Verzet (Afd. 8, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Inleiding verzet

Het verzet is geregeld in Afd. 8, Titel 2, Boek 1 Rv. (NB de link verwijst naar de versie voor niet-digitaal procederen). De afdeling omvat 6 artikelen: art. 143 Rv. tot en met art. 148 Rv. (niet digitaal).

Wanneer tegen een gedaagde verstek verleend is, en er is een verstekvonnis gewezen, dan kan de gedaagde die veroordeeld is in verzet komen. Belangrijke uitzondering is het geval, waarin er meerdere gedaagden zijn en een of meer anderen wel zijn verschenen. Dan wordt wel verstek verleend maar is het vonnis een vonnis op tegenspraak en kan geen verzet worden aangetekend, maar slechts hoger beroep (art. 140 lid 3 Rv.).

Verzet tegen een arrest bij verstek gewezen in hoger beroep

Verzet kan overigens ook worden aangetekend tegen een in hoger beroep door het Hof gewezen arrest. Als de procedure in eerste instantie gewonnen is, en de veroordeelde gaat in hoger beroep, dan kan het – ter besparing van kosten – een overweging zijn met opzet verstek te laten gaan in het hoger beroep. Met name als het vonnis van de rechtbank goed in elkaar zit en er een redelijke kans is dat de uitkomst in hoger beroep niet veel anders zal zijn. Als het Hof het vonnis van de rechtbank dan bekrachtigt, struikelt de wederpartij als het ware al over de eigen veters. Pakt het toch verkeerd uit, dan kan altijd nog verzet aangetekend worden. Daarbij kunnen ook incidentele grieven alsnog worden aangevoerd en wordt het hoger beroep dus niet ingeperkt tot de grieven van de oorspronkelijk appellant. Nadeel kan wel zijn dat er een bij voorraad uitvoerbaar arrest ligt, dat dus geëxecuteerd kan worden.

Veroordeeld

Dit moet breed worden opgevat: de gedaagde kan opkomen tegen alle vonnissen waarbij de vorderingen van de oorspronkelijk eiser zijn toegewezen. Dat kan dus ook een verklaring voor recht zijn etc..

Verzet houdt in dat de oorspronkelijk gedaagde zich alsnog in de procedure stelt door middel van een verzetdagvaarding.  Hij kan dan alsnog verweer voeren. Verzet wordt ook wel “oppositie” genoemd. De gedaagde die in verzet komt heet dan “opposant” en de oorspronkelijk eiser “geopposeerde”.

De procedure wordt dan hervat bij dezelfde instantie.

Wijze van verzet aantekenen

Het verzet moet worden gedaan bij exploot van dagvaarding (art. 143 lid 2 Rv.).

Door het verzet wordt de instantie heropend (art. 147 lid 1 Rv.).

De aanzeggingen van art. 111 lid 2 Rv. moeten evenals bij een gewone dagvaarding gedaan te worden aan de oorspronkelijk eiser, behalve de aanzegging over de wijze waarop deze kan antwoorden.

Een eis in reconventie moet in de verzetdagvaarding worden opgenomen, evenals uiteraard de verweren tegen de oorspronkelijke eis met vermelding van de bewijsmiddelen conform  art. 111 lid 3 Rv.(art. 146 Rv.).

NB: In zgn. KEI-zaken (dat zijn “digitale” procedures bij rechtbank Midden Nederland en rechtbank Gelderland, die zijn gestart na 1 september 2017 gelden andere procesregels; zie voor modellen in KEI-procedures de pagina “model oproepingsbericht” op de website van de Rechtspraak.

Gewijzigde procespartij

Ook bij verzet kan zich de complicatie voordoen, dat de oorspronkelijke procespartij is overleden of niet meer bestaat. Bij verzet kan de termijn waarbinnen het rechtsmiddel kan worden ingesteld zelfs veel langer duren, waardoor de kans dat zich dit voordoet in feite groter is. Ook komt het voor dat de vordering verkocht en gecedeerd wordt.

