Collectief actierecht (art. 3:305a-305d B.W.)

Inleiding collectief actierecht

Per 1 juli 1995 is de wettelijke regeling inzake het instellen van collectieve acties (massaschadeclaims) in de wet opgenomen in de titel Rechtsvorderingen. De regeling is vervat in vier bepalingen, art. 3:305a B.W. tot en met art. 3:305d B.W..

Per 1 januari 2020 is de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA) in werking getreden. Daarbij zijn in art. 3:305a B.W. extra waarborgen in de wet opgenomen om waarborgen te scheppen voor de deugdelijke belangenbehartiging van de achterban, voor wie de vereniging of stichting, die een collectieve actie voert, opkomt. Ook is er een collectief actieregister ingesteld. Deze wetswijziging komt mede voort uit de zgn. “Claimcode”, in 2011 opgesteld door de Commissie Claimcode. In maart 2019 heeft deze commissie een nieuwe versie van deze Claimcode aan de Minister gepresenteerd (zie Nieuwsbericht Rijksoverheid).

Deze wetswijziging is gepubliceerd op 20 maart 2019 (Stb. 2019, 130) en in werking getreden per 1 januari 2020 (Stb. 2019, 447). Zie voor de Parlementaire geschiedenis het dossier van wetsvoorstel 34 608. Daarin zijn ook zijn speciale procesregels voor collectieve actieprocedures opgenomen in een nieuwe titel in Rv.: Titel 14a, Boek 3 Rv.. Zie ook de pagina Procedure collectieve actie en collectieve schadeafwikkeling.

Wanneer een regeling in der minne bereikt is, kan deze via de procedure van artikelen 7:907 t/m 7:910 B.W. algemeen verbindend verklaard worden, zoals o.a. bij DSB Bank is gebeurd. Zie de pagina Vaststellingsovereenkomst. De procedure kent een eigen regeling in Titel 14, Boek 3 B.W. (zie de pagina Procedure verbindendverklaring overeenkomsten tot collectieve afwikkeling massaschades).

Eisen aan de rechtspersoon die het collectieve actierecht uitoefent

Met de invoering van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA) zijn de eisen aan de rechtspersoon, die het collectieve actierecht uitoefent aangescherpt. Voldoet de rechtspersoon niet aan deze eisen, dan verklaart de rechter haar niet-ontvankelijk in haar vordering. Art. 3:305a lid 1 B.W. stelt de volgende eisen:

– een stichting, of een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid (d.w.z. via de notaris opgericht);
– de vertegenwoordigde belangen moeten gelijksoortig zijn;
– de behartiging van die belangen moet doelstelling van de rechtspersoon zijn volgens de statuten;
– deze belangen moeten voldoende zijn gewaarborgd.

Deze laatste eis (die eerst in lid 2 stond) is met de WAMCA nader uitgewerkt, mede vanwege misstanden die zich in het verleden hebben voorgedaan. Deze eis wordt in lid 2 nader gepreciseerd.

Representativiteit en inrichting van de rechtspersoon

De rechtspersoon moet voldoende representatief zijn, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen. Verder moet de rechtspersoon voldoen aan de volgende eisen qua organisatie en inrichting.

De rechtspersoon moet tenminste aan de volgende organisatie-eisen voldoen:

– er moet een toezichthoudend orgaan zijn (zoals een raad van commissarissen of een raad van toezicht);
– passende en doeltreffende mechanismen voor de deelname aan of vertegenwoordiging bij de besluitvorming van de achterban (bvb. regelmatige ledenvergaderingen en andere inspraakvormen bij een vereniging, en een donateursvergadering of iets dergelijks bij een stichting);
– er moeten voldoende middelen zijn om de kosten voor het instellen van een rechtsvordering te dragen;
– de rechtspersoon moet voldoende zeggenschap over die middelen hebben;
– er moet een algemeen toegankelijke website zijn, waarop de achterban wordt geïnformeerd en waar tenminste de gegevens op staan als vermeld in art. 3:305a lid 2 aanhef en sub d, sub 1 t/m sub 9 B.W..

