LawyrupBurgerlijk wetboekBijzondere overeenkomsten (Boek 7 B.W.)Aanneming van werk (Titel 12, Boek 7 B.W.)Aanneming van werk in het algemeen (Afd. 1, Titel 12, Boek 7 B.W.)

Aanneming van werk in het algemeen (Afd. 1, Titel 12, Boek 7 B.W.)

Inleiding aanneming van werk in het algemeen

In Afd. 1, Titel 12, Boek 7 B.W. wordt de overeenkomst van aanneming in het algemeen uitgewerkt. Deze afdeling omvat 16 artikelen (art. 7:750 B.W. tot en met art. 7:764 B.W.). De wettelijke regeling van de aannemingsovereenkomst is in beginsel van regelend recht. Uitzondering hierop vormen onder meer art. 7:755 B.W. (meerwerk), art. 7:756 B.W. (ontbinding wegens vertraging) en art. 7:762 B.W. (zie hierna).

De koop/aannemingsovereenkomst voor de bouw van woningen van Titel 12, Afd. 2 is wel van dwingend recht ter bescherming van de consument.

Definitie aanneming van werk

Aanneming van werk is de overeenkomst waarbij de aannemer zich jegens de opdrachtgever verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen en op te leveren. Als tegenprestatie ontvangt de aannemer hiervoor een prijs in geld. Aanneming van werk is ook mogelijk als de tegenprestatie geheel of gedeeltelijk niet in geld is, maar alleen voor zover de aard van de tegenprestatie zich daar niet tegen verzet (art. 7:750 B.W.).

Aanneming van werk onderscheidt zich van de arbeidsovereenkomst doordat de aannemer niet in dienstbetrekking voor de opdrachtgever werkt, maar als zelfstandige. Het verschilt van de overeenkomst van opdracht doordat de overeenkomst het tot stand brengen van een “stoffelijk werk” als doel heeft. Zie ook de pagina Arbeidsovereenkomst (Titel 10, Boek 7 B.W.) en de pagina Opdracht (Titel 7, Boek 7 B.W.) voor deze van de aannemingsovereenkomst onderscheiden bijzondere contracten.

Uit de jurisprudentie volgt dat er geen sprake is van totstandbrenging en oplevering van een werk van stoffelijke aard als het gaat om het tot stand brengen van werken door geestelijke of intellectuele arbeid, bijvoorbeeld werk van musici, auteurs en adviseurs (HR 20 juni 2008, BNB 2008/304 (aansprakelijkgestelde art. 34 IW/Ontvanger).

Uitbesteding aan onderaannemer

Een aannemer is bevoegd (een deel van) het werk te laten uitvoeren door anderen. Hetzij door een deel van de werkzaamheden uit te besteden onder zijn leiding, hetzij ook het uitbesteden van de leiding over onderdelen van het werk aan een derde.

De (hoofd)aannemer blijft echter onverminderd aansprakelijk voor de deugdelijke nakoming van de aannemingsovereenkomst. Dit betekent dat een hoofdaannemer jegens zijn opdrachtgever aansprakelijk is voor ondeugdelijke uitvoering door onderaannemers van de aan hen uitbestede werkzaamheden (art. 7:751 B.W.).

Prijsafspraken aanneemsom

Redelijke prijs

Mocht de prijs bij het sluiten van de overeenkomst niet zijn bepaald, dan geldt dat de opdrachtgever een redelijke prijs is verschuldigd. Rekening moet worden gehouden bij het bepalen van deze prijs met de door de aannemer gewoonlijk bedongen kosten en met de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen (art. 7:752 B.W.). Bij de totstandkoming van de redelijke prijs wordt ook gekeken naar wat in die specifieke branche gangbare prijzen zijn.