Voor hoger beroep en cassatie voorziet de wet in een regeling voor het geval de procespartij overlijdt na het wijzen van vonnis, terwijl de beroepstermijn nog loopt. De regeling van het verzet kent niet zo’n bepaling, maar het wettelijk systeem en de rechtspraak die geldt bij andere rechtsmiddelen zal hier ook toepassing vinden. Zie de pagina Beroepstermijn hoger beroep.

In lijn met de daar besproken rechtspraak is de beantwoording van de Hoge Raad van de prejudiciële vragen van een Kantonrechter in een door een beschermingsbewindvoerder ingesteld verzet tegen een bij verstek gewezen ontruimingsvonnis tegen een onder bewind gestelde huurder. Zie Hoge Raad 7 maart 2014, waarin de Hoge Raad de gestelde vragen aldus beantwoordt:

“Vraag 1. De bewindvoerder die in rechte verschijnt in een procedure waarin de rechthebbende zelf is gedagvaard, heeft als formele procespartij te gelden. De bewindvoerder is bevoegd in verzet te komen tegen een bij verstek gewezen vonnis in een geding waarin de rechthebbende zelf partij was, indien en voor zover in dit vonnis is geoordeeld over een onder bewind gesteld goed.

Vraag 2. In een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed dient de bewindvoerder, en dus niet de rechthebbende, in rechte te worden betrokken. Indien een wederpartij die niet met het bewind bekend was of had behoren te zijn, echter een geding tegen de rechthebbende zelf aanhangig heeft gemaakt, kan de bewindvoerder in rechte verschijnen om dit als formele procespartij over te nemen. Daarvoor zijn geen bijzondere formaliteiten vereist; een daartoe strekkende brief aan de wederpartij en de rechter volstaat. Indien een rechtsmiddel wordt aangewend tegen een rechterlijke uitspraak in een geding waarin de bewindvoerder niet optrad als formele procespartij maar waarin de rechthebbende zelf partij was, dient dit (eveneens) te geschieden door of tegen de bewindvoerder. Wordt het rechtsmiddel aangewend door of tegen de rechthebbende zelf, dan is het vorenstaande overeenkomstig van toepassing.

In het geval de wederpartij in de loop van het geding bekend wordt met het bewind, kan hij de bewindvoerder oproepen, desgewenst bij aangetekende brief, om in het geding te verschijnen teneinde dit verder ten behoeve van de rechthebbende te voeren. Indien de rechter in de loop van het geding van het bewind op de hoogte raakt dient hij, zo nodig ambtshalve, in een tussenuitspraak de meest gerede partij in staat te stellen de bewindvoerder op te roepen om in het geding te verschijnen.

Vraag 3. Een vordering van een verhuurder tot ontbinding van een door de rechthebbende voor de instelling van het bewind gesloten huurovereenkomst, en tot ontruiming van het gehuurde, dient te worden ingesteld tegen de bewindvoerder, indien de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten in het onder bewind gestelde vermogen vallen. Weliswaar brengt het bewind niet mee dat de bewindvoerder partij wordt bij de huurovereenkomst, maar de daaruit voortvloeiende rechten van de rechthebbende zijn aan te merken als goederen in de zin van art. 1:431 lid 1 BW. De bewindvoerder treedt daarom ten behoeve van de rechthebbende op als formele procespartij in een procedure betreffende een door de verhuurder gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.”

Dat deze regels evenzeer gelden bij het rechtsmiddel hoger beroep blijkt uit de op basis van genoemd arrest van de Hoge Raad gewezen arrest van Hof Den Bosch d.d. 2 september 2014, waarbij de onder bewind gestelde zelf hoger beroep had aangetekend, terwijl dit aan de bewindvoerder was. Het Hof besloot de bewindvoerder de gelegenheid te bieden het geding over te nemen.

Termijn voor aantekenen verzet

De termijn waarbinnen verzet moet worden aangetekend tegen het verstekvonnis is in principe 4 weken (en bij een op moment van betekening in het buitenland wonende gedaagde 8 weken, zie art. 143 lid 2 laatste volzin Rv.). De rechter moet ambtshalve toetsen of het verzet tijdig is ingesteld. Zie hieronder Hof Den Bosch 19 januari 2010 en Hof den Bosch 10 januari 2017.

