Dwangsom (Afd. 3, Titel 5, Boek 2 Rv.)

Inleiding dwangsommen

In Afd. 3, Titel 5, Boek 2 Rv. is de wettelijke regeling van de dwangsom nader uitgewerkt. Artikel 611a Rv. biedt een eisende partij in een procedure de mogelijkheid om als onderdeel van zijn eis te vorderen, dat de gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom in het geval de gedaagde niet aan een veroordelend vonnis voldoet. De dwangsom is dus een bijkomende vordering als extra stok achter de deur.

De beslissing die met een dwangsom kan worden versterkt ziet hetzij op een doen (een bevel van de rechter) of op een nalaten (een verbod van de rechter). Dwangsommen kunnen niet worden verbonden aan de vordering tot voldoening van een geldsom.

De wettelijke regeling van de dwangsom is onderdeel van een communautaire regeling die geldt voor de Benelux: de Eenvormige wet betreffende de dwangsom, die is ingevoerd op 1 januari 1978. Dit brengt met zich mee, dat er sprake moet zijn van uniforme interpretatie van de Eenvormige wet binnen de Benelux. Het Benelux-Gerechtshof ziet daarop toe. De nationale wetgever mag geen regels invoeren die strijdig zijn met de regeling, maar mag deze wel aanvullen.

Het register van online gepubliceerde uitspraken van het Benelux Gerechtshof gaat terug tot 1975.

NB de links op deze pagina verwijzen naar de versie van Rv. voor niet-digitaal procederen. Klik hier voor de digitale versie van Titel 5 Boek 2 Rv..

Geen relatie tot schadevergoeding en geen invloed op competentie

Een dwangsom staat niet in verband met de mogelijkheid tot het vorderen van schadevergoeding. De rechter is vrij in zijn beslissing om al dan niet een dwangsom op te leggen. De hoogte wordt alleen bepaald door de beoogde effectiviteit van de prikkel tot nakoming, en staat niet in relatie tot het belang of eventuele schade die de eiser lijdt of kan lijden.

De gevorderde dwangsom beïnvloedt niet de competentie van de rechter. Ook voor de appelgrens is de dwangsom niet van belang (art. 611h Rv.).

Betekening voorwaarde voor opeisbaarheid

De dwangsommen worden pas opeisbaar nadat het vonnis waarin deze zijn opgelegd aan de veroordeelde is betekend (art. 611a lid 3 Rv.). Zie in dit verband HR 15 februari 2008 (vrouw/man) waar de Hoge Raad overweegt:

“Hierbij verdient aantekening dat, hoezeer het vonnis van de voorzieningenrechter ook terstond na de uitspraak rechtskracht verkreeg, ingevolge art. 611a lid 3 Rv. de dwangsommen eerst konden worden verbeurd na betekening van het vonnis en niet duidelijk is of het hof bij het vormen van zijn oordeel dit voldoende in het oog heeft gehouden.”

Inning en verjaring dwangsommen

De eisende partij kan de dwangsommen zonder verdere rechterlijke tussenkomst ten volle executeren, wanneer er is betekend en de veroordeelde niet aan het rechterlijk gebod of verbod voldoet (art. 611c Rv.). Dat betekent, dat eenmaal verbeurde dwangsommen – die opeisbaar zijn geworden vanaf het moment dat er is betekend – hoe dan ook betaald moeten worden. Dit geldt ook voor dwangsommen verbeurd uit hoofde van een kort geding vonnis. Alleen een rechtsmiddel tegen het vonnis waarin de dwangsommen zijn opgelegd kan hier nog tegen helpen. Een executiegeschil niet, want de rechter in kort geding in het executiegeschil kan niet anders dan uitgaan van de rechtskracht van het vonnis waarin de dwangsommen zijn opgelegd.