Richtprijs

Het kan zo zijn dat de aannemer en de opdrachtgever een richtprijs afspreken. De richtprijs mag niet meer dan 10% worden overschreden van de daadwerkelijke prijs. Als de aannemer de opdrachtgever zo tijdig mogelijk voor het overschrijden heeft gewaarschuwd, zodat die de omvang van de opdracht kan aanpassen, dan kan de richtprijs wel worden overschreden als de opdracht niet wordt gewijzigd. De aannemer moet in redelijkheid meewerken aan aanpassing van de overeenkomst. Bij overeenkomst kunnen partijen afwijken van deze 10% regeling (art. 7:752 lid 2 B.W.).

Kostenverhogende omstandigheden

Soms kan het zo zijn dat, hoewel er een vaste aanneemsom is afgesproken, er sprake is van een prijsverhoging vanwege kostenverhogende omstandigheden. Als deze de aannemer niet kunnen worden toegerekend, kan de rechter de aanneemsom, op vordering van de aannemer, aan de kostenverhoging aanpassen. Dit kan slechts voor zover de aannemer bij het bepalen van de prijs geen rekening had hoeven houden met het optreden van dergelijke omstandigheden (art. 7:753 lid 1 B.W.).

Onjuiste opgaaf gegevens opdrachtgever en meerwerk

Het is niet altijd nodig dat een rechter oordeelt over de kostenverhogende omstandigheden. In lid twee van dit artikel is vastgelegd dat de aannemer de prijs mag aanpassen zonder tussenkomst van de rechter als de kostenverhoging het gevolg is van door de opdrachtgever verschafte onjuiste gegevens. Deze gegevens moeten wel voor de prijsbepaling van belang zijn. De aannemer heeft het recht om de prijs aan te passen niet, als de aannemer de onjuistheid van de gegevens voor het vaststellen van de prijs had behoren te ontdekken. Om dit te beoordelen dient er te worden gekeken naar de omstandigheden van het geval (art. 7:753 lid 2 B.W.).

Het recht om de prijs aan te passen geldt alleen indien de aannemer de opdrachtgever zo snel mogelijk heeft gewaarschuwd voor de prijsverhoging (lid 3). Dit opdat de opdrachtgever hetzij de omvang van de opdracht kan aanpassen, dan wel van het recht van art. 7:764 B.W. – gehele of gedeeltelijke opzegging van de overeenkomst – gebruik kan maken.

Belangrijk bij dit artikel is het arrest van het Hof Arnhem van 28 september 2010, TBR 2010/207 (PIB Holland/onderaannemer).

Waarschuwingsplicht aannemer

De aannemer is verplicht bij het aangaan van de overeenkomst en tijdens het uitvoeren van de overeenkomst de opdrachtgever zo spoedig mogelijk te waarschuwen bij de volgende omstandigheden (art. 7:754 B.W.):

Allereerst voor onjuistheden in de opdracht voor zover hij deze kende of redelijkerwijs behoorde te kennen.

Daarnaast voor gebreken van zaken die afkomstig zijn van de opdrachtgever, of ongeschiktheid van zaken van de opdrachtgever, daaronder begrepen de grond waarop de opdrachtgever een werk laat uitvoeren, alsmede fouten of gebreken in door de opdrachtgever verstrekte plannen, tekeningen, berekeningen, bestekken of uitvoeringsvoorschriften.

Of een waarschuwingsplicht op de aannemer rust, dient per geval te worden beoordeeld. Er wordt gekeken naar verschillende factoren zoals de betreffende fout of het gebrek, de deskundigheid van de aannemer en de mate van duidelijkheid van de onjuistheid.

Uit de jurisprudentie blijkt dat de aannemer geen onderzoeksplicht heeft. De aannemer hoeft dus niet uit te zoeken of de opdracht juist is en/of het materiaal geschikt is.

Wettelijke meerwerkregeling

Art. 7:755 B.W. geeft de wettelijke meerwerkregeling. Het artikel strekt tot bescherming van de opdrachtgever tegen vermijdbare kostenoverschrijdingen. Wanneer de opdrachtgever meerwerk wenst, kan de aannemer de meerkosten daarvan alleen vorderen indien hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van de prijsverhoging. Dit is echter niet het geval als de opdrachtgever de noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen.

