LawyrupBurgerlijk wetboekVerbintenissenrecht (Boek 6 B.W.)Overeenkomsten in het algemeen (Titel 5, Boek 6 B.W.)Wederkerige overeenkomsten (Afd. 5, Titel 5, Boek 6 B.W.)

Definitie wederkerige overeenkomsten

Art. 6:261 B.W. definieert het begrip “wederkerige overeenkomst” als een overeenkomst waarbij over en weer verplichtingen worden aangegaan, als tegenprestatie voor de verbintenis van de andere partij. In de praktijk wordt ook wel gesproken van “contracten”. Dat woord is uitwisselbaar met “overeenkomst”, hoewel bij contracten vaak meer wordt gedacht aan op schrift gestelde overeenkomsten (contract is dan dus meer de belichaming van een overeenkomst op papier).

In Boek 7 B.W. worden enkele specifieke (zgn. “benoemde” overeenkomsten geregeld. En in Boek 7A B.W. staan nog wat gedateerde bepalingen over benoemde contracten. Deze moeten nog gemoderniseerd worden, het is als het ware de rommelzolder van de wetgever.

De bepalingen van deze afdeling zijn mede toepasselijk op soortgelijke rechtsverhoudingen (art. 6:261 lid 2 B.W.).

Opschortingsbevoegdheid

Wanneer de wederpartij zijn prestatie niet nakomt, mag een partij bij een overeenkomst zijn eigen prestatie opschorten (art. 6:262 B.W.). Bij de beoordeling van het beroep op opschorting moet de rechter acht slaan op het samenhangende geheel van verplichtingen over en weer, aldus de Hoge Raad in HR 3 februari 2012 (verkoper aandelen Mondial/Euretco). In die casus ging het om twee met elkaar verbonden overeenkomsten: de verkoop van aandelen in een vennootschap en de geldlening waarbij de koper de koopsom ter leen verstrekt kreeg. Toen de waarde van de aandelen aanzienlijk lager bleek, beriep de koper zich op opschorting van zijn betalingsverplichting terzake van de rente over de geldlening. De verkoper ontbond de overeenkomst wegens niet-nakoming van die verplichting. Het Hof had ten onrechte de ontbinding gehonoreerd, omdat het daarmee de samenhang tussen de verbintenissen over en weer had miskend.

Lees de overweging van de Hoge Raad (r.o. 3.5.3)

Het onderdeel klaagt terecht dat het hof aldus de (nauwe) samenhang tussen de wederzijdse contractuele verplichtingen heeft miskend, althans zijn oordeel op dit punt in het licht van de stellingen van Euretco onvoldoende heeft gemotiveerd. Die stellingen houden in, kort samengevat, dat de in de akte van levering opgenomen balansgarantie is geschonden, dat daarom ingevolge de aanpassingsclausule de koopsom voor de aandelen neerwaarts moet worden gecorrigeerd, en dat de Verkoper te dier zake ook tot betaling van schadevergoeding op grond van wanprestatie verplicht is. Euretco heeft daaraan in de feitelijke instanties uitdrukkelijk de conclusie verbonden dat zij gerechtigd was de betaling van de rentetermijnen op te schorten op grond van art. 6:262 BW dan wel art. 6:52 BW. Daarbij heeft zij aangevoerd dat de bepalingen van de leveringsakte en de akte van geldlening in wezen onderdeel uitmaken van één overeenkomst (de aandelentransactie), althans zeer nauw met elkaar samenhangen, en dat slechts voor vastlegging van de afspraken in twee verschillende akten is gekozen om de inhoud van de leningsovereenkomst en de daarin opgenomen aanpassingsclausule niet aan (bepaalde) derden kenbaar te maken. In het licht van deze stellingen is onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat “een redelijke uitleg van de overeenkomst van geldlening” meebrengt dat Euretco niet bevoegd was tot opschorting. Daarbij kan opgemerkt worden dat de inhoud van de aanpassingsclausule, voor zover daarin is bepaald dat de koopsom van de aandelen wordt gecorrigeerd overeenkomstig de (aangepaste) jaarcijfers 2003 van MKB, overeenstemt met de gevolgen van een gedeeltelijke ontbinding waartoe de gestelde wanprestatie van de Verkoper volgens de wet (art. 6:265 in verbinding met art. 6:270 BW) aanleiding zou geven. Reeds de hiervoor in 3.1 onder (iii) – (v) vermelde vaststaande feiten wijzen op een zodanig nauwe samenhang tussen enerzijds de verplichtingen van de Verkoper uit hoofde van de balansgarantie en de aanpassingsclausule en anderzijds de verplichting van Euretco tot betaling van de rentetermijnen, dat onbegrijpelijk is het oordeel dat Euretco niet op grond van de (gestelde) wanprestatie van de Verkoper bevoegd zou zijn tot opschorting van de rentetermijnen.