Wanneer het vonnis niet in kracht van gewijsde is gegaan en later wordt vernietigd, dan is de ter zake dwangsommen gedane betaling onverschuldigd en kan deze worden teruggevorderd door de veroordeelde. Zie in dit verband Benelux Hof 20 april 2010 (Bousse-Govaerts/Colora Boelaar). Dit arrest betrof de vraag, of een dwangsom kan worden verbeurd, die door de rechter in 1e aanleg is opgelegd, maar die door de rechter in hoger beroep is gewijzigd met gedeeltelijke bekrachtiging van de hoofdveroordeling (r.o. 9, laatste alinea). In r.o. 13 gaat het Hof in op deze vraag. De beslissing van het Hof impliceert, dat onder “de rechter die de dwangsom heeft opgelegd” ook de rechter in hoger beroep is te verstaan, en dus dat tegen de beslissing inzake de dwangsom (of het wijzigen daarvan ingevolge art. 611d Rv.) ook hoger beroep open staat. In die zin ook HR 15 april 1992, NJ 1992, 648 (na uitlegvragen aan het Beneluxhof, arrest van 15 april 1992 Wewer/Nije, r.o. 17).

Uit het arrest Bousse-Govaerts/Colora Boelaar, sub 13, derde gedachtenstreepje blijkt, dat als de dwangsom geheel wordt vernietigd, deze ook nooit verbeurd is en dus onrechtmatig geïnd. De executant die de dwangsommen geïnd heeft, heeft dan onrechtmatig gehandeld en is schadeplichtig.

In hoger beroep betrekt de rechter bij de herbeoordeling van de dwangsom alle relevante omstandigheden, zoals de financiële situatie van de schuldenaar, diens gedrag en de feitelijke gevolgen die het verbeuren van dwangsommen zal hebben. In het arrest HR 4 oktober 2019 (Appingedammer Brons Motorenmuseum/Control Seal) corrigeert de Hoge Raad het Hof, waar die overwoog dat de feitelijke omstandigheden bij de herbeoordeling van de dwangsom geen rol spelen, en dat de dwangsomrechter in hoger beroep terughoudend zou moeten toetsen. De Hoge Raad overweegt (r.o. 4.2.2):

“De rechter dient de hoogte van de dwangsom vast te stellen naar de aard en omstandigheden van het geval, in het bijzonder ook de financiële toestand en het gedrag van de schuldenaar. Tot de omstandigheden van het geval kunnen ook de feitelijke gevolgen behoren die voor de schuldenaar voortvloeien uit het daadwerkelijk verbeuren van dwangsommen. Een en ander geldt onverkort wanneer de appelrechter de hoogte beoordeelt van een in eerste aanleg opgelegde dwangsom, ook voor zover die ziet op het verleden. Dit strookt met het algemene uitgangspunt dat in hoger beroep een nieuwe beoordeling plaatsvindt. Met het voorgaande is niet verenigbaar dat de appelrechter de hoogte van een in eerste aanleg uitgesproken dwangsomveroordeling, ook voor zover die ziet op het verleden, slechts terughoudend zou kunnen toetsen en daarin alleen zou kunnen ingrijpen als in de oorspronkelijke dwangsomveroordeling een aanmerkelijke kans op een exces besloten ligt.”

De rechter kan het totaal opeisbare bedrag van oplopende dwangsommen beperken tot een maximum (art. 611b Rv.). Daarnaast geldt voor de opeisbaarheid van dwangsommen een verjaringstermijn van zes maanden (art. 611g Rv.).

De regels inzake verjaring en stuiting uit boek 3 B.W. zijn van toepassing (zie de Pagina verjaring). De geëxecuteerde zal zich ten verwere tegen de inning op de verjaring moet beroepen; het betreft niet een vervaltermijn.

De verjaringsregels van art. 3:324 lid 2 B.W. gelden echter niet voor dwangsommen. Hieraan doet niet af dat verbeurde dwangsommen hun grondslag vinden in een rechterlijke veroordeling. Zie HR 26 juni 2012 (Kratos Installatie/Gulf Oil). De dwangsommen verjaren bij gebrek aan executie volgens de eigen korte termijn van zes maanden.

