Verzuim: toerekenbaar niet presteren na opeisbaarheid

De schuldenaar is in verzuim, gedurende de tijd dat de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden (art. 6:81 B.W.). Verzuim is dus een continue situatie, die nog kan worden hersteld door alsnog na te komen. Vandaar de toevoeging: tenzij nakoming reeds blijvend onmogelijk is.

Voor verzuim geldt ook het vereiste van art. 6:74 B.W.: het niet nakomen moet toerekenbaar zijn.

Ook moet aan de eisen van art. 6:82 B.W. en art. 6:83 B.W. zijn voldaan.

In het arrest HR 11-10-2019 Alucon/Fraanje) casseert de Hoge Raad de beslissing van het Hof gedeeltelijk. Het Hof had geoordeeld, dat de termijnen die waren gesteld voor nakoming te kort waren. Het Hof ziet twee dingen verkeerd: (i) voor de beoordeling van de redelijkheid van een (korte) termijn moet worden meegewogen wat eraan is voorafgegaan. Een schuldenaar van een prestatie mag niet stil zitten en wachten tot de ander hem gaat sommeren, zodat de tijd die door zijn stilzitten is verstreken meegewogen mag worden bij de beoordeling van die termijn. En (ii) kunnen ook gebeurtenissen na de ontbinding een rol spelen bij de beoordeling.

De Hoge Raad overweegt:

“In dit oordeel ligt besloten dat de omstandigheid dat de eerder gestelde termijnen geen fataal karakter hadden en de eerdere sommaties niet aan de vereisten van een ingebrekestelling voldeden, meebrengt dat deze termijnen en sommaties niet van belang kunnen zijn voor de lengte van de termijn voor nakoming die aan de schuldenaar moet worden gegeven. Dat oordeel berust op een onjuiste rechtsopvatting. Omdat art. 6:83 BW geen limitatieve opsomming behelst van de gevallen waarin verzuim zonder ingebrekestelling intreedt, maar ook de redelijkheid en billijkheid hierbij een rol kunnen spelen, kunnen de omstandigheden van het geval met zich brengen dat het verzuim van de schuldenaar ook intreedt indien de schuldenaar niet of niet toereikend reageert op een verzoek van de schuldeiser om binnen een redelijke termijn toe te zeggen dat hij binnen een gestelde, eveneens redelijke, termijn zal nakomen, of om zich binnen een redelijke termijn uit te laten over de wijze waarop en de termijn waarbinnen hij door de schuldeiser omschreven gebreken in de uitvoering van de overeenkomst zal herstellen. Wat in dat verband een redelijke termijn voor de uitlating van de schuldenaar is, hangt af van de omstandigheden. Daarbij kan mede een rol spelen of de gestelde termijn gebruikelijk is in de branche waarin partijen actief zijn. In het licht hiervan is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd.

Zoals hiervoor in 3.4.4 is overwogen, kunnen de omstandigheden van het geval met zich brengen dat het verzuim van de schuldenaar ook intreedt indien de schuldenaar niet of niet toereikend reageert op een verzoek van de schuldeiser om binnen een redelijke termijn toe te zeggen dat hij binnen een gestelde, eveneens redelijke, termijn zal nakomen, of om zich binnen een redelijke termijn uit te laten over de wijze waarop en de termijn waarbinnen hij door de schuldeiser omschreven gebreken in de uitvoering van de overeenkomst zal herstellen. De eisen die aan de reactie van de schuldenaar mogen worden gesteld, zijn afhankelijk van de omstandigheden. Daarbij is onder meer van belang hoe concreet de schuldeiser de te herstellen gebreken heeft aangeduid en hoe specifiek hij heeft aangedrongen op een mededeling van de schuldenaar.

Bij de beoordeling of de schuldeiser uit de reactie van de schuldenaar, of uit het uitblijven daarvan, heeft mogen afleiden dat de schuldenaar niet tijdig of niet behoorlijk zou nakomen, kunnen ook latere feiten en omstandigheden van belang zijn. Het oordeel van het hof in rov. 3.11.8 dat gebeurtenissen na 2 oktober 2013 niet relevant zijn voor de beoordeling of Fraanje terecht tot ontbinding kon overgaan, berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting.”