De Hoge Raad voegde hier (in r.o. 3.5.4.) nog aan toe, dat het Hof terecht niet aan haar oordeel ten grondslag gelegd had, dat de hoogte van de tegenvordering van Euretco nog niet vast stond omdat de lagere waarde van de verkochte aandelen op het moment van opschorten nog bepaald moest worden. De Hoge Raad verwijst daarbij naar het arrest HR 21 september 2007 (paprikateler/leverancier substraatunit), waarin dit reeds eerder door de Hoge Raad was uiteengezet. Dit arrest wordt nader besproken op de pagina Opschortingsrechten.

Uit deze jurisprudentie blijkt, dat het spel van ingebrekestelling, opschorting en ontbinding zeer nauw luistert. Degeen die daarin een fout maakt, kan de deksel op zijn neus krijgen.

Wordt door de ander slechts gedeeltelijk – of ondeugdelijk – niet nagekomen, dan is opschorting slechts toegestaan als de tekortkoming opschorting rechtvaardigt (art. 6:262 lid 2 B.W.). Bij gedeeltelijke niet nakoming mag de schuldenaar van een verbintenis zijn prestatie opschorten voor een evenredig deel. Voorbeeld: als je een auto verkocht hebt en je hebt met de koper afgesproken dat er een aanbetaling gedaan zal worden en de rest na aflevering, en de aanbetaling wordt niet betaald, dan mag de verkoper – als schuldenaar van de tegenprestatie, namelijk de verplichting een auto te leveren – de levering van de auto opschorten.

Inroepen vereist

De opschortingsbevoegdheid moet worden ingeroepen door degeen die daar een beroep op kan doen. Het is immers een bevoegdheid van de schuldenaar van de (tegen)prestatie. Hij mag die uitoefenen, maar kan ook besluiten dit niet te doen. De rechter mag het opschortingsrecht daarom niet ambtshalve toepassen.

Opschorting is een tijdelijke maatregel

Opschorting is een tijdelijke maatregel: de schuldenaar van de opgeschorte verbintenis zal uiteindelijk moeten kiezen tussen nakoming of ontbinding. De partij die zich op opschorting beroept, zal in zijn verdere (processuele) houding een keuze moeten maken of hij nakoming (en evt. vervangende schadevergoeding voor de niet of niet volledig nagekomen verbintenis van de andere partij) vordert, of ontbinding van de overeenkomst. De opschorting is immers slechts een voorlopige maatregel.

Vgl. arrest Hoge Raad Droog/Bekaert d.d. 19-02-1988, NJ 1989, 343
Droog verweerde zich tegen de vordering van Bekaert tot betaling van de standhuurkosten voor de huishoudbeurs met de stelling, dat Bekaert wanprestatie gepleegd had omdat de stand niet was ingericht zoals was afgesproken. Maar hij had geen ontbinding gevorderd, en evenmin nakoming of vervangende schadevergoeding. De Hoge Raad besliste dat Droog in die situatie slechts van zijn betalingsverplichting bevrijd kon worden door een beroep op ontbinding.

