Voorlopig getuigenverhoor (Par. 5, Afd. 9, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Inleiding voorlopig getuigenverhoor

Naast het reguliere getuigenverhoor tijdens de procedure kan een partij, die bewijs wil vergaren voorafgaand aan de procedure – bij voorbeeld omdat hij niet precies weet wie hij moet dagvaarden – aan de rechter vragen een voorlopig getuigenverhoor te doen houden. Dit moet bij verzoekschrift worden aangevraagd.

Het voorlopig getuigenverhoor is geregeld in Par. 5, Afd. 9, Titel 2, Boek 1 Rv.. Deze afdeling omvat 8 artikelen (art. 186 Rv. tot en met art. 193 Rv.). Opmerkelijk genoeg is het voorlopig getuigenverhoor geregeld als onderdeel van de dagvaardingsprocedure in 1e aanleg (wel bij het onderdeel “Bewijs”). En niet bij de verzoekschriftprocedure of de overige procedures van Boek 3 Rv..

NB de links naar wetten overheid op deze pagina zijn naar de NIET-DIGITALE versie van Rv.. Voor de versie van het wetboek voor digitale procedures klik hier.

Voorlopig getuigenverhoor mogelijk voorafgaand aan of tijdens een procedure

Een voorlopig getuigenverhoor is – voorafgaand aan een procedure -mogelijk in de gevallen waarin bij de wet het bewijs door getuigen is toegelaten. Het voorlopig getuigenverhoor kan worden bevolen op verzoek van de belanghebbende (art. 186 lid 1 Rv.). De wet spreekt van ” onverwijld”, dus het verhoor wordt meteen gehouden nadat het verzoek is ingewilligd.

Ook wanneer er al een procedure loopt, kan de rechter op verzoek van een partij een voorlopig getuigenverhoor bevelen (art. 186 lid 2 Rv.). Een mogelijkheid die ook bvb. kan worden benut om – na het verliezen van een procedure in kort geding of in de bodem – hangende het hoger beroep een voorlopig getuigenverhoor te laten houden om de bewijspositie te versterken. Het bewijs moet er wel zijn tegen de tijd dat van grieven gediend moet worden in verband met de twee-conclusie regel (feitelijk erop neerkomend dat elk van partijen maar één conclusie mag nemen in hoger beroep).

Bevoegde rechter voorlopig getuigenverhoor

De bevoegde rechter is de rechter waar de bodemprocedure vermoedelijk aanhangig gemaakt zal gaan worden (art. 187 lid 1 Rv.). Zie voor de absolute versus de relatieve bevoegdheid de pagina Relatieve bevoegdheid dagvaardingsprocedures.

Als alternatieve bevoegdheid kan het verzoek worden gedaan aan de rechter tot wiens absolute bevoegdheid de zaak behoort en binnen wiens rechtsgebied de personen – of de meesten van hen – wonen (of verblijven), die de verzoeker als getuigen wil laten verhoren.

Indien de zaak door de Kantonrechter moet worden behandeld en beslist, wordt het verzoek gedaan aan de kantonrechter (zie ook de pagina Kantonzaken voor de bevoegdheid van de Kantonrechter). De rechter beoordeelt summierlijk of hij absoluut bevoegd is en of de zaak door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist, aldus de slotzin van lid 1. Kennelijk ziet die slotzin op de gevallen waarbij het verzoek bij de sector Kanton wordt ingediend.

Bevoegde rechter bij reeds aanhangige procedure

Loopt er al een procedure, dan moet het verzoek worden gedaan aan de rechter waar de zaak loopt (art. 187 lid 2 Rv.).

Inhoud van het verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor

Het verzoekschrift moet de volgende gegevens bevatten (art. 187 lid 3 Rv.):

a. de aard en het beloop van de vordering;

b. de feiten of rechten die men wil bewijzen;

c. de namen en woonplaatsen van de personen die men als getuigen wil doen horen;

d. de naam en de woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.

Zie voor de praktische invulling van deze vereisten de hieronder vermelde jurisprudentie van de Hoge Raad.