De bewijslast dat er sprake is van meerwerk, dat de opdrachtgever tijdig is gewaarschuwd, dat er een prijsopgave is gedaan en dat de opdrachtgever heeft ingestemd ligt in principe bij de aannemer.

Art. 7:755 B.W. is dwingend recht. Er kan dus niet van dit artikel worden afgeweken.

Anticiperende ontbinding

In art. 7:756 B.W. wordt de zogenoemde anticiperende ontbinding genoemd. Het artikel is een speciale regeling in aanvulling op de algemene ontbinding van art. 6:265 B.W. (zie de pagina Wederkerige overeenkomsten). Indien vóór de vastgestelde tijd van oplevering waarschijnlijk wordt, dat het werk niet op tijd of niet behoorlijk zal worden opgeleverd, kan de rechter de overeenkomst op vordering van de opdrachtgever geheel of gedeeltelijk ontbinden.

Omgekeerd kan de overeenkomst ook op vordering van de aannemer worden ontbonden als waarschijnlijk wordt dat de opdrachtgever niet op tijd of niet behoorlijk aan zijn verplichtingen zal voldoen of dat de aannemer de overeenkomst niet kan uitvoeren door omstandigheden die buiten zijn macht liggen.

De rechter bepaalt de gevolgen van de ontbinding. Hij kan de ontbinding ook afhankelijk stellen van door hem te stellen voorwaarden.

Zie ook de Parlementaire Geschiedenis (TK 23 095 art. 7.12.6) Wetsvoorstel en Memorie van Toelichting en Memorie van Antwoord).

Lees MvT bij art. 7.12.6

De MvT bevat de volgende toelichting op deze bepaling:

” Artikel 7.12.6. Dit artikel geeft een verruiming van de ontbindingsmogelijkheid die reeds in het algemeen voortvloeit uit artikel 6.1.8.5 in verband met artikel 6.5.4.6. Terwijl artikel 6.1.8.5 behalve in de onder b en c genoemde gevallen eist dat «vaststaat dat nakoming zonder tekortkoming onmogelijk zal zijn», is voor de Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 23 095, nr. 3 24 ontbinding volgens artikel 7.12.6 voldoende de waarschijnlijkheid dat het werk niet op tijd of niet behoorlijk zal worden opgeleverd. Een dergelijke verruiming van de mogelijkheid van tijdige ontbinding is voor het aannemingscontract daarom gewenst, omdat de uitvoering van dit contract zich nog al eens over een lange tijd uitstrekt en ontbinding achteraf veelal geen bevredigende oplossing geeft Daar voor ontbinding waarschijnlijkheid van een niet tijdige of niet behoorlijke nakoming reeds voldoende is, zal de ontbinding in dit geval niet reeds door een enkele schriftelijke kennisgeving van de partij jegens wie de wanprestatie dreigt (vgl. 6.5.4.6) kunnen volgen, maar moet zij door de rechter worden uitgesproken. Deze heeft daarbij de vrijheid de overeenkomst geheel of slechts gedeeltelijk te ontbinden. Krachtens het derde lid bepaalt hij de gevolgen van de ontbinding en kan hij de ontbinding ook voorwaardelijk uitspreken, bijvoorbeeld voor het geval dat de aanbesteder niet binnen een bepaalde tijd voldoende zekerheid heeft gesteld. Bovendien opent lid 2 dan nog voor de aannemer de mogelijkheid om ontbinding te vorderen, als waarschijnlijk wordt dat hij de overeenkomst door overmacht niet zal kunnen uitvoeren. Een dergelijke bevoegdheid komt niet aan iedere schuldenaar uit een wederkerige overeenkomst toe.”