Opheffing en matiging dwangsom

Matiging of opheffing van een opgelegde dwangsom is – op vordering van de veroordeelde  – mogelijk, maar slechts door de rechter die de dwangsom heeft opgelegd (art. 611d lid 1 Rv.). Deze bepaling is een letterlijke herhaling van art. 4 Eenvormige Beneluxwet.

De rechter kan:

– de dwangsom opheffen;

– de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of

– de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen.

Daargelaten de mogelijkheid van de appelrechter om de dwangsom aan te passen (verhogen, verlagen of alsnog geen dwangsom), is de rechter die de dwangsom eerder heeft opgelegd voor het overige beperkt in de mogelijkheden om een eenmaal opgelegde dwangsom te wijzigen, gezien  het feit dat de regeling inzake dwangsommen een gesloten regime is dat voortvloeit uit de Eenvormige wet (zie boven). In het arrest van het Hof Den Haag d.d. 11 april 2017 (KB-Lux zaak) verzocht de veroordeelde de rechter een clausule op te nemen waarin het hof aan de dwangsomveroordelingen de clausule zou verbinden “dat de dwangsommen vatbaar zijn voor matiging, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan”.

Het Hof overwoog (r.o. 13):

13. Het hof is met de Staat van oordeel dat een dergelijke matigingsclausule in strijd is met het stelsel van de wet. De wetgever heeft in artikel 611d Rv, welk artikel is gebaseerd op de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, slechts in bepaalde, in dat artikel omschreven gevallen, mogelijk gemaakt de dwangsom te wijzigen. Bedacht dient te worden dat de effectiviteit van de dwangsom, die is bedoeld als prikkel tot nakoming, voor een belangrijk deel wordt bepaald doordat de dwangsom vooraf wordt gefixeerd en dus, wanneer de dwangsom eenmaal is verbeurd, definitief vaststaat. Daarbij past niet een algemene bevoegdheid van de rechter om op grond van de redelijkheid en billijkheid, buiten de gevallen als bedoeld in artikel 611d Rv, tot matiging van de dwangsom over te gaan. Bovendien is een matiging van een eenmaal verbeurde dwangsom in strijd met het tweede lid van artikel 611d Rv.

14. Iets anders is dat de redelijkheid en billijkheid wel een rol kunnen spelen bij de uitleg van de veroordeling en bij de vraag of een geringe afwijking van de letterlijke tekst van die veroordeling betekent dat sprake is van een overtreding die maakt dat dwangsommen zijn verbeurd. Voorts kunnen de redelijkheid en billijkheid een rol spelen bij de beoordeling van de vraag of sprake is (geweest) van een onmogelijkheid als bedoeld in artikel 611d, eerste lid Rv., aangezien in dat kader mede van belang is of de veroordeelde alle redelijkerwijs van hem te vergen inspanning en zorgvuldigheid heeft betracht. Tot slot kunnen de redelijkheid en billijkheid een rol spelen bij de beoordeling van een beroep van de schuldenaar op rechtsverwerking of misbruik van recht.”

Het staat een andere rechter dan de rechter die de dwangsom heeft opgelegd niet vrij de dwangsom alsnog niet verbeurd te verklaren omdat de veroordeelde partij – bij voorbeeld wegens overmacht – niet in staat was om de veroordeling na te komen. Aldus BenG 12 februari 1996 (Leslee Sports/Snauwaert) r.o. 9.

Executierechter of dwangsomrechter als bedoeld in art. 611d Rv.?

In het arrest HR 13 december 2019 (D’Olmenhof) heeft de  Hoge Raad zich uitgelaten over de taakverdeling tussen de rechter van art. 611d Rv. (“die de dwangsom heeft opgelegd”) en de executierechter. Zie ook de pagina Algemene regels tenuitvoerlegging voor de rechter waar een executiegeschil aanhangig gemaakt moet worden.

