Cassabiliteit (Afd. 1, Titel 11, Boek 1 Rv.)

Inleiding cassabiliteit

In Afd. 1, Titel 11, Boek I Rv., met de titel “Vorderingsprocedures aan cassatie onderworpen”, wordt geregeld of cassatie mogelijk is van een vonnis van een lagere (feiten)rechter. Oftewel of dit vonnis cassabel is oftewel de cassabiliteit ervan.

De wet spreekt van “vorderingsprocedures” als prelude op de invoering van het digitale procederen (“KEI”), waar de dagvaarding wordt afgeschaft en dagvaardingsprocedures dus vorderingsprocedures genoemd worden, als tegenvoeter van de verzoekschriftprocedure. De afdeling kent 7 artikelen. Overigens is de procedure bij de Hoge Raad wel geheel digitaal. Dat onderdeel van KEI is dus wel geslaagd.

NB de links verwijzen naar de versie van de wet voor digitaal procederen.

Wanneer is cassatie mogelijk?

Van welke uitspraken?

Cassatie kan worden ingesteld (art. 398 Rv.):

1. van een uitspraak die in 1e en hoogste ressort is gewezen;

2. van een uitspraak die in hoger beroep is gewezen;

3. van een uitspraak in 1e instantie, wanneer partijen overeen gekomen zijn om hoger beroep over te slaan (sprongcassatie).

De P-G bij de Hoge Raad kan – als er geen rechtsmiddelen van partijen zelf meer open staan – ook zelf cassatie instellen ‘in het belang der wet’ (art. 78 lid 1 Wet R.O.).

Andere rechtsgang mogelijk

Cassatie is niet mogelijk, als de bezwaren tegen de uitspraak ook kunnen worden hersteld door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen (art. 399 Rv.). Zoals bij een herstelvonnis (zie de pagina Algemene voorschriften procedures), of herroeping van een vonnis of beschikking (zie de pagina Herroeping).

Berusting

Ook kan geen cassatie worden ingesteld door degeen, die in een uitspraak heeft berust (art. 400 Rv.). Zie voor jurisprudentie over berusting de pagina Verzet.

Begrenzing van cassatie

Naast de vraag, of een uitspraak formeel vatbaar is voor cassatie, is ook van belang vast te stellen of een uitspraak inhoudelijk vatbaar is voor cassatie. Dat hangt samen met de taakstelling van de Hoge Raad. De Hoge Raad treedt niet in het feitelijk oordeel van de feitenrechter, maar toetst slechts of de feitenrechter het recht juist heeft toegepast. Daarbij kijkt de Hoge Raad naar twee aspecten – uiteraard binnen de kaders van de cassatieklacht:

– heeft de rechter het materiële recht juist toegepast (dat wil zeggen het inhoudelijke recht dat ter discussie staat, bvb. het arbeidsrecht enz.);
– heeft de rechter het formele recht (het procesrecht) juist toegepast (is het vonnis voldoende gemotiveerd, is de procedure naar behoren verlopen enz.).

Het is niet de taak van de Hoge Raad om de feiten opnieuw te toetsen, zoals die door de twee lagere instanties (rechtbank en Hof) zijn onderzocht en aan de hand van de stellingen en bewijsstukken van partijen zijn vastgesteld. De Hoge Raad kan dus alleen toetsen, of de beslissing – uitgaande van die vaststaande feiten en stellingen – rechtens juist is, op een juiste wijze tot stand is gekomen en begrijpelijk is en door de lagere rechter voldoende toegelicht.

Cassatie van tussenuitspraken

Cassatie van tussenvonnissen of tussenarresten is alleen mogelijk, wanneer de rechter tussentijdse cassatie heeft toegestaan (art. 401a lid 2 Rv.). Dit is gelijk aan de regel voor tussentijds hoger beroep. Zie de pagina Appelabiliteit. Hier geldt echter één uitzondering: egen een arrest of beschikking waarbij de rechter zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar een lagere rechter, kan beroep in cassatie worden ingesteld binnen acht weken. De wet zegt: “slechts”, dus dit is de enige mogelijkheid en kan niet later alsnog met cassatie tegen de einduitspraak (art. 75 lid 1 Rv.).

Cassatie is wel steeds voor de einduitspraak mogelijk tegen een voorlopige voorziening of het weigeren daarvan (lid 1). Vgl. HR 10-10-2003 (Griekse eiser/ECR), waarin wordt vastgesteld dat cassatieberoep hier niet betrof een beslissing houdende een voorlopige voorziening, maar een tussenvonnis, zodat cassatie niet was toegestaan zonder verlof van het Gerechtshof.

Cassatie verstekzaak

In een verstekzaak kan degeen die verstek liet gaan geen cassatie instellen (art. 401b lid 1 Rv.). Die partij kan in verzet (dat geldt zowel voor een vonnis in 1e instantie als voor een beslissing in hoger beroep). Zie de pagina Verzet. Wanneer de andere partij in cassatie gaat, kan de partij die verstek had laten gaan echter wel verweer voeren in cassatie, en zelfs incidenteel beroep in cassatie instellen (lid 2).

In dat geval verspeelt de partij die verstek had laten gaan de mogelijkheid om nog verzet aan te tekenen  (art. 401c lid 1 Rv.).

Wordt wel verzet aangetekend, dan vervalt de ingestelde cassatie. Partijen kunnen dan alsnog na de einduitspraak in cassatie gaan, waarbij de partij die eerst in cassatie wilde gaan en wel in de feitelijke instantie was verschenen, cassatie kan instellen tegen de onderdelen van het verstekvonnis die met het verzet niet zijn bestreden (lid 2).

Het verzet kan alsnog worden aangetekend, als de cassatie al is afgehandeld. De lagere rechter moet dan rekening houden met de beslissing van de Hoge Raad. Als de Hoge Raad de zaak ten principale heeft afgedaan, dan moet het verzet worden aangetekend bij de Hoge Raad (lid 3).

Auteur & Last edit

[MdV, 17-11-2018; bijgewerkt 16-09-2021]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank voor burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.