LawyrupBurgerlijk wetboekVerbintenissenrecht (Boek 6 B.W.)Onrechtmatige daad (Titel 3, Boek 6 B.W.)Algemene bepalingen onrechtmatige daad (Afd. 1, Titel 3, Boek 6 B.W.)

Algemene bepalingen onrechtmatige daad (Afd. 1, Titel 3, Boek 6 B.W.)

Pagina inhoud

Inleiding algemene bepalingen onrechtmatige daad

De meest algemene grondslag van aansprakelijkheid is de zgn. “onrechtmatige daad” (art. 6:162 B.W.). Dit is de wettelijke grond voor aansprakelijkheid in een situatie, waarin er geen contractuele rechtsverhouding bestaat tussen benadeelde (ook wel genoemd “gelaedeerde”) en de veroorzaker van de schade (“de laedens”). Onder het oude recht was de onrechtmatige daad opgenomen in art. 1401 B.W..

Verschil met contractuele aansprakelijkheid

Bij contractuele aansprakelijkheid is de aansprakelijkheid gebaseerd op de afspraken zoals in een overeenkomst tussen twee of meer contractspartijen is overeengekomen. Deze is dus gebaseerd op een overeenkomst. De aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad betreft aansprakelijkheid tussen partijen die niet door een overeenkomst gebonden zijn: hun rechtsrelatie ontstaat pas door het onrechtmatig handelen (of nalaten) van de veroorzaker van de schade (de laedens) voor de benadeelde partij (de gelaedeerde). Een klassiek voorbeeld van een onrechtmatige daad is de aanrijding: door de beschadiging van andermans goed ontstaat een verplichting tot schadevergoeding: de verbintenis buiten contract, krachtens de wet.

Schuldaansprakelijkheid versus risico-aansprakelijkheid

Het uitgangspunt van de onrechtmatige daad is, dat de daad de dader kan worden toegerekend: er moet sprake zijn van schuld. Deze aansprakelijkheid is neergelegd in art. 6:162 B.W.. Deze bepaling is het resultaat van een decennia durende ontwikkeling in de rechtspraak, sinds het onder juristen beroemde “Lindenbaum/Cohen-arrest”, dat ging over onrechtmatige concurrentie.

Daarnaast kent de wet een aantal gevallen van wettelijke aansprakelijkheid zonder dat er sprake is van een toerekenbaar (verwijtbaar) handelen van de aansprakelijke: dat noemen we risico-aansprakelijkheid. Deze specifieke gevallen van aansprakelijkheid zijn opgenomen in afd. 2 van Titel 3 Boek 6 B.W.: aansprakelijkheid voor personen en zaken. Deze vorm van aansprakelijkheid is nader uitgewerkt in de subpagina risico-aansprakelijkheid.

Hoofdregel van aansprakelijkheid bij onrechtmatige daad

Het aansprakelijkheidsrecht is – mede onder de invloed van de maatschappelijke ontwikkeling – omvangrijk geworden. Deze ontwikkeling verliep van het liberale principe “ieder draagt zijn eigen schade” naar het door de universitair hoofddocent aan de UvA Roelf Stutterheim benoemde principe “Pech moet weg”. Wanneer je schade lijdt, moet er iemand anders gevonden worden die daarvoor aansprakelijk gesteld moet worden. Sindsdien zijn er vele rechterlijke uitspraken gevolgd, die uiteindelijk bij de invoering van het “Nieuw” Burgerlijk Wetboek in 1992 zijn gecodificeerd in de bepaling van art. 6:162 B.W..

Hoofdregel van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad blijft echter: ieder draagt zijn eigen schade, tenzij er een reden is waarom dat anders moet zijn. Die redenen zijn vaak te vinden in een maatschappelijke afweging van verantwoordelijkheden. Als een partij, op wie een grotere verantwoordelijkheid rust, aansprakelijk zou kunnen zijn wegens onvoldoende zorg voor de belangen van de ander, dan kan dat een reden zijn de aansprakelijkheid daar neer te leggen. Een omstandigheid die daarbij ook een rol kan spelen is de vraag of er een verzekering voor dit risico is afgesloten (of afgesloten had moeten worden), of dat er zonder al teveel bezwaar qua kosten en moeite maatregelen genomen hadden kunnen worden om de schade te voorkomen. De claimcultuur zoals die zich in het Amerikaanse recht heeft ontwikkeld ontbreekt bij ons gelukkig.

In Nederland worden vooralsnog geen exorbitante schadevergoedingen toegekend. De weging naar de omstandigheden van het geval en de draagkracht van de schadeveroorzaker zat echter al in ons oude recht ingebakken, waar de “stand van partijen” bij de toekenning van de schade ook onder het oude recht al meegewogen diende te worden. Het maakte dus uit of een arme sloeber of een man van stand de mogelijke aansprakelijke of het slachtoffer was. In de moderne tijd is dat: of de veroorzaker een werknemer of een werkgever is, of die persoon financieel belang had bij de activiteit waarbij het mis ging (profijtbeginsel) dan wel of de veroorzaker of verantwoordelijk te achten partij een verzekering heeft of had moeten afsluiten.

De elementen van de onrechtmatige daad

1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.

3. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

Aanvulling voorwaarden onrechtmatige daad in de rechtspraak

Op basis van de jurisprudentie zoals die zich heeft ontwikkeld sinds 1919 is de onrechtmatige daad aldus in het “nieuwe” B.W. opgenomen in 1992. De criteria van de onrechtmatige daad worden klassiek als volgt opgesomd:

(1) een onrechtmatig (i) handelen of (ii) nalaten, zijnde

(a) een inbreuk op een recht, of

(b) handelen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht, of

(c) in strijd met ongeschreven rechtsregels (de maatschappelijke betamelijkheid)

(2) welke daad (of nalaten) aan de dader toerekenbaar is door

(a) schuld of

(b.i) krachtens de wet of

(b.ii) krachtens de maatschappelijke opvattingen

(3) waardoor schade is ontstaan (causaliteit). Het leerstuk van causaliteit doet zich ook bij contractuele vorderingen tot schadevergoeding voor.

(4) en waarvoor geen rechtvaardigingsgrond bestaat

als (5)e criterium wordt nog toegevoegd: het relativiteitsvereiste, d.w.z. de geschonden norm moet strekken ter bescherming van het geschade belang (ook wel “Schutznormvereiste” genoemd).

Een voorbeeld van het relativiteitsvereiste is, wanneer iemand handelt in strijd met, of zonder, een vergunning (zoals een bouwvergunning). Omdat de eis van een vergunning een ander belang (veilig bouwen) beoogt te beschermen, is het wel of niet hebben van een vergunning geen maatstaf voor de vraag, of een uitbouw aan een woning jegens de buren onrechtmatig is. Wel kan het zo zijn, dat