Maatstaf voor het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor

In zijn arrest van 24 maart 1995 (NJ 1998, 414) heeft de Hoge Raad dit aldus geformuleerd:

“Een voorlopig getuigenverhoor strekt onder meer ertoe belanghebbenden bij een eventueel naderhand bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken geding de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te verkrijgen omtrent de feiten, teneinde hen in staat te stellen hun positie beter te beoordelen, met name ook ten aanzien van de vraag tegen wie het geding moet worden aangespannen.”

Over de inhoud en formulering van het verzoek heeft de Hoge Raad in zijn arrest van HR 19 februari 1993 (NJ 1994, 345) overwogen:

“De verzoeker tot een voorlopig getuigenverhoor dient ingevolge art. 187 lid 3, aanhef en onder a en b, Rv in zijn verzoekschrift de aard en het beloop van de vordering te vermelden, alsmede de feiten of rechten die hij wil bewijzen. Dit dient hij te doen op zodanige wijze dat voor de rechter die op het verzoek moet beslissen, voor de rechter voor wie het verhoor zal worden gehouden, alsmede voor de wederpartij voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben. Niet is vereist dat de verzoeker al in het verzoekschrift nauwkeurig aangeeft welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en omtrent welke feiten hij getuigen wil doen horen.”

In het arrest van 9 maart 2010 Chipshol Holding III/Staat (NJ 2010, 172) heeft de Hoge Raad voorts overwogen:

“Evenmin hoeft de verzoeker zich uit te laten over de precieze aard van de in te stellen vordering en, in voorkomend geval, de omvang van de geleden schade. Een voorlopig getuigenverhoor dient (in een geval als het onderhavige) nu juist ertoe degene die daarom verzoekt, in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is een voorgenomen vordering in te stellen. In de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ligt dan ook niet de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ter toetsing voor.”

In het arrest van 22 december 2017 (Bencis Buyout Fund) geeft de Hoge Raad verder de vaste criteria voor afwijzing van een verzoek tot voorlopig getuigenverhoor, ook als het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, te weten op de grond dat:

– van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt (art. 3:13 BW)

– op de grond dat het verzoek strijdig is met een goede procesorde

– en op de grond dat het verzoek afstuit op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar

– en voorts indien de verzoeker bij toewijzing daarvan onvoldoende belang heeft (art. 3:303 BW).

Een voorbeeld van het beletsel onder 2e of 3e bullet is het arrest van de Hoge Raad van 17 november 2017 (Stichting Beheer SNS Reaal/SHR en Staat), waarin werd beslist dat er geen plaats is voor een voorlopig getuigenverhoor als er al een enquête in opdracht van de Ondernemingskamer loopt. Dit zou dat onderzoek teveel doorkruisen.

Behandeling van het verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor

Het verzoek zal in de regel binnen korte tijd worden behandeld ter zitting, vergelijkbaar met andere verzoekschriftprocedures. Wanneer er een wederpartij bekend is, wordt op het verzoekschrift niet eerder beschikt dan nadat een behandeling heeft plaatsgevonden, waartoe de verzoeker en de wederpartij worden opgeroepen (art. 187 lid 4 Rv.).

Dit lijdt alleen uitzondering in de volgende gevallen:

– de wederpartij is (nog) onbekend, of
– gevallen van onverwijlde spoed.

In het laatste geval zal er wel heel veel spoed aan de hand moeten zijn, bvb. als iemand stervende is en het bewijs van diens verklaring moet worden vastgelegd.

Toewijzing van het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor

Als de rechter het verzoek toestaat, bepaalt hij de plaats, de dag en het uur waarop het voorlopig getuigenverhoor zal plaatshebben.

Ook bepaalt de rechter de dag waarop de verzoeker uiterlijk een afschrift van de beschikking aan de wederpartij – als die bekend is – moet doen toekomen (art. 188 lid 1 Rv.). Als die het verzoekschrift nog niet kende moet dit worden meegezonden (art. 190 lid 1 Rv.). De rechter moet checken of dit gebeurd is voordat hij aan het verhoor begint.

