Verzuim: toerekenbaar niet presteren na opeisbaarheid

De schuldenaar is in verzuim, gedurende de tijd dat de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden (art. 6:81 B.W.). Verzuim is dus een continue situatie, die nog kan worden hersteld door alsnog na te komen. Vandaar de toevoeging: “tenzij nakoming reeds blijvend onmogelijk is”.

Voor verzuim geldt ook het vereiste van art. 6:74 B.W.: het niet nakomen moet toerekenbaar zijn.

Ook moet de schuldenaar in gebreke gesteld worden (art. 6:82 B.W.), waarbij de schuldenaar “een redelijke termijn” voor nakoming gegeven moet worden. De Hoge Raad omschrijft in r.o. 3.2 van het arrest HR 20 september 1996, NJ 1996, 748 (Büchner/Wies) – herhaald in het arrest HR 22 oktober 2004 (Bouwmachines Den Haag) – de strekking van de ingebrekestelling als volgt:

“…dat een ingebrekestelling niet de functie heeft om “het verzuim vast te stellen”, doch om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus nader te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is, bij gebreke van welke nakoming de schuldenaar vanaf dat tijdstip in verzuim is.”

In het arrest HR 11 oktober 2019 Alucon/Fraanje) casseert de Hoge Raad de beslissing van het Hof gedeeltelijk. Het Hof had geoordeeld, dat de termijnen die waren gesteld voor nakoming te kort waren. Het Hof ziet twee dingen verkeerd: (i) voor de beoordeling van de redelijkheid van een (korte) termijn moet worden meegewogen wat eraan is voorafgegaan. Een schuldenaar van een prestatie mag niet stil zitten en wachten tot de ander hem gaat sommeren, zodat de tijd die door zijn stilzitten is verstreken meegewogen mag worden bij de beoordeling van die termijn. En (ii) kunnen ook gebeurtenissen na de ontbinding een rol spelen bij de beoordeling.

Lees de overwegingen van HR 11 oktober 2019 (Alucon/Fraanje)

De Hoge Raad overweegt:

“In dit oordeel ligt besloten dat de omstandigheid dat de eerder gestelde termijnen geen fataal karakter hadden en de eerdere sommaties niet aan de vereisten van een ingebrekestelling voldeden, meebrengt dat deze termijnen en sommaties niet van belang kunnen zijn voor de lengte van de termijn voor nakoming die aan de schuldenaar moet worden gegeven. Dat oordeel berust op een onjuiste rechtsopvatting. Omdat art. 6:83 BW geen limitatieve opsomming behelst van de gevallen waarin verzuim zonder ingebrekestelling intreedt, maar ook de redelijkheid en billijkheid hierbij een rol kunnen spelen, kunnen de omstandigheden van het geval met zich brengen dat het verzuim van de schuldenaar ook intreedt indien de schuldenaar niet of niet toereikend reageert op een verzoek van de schuldeiser om binnen een redelijke termijn toe te zeggen dat hij binnen een gestelde, eveneens redelijke, termijn zal nakomen, of om zich binnen een redelijke termijn uit te laten over de wijze waarop en de termijn waarbinnen hij door de schuldeiser omschreven gebreken in de uitvoering van de overeenkomst zal herstellen. Wat in dat verband een redelijke termijn voor de uitlating van de schuldenaar is, hangt af van de omstandigheden. Daarbij kan mede een rol spelen of de gestelde termijn gebruikelijk is in de branche waarin partijen actief zijn. In het licht hiervan is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd.

Zoals hiervoor in 3.4.4 is overwogen, kunnen de omstandigheden van het geval met zich brengen dat het verzuim van de schuldenaar ook intreedt indien de schuldenaar niet of niet toereikend reageert op een verzoek van de schuldeiser om binnen een redelijke termijn toe te zeggen dat hij binnen een gestelde, eveneens redelijke, termijn zal nakomen, of om zich binnen een redelijke termijn uit te laten over de wijze waarop en de termijn waarbinnen hij door de schuldeiser omschreven gebreken in de uitvoering van de overeenkomst zal herstellen. De eisen die aan de reactie van de schuldenaar mogen worden gesteld, zijn afhankelijk van de omstandigheden. Daarbij is onder meer van belang hoe concreet de schuldeiser de te herstellen gebreken heeft aangeduid en hoe specifiek hij heeft aangedrongen op een mededeling van de schuldenaar.

Bij de beoordeling of de schuldeiser uit de reactie van de schuldenaar, of uit het uitblijven daarvan, heeft mogen afleiden dat de schuldenaar niet tijdig of niet behoorlijk zou nakomen, kunnen ook latere feiten en omstandigheden van belang zijn. Het oordeel van het hof in rov. 3.11.8 dat gebeurtenissen na 2 oktober 2013 niet relevant zijn voor de beoordeling of Fraanje terecht tot ontbinding kon overgaan, berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting.”