Wanneer het alleen gaat om de vaststelling of aan de voorwaarde van verbeuren van dwangsommen is voldaan, dan is art. 611d Rv. niet van toepassing.

Dit onderscheid kwam ook al aan de orde in HR 15 februari 2008 (vrouw/man). De Hoge Raad overweegt (r.o. 3.4.2.):

“De voorzieningenrechter heeft de vordering van de vrouw tot opheffing van de dwangsom, waarmee zij zich heeft gewend tot de voorzieningenrechter als rechter die de dwangsom heeft opgelegd (art. 611d Rv.), blijkens het dictum van zijn vonnis afgewezen. De vrouw heeft daarvan geen hoger beroep ingesteld, zodat het vonnis in zoverre in kracht van gewijsde is gegaan. Het door de man ingestelde hoger beroep was daarmee beperkt tot het gebied dat werd bestreken door de, door de voorzieningenrechter als executierechter toegewezen, subsidiaire vordering van de vrouw om de executie van de verbeurde dwangsommen te verbieden, zodat het hof slechts had te oordelen als executierechter. Als gevolg daarvan stond de vraag of de vrouw, zoals zij in eerste aanleg (kennelijk) aan haar vordering tot opheffing ten grondslag heeft gelegd, in de onmogelijkheid heeft verkeerd om tijdig aan het vonnis van 15 april 2005 te voldoen, niet ter beoordeling van het hof, nu die vraag uitsluitend op de voet van art. 611d Rv. kan worden beantwoord door de rechter die de dwangsom heeft opgelegd (zie BenGH 12 februari 1996, NJ 1996, 344).”

Toetsing of dwangsommen verbeurd zijn

De rechter kan blijkens HR 21 juni 1991 (NJ 1991, 725) wel uitleg geven aan de veroordeling op nakoming waarvan de dwangsom gesteld is. Wanneer de veroordeelde – conform aard en strekking van de hoofdveroordeling, waarop de dwangsom de sanctie vormt – die veroordeling is nagekomen, is er geen plaats meer voor verdere executie. De hoofdveroordeling moet daarbij ook strict uitgelegd worden. Aldus Hof Arnhem d.d. 13 augustus 2013 (parkeerverbod). Het Hof overweegt (met verwijzing naar arresten van de Hoge Raad) in r.o. 5.3:

“Wanneer in een executiegeschil de vraag moet worden beantwoord of dwangsommen zijn verbeurd, moet de executierechter onderzoeken of de door de rechter verlangde prestatie waaraan de dwangsom als sanctie is verbonden, is verricht. Hij heeft niet tot taak de rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te onderzoeken. Bij de te geven uitleg dient het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te worden genomen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. De voorzieningenrechter heeft dit alles uitdrukkelijk tot uitgangspunt genomen, en heeft deze uitgangspunten dus geenszins miskend.”

en voorts (r.o. 5.4):

“Naar het oordeel van het hof biedt de formulering van het dictum in het vonnis van 20 juli 2011 echter inderdaad onvoldoende ruimte voor de uitleg die de voorzieningenrechter daaraan in het nu bestreden vonnis heeft gegeven. Het verbod richt zich direct en uitsluitend tot appellanten en is niet geformuleerd als een gebod of een inspanningsverplichting. Hoewel die mogelijkheid wel bestond, is niet gevorderd dat appellanten zich er ook in de toekomst voor dienden in te spannen dat auto’s (van derden) op en naast het pad zouden worden verwijderd. De voorzieningenrechter heeft een dergelijke beslissing dan ook niet kunnen geven. Door diens uitspraak achteraf wel als zodanig te interpreteren, zou de executierechter buiten het beperkte bereik treden dat deze uitspraak kennelijk heeft. … Omdat niet ter discussie staat dat de beweerdelijke schending van het gegeven verbod betrekking heeft op auto’s die niet door appellanten worden gebruikt, maar door hun zoon en diens vriendin, treft de grief doel.”