En voorts over faillissement van de aannemer:

“Er bestaat geen reden ook het faillissement van de aannemer tot een wettelijke grond voor beëindiging te maken. Bijna altijd zal de aanbesteder dan het recht van artikel 37 F.W. kunnen uitoefenen. Zou hij de aannemingssom volledig vooruit hebben betaald, wat niet vaak voorkomt, dan zal hij een beroep moeten doen op artikel 7.12.6.”.

Deze ontbindingsmogelijkheid strekt verder dan de anticiperende opeisbaarheid van art. 6:80 B.W. (zie de pagina Algemene bepalingen niet-nakoming van een verbintenis) en de buitengerechtelijke ontbinding van art. 6:267 B.W.. Om die reden kan het vereiste van rechterlijke tussenkomst niet contractueel worden uitgesloten. In de Memorie van Antwoord wordt hierop nader ingegaan naar aanleiding van Kamervragen.

Lees MvA bij art. 7.12.6

In de MvA gaat de Minister nader in op de verhouding tussen deze ontbindingsmogelijkheid en de buitengerechtelijke ontbinding en de anticipatoire opeisbaarheid.

“Op de vraag van deze leden naar de verhouding tussen artikel 7.12.6 lid 2 en artikel 6:80 lid 1 sub b en c BW moet worden geantwoord dat eerstgenoemde bepaling strekt tot verruiming van de bevoegdheid tot ontbinding die voor wederkerige overeenkomsten in het algemeen reeds volgt uit de artikelen 6:265 jo. 80 lid 1 sub b en c BW. Deze verruiming bestaat hieruit dat de enkele waarschijnlijkheid dat de opdrachtgever niet op tijd of niet behoorlijk zal presteren of dat de aannemer door overmacht de overeenkomst niet zal kunnen uitvoeren al voldoende is voor een vordering van de aannemer tot ontbinding van de aannemingsovereenkomst. Bij eerstgenoemde grond is niet vereist dat de opdrachtgever (de schuldenaar) een mededeling heeft gedaan waaruit de aannemer (de schuldeiser) moet afleiden dat de opdrachtgever in de nakoming zal tekortschieten (artikel 6:80 lid 1 sub b BW), noch dat de aannemer goede gronden heeft om te vrezen voor tekortschieten door de opdrachtgever en deze niet voldoet aan de in artikel 6:80 lid 1 sub c BW bedoelde schriftelijke aanmaning. Wel is volgens artikel 7.12.6 lid 2 rechterlijke tussenkomst vereist voor ontbinding op de hiervoor aangegeven grond, juist omdat deze een wezenlijke verruiming betekent (tot het geval van de waarschijnlijkheid van een tekortkoming) van de mogelijkheid tot het bewerkstelligen van ontbinding uit hoofde van de artikelen 6:265 jo. 80 lid 1 sub b en c BW. Ook de tweede in artikel 7.12.6 lid 2 aangegeven grond (reeds voor de oplevering wordt waarschijnlijk dat de aannemer de overeenkomst niet zal kunnen uitvoeren ten gevolge van overmacht) geeft de aannemer een bevoegdheid die niet alle schuldenaren uit wederkerige overeenkomsten hebben en betekent daarmee voor de aannemer een verruiming van de mogelijkheid, ontbinding te bewerkstelligen. De bevoegdheid om de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden op grond van de artikelen 6:265 jo. 80 lid 1 sub b of c BW blijft naast de in artikel 7.12.6 geopende mogelijkheden om tot ontbinding te komen gewoon in stand. Ook de in lid 1 van artikel 7.12.6 neergelegde bevoegdheid van de opdrachtgever om bij de rechter ontbinding van de aannemingsovereenkomst te vorderen indien reeds vóór de opleveringsdatum waarschijnlijk wordt dat het werk niet op tijd of niet behoorlijk zal worden opgeleverd, betekent een verruiming van de uit de artikelen 6:265 jo. 80 lid 1 voortvloeiende mogelijkheden om te kiezen voor ontbinding van de overeenkomst voordat de betrokken vordering opeisbaar is. Gelet op het voorgaande zal de verhouding tussen artikel 7.12.6 enerzijds en de artikelen 6:265 jo. 80 lid 1 BW anderzijds geen behoefte doen ontstaan aan afwijking van artikel 7.12.6. Voor zover op andere grond wel behoefte mocht bestaan aan afwijking, dient te worden bedacht dat de hierboven aangegeven strekking van artikel 7.12.6 eraan in de weg staat om de in deze bepaling voorgeschreven rechterlijke tussenkomst bij overeenkomst uit te sluiten. Wel zou de ontbindingsmogelijkheid uit hoofde van artikel 7.12.6 als zodanig bij contractueel beding kunnen worden uitgesloten, zij het dat indien zodanig beding onderdeel uitmaakt van op de overeenkomst toepasselijke algemene voorwaarden vernietiging van het beding kan plaatsvinden indien dit onredelijk bezwarend is voor de wederpartij in de zin van artikel 6:233 onder a BW. De omstandigheid dat het beding afwijkt van een wettelijke bepaling, ook al is deze van aanvullend recht, kan meewegen bij de beantwoording van de vraag of het onredelijk bezwarend is voor de wederpartij in de zin van laatstgenoemde bepaling.