Wanneer begint de verzettermijn te lopen?

De moeilijkheid bij verzet is om vast te stellen, op welk moment de verzetstermijn begint te lopen. De basisgedachte is: vanaf het moment waarop mag worden aangenomen, dat de gedaagde bekend is met het verstekvonnis.

De wet werkt dit uit in art. 143 lid 2 Rv., door een aantal situaties op te sommen waarin de termijn begint te lopen:

1. na de betekening van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon;

2. of na het plegen door gedaagde van een “daad van bekendheid”, waaruit hetzij

(i) voortvloeit dat het vonnis hem bekend is, of

(ii) de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is.

3. Wanneer het vonnis ten uitvoer gelegd is (art. 143 lid 3 Rv.).

Betekening in persoon; Ontvanger Belastingdienst

Een openbare betekening is niet aan te merken als betekening in persoon. Betekening aan de Ontvanger van de Belastingdienst moet aan de persoon van de Ontvanger zelf, dus niet aan een receptioniste of zo. HR 12 augustus 2016 (Continental Automaten B.V./Ontvanger) – de Ontvanger is een zelfstandig bevoegd in rechte op te treden; exploten aan de Ontvanger in persoon moeten daadwerkelijk aan hem in persoon worden betekend; idem Big Apple Services/Ontvanger (het opvolgende ECLI nr. 1929 en dat ervoor nr. 1927). Zie ook de pagina Exploten over de Ontvanger als zelfstandig bevoegde instantie – niet zijnde een publiek rechtspersoon, die niet mag worden vereenzelvigd met de Staat.

Verzet tegen dwangbevel Belastingdienst

Verzet tegen een dwangbevel van de Belastingdienst geschiedt op grond van art. 17 IW langs de weg van art. 143 Rv.. Het leek er even op, dat verzet bij de burgerlijke rechter niet mogelijk is om daarmee een uitstel van betaling van de Ontvanger te krijgen, omdat daarvoor de bestuursrechtelijke rechtsgang van art. 25 IW. zou zijn aangewezen. Aldus HR 12 augustus 2016 (Big Apple Services/Ontvanger). De Hoge Raad is daar echter op terug gekomen: HR 2 december 2016 (X te Z./Staatssecretaris van Financiën). De Hoge Raad:

“De Rechtbank heeft onder meer overwogen dat hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd niet tot kwijtschelding van de aanslag kan leiden.

De Rechtbank wees er daarbij op dat zij ingevolge art. 26 IW in samenhang met artikel 7, lid 1, van de Uitvoeringsregeling IW niet bevoegd is op een verzoek tot kwijtschelding te beslissen en dat belanghebbende zich dienaangaande tot de Ontvanger van de belastingen dient te wenden.

Voorts heeft de Rechtbank overwogen dat:

1. tegen een afwijzende beschikking van de Ontvanger op een verzoek tot kwijtschelding op grond van artikel 24 van de Uitvoeringsregeling IW zogenoemd administratief beroep openstaat bij de Directeur van de belastingen en

2. dat tegen ongegrondverklaring van dat beroep vervolgens geen beroep bij de bestuursrechter openstaat, meer in het bijzonder de belastingrechter, maar uitsluitend nog een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld op de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde wijze.

De Rechtbank is bij haar hiervoor onder 2.4 weergegeven oordeel uitgegaan van een juiste opvatting omtrent de bevoegdheid van de burgerlijke rechter ingeval van een afwijzende beslissing op een kwijtscheldingsverzoek als bedoeld in artikel 26 van de IW, afgezien van de – hier niet aan de orde zijnde – uitzonderingen bedoeld in artikel 1b, lid 2, van de Uitvoeringsregeling IW. Anders dan de Hoge Raad heeft overwogen in onderdeel 3.6 van zijn arrest van 12 augustus 2016, BNB 2016/220 (Big Apple Services/Ontvanger), geldt hetzelfde ten aanzien van beslissingen op een verzoek tot het verlenen van uitstel van betaling als bedoeld in art. 25 IW.