De Hoge Raad overwoog in het door het Hof aangehaalde arrest HR 19 januari 2007 (New Milennium Telecom Services/Land Aruba) het volgende over de toetsing door de rechter, of aan de veroordeling – waaraan ter bevordering van de nakoming dwangsommen zijn verbonden – is voldaan (r.o. 3.3):

“Wanneer in een executiegeschil de vraag moet worden beantwoord of dwangsommen zijn verbeurd, moet de executierechter onderzoeken of de door de rechter verlangde prestatie waaraan de dwangsom als sanctie is verbonden, is verricht. In het executiegeschil heeft de rechter dus niet tot taak de rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen (HR 15 november 2002, nr. R01/062, NJ 2004, 410). In deze zaak gaat het om de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot voldoening van een dwangsom die is verbonden aan het door het gerecht aan het Land gegeven bevel een concessie aan NMTS te verlenen onder door de desbetreffende bestuursorganen te formuleren redelijke voorwaarden. De executierechter behoort een dergelijk, algemeen geformuleerd (met een dwangsom gesanctioneerd), rechterlijk bevel aldus uit te leggen, dat een vergunningverlening ter voldoening aan dat bevel slechts dan niet voldoet aan de in het bevel bedoelde eis dat de vergunning onder redelijke voorwaarden moet worden verleend, wanneer in ernst niet kan worden betwijfeld dat de voorwaarden waaronder de vergunning verleend is, onredelijk zijn.”

In de – eveneens Antilliaanse – zaak die leidde tot het arrest HR 15 november 2002 (Van der Valk Plaza/Eilandgebied Curaçao) waarnaar in het vorige arrest wordt verwezen, overwoog de Hoge Raad over de toetsing, of aan de hoofdveroordeling is voldaan (en er dus geen dwangsommen verbeurd zijn (r.o. 3.5):

“In een executiegeschil als het onderhavige, waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat een bevel tot nakoming niet of onvoldoende is nageleefd, heeft de rechter niet tot taak de door de bodemrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient hij zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter, zoals het Hof terecht in rov. 2.7 voorop heeft gesteld, het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel.”

De rechter moet dus de strekking van de hoofdveroordeling interpreteren, en aan de hand daarvan toetsen of in redelijkheid aan die veroordeling is voldaan. Zie voor een voorbeeld, waarbij de Voorzieningenrechter deze toetsing heeft toegepast Voorzieningenrechter Rb. Gelderland 24 januari 2017 (Vleeshandel X/Gemeente X). In die zaak moest de veroordeelde aan de gemeente inzage geven in haar administratie door overlegging van bankafschriften om te laten zien, dat een bedrag van 11 miljoen Euro was besteed ten behoeve van bedrijfsverplaatsing. De rechter legt de hoofdveroordeling uit naar aard en strekking en stelt vast dat daaraan is voldaan.

Nakoming veroordeling tot rectificatie

Rectificatie van een nodeloos diffamerende brief wordt niet nagekomen, wanneer daar weer iets bij gezet wordt wat de rectificatie ontkracht. De dwangsommen worden dan dus verbeurd (HR 23 februari 2007 (diffamerende brief)).

Vordering executie dwangsom te verbieden of te staken

De veroordeelde partij kan in een executiegeschil – wanneer de oorspronkelijk eiser de dwangsommen executeert of wil gaan executeren – veroordeling vragen om de executie van de dwangsommen te staken (of daarvan af te zien). Grappig genoeg kan bij die vordering ook weer als nevenvordering gevorderd worden dit te verbieden op straffe van dwangsommen.

Rechtspraak

Inhoud vonnis dwangsom; toetsing in hoger beroep en verhoging bij onvoldoende effect

HR 4 oktober 2019 (Appingedammer Brons Motorenmuseum/Control Seal) – niet juist is dat de dwangsomrechter zelf in hoger beroep de door de rechtbank opgelegde dwangsom terughoudend moet toetsen. De appelrechter is daarin vrij en moet alle relevante omstandigheden meewegen, waaronder ook feitelijke omstandigheden.