De ontbinding of juist vordering tot nakoming hoeft niet in reconventie gevorderd te worden. Aldus de Hoge Raad inzake Visser/Dinjens d.d. 23 september 1994 (NJ 1995, 26). Wel zal uit het verweer in conventie duidelijk moeten blijken of de gedaagde zich op bevrijding van haar verplichting wegens ontbinding beroept, dan wel of zij nakoming vordert. In het laatste geval zal dit dus leiden tot een veroordeling onder voorwaarde op grond van de opschortingsbevoegdheid. In beide gevallen kan een vordering in reconventie wel meer duidelijkheid scheppen.

Conform de regeling van art. 6:80 B.W. mag ook worden opgeschort als voorzienbaar is dat de ander niet zal nakomen (art. 6:263 B.W.) (de onzekerheidsexceptie).

Algemene regeling voor opschorting buiten wederkerige overeenkomsten

In de algemene regeling van het verbintenissenrecht is ook een regeling voor opschorting te vinden. Zie de pagina Opschortingsrechten. Die regeling vindt ook toepassing bij wederkerige overeenkomsten, zoals uit de daar vermelde jurisprudentie blijkt. Art. 6:264 B.W. bepaalt echter, dat art. 54 aanhef en sub b en c B.W. en art. 55 B.W. niet van toepassing zijn bij wederkerige overeenkomsten.

Onredelijk beroep op opschorting

Een beroep op opschorting bij wederkerige overeenkomsten kan – ondanks dat het aan de wettelijke vereisten voldoet – niettemin onredelijk zijn.

Zie arrest HR 7 mei 1993 (Duijndam/De Kuiper), NJ 1993
In die casus weigerde de koper van een fornuis betaling van de slottermijn, omdat niet het fornuis geleverd was dat hij in de showroom gezien had. Die eis werd onredelijk geacht omdat Duijndam het fornuis al 4,5 jaar had gebruikt zonder daarover te klagen en ontbinding te vorderen, dan wel nakoming door levering van het juiste fornuis. Kortom de schuldenaar moet dus tijdig klagen en actie ondernemen.

Ontbinding

Een belangrijke bepaling is de bevoegdheid van een partij om de overeenkomst te ontbinden in geval van niet-nakoming door de ander (art. 6:265 B.W.). Alternatief is het vorderen van vervangende schadevergoeding (art. 6:87 B.W.).

Beide bepalingen stellen als voorwaarde, dat ontbinding dan wel vervangende schadevergoeding niet kan worden ingeroepen, wanneer de niet-nakoming onvoldoende gewichtig is.

Art. 6:265 B.W.:

“tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt”.

En art. 6:87 B.W.:

“Geen omzetting vindt plaats, die door de tekortkoming, gezien haar ondergeschikte betekenis, niet wordt gerechtvaardigd”.

In beginsel wordt een geringe niet-nakoming als voldoende aanleiding bevonden, maar in de lagere rechtspraak is er vaak sprake van een bredere belangenafweging en wordt ontbinding (of de omzetting in vervangende schadevergoeding) minder snel gehonoreerd. De Hoge Raad heeft recent in zijn uitspraak van 28 september 2018 (Eigen Haard/huurder) de door de rechtbank Amsterdam gestelde prejudiciële vragen in een kort geding tot ontruiming van een sociale huurwoning beantwoord met betrekking tot de uitleg van art. 6:265 B.W..

Lees meer HR 28 september 2018 (Eigen Haard/huurder sociale huurwoning

De rechtbank had de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd:

“1. Dient artikel 6:265 lid 1 BW letterlijk te worden uitgelegd in die zin dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij het maken van een uitzondering hierop gerechtvaardigd is aan de hand van de in de wet genoemde gezichtspunten? Zo niet, hoe dient deze bepaling dan te worden uitgelegd?

2. Is er aanleiding bijzondere eisen te stellen ten aanzien van ontbinding van een overeenkomst van huur en verhuur van sociale woonruimte, ervan uitgaande dat zulke woonruimte schaars is?”