Er is echter een wetsvoorstel Fiscale vereenvoudigingswet aanhangig, waarmee wordt beoogd om voor fiscale geschillen inclusief die over onder andere art. 25 IW (uitstel) en art. 26 IW (kwijtschelding) alsnog een uitsluitend bestuursrechtelijke rechtsgang te maken conform Hoofdstuk V Algemene wet rijksbelastingen. Deze wet is echter heden (op 23-1-2019) nog niet aangenomen.

Zie over de aansprakelijkstelling van de bestuurder ex art. 36 IWvoor zakelijke belastingschulden van de BV waarvan hij bestuurder is/was ook de pagina Bestuurdersaansprakelijkheid. Daar ook het een en ander over de bestuursrechtelijke procesgang bij die aansprakelijkheid.

Daad van bekendheid

Het gaat er hierbij om, dat de veroordeelde partij daadwerkelijk met het vonnis bekend is geraakt. Zie de jurisprudentie hieronder vermeld.

Vonnis ten uitvoer gelegd

Het vonnis wordt geacht ten uitvoer gelegd te zijn in de gevallen genoemd in art. 144 Rv.. En wel in geval van:

– gerechtelijke verkoop van goederen, na de verkoop;

– derdenbeslag op een vordering, na de uitbetaling aan de beslaglegger, of, indien dit beslag wordt gelegd op een vordering tot periodieke betalingen, na de eerste uitbetaling;

– tenuitvoerlegging van een veroordeling tot levering of afgifte van goederen die geen registergoederen zijn, nadat de levering of afgifte heeft plaatsgevonden;

– gedwongen ontruiming van onroerende zaken, nadat de ontruiming heeft plaatsgevonden.

De regeling van (het aanvangsmoment) van de verzettermijn is een bron van procedures. De Hoge Raad heeft in het arrest van 5 september 2014 (Morning Star/Republiek Gabon) over de afweging belangen van oorspronkelijk eiser en de gedaagde het volgende overwogen:

“De regeling van de verzettermijn berust op een afweging van enerzijds het belang dat een oorspronkelijk gedaagde niet gebonden wordt aan een hem niet bekend veroordelend vonnis, en anderzijds het belang van de oorspronkelijk eiser dat op enig met een voldoende mate van zekerheid te bepalen moment de veroordeling bij verstek onherroepelijk wordt. Bij de toepassing van de regeling van de verzettermijnen in een concreet geval mag het recht van de beide betrokken partijen op toegang tot de rechter niet in de kern worden aangetast”.

Het ging in die kwestie om de tenuitvoerlegging van een derdenbeslag. De eiser stelde, dat door de uitbetaling door de derde-beslagene de tenuitvoerlegging voltooid was in de zin van art. 143 lid 3 Rv. jo.  art. 144 aanhef en sub a (eerste volzin) Rv.. De derde-beslagene had echter onjuist verklaard, zodat de afdracht niet geldig was als moment van voltooien van de executie.

De Hoge Raad voegt hier aan toe, dat art. 143 lid 3 jo art. 144 Rv. beoogt de belangen van de bij verstek veroordeelde gedaagde beter te beschermen, om te voorkomen dat de gedaagde de mogelijkheid van verstek niet meer zou hebben terwijl hij niet met het vonnis bekend is. De Hoge Raad overweegt:

“Art. 81 lid 2 (oud) Rv bepaalde dat – buiten de gevallen voorzien in art. 81 lid 1 (oud) Rv – het verzet ontvankelijk was totdat het vonnis ten uitvoer was gelegd. Dit kon meebrengen dat iemand aan wie een verstekvonnis niet in persoon was betekend, geen verzetmogelijkheid meer had indien hij pas van het vonnis kennis nam nadat het tegen hem ten uitvoer was gelegd. Blijkens de wetsgeschiedenis is met art. 143 lid 3 Rv beoogd, mede tegen de achtergrond van art. 6 lid 1 EVRM, de toegang tot de rechter in geval van een verstekvonnis beter te waarborgen door – buiten de gevallen waarin sprake is van, kort gezegd, betekening in persoon of een daad van bekendheid (art. 143 lid 2 Rv) – de verzettermijn niet te laten eindigen, maar te laten ingaan op de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd (vgl. Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, p. 348)”.