Hof Den Haag d.d. 11 april 2017 (KB-Lux zaak) – de rechter kan de dwangsomveroordeling niet aanpassen door een soort matigingsclausule op te nemen waarmee de executie van de dwangsom op redelijkheid kan worden getoetst.

Rb. Den Haag (vz. rechter) 2 januari 2019 (Woonbron/Basic Fit) – Vz. rechter verhoogt plafond dwangsom tot 250 duizend Euro, omdat Basic Fit niet aan de veroordeling voldoet en het eerder opgelegde maximum van 50 duizend gewoon heeft betaald. De eerder opgelegde dwangsom is kennelijk een ontoereikende prikkel tot nakoming.

Taakverdeling dwangsomrechter en executierechter

HR 13 december 2019 (D’Olmenhof) in dit arrest heeft de  Hoge Raad zich uitgelaten over de taakverdeling tussen de rechter van art. 611d Rv. (“die de dwangsom heeft opgelegd”) en de executierechter.

Toetsing of aan hoofdveroordeling is voldaan; executiegeschil executie dwangsommen

Hof Arnhem d.d. 13 augustus 2013 (parkeerverbod) – de formulering van het vonnis biedt onvoldoende ruimte voor de uitleg die de voorzieningenrechter daaraan in het nu bestreden vonnis heeft gegeven. Het verbod richt zich direct en uitsluitend tot appellanten en is niet geformuleerd als een gebod of een inspanningsverplichting. Niet gevorderd dat appellanten zich er ook in de toekomst voor dienden in te spannen dat auto’s (van derden) op en naast het pad zouden worden verwijderd. Door de uitspraak achteraf wel als zodanig te interpreteren, zou de executierechter buiten het beperkte bereik treden dat deze uitspraak kennelijk heeft.

Voorzieningenrechter Rb. Gelderland 24 januari 2017 (Vleeshandel X/Gemeente X). In die zaak moest de veroordeelde aan de gemeente inzage geven in haar administratie door overlegging van bankafschriften om te laten zien, dat een bedrag van 11 miljoen Euro was besteed ten behoeve van bedrijfsverplaatsing. De rechter legt de hoofdveroordeling uit naar aard en strekking en stelt vast dat daaraan is voldaan.

HR 19 januari 2007 (New Milennium Telecom Services/Land Aruba) – de executierechter moet onderzoeken of de door de rechter verlangde prestatie waaraan de dwangsom als sanctie is verbonden, is verricht. De executierechter behoort een algemeen geformuleerd, aan de overheid opgelegd rechterlijk bevel om een vergunning te verlenen aldus uit te leggen, dat een vergunningverlening ter voldoening aan dat bevel slechts dan niet voldoet aan de in het bevel bedoelde eis, dat de vergunning onder redelijke voorwaarden moet worden verleend, wanneer in ernst niet kan worden betwijfeld dat de voorwaarden waaronder de vergunning verleend is, onredelijk zijn.

HR 15 november 2002 (Van der Valk Plaza/Eilandgebied Curaçao) – in een executiegeschil over tenuitvoerlegging van dwangsommen heeft de rechter niet tot taak de rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen. Hij dient zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel.

HR 23 februari 2007 diffamerende brief – rectificatie van een nodeloos diffamerende brief wordt niet nagekomen, wanneer daar weer iets bij gezet wordt wat de rectificatie ontkracht. De dwangsommen worden dan dus verbeurd.

Verjaring en verval van dwangsommen

HR 26 juni 2012 (Kratos Installatie/Gulf Oil) – de verjaringsregels van art. 3:324 lid 2 B.W. gelden niet voor dwangsommen.

Auteur & Last edit

[MdV, 27-06-2017; laatste bewerking 23-02-2020]

1 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 5 (1 votes, average: 4,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.