De beantwoording van met name de eerste vraag door de Hoge Raad – met vermelding van de Parlementaire geschiedenis en veel jurisprudentie van de Hoge Raad zelf – is zeer belangwekkend voor de beoordeling van de vraag, of ontbinding in een bepaald geval gerechtvaardigd is. Op deze plaats wordt dit betoog niet herhaald, men kan dit simpelweg in de beantwoording van de prejudiciële vragen zelf teruglezen. Het antwoord op de tweede vraag is overigens kort samengevat: nee.

Het systeem van art. 6:265 B.W. werkt – zo legt de Hoge Raad uit – als volgt. De hoofdregel geeft de schuldeiser in principe steeds de bevoegdheid om te ontbinden bij tekortkoming in de nakoming. De schuldeiser kan de rechter vragen vast te stellen of de ontbinding gerechtvaardigd is. Dit betekent echter wel, dat de schuldeiser die ontbinding wil vorderen moet stellen en bewijzen, dat er sprake is van een tekortkoming in de nakoming.

De uitzondering van de “tenzij” regel brengt mee, dat de ontbinding wel voldoende van belang moet zijn. Het is niet zo, dat iedere, onbetekenende tekortkoming voldoende is. De Hoge Raad somt uitgebreid de jurisprudentie op, waaruit blijkt dat de bepaling zo niet moet worden uitgelegd. Procestechnisch betekent deze opzet, dat de schuldenaar zich tegen de gevorderde (of al ingeroepen) ontbinding kan verweren door te stellen, dat de tekortkoming (als er al een tekortkoming is) onvoldoende is om de sanctie van ontbinding te rechtvaardigen.

Bij de beoordeling van de stellingen over en weer kan de rechter alle relevante feiten meewegen. De Hoge Raad verwijst hierbij expliciet naar (voor het oude recht) onder meer het arrest Gallas/Mozes en Oskam, rov. 3.3, en (voor het huidige recht) onder meer HR 27 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2789, NJ 1999/197, rov. 3.4 (De Bruin/Meiling).

Wanneer na het inroepen van de ontbinding alsnog een aanbod tot nakoming wordt gedaan, kan dit de afweging door de rechter beïnvloeden of de niet-nakoming de ontbinding rechtvaardigt. A fortiori geldt dit als nadien daadwerkelijk is nagekomen (er is bvb. – zij het te laat – betaald). Vgl. Hoge Raad d.d. 11 juni 1982, (Gallas/Mozes, NJ 1983, 695).

Er bestaat wel een verschil in gevolgen tussen deze twee opties: als de prestaties namelijk in waarde verschillen, kan het aantrekkelijker zijn om te ontbinden (als de eigen prestatie meer waard is) of juist vervangende schadevergoeding te vragen (als de prestatie van de wederpartij meer waard is). Met name als de prestatie voor degeen die zich kan beroepen op ontbinding verhoudingsgewijs nadelig is, kan ontbinding aantrekkelijk zijn. Als de waarde van de prestatie hoger is, dan kan vervangende schadevergoeding worden gevorderd of ontbinden met schadevergoeding (zie hierna art. 6:277 B.W.).

Geen ontbinding is mogelijk wanneer degeen die zich erop wil beroepen zelf in verzuim is (art. 6:266 B.W.).

Ontbinding vindt plaats door een schriftelijke verklaring buiten rechte, of door een vordering in rechte (art. 6:267 B.W.).

Ontbinding heeft geen terugwerkende kracht

De ontbinding heeft geen terugwerkende kracht (art. 6:269 B.W.). Dit in tegenstelling tot het oude recht voor 1992. Een eenmaal uit hoofde van de overeenkomst uitgevoerde levering blijft dus intact, de verkrijger blijft eigenaar. Alleen zal deze moeten terugleveren.

Partiële ontbinding

Partiële ontbinding is ook mogelijk (art. 6:270 B.W.) en leidt tot een evenredige vermindering van de prestaties over en weer.

