LawyrupBurgerlijk wetboekBijzondere overeenkomsten (Boek 7 B.W.)Arbeidsovereenkomst (Titel 10, Boek 7 B.W.)Algemene bepalingen arbeidsovereenkomst (Afd. 1, Titel 10, Boek 7 B.W.)

Algemene bepalingen arbeidsovereenkomst (Afd. 1, Titel 10, Boek 7 B.W.)

Inleiding algemene bepalingen arbeidsovereenkomst

In Afd. 1, Titel 10, Boek 7 B.W. zijn allereerst enkele algemene bepalingen inzake de arbeidsovereenkomst opgenomen. De afdeling omvat 12 artikelen (art. 7:610 B.W. tot en met art. 7:615 B.W.).

Definitie arbeidsovereenkomst

De wet begint met een aantal algemene bepalingen. De belangrijkste bepaling, ter afbakening van het arbeidsrecht ten opzichte van andere overeenkomsten waarbij iemand zijn werkkracht verhuurt is uiteraard art. 7:610 B.W. met de definitie van de arbeidsovereenkomst.

De beschermingsgedachte komt meteen in art. 7:610 lid 2 B.W. tot uitdrukking: als ook een ander type overeenkomst op de rechtsverhouding van toepassing kan zijn, gelden beide regimes. Maar in geval van strijd prevaleert het arbeidsrecht.

De kenmerkende elementen van de arbeidsovereenkomst zijn:

  1. de verplichting arbeid te verrichten voor een ander
  2. voor een bepaalde tijdsduur
  3. tegen een vergoeding (loon)
  4. en last but not least: “in dienst” wat impliceert dat er een gezagsverhouding moet zijn

Overige algemene bepalingen

In de andere algemene bepalingen komen een centrale thema’s tot uitdrukking, die in de loop der tijd in het arbeidsrecht zijn verweven en op meerdere plekken terugkomen. Uiteraard zijn dit doorgaans bepalingen ter bescherming van de belangen van de werknemer.

Goed werkgeverschap en vice versa

In het B.W. is de verplichting om te goeder trouw met elkaar om te gaan binnen tal van rechtsverhoudingen telkens weer verankerd. Binnen het arbeidsrecht is dit des te belangrijker, vanwege de grote afhankelijkheid van de werknemer. Art. 7:611 B.W. formuleert deze verplichting als een plicht van zowel de werkgever als de werknemer. Maar uit meerdere bepalingen blijkt dat de zorgplicht en de verantwoordelijkheid voor de werknemer zwaarder op de werkgever drukt.

Bescherming van de flexwerker

In art. 7:610a en 610b B.W. zijn de bepalingen verwerkt ter bescherming van “flexwerker”, de werknemer, die slechts voor een beperkt aantal uren en op onregelmatige tijden wordt ingezet. In het verleden werd hiervan wel misbruik gemaakt door met gebruikmaking van oproepcontracten en nuluren-contracten de werknemer de ontslagbescherming te onthouden. De wet bepaalt nu, dat als er voor tenminste drie maanden een vast patroon bestaat, dit patron geacht wordt de vaste arbeidsovereenkomst te zijn. In feite is dit reeds een uitvloeisel van art. 7:611 B.W..

Schriftelijkheid

Een ander terugkerend thema is de eis van schriftelijkheid. In art. 7:613 B.W. is bepaald, dat de werkgever niet bevoegd is een bepaling in de (schriftelijke) arbeidsovereenkomst op te nemen, die hem de bevoegdheid geeft de arbeidsovereenkomst eenzijdig te wijzigen. Tenzij de werkgever een zwaarwegend belang heeft bij de wijziging. Hij zal dan echt van goeden huize moeten komen. De werkgever zal de inhoud van wat is overeengekomen dus op schrift moeten stellen, zonder dit verder nog te kunnen wijzigen. In de nadere bepalingen komen we tegen, dat sommige afspraken alleen schriftelijk gemaakt kunnen worden, op straffe van nietigheid.

Scholing

Begin 1900 zag de wetgever de noodzaak, om het dienstverband van de arbeider ook te gebruiken om hem te scholen. De werkgever mocht hen niet alleen maar als dommekracht gebruiken maar moest zich ook inspannen voor hun welzijn. In het moderne arbeidsrecht vinden we die verplichting nog steeds terug, waarbij het accent is verschoven naar de plicht om de werknemer in staat te stellen zich te ontwikkelen zodat hij bijblijft en in staat gesteld wordt om beschikbaar te zijn voor werk. De opleidingsplicht als uitgangspunt is verwoord in art. 7:611a B.W.. In het ontslagrecht vinden we dit principe terug doordat de werkgever de werknemer niet mag ontslaan, als de ongeschiktheid van de werknemer voor de binnen de onderneming van de werkgever beschikbare functies te wijten valt aan een gebrek aan scholing van de werknemer. De werkgever moet er voor zorgen dat de werknemer zijn geschiktheid voor de taken binnen de eigen onderneming van de werkgever zoveel mogelijk behoudt en anders geschikt is elders op de arbeidsmarkt aan de slag te blijven.

Minderjarigen

De minderjarige van 16 jaren mag zelf een arbeidsovereenkomst aangaan. Hij staat daarin gelijk aan een meerderjarige. Aldus art. 7:612 B.W..

Verjaring

Art. 7:614 B.W. bevat tenslotte nog een bepaling over de verjaringstermijn van vernietigingsgronden, zoals toepasselijk in deze titel: die bedraagt drie jaar vanaf de dag van inroepen.

Ambtenarenrecht

In art. 7:615 B.W. zijn arbeidsverhoudingen met ambtenaren van het arbeidsrecht uitgesloten, tenzij anders is afgesproken.

Het ambtenarenrecht is dan ook een aparte tak van sport buiten het civiele overeenkomstenrecht. De wetgever streeft echter naar harmonisatie.

Auteur & Last edit

[MdV, 15-11-2018]

0 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 5 (0 votes, average: 0,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.