In de kwestie die leidde tot het 81-RO arrest HR 19 september 2011 (Van der Meer q.q./opdrachtgever) was de vraag aan de orde of Staalbouw in verzuim was geraakt met betrekking tot de aannemingsovereenkomst. De opdrachtgever had Staalbouw gesommeerd, omdat de uitvoering van de bouw vertraging opliep. Toen Staalbouw vervolgens niet aan die sommatie voldeed, ontbond de opdrachtgever de aannemingsovereenkomst partieel en vorderde schadevergoeding. De curator van de rechtsopvolger van Staalbouw voerde aan, dat de sommatie voortijdig was, omdat de termijn waarvoor het werk moest worden opgeleverd (te weten 19 juli 2004) nog niet was verschenen. Dat verweer ging niet op, want de opdrachtgever had Staalbouw per brief van 18 juni 2004 gesommeerd (zie conclusie P-G, r.o. 3.5 inzake Middel II):

“om uiterlijk woensdag 23 juni a.s. (…) een zichtbare verbetering op de bouwlocatie aan te tonen middels de levering van de nog ontbrekende materialen om de hoofdopdracht uit te voeren als ook (middels) de aanwezigheid van een extra uitvoeringsploeg om de achterstand in te kunnen halen.”

Deze haar gestelde termijn voor het nemen van stappen om een al opgelopen achterstand in de uitvoering van het werk te verminderen heeft Staalbouw niet gehaald. Een schuldeiser kan dus ook – als de nakoming vertraagd is – een termijn stellen om de schuldenaar aan te sporen de achterstand in te halen en extra zeilen bij te zetten. Komt de schuldenaar die aanmaning niet na, dan kan verzuim ook intreden, ook al is de uiterste datum nog niet bereikt. Overigens betrof dit een kwestie die zag op een aannemingsovereenkomst die was tot stand gekomen na invoering van Titel 12, Boek 7 B.W. (Aanneming). Overigens speelde in deze zaak ook mee, dat Staalbouw had aangegeven problemen met de nakoming te hebben vanwege liquiditeitsmoeilijkheden. Dit kon worden gezien als een mededeling als bedoeld in art. 6:83 aanhef en sub c B.W.. In zoverre was het Hof voor twee ankers gaan liggen.

Bij aanneming van werk biedt de wet overigens – naast de algemene bepalingen inzake niet-nakoming en ontbinding – nog een aanvullende mogelijkheid tot anticiperende ontbinding. Deze kan echter uitsluitend via de rechter worden gevorderd. Zie de pagina Algemene bepalingen aanneming van werk.

Geen ingebrekestelling vereist

In een aantal gevallen is ingebrekestelling niet nodig (art. 6:83 B.W.):

– wanneer een termijn voor nakoming is afgesproken (fatale termijn);

– voor schadevergoeding uit onrechtmatige daad of de schadevergoeding wegens niet-nakomen als bedoeld in art. 6:74 B.W.;

– in de situatie van art. 6:80 B.W. (voorzienbaar niet nakomen o.g.v. mededeling van de schuldenaar). Vergelijk deze laatste grondslag ook met art. 6:82 lid 2 B.W..

En verder is geen ingebrekestelling nodig als de prestatie reeds blijvend onmogelijk is geworden. In deze situaties treedt het verzuim dus “van rechtswege” in.

De opsomming van art. 6:83 B.W. is niet limitatief. Verzuim kan naast de in de wet genoemde gevallen ook van rechtswege intreden op grond van de redelijkheid en billijkheid. Onder omstandigheden kan (i) een beroep op het ontbreken van een ingebrekestelling onaanvaardbaar zijn, of kan (ii) worden aangenomen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een ingebrekestelling achterwege kan blijven, waardoor de schuldenaar zonder ingebrekestelling in verzuim raakt.

De Hoge Raad heeft dit herhaaldelijk heeft aangegeven, verwijzend naar de Parlementaire Geschiedenis (zie bijv. Parl. Gesch. Boek 6, pagina’s 289, 294 en 296).

Onder andere in het arrest HR 6 oktober 2000 (Verzicht/Van Eijndhoven q.q.), HR 4 oktober 2002 (Glassinstruments) (zie r.o. 3.4), HR 12 september 2003 (boete wegens Rücktritt), HR 28 november 2004 (Bubbels) (zie r.o. 3.3) en het hierboven genoemde arrest HR 22 oktober 2004 (Bouwmachines Den Haag).

In het geschil over de vraag, of een aannemer – ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling – in verzuim was geraakt, besliste het Hof dan ook terecht, dat de aannemer niettemin in verzuim was geraakt. De P-G licht dit in diens conclusie PHR 14 oktober 2005 toe aan de hand van de casus, in overweging 5.7. Lees voor de vraag naar het intreden van het verzuim voorbij aan procesrechtelijke complicatie van de 3 procedures in die zaak. Overigens betrof dit een procedure voor de invoering van Titel 12 Boek 7 B.W. (Aanneming) (per 1 september 2003).