Geen hoger beroep tegen toewijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor

Tegen de toewijzende beschikking staat geen rechtsmiddel open (art. 188 lid 2 Rv.).

Het feitelijke voorlopig getuigenverhoor

Op het voorlopig getuigenverhoor zijn de bepalingen omtrent het getuigenverhoor zijn van overeenkomstige toepassing (art. 189 Rv.). Zie voor die bepalingen de pagina Getuigenverhoor.

Getuigenverhoor voor tegenbewijs

Wanneer de wederpartij – als die er is c.q. bekend is – bij het voorlopig getuigenverhoor verschijnt, dan krijgt die de kans om een getuigenverhoor tot tegenbewijs te laten houden. De rechter stelt daarvoor op verzoek van de wederpartij datum en tijd vast na afloop van het voorlopig getuigenverhoor (art. 190 lid 2 Rv.).

Aangenomen mag worden dat als het voorlopig getuigenverhoor “a charge” meerdere dagen beslaat – wat niet ondenkbaar is bij meerdere getuigen – de rechter dit doet nadat de laatste getuige die door de verzoeker is voorgedragen, gehoord is. De oorspronkelijk verzoeker kan wellicht ook nieuwe getuigen voordragen, als bij de verhoren blijkt dat er andere waardevolle getuigen zijn die gehoord zouden moeten worden, en de rechter dit toestaat.

Mondeinge behandeling na voorlopig getuigenbewijs en tegenbewijs

De rechter kan een mondelinge behandeling gelasten op verzoek van één van de partijen, maar ook ambtshalve (art. 191 lid 1 Rv.). Daar moeten partijen dan verschijnen.

Bij een verschijning van partijen op de mondelinge behandeling kan ook de verdere wijze van behandeling van geschillen over de vordering worden besproken. Afspraken dienaangaande worden, wanneer een partij dat verlangt, met overeenkomstige toepassing van art. 89 lid 1 Rv. in een proces-verbaal vastgelegd.

Een beroep in rechte op deze afspraken kan niet worden gedaan, voor zover zij in strijd komen met een dwingende wetsbepaling, met fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging of voor zover een beroep daarop in verband met onvoorziene omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden gedaan (art. 191 lid 2 Rv.).

Bewijskracht getuigenverklaringen voorlopig getuigenverhoor

Indien alle partijen bij het verhoor aanwezig of vertegenwoordigd zijn geweest, hebben de getuigenverklaringen in een voorlopig getuigenverhoor afgelegd, dezelfde bewijskracht als die, welke op de gewone wijze in een aanhangig geding zijn afgelegd (art. 192 lid 1 Rv.).

Wanneer niet alle partijen bij het verhoor aanwezig of vertegenwoordigd geweest zijn, dan kan de rechter de daarin afgelegde verklaringen buiten beschouwing laten (art. 192 lid 2 Rv.).

Horen als partij-getuige

Indien een getuige aannemelijk maakt dat de verzoeker met het voorlopig getuigenverhoor beoogt inlichtingen van hem te verkrijgen ten behoeve van een tegen hem in te stellen vordering, houdt de rechter het verhoor met inachtneming van de bepalingen die van toepassing zijn op het verhoor van de partij als getuige. Van een en ander wordt melding gemaakt in het proces-verbaal (art. 193 Rv.).

Rechtspraak

Hoge Raad 7 september 2018 (Box Consultants/Staat) – criteria voor het toewijzen van een verzoek tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor.

HR 22 december 2017 (Bencis Buyout Fund/NN) – de Hoge Raad somt de vaste jurisprudentie met criteria voor een voorlopig getuigenverhoor op.

HR 17 november 2017 (Stichting Beheer SNS Reaal/SHR en Staat)– geen voorlopig getuigenverhoor als er al een enquête in opdracht van de Ondernemingskamer loopt

Auteur & Last edit

[MdV, 29-6-2018; laatste bewerking 23-02-2021]

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.

Vond je deze content nuttig? Steun Lawyrup met een donatie naar keuze.

Doneren