Berusting

Wanneer de gedaagde die veroordeeld is in het verstekvonnis heeft berust, dan kan hij daarna niet meer in verzet komen (art. 143 lid 4 Rv.).

In het arrest van de Hoge Raad d.d. 30 juni 2006 (verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap)  is voor berusting het volgende vereist (r.o. 3.5):

“Berusting in een rechterlijke uitspraak is het te kennen geven aan de wederpartij van de wil om zich bij die uitspraak neer te leggen en aldus afstand te doen van het recht om daartegen een rechtsmiddel in te stellen. Van berusting kan dan ook slechts sprake zijn indien de in het ongelijk gestelde partij na de uitspraak jegens de wederpartij heeft verklaard dat zij zich bij de uitspraak neerlegt of een houding heeft aangenomen waaruit dit in het licht van de omstandigheden van het geval ondubbelzinnig blijkt.”

De Hoge Raad verwijst daarbij nog naar twee eerdere arresten:

– HR 19 februari 1999, nr. C97/143, NJ 1999, 367 en

HR 11 april 2003 (Hoda International/Mondie Foods) (NJ 2003, 440) – Van berusting kan slechts sprake zijn ingeval de in het ongelijk gestelde partij na de uitspraak jegens de wederpartij heeft verklaard dat zij zich bij de uitspraak neerlegt of een houding heeft aangenomen waaruit dit in het licht van de omstandigheden van het geval ondubbelzinnig blijkt. Deze situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor. De gebruikte woorden “algeheel en finaal gekweten” zouden kunnen wijzen op een berusting door Hoda in de uitspraak, maar een tegengestelde opvatting, gelet op de overige inhoud van de brief, is evenzeer denkbaar.

Schorsende werking verzet

Het verzet schorst de tenuitvoerlegging, maar alleen als het verstekvonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard is (art. 145 Rv.). Dat zal in de meeste gevallen juist wel zo zijn omdat uitvoerbaarheid bij voorraad door eisende partijen standaard gevorderd wordt.

Procesverloop verzetprocedure

De regels van de gewone procedure zijn van overeenkomstige toepassing in de verzetprocedure. Door het verzet wordt de instantie heropend, en de verzetdagvaarding heeft dezelfde functie als de conclusie van antwoord in een procedure op tegenspraak (art. 147 lid 1 Rv.). Dit artikel bevat ook enkele bepalingen over betalen van het griffierecht (lid 2 en lid 3, art. 127a lid 3 en 4 Rv. zijn hier ook van toepassing).

Verval van instantie na verzet

Vervalt de instantie na verzet dan vervalt ook het verstekvonnis (art. 148 Rv.).

Rechtspraak

Inschrijving verzet levering onroerende zaak in rechtsmiddelenregister

Rb. Noord-Holland 15 augustus 2018 (levering onroerende zaak door vonnis) – opposant was tijdig in verzet gekomen van een verstekvonnis waarin onder meer was bepaald dat het vonnis in de plaats zou treden van de medewerking van gedaagde aan een levering van een onroerende zaak. Bij verzet tegen een dergelijke machtiging geldt dat het verzet binnen 8 dagen na instellen moet zijn ingeschreven in het rechtsmiddelenregister op grond van het bepaalde in artikel 3:301 lid 2 BW. Aan dit vereiste was niet voldaan. Opposant heeft evenwel, nog altijd binnen de termijn, opnieuw verzet ingesteld en dit verzet wel tijdig doen inschrijven in het rechtsmiddelenregister. Rechtbank oordeelt dat opposant in het tweede verzet kan worden ontvangen.