Gevolgen van verzuim

Verzuim dus een vereiste voor het intreden van rechtsgevolgen van niet-nakoming, zoals:

– het ontstaan van een verplichting van de schuldenaar tot vergoeding van vertragingsschade;
– omzetting van diens verplichting tot het verrichten van de prestatie in een verplichting tot betaling van vervangende schadevergoeding en
– ontbinding op de voet van art. 6:265 e.v. B.W. (zie de pagina Wederkerige overeenkomsten).

Vaststelling van verzuim biedt bovendien meer zekerheid ten aanzien van het bestaan van een opschortingsbevoegdheid aan de zijde van de schuldeiser (zie de pagina Opschortingsrechten).

Vertragingsschade

De schuldenaar is verplicht de schade te vergoeden, die ontstaat door de te late nakoming (vertragingsschade), echter slechts voor zover hem toe te rekenen. Zie ook de pagina Verbintenissen tot betaling van een geldsom voor de gefixeerde vertragingsschade over de vordering tot betaling van een geldsom: de wettelijke rente. En de pagina Wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding voor de schadevergoeding op grond van art. 6:105 B.W..

Bij nakoming tegelijkertijd schade vergoeden

De schuldeiser kan de na het verzuim door de schuldenaar aangeboden nakoming weigeren als niet tegelijkertijd de schadevergoeding ontstaan door het verzuim wordt vergoed (art. 6:86 B.W.).

Zie voor de manier waarop dit in de praktijk werkt het hieronder vermelde arrest HR 7 december 2018, JOR 2019/49 (JED Textiles/NN). De schadevergoeding en kosten moeten op grond van art. 6:105 B.W. ook de (redelijkerwijs te verwachten) schade omvatten die de schuldeiser door het verzuim in de toekomst zal lijden. Dit omvat logischerwijs niet evt. toekomstige schade en kosten die worden veroorzaakt door gebeurtenissen nadat het verzuim is geëindigd bij voorbeeld door crediteursverzuim als hiervoor bedoeld.

Vervangende schadevergoeding

De schuldeiser kan gedurende het verzuim meedelen, dat hij niet langer prijs stelt op de nakoming, maar in plaats daarvan vervangende schadevergoeding wil hebben (art. 6:87 lid 1 B.W.). Dit geldt niet wanneer er sprake is van blijvende onmogelijkheid tot nakomen.

Een slechts gering verzuim is onvoldoende om omzetting te eisen (art. 6:87 lid 1 B.W.).

Ontbinding bij wederkerige overeenkomst

Deze bevoegdheid is verwant aan de bevoegdheid ex art. 6:265 B.W. tot het ontbinden van een wederkerige overeenkomst bij niet-nakoming door de wederpartij bij die overeenkomst. Zie ook de pagina Wederkerige overeenkomsten. Overigens kan er ook voor worden gekozen niet de gehele overeenkomst te ontbinden (wat leidt tot ongedaanmakingsverplichtingen van alle prestaties over en weer), maar slechts een gedeeltelijke ontbinding (ook wel genaamd “partiële” ontbinding) .

Rechtspraak

HR 7 december 2018, JOR 2019/49 (JED Textiles/NN) – een aanbod tot het zuiveren van het schuldeisersverzuim (door alsnog na te komen) voldoet alleen aan art. 6:86 B.W., als dit aanbod ook de vergoeding van de schade en kosten omvat, die tijdens het verzuim voor de schuldeiser is opgekomen door het verzuim (en waarop de schuldeiser conform art. 6:85 B.W. gerechtigd is). De schade die vergoed moet worden omvat ook de redelijkerwijs te verwachten toekomstige schade (als bedoeld in art. 6:105 B.W.) (r.o. 3.4.2.). De schuldeiser kan ervoor kiezen een aanbod dat deze vergoeding niet omvat te aanvaarden, maar geeft daarmee niet zijn aanspraak op vergoeding daarvan prijs. Weigert hij het aanbod ten onrechte omdat dit wel de schade en kosten omvat, dan raakt de schuldeiser in schuldeisersverzuim (art. 6:58 B.W.). De schuldenaar mag echter op grond daarvan niet ontbinden. Hij zal dan op grond van art. 6:60 B.W. vaststelling door de rechter moeten vorderen, dat zijn aanbod aan de eisen van art. 6:68 B.W. voldoet en hij (onder de door de rechter te stellen voorwaarden) van de verbintenis bevrijd is. Wel schort het crediteursverzuim het verzuim van de schuldenaar op, waardoor de schade en kosten niet verder voor de schuldenaar oplopen gelet op art. 6:85 B.W..

Auteur & Last edit

[MdV, 13-07-2018; laatste bewerking 29-06-2021]

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.