Tevens vroegen deze leden om een beoordeling van de praktische betekenis van artikel 7.12.6. Zoals hierboven is uiteengezet, strekt artikel 7.12.6 ertoe, de uit de artikelen 6:265 jo. 80 BW voortvloeiende bevoegdheid tot ontbinding te verruimen, hetgeen van belang is voor langlopende aannemingsovereenkomsten, waarbij ontbinding achteraf vaak onbevredigend zou zijn. Een voorlopige voorziening kan geen definitieve zekerheid verschaffen dat de overeenkomst ontbonden is. Daarvoor is een tot ontbinding strekkende rechterlijke uitspraak in een bodemprocedure vereist (waarvan de duur overigens na de invoering van het herziene burgerlijk procesrecht op 1 januari jl. kan afnemen). Wel is denkbaar dat op de eventuele ontbinding wordt vooruitgelopen door een voorlopige voorziening inhoudende stillegging van het werk. De opdrachtgever die liever het zekere voor het onzekere neemt, zal niet de weg van artikel 7.12.6 bewandelen, maar bijvoorbeeld de aannemer aanmanen op de voet van artikel 6:80 lid 1 sub c BW. Indien de opdrachtgever vervolgens de aannemingsovereenkomst met een beroep op artikel 6:80 (jo. artikelen 6:265 en 267 lid 1) BW buitengerechtelijk ontbindt, en de aannemer zich verzet tegen de buitengerechtelijke ontbinding, zal de opdrachtgever genoodzaakt zijn om zich tegen dat verzet in rechte te verweren; ook bij toepassing van artikel 6:80 BW is derhalve heel goed mogelijk dat de ontbinding niet zonder tussenkomst van de rechter kan worden bewerkstelligd. Ten slotte is de praktische betekenis van artikel 7.12.6 ook hierin gelegen dat een vroege ontbindingsvordering partijen in een eerder stadium zal dwingen zich rekenschap te geven van hun wederzijdse posities en daarvoor eventueel een oplossing te vinden in onderhandelingen of een schikking.”

Overmacht verhindert de uitvoering

Het kan zijn dat de uitvoering van het werk onmogelijk wordt. Dit is bijvoorbeeld het geval als de zaak waarop of waaraan het werk moet worden geleverd teniet gaat of verloren gaat zonder dat dit aan de aannemer kan worden toegerekend. De aannemer is gerechtigd tot een evenredig deel van de vastgestelde prijs (art. 7:757 B.W). Zoals hiervoor al vermeld kan de aannemer in die situatie ook zelf de ontbinding in rechte vorderen (zie ook de hiervoor geciteerde MvA).

