoed te krijgen.

Letsel opgelopen door gevaarzetting op de openbare weg

Bij ongevallen op de openbare weg komen andere criteria om de hoek kijken. We hebben hier te maken met de risico-aansprakelijkheid van de wegbeheerder (art. 6:174 BW).

In de zaak HR 4 april 2014 (Reaal/Gemeente Deventer) was een wielrenner ten val gekomen en onder een vrachtwagen beland, waardoor hij zwaar letsel had opgelopen. Reaal was als WAM-verzekeraar van de vrachtwagen aansprakelijk voor de schade, maar zij had de gemeente in vrijwaring opgeroepen omdat de val – volgens het slachtoffer – was veroorzaakt door een richel in de weg, waardoor die viel op het moment dat hij verder probeerde uit te wijken. Reaal stelde dat de gemeente aansprakelijk was voor het ongeval en daarmee voor de schade. Reaal stelde, dat de berm van de weg (en de daar aangebrachte strook grasbetonklinkers) een veilige uitwijkmogelijkheid voor weggebruikers dient te bieden, hetgeen ook blijkt uit het “Handboek veilige inrichting van bermen” van CROW. Aan die eisen voldeed de weg niet. Het Hof had ten onrechte beslist, dat een spleet van 3 tot 5 cm tussen rijbaan en grasbetonstenen niet in strijd was met de aan de weg te stellen eisen. De gemeente had verder gesteld dat zij niet over voldoende middelen beschikte om de weg aan te passen. Die stelling werd gepasseerd omdat de gemeente die stelling op geen enkele wijze had onderbouwd. Die onderbouwing zou ook wel heel ver voeren, dus die stelling van de gemeente was een “beetje dom”.

Auteur & Last edit

[MdV, 27-02-2021; laatste bewerking 15-04-2021]

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.

Vond je deze content nuttig? Steun Lawyrup met een donatie naar keuze.

Doneren