Vrijwaring (Par. 2, Afd. 10, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Inleiding vrijwaring

Vrijwaring is de rechtsfiguur, waarbij een derde partij (C) (de waarborg) in een procedure wordt betrokken door de gedaagde (B) tegen wie een vordering is ingesteld. De gedaagde vordert daarbij, dat de waarborg zal worden veroordeeld hetgeen te voldoen waartoe de gedaagde in de hoofdzaak veroordeeld zal worden.

In de basis is er dus een procedure aanhangig (de hoofdzaak), waarin de eiser (A) iets vordert van de gedaagde (B). De gedaagde – die in die relatie wordt aangeduid als “de gewaarborgde” – verzoekt de rechter om de waarborg in vrijwaring te mogen oproepen, en zo in een parallel aan de hoofdzaak verlopende procedure, de vrijwaringsprocedure, bij de in de hoofdzaak ingestelde vordering te betrekken.

De vrijwaringsprocedure is geregeld in Par. 2, Afd. 10 van Titel 2, Boek 1 Rv. (niet-digitaal) (art. 210-216 Rv.). De regeling geldt ook in de digitale KEI-procedure en staat daar nog steeds in Par. 2, Afd. 10 (digitaal).

Vrijwaringsincident: voor alle weren

De gedaagde moet het incident, waarbij hij in de hoofdzaak verzoekt een derde in vrijwaring te mogen oproepen, voor alle weren in de hoofdzaak voeren (art. 210 lid 1 Rv. niet-digitaal) en (art. 210 Rv. digitaal). Uiteraard moet de conclusie tot vrijwaring “met redenen omkleed” zijn.

Zowel gedaagde als eiser

Niet alleen de gedaagde kan een derde in vrijwaring roepen, ook de oorspronkelijk eiser kan dit, als er door de gedaagde tegen hem een reconventionele vordering wordt ingesteld.

[MdV, 2-02-2018]

[Totaal: 0    Gemiddelde: 0/5]

Commentaar bij het Nederlands (burgerlijk) recht: BW, Rv. en Fw.