Mocht er sprake zijn van opzet of grove schuld van de opdrachtgever dan is de aannemer gerechtigd tot een bedrag dat overeenkomstig art. 7:764 lid 2 B.W. wordt vastgesteld.

Oplevering en risico-overgang werk

Het werk van de aannemer wordt als opgeleverd beschouwd als het wordt aanvaard door de opdrachtgever. De aannemer moet wel eerst duidelijk maken aan de opdrachtgever dat het werk klaar is. De opdrachtgever is vervolgens verplicht om binnen een redelijke termijn het werk te aanvaarden. Als dit niet gebeurd, wordt geacht dat het werk stilzwijgend is aanvaard. De redelijkere termijn hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij spelen onder andere een rol de omvang en controleerbaarheid van het werk.

De opdrachtgever draagt het risico van het werk na de oplevering. De opdrachtgever blijft de afgesproken prijs verschuldigd. Dit geldt ook mocht het werk tenietgaan of gaat het werk achteruit door een oorzaak die niet kan worden toegerekend aan de aannemer.

Er rust een zware onderzoeksplicht op de opdrachtgever. Mochten er gebreken zijn in het werk en zijn deze gebreken te ontdekken op het tijdstip van oplevering, dan blijft de opdrachtgever toch zelf aansprakelijk. Hij kan de aannemer hiervoor niet aansprakelijk stellen.

Gebreken

Art. 7:759 B.W. geeft uitleg omtrent de positie van de opdrachtgever in de situatie waarbij is vastgesteld dat het werk gebreken bevat. De opdrachtgever moet de in beginsel de aannemer een redelijke termijn bieden om de gebreken in het werk op te lossen. Dit is niet het geval als dit, vanwege de omstandigheden van het geval, niet mogelijk is.

Het herstel in het werk hoeft niet als de kosten voor het herstel niet in verhouding staan met het uiteindelijke resultaat.

Risico-verdeling ondeugdelijke uitvoering werk

In beginsel is het zo dat de gevolgen van een ondeugdelijke uitvoering van het werk, door gebreken of ongeschiktheid van materialen en hulpmiddelen, voor rekening komt van de aannemer. voorbeelden van de gevolgen van een ondeugdelijke uitvoering zijn een gebrekkige oplevering van het werk of een vertraagde uitvoering (art. 7:760 B.W).

Mochten de zaken (materialen en hulpmiddelen) afkomstig zijn van de opdrachtgever en is er sprake van een ondeugdelijke uitvoering? Dan komen de gevolgen voor rekening van de opdrachtgever als de aannemer zijn waarschuwingsplicht niet heeft geschonden of niet de gepaste zorg heeft betracht.

Art. 7:760 lid 3 B.W. bevat een uitbreiding op lid 2 van ditzelfde artikel. Van belang bij dit artikel zijn de Kamerstukken II 1992/93, 23 095, nr. 3, p. 31-33.

Verjaring

Bij de aanneming van werk geldt een relatief korte verjaringstermijn (art. 7:761 B.W.). Er geldt een zogenoemde dubbele verjaringstermijn. Allereerst geldt een tweejarige termijn welke ingaat op het moment dat de opdrachtgever een gebrek in de zaak heeft geprotesteerd. Als de opdrachtgever een termijn heeft gesteld aan de aannemer om het gebrek te herstellen dan begint de verjaring te lopen op het moment dat die termijn is afgelopen.

Een tweede verjaringstermijn staat in art. 7:761 lid 2 B.W.. De termijn gaat in vanaf het moment van oplevering van het werk. Voor de aanneming van bouwwerken geldt een termijn van 20 jaar. Voor alle andere werken geldt een termijn van 10 jaar.