Geen voltooide executie

HR 5 september 2014 (Morning Star/Republiek Gabon) – executie niet o.g.v. art. 144 aanhef en sub b Rv. voltooid omdat derde-beslagene ten onrechte had afgedragen (beslag trof geen doel)

HR 25 februari 2000 (Stienstra Holding/huurder, NJ 2000, 509) – de oude regeling (voor de wetswijziging van wetsvoorstel 24.651) waarin verzet niet meer mogelijk was na tenuitvoerlegging wordt geacht in strijd met art. 6 EVRM te zijn (toegang tot de rechter). De Hoge Raad vernietigt alleen omdat de rechtbank als appelinstantie niet had moeten terugverwijzen.

HR 16 januari 2004 (NJ 2005, 191) – (casus naar oud recht) de opposant wordt alsnog in het gelijk gesteld omdat aan de criteria van Stienstra Holding wordt voldaan (zie r.o. 3.7).

Daad van bekendheid

HR 26 maart 2010 (Azeta B.V./Rep. Chili, NJ 2010, 526) – brief van Chileense Ministerie van BZ geen daad van bekendheid. Verstekvonnis in strijd met het beginsel betreffende de staatsimmuniteit? Dit geeft niet een onbeperkte ruimte om de verzettermijn niet in acht te nemen.

Hof Den Bosch 8 december 2015 (verhuurder/huurder) – Volgens vaste rechtspraak kan een daad van een vertegenwoordiger of advocaat van de veroordeelde buiten rechte, waaruit volgt dat de vertegenwoordiger of advocaat bekend is met de veroordeling bij verstek, op zichzelf niet als daad van bekendheid van de veroordeelde zelf gelden, ook niet als de vertegenwoordiger of advocaat daarbij namens de veroordeelde is opgetreden (vgl. HR 8 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1325). Niettemin kan er sprake zijn van een daad van bekendheid van een gemachtigde of advocaat, op grond waarvan het vermoeden gerechtvaardigd is dat daaraan een voorafgaande daad van bekendheid van de veroordeelde zelf ten grondslag ligt.

Berusting in rechterlijk vonnis

Hoge Raad d.d. 30 juni 2006 (verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap) – berusting in een rechterlijke uitspraak is het (ondubbelzinnig) te kennen geven aan de wederpartij van de wil om zich bij die uitspraak neer te leggen en aldus afstand te doen van het recht om daartegen een rechtsmiddel in te stellen.

Ambtshalve toetsing verzettermijn

Hof Den Bosch 10 januari 2017 – Ambtshalve toetsing door het hof of de kantonrechter in het verzetvonnis het verzet terecht ontvankelijk heeft geacht, aangezien verzettermijnen van openbare orde zijn.

Hof Den Bosch 19 januari 2010 – Het hof stelt vast dat verzettermijnen van openbare orde zijn zodat de niet-ontvankelijkheid van het verzet alsnog ambtshalve in hoger beroep moet worden uitgesproken.

verzet tegen dwangbevel Ontvanger

HR 12 augustus 2016 (Big Apple Services/Ontvanger) – Verzet tegen een dwangbevel van de Belastingdienst geschiedt ook langs de weg van art. 143 Rv.. Dit verzet kan echter niet worden gehonoreerd om daarmee een uitstel van betaling te krijgen. Voor het verlenen van uitstel van betaling kent de Invorderingswet een afzonderlijke (bestuursrechtelijke) rechtsgang (art. 25 Iw 1990), bij toepassing waarvan de belastingrechter de bevoegde rechter is. Het verlenen van uitstel van betaling door de burgerlijke rechter in het kader van een verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel zou het stelsel van de Invorderingswet onaanvaardbaar doorkruisen.

betekening in persoon; Ontvanger Belastingdienst

HR 12 augustus 2016 (Continental Automaten B.V./Ontvanger) – de Ontvanger is een zelfstandig bevoegd in rechte op te treden; exploten aan de Ontvanger in persoon moeten daadwerkelijk aan hem in persoon worden betekend; idem Big Apple Services/Ontvanger(het opvolgende ECLI nr.).

Auteur & Last edit

[MdV, 11-09-2018; bijgewerkt 23-01-2019]

1 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 5 (1 votes, average: 4,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.