Ongedaanmakingsverplichtingen na ontbinding van de overeenkomst

Wanneer de overeenkomst is ontbonden, dan zijn partijen uit hun verplichtingen ontslagen. Is er al (deels) gepresteerd, ontstaat daardoor de verplichting tot ongedaanmaking van de reeds verrichte prestatie (art. 6:271 B.W.). Is ongedaanmaking niet meer mogelijk, dan moet in plaats daarvan schade worden vergoed tot het bedrag van de waarde van de reeds verrichte prestatie (art. 6:272 B.W.).

Schadevergoeding na ontbinding

De tekortkomende partij moet de schade, die de wederpartij lijdt als gevolg van de ontbinding, aan deze vergoeden (art. 6:277 B.W.). Behoudens wanneer de niet-nakoming niet toerekenbaar is (lid 2, jo. art. 6:78 B.W.). Dan dient de partij die in gebreke is gebleven alleen een hem toegevallen voordeel vergoeden (op de voet van ongerechtvaardigde verrijking).

Opzegging van wederkerige overeenkomsten

De wet kent voor overeenkomsten in het algemeen geen algemene regeling voor opzegging. Die is er ook niet meer in het bijzonder voor wederkerige overeenkomsten. Diverse specifiek geregelde overeenkomsten (benoemde contracten) kennen wel uitvoerige regelingen voor opzegging. Zie over de opzegging van duurovereenkomsten in het algemeen nader de pagina Algemene bepalingen overeenkomsten.

Opzegging van wederkerige overeenkomsten in geval van faillissement

Wanneer één van de partijen bij een wederkerige overeenkomst, die nog niet volledig is voltooid, failliet gaat, dan krijgt de wederpartij van de gefailleerde een extra mogelijkheid tot opzegging, naast de reguliere mogelijkheden (of het gebrek daaraan) tot opzegging zoals die bestonden voor het faillissement. Zie de pagina Lopende overeenkomsten en faillissement.

Rechtspraak

Opschortingsrecht

HR 3 februari 2012 (verkoper aandelen Mondial/Euretco) – bij de beoordeling van het beroep op opschorting moet de rechter acht slaan op het samenhangende geheel van verplichtingen over en weer.

HR 21 september 2007 (paprikateler/leverancier substraatunit) – voor de bevoegdheid tot opschorting behoeft de omvang van de tegenvordering waarvoor wordt opgeschort nog niet vast te staan.

HR d.d. 19-02-1988, NJ 1989, 343 (Droog/Bekaert)
HR d.d. 23 september 1994, NJ 1995, 26 (Visser/Dinjens)
HR 7 mei 1993, NJ 1993, 406 (Duijndam/De Kuiper)

niet-nakoming en ontbinding

Conclusie P-G bij HR 28 september 2018 (Tandheelkundig Centrum/Advocatenkantoor) – partiële ontbinding van doorlopende opdracht aan advocaat op (slechts) één onderdeel vanwege het verzuim uitvoering te geven aan een beslag (nadat wel verlof was verkregen); vordering van de advocaat tot betaling toegewezen minus een klein bedrag vanwege deze partiële ontbinding.

HR 28 september 2018 (prejudicieel advies Eigen Haard/huurder) – de bevoegdheid tot ontbinding van de overeenkomst op grond van art. 6:265 B.W. houdt niet in, dat iedere, onbetekenende tekortkoming voldoende is.

HR d.d. 7-07-2017  betrof café-bedrijf huurachterstand (deels door waterschade, verhuurder ook wat boter op hoofd); niet mede gebaseerd op eerdere achterstand. Verhuurder had alleen boete laatste 3 maanden gevorderd. En niet over oudere achterstanden die kennelijk inmiddels betaald waren. (Mocht Hof ook niet meenemen want niet als grondslag vgl. art. 24 Rv.).

HR 26-04-2002, NJ 2004, 210 (niet-nakoming renovatie huis; vervangende schadevergoeding)

Auteur & Last edit

[MdV, 13-02-2018; laatste bewerking 12-04-2020]

0 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 5 (0 votes, average: 0,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.