Mocht het zo zijn dat de verjaring zou plaatsvinden tussen het tijdstip waarop de aannemer de opdrachtgever een mededeling heeft gedaan dat hij het gebrek zal onderzoeken of herstellen en het tijdstip waarop de aannemer het onderzoek en de pogingen tot herstel kennelijk als beëindigd beschouwt, dan biedt art. 7:761 lid 3 B.W. een uitweg. Op grond van dit artikel kan de verjaringstermijn, overeenkomstig art. 3:320 B.W. worden verlengd. Zie ook de pagina Verjaring en stuiting.

Bevoegdheid tot verrekening wegens gebreken

Tot slot biedt art. 7:761 lid 4 B.W. een bevoegdheid aan de opdrachtgever. De verjaring laat de bevoegdheid van de opdrachtgever onverlet, om aan een vordering tot betaling van de prijs zijn recht op vermindering daarvan door gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst of op schadevergoeding tegen te werpen.

Geen exoneratie voor verborgen gebreken

Art. 7:762 B.W. verbiedt uitsluiting of beperking van de aansprakelijkheid van de aannemer voor hem bekende verborgen gebreken die door hem zijn verzwegen. Dit geldt als de aannemer uitvoerders of onderaannemers in dienst heeft genomen.

Of er sprake is van een verborgen gebrek moet er worden gekeken naar de omstandigheden van het geval. De vraag is of de opdrachtgever dit gebrek redelijkerwijs had moeten ontdekken. Criteria waar naar wordt gekeken bij de toets of er sprake is van een verborgen gebrek zijn onder andere de deskundigheid van de opdrachtgever zelf en het al dan niet aanwezig zijn van deskundige bijstand aan zijn kant en de aard en ernst van de tekortkoming waaraan het gebrek is toe te schrijven.

Beëindigen aannemingsovereenkomst bij dood aannemer

De partijen hebben de bevoegdheid om de aannemingsovereenkomst te beëindigen wegens het overlijden of duurzaam arbeidsongeschikt worden van de aannemer nadat de overeenkomst is gesloten (art. 7:763 B.W.). wel moet er sprake zijn van een redelijk belang bij de beëindiging van de overeenkomst. De vergoeding voor de reeds verrichte arbeid moet, als er sprake is van beëindiging van de overeenkomst, naar redelijkheid en met inachtneming van alle omstandigheden worden bepaald. De opdrachtgever dient deze kosten te betalen aan de aannemer of diens erfgenamen.

Opzegging van de aannemingsovereenkomst

De opdrachtgever is te allen tijde bevoegd om de aannemingsovereenkomst gedeeltelijk of geheel op te zeggen (art. 7:764 B.W.). Uit de jurisprudentie volgt dat opzegging zowel uitdrukkelijk als stilzwijgend kan geschieden (HR 24 september 1982, NJ 1983, 327 Wolleswinkel/Syma-System).

Mocht de opdrachtgever de overeenkomst opzeggen dan dient hij, als de prijs al vanaf het begin vaststaat, de prijs te betalen van het gehele werk verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien. De aannemer is bij opzegging wel verplicht het reeds voltooide werk aan de opdrachtgever op te leveren.

Rechtspraak

HR 20 juni 2008, BNB 2008/304 (aansprakelijkgestelde art. 34 IW/Ontvanger – kwalificering aanneming van werk. Op basis van administratie kan niet worden gesteld dat de bouwer in opdracht werkte. Niet uitgesloten is evenwel dat hij als “eigenbouwer” moet worden aangemerkt.

waarschuwingsplicht meerwerk

Hof Arnhem van 28 september 2010, TBR 2010/207 (PIB Holland/onderaannemer) – recht om de prijs aan te passen geldt alleen indien de aannemer de opdrachtgever zo snel mogelijk heeft gewaarschuwd voor de prijsverhoging.

Auteur & Last edit

[SK, 9-12-2018; bewerkt MdV 7-06-2020]

0 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 5 (0 votes, average: 0,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.