In art. 3:305a lid 3 B.W. wordt als eis voor ontvankelijkheid verder toegevoegd:

– geen direct of indirect winstoogmerk van de bestuurders van de rechtspersoon (of hun opvolgers);
– een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer als gespecificeerd in art. 3:305a lid 3 aanhef en onder b, sub 1 t/m sub 3 B.W.;

Pogingen tot een regeling  buiten rechte

Art. 3:305a lid 3 sub c B.W. stelt verder de eis, dat de rechtspersoon eerst voldoende moeite in het werk stelt om eerst buiten rechte tot een regeling te komen. Deze bepaling stond eerst in lid 2. Een termijn van twee weken na de ontvangst door de verweerder van een verzoek tot overleg onder vermelding van het gevorderde, is daarvoor in elk geval voldoende. Dit is niet veranderd ten opzichte van de oude regeling.

Vordering tot openbaar maken

De rechtspersoon kan mede vorderen de veroordeling openbaar te maken (lid 4). Dit stond eerst in lid 3. In de oude regeling was ook vermeld: “de vordering kan niet strekken tot schadevergoeding te voldoen in geld”. Die beperking is kennelijk vervallen.

Jaarrekening en publicatie

In lid 5 wordt verplicht gesteld de jaarrekening op te maken conform de regels van Boek 2 B.W., en deze binnen 8 dagen op de website van de Claimstichting/vereniging te publiceren.

Ontvankelijkheid claim rechtspersoon voor ideëel doel of gering

In lid 6 wordt een uitzondering mogelijk gemaakt voor rechtspersonen die niet aan deze strenge eisen voldoen, indien het een ideëel doel betreft en een zeer beperkt financieel belang. De rechter krijgt enige beleidsvrijheid met de aanvullende zinsnede in lid 6: “of wanneer de aard van de vordering van de rechtspersoon als bedoeld in lid 1 of van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, daartoe aanleiding geeft”.

Centraal register

In lid 7 is een centraal register voor collectieve rechtsacties in het leven geroepen. In Titel 14a Boek 3 Rv. wordt de aanvullende eis gesteld, dat een dagvaarding uitgebracht door een rechtspersoon in een collectieve actie – op straffe van niet-ontvankelijkheid – binnen twee dagen na uitreiking in dit register wordt ingeschreven.

Overheidsorgaan of andere instantie

Ook een overheidsorgaan kan een collectieve vordering instellen ten behoeve van hen, wiens belangen haar zijn toevertrouwd (art. 3:305b B.W.). Lid 3 sub c en lid 4 van art. 3:305a B.W. zijn in dat geval ook van toepassing.

Buitenlandse rechtspersoon

Een organisatie of openbaar lichaam met zetel buiten Nederland welke geplaatst is op de lijst, bedoeld in artikel 4 lid 3 van richtlijn nr. 2009/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen (PbEG L 110), kan een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van de gelijksoortige belangen van andere personen die hun gewone verblijfplaats hebben in het land waar de organisatie of het openbaar lichaam gezeteld is, voor zover de organisatie deze belangen ingevolge haar doelstelling behartigt of aan het openbaar lichaam de behartiging van deze belangen is toevertrouwd. In dat geval gelden ook de bepalingen van art. 3:305a leden 2 t/m 7 B.W..

Een Nederlandse rechtspersoon die aan de in de wet genoemde eisen voldoet kan ook een verzoek indienen op die lijst te worden geplaatst (lid 2).

Collectieve acties consumentenbescherming

In art. 3:305d B.W. wordt aan rechtspersonen die de belangen van hun achterban vertegenwoordigen de mogelijkheid gegeven een collectieve vordering in te stellen bij het Gerechtshof Den Haag. Deze bepaling is onveranderd gebleven. De vordering kan worden ingesteld in de volgende gevallen.