Ingebrekestelling

In beginsel is voor het intreden van verzuim een ingebrekestelling nodig. Een ingebrekestelling is niet nodig:

– wanneer een termijn voor nakoming is afgesproken (fatale termijn)

– voor schadevergoeding uit onrechtmatige daad of de schadevergoeding wegens niet-nakomen als bedoeld in art. 6:74 B.W.

– in de situatie van art. 6:80 B.W. (voorzienbaar niet nakomen o.g.v. mededeling van de schuldenaar)

Vertragingsschade

De schuldenaar is verplicht de schade te vergoeden, die ontstaat door de te late nakoming (vertragingsschade), echter slechts voor zover hem toe te rekenen. Zie ook de pagina Verbintenissen tot betaling van een geldsom voor de gefixeerde vertragingsschade over de vordering tot betaling van een geldsom: de wettelijke rente. En de pagina Wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding voor de schadevergoeding op grond van art. 6:105 B.W..

Bij nakoming tegelijkertijd schade vergoeden

De schuldeiser kan de na het verzuim door de schuldenaar aangeboden nakoming weigeren als niet tegelijkertijd de schadevergoeding ontstaan door het verzuim wordt vergoed (art. 6:86 B.W.).

Zie voor de manier waarop dit in de praktijk werkt het hieronder vermelde arrest van de Hoge Raad van 7 december 2018 (JED Textiles). De schadevergoeding en kosten moeten op grond van art. 6:105 B.W. ook de (redelijkerwijs te verwachten) schade omvatten die de schuldeiser door het verzuim in de toekomst zal lijden. Dit omvat logischerwijs niet evt. toekomstige schade en kosten die worden veroorzaakt door gebeurtenissen nadat het verzuim is geëindigd bij voorbeeld door crediteursverzuim als hiervoor bedoeld.

Vervangende schadevergoeding

De schuldeiser kan gedurende het verzuim meedelen, dat hij niet langer prijs stelt op de nakoming, maar in plaats daarvan vervangende schadevergoeding wil hebben (art. 6:87 lid 1 B.W.). Dit geldt niet wanneer er sprake is van blijvende onmogelijkheid tot nakomen.

Een slechts gering verzuim is onvoldoende om omzetting te eisen (art. 6:87 lid 1 B.W.).

Deze bevoegdheid is verwant aan de bevoegdheid ex art. 6:265 B.W. tot het ontbinden van een wederkerige overeenkomst bij niet-nakoming door de wederpartij bij die overeenkomst. Zie ook de pagina Wederkerige overeenkomsten.

Rechtspraak

HR 7 december 2018, JOR 2019/49 (JED Textiles/NN) – een aanbod tot het zuiveren van het schuldeisersverzuim (door alsnog na te komen) voldoet alleen aan art. 6:86 B.W., als dit aanbod ook de vergoeding van de schade en kosten omvat, die tijdens het verzuim voor de schuldeiser is opgekomen door het verzuim (en waarop de schuldeiser conform art. 6:85 B.W. gerechtigd is). De schade die vergoed moet worden omvat ook de redelijkerwijs te verwachten toekomstige schade (als bedoeld in art. 6:105 B.W.) (r.o. 3.4.2.). De schuldeiser kan ervoor kiezen een aanbod dat deze vergoeding niet omvat te aanvaarden, maar geeft daarmee niet zijn aanspraak op vergoeding daarvan prijs. Weigert hij het aanbod ten onrechte omdat dit wel de schade en kosten omvat, dan raakt de schuldeiser in schuldeisersverzuim (art. 6:58 B.W.). De schuldenaar mag echter op grond daarvan niet ontbinden. Hij zal dan op grond van art. 6:60 B.W. vaststelling door de rechter moeten vorderen, dat zijn aanbod aan de eisen van art. 6:68 B.W. voldoet en hij (onder de door de rechter te stellen voorwaarden) van de verbintenis bevrijd is. Wel schort het crediteursverzuim het verzuim van de schuldenaar op, waardoor de schade en kosten niet verder voor de schuldenaar oplopen gelet op art. 6:85 B.W..

Auteur & Last edit

[MdV, 13-07-2018; laatste bewerking 7-11-2020]

0 stemmen, gemiddeld: 0,00 van de 50 stemmen, gemiddeld: 0,00 van de 50 stemmen, gemiddeld: 0,00 van de 50 stemmen, gemiddeld: 0,00 van de 50 stemmen, gemiddeld: 0,00 van de 5 (0 votes, average: 0,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.