– tegen overtredingen van bijlage A bij de Wet op de Consumentenbescherming;
– aanpassing van een gedragscode gedragscode die in strijd is met de artikelen 193a tot en met 193i van Boek 6;
– openbaarmaking van deze veroordeling tot aanpassing van de gedragscode of die door de rechter te doen aanpassen.

Executiegeschillen over deze veroordeling en een evt. dwangsom worden ook door Gerechtshof Den Haag behandeld (lid 4).

Arrest Consumentenbond/Nuts Ziektekostenverzekering N.V.

Het allereerste arrest van de Hoge Raad over een massaschadeclaim was het arrest d.d. 2 september 1994, inzake Consumentenbond/Nuts Ziektekostenverzekering (RvdW 1994, 165). De Hoge Raad paste daarbij de wettelijke regeling bij anticipatie toe.

In die zaak ging het om de vraag, of de Consumentenbond als belangenorganisatie een vordering kon instellen tegen Nuts Ziektekostenverzekering N.V. over een premieverhoging. De premieverhoging was opgelegd aan 65plussers, die als gevolg van een wetswijziging hun polis hadden omgezet in een standaardpakket. De verzekeraar had eerder toegezegd dat polisaanpassing mogelijk was zonder premieverhoging, maar hield zich daar niet aan. De Consumentenbond vorderde (1) een verklaring voor recht dat de verzekeraar niet bevoegd was tot de premieverhoging, (2) een bevel tot mededeling van die veroordeling aan de verzekerden en (3) premierestitutie.

De Hoge Raad vernietigt de beslissing van het Hof, die de Consumentenbond niet-ontvankelijk verklaarde. Volgens het Hof leende de aard van de rechtsbetrekking tussen de verzekerden en de verzekeraar (een contractuele verhouding) zich niet voor een collectieve actie. Bovendien vond het Hof dat er geen sprake was van een eenvormige groep consumenten met een eenduidig, collectief te beschermen belang. Volgens het Hof zouden er drie groepen te onderscheiden zijn: zij die de toezegging niet hadden opgevat als voor hen bindend, zij die de premieverhoging niettemin stilzwijgend aanvaard hebben en zij die uitdrukkelijk bezwaar hadden gemaakt. De Consumentenbond zou alleen voor die laatste groep collectief op kunnen treden. Nu bij de eis dit onderscheid niet gemaakt was, was de Consumentenbond volgens het Hof niet-ontvankelijk.

De Hoge Raad past voor het criterium, of een collectieve actie ook mogelijk is binnen contractuele verhoudingen, de maatstaf van art. 3:305a B.W. (anticiperend) toe. De wet onderscheidt niet tussen vorderingen uit overeenkomst of uit onrechtmatige daad, zodat een dergelijke vordering wel degelijk ook bij een contractuele verhouding kan worden ingesteld.

Verder oordeelt de Hoge Raad, dat ook de eerste twee door het Hof onderscheiden groepen er een gelijksoortig belang bij kunnen hebben, dat de premieverhoging in rechte wordt aangevochten.

Voorts constateert de Hoge Raad dat de Consumentenbond een rechtspersoon is, die zich volgens haar statuten en ook metterdaad toelegt op de behartiging van consumentenbelangen. Naar algemene maatstaven moet de Consumentenbond ook voldoende representatief geacht worden om ter bescherming van dergelijke belangen collectief in rechte op te treden. In cassatie wordt de Consumentenbond dus alsnog in haar vordering ontvangen.

Auteur & Last edit

[MdV, 9-04-2018; laatste bewerking 17-02-2020]

1 vote, average: 5,00 out of 51 vote, average: 5,00 out of 51 vote, average: 5,00 out of 51 vote, average: 5,00 out of 51 vote, average: 5,00 out of 5 (1 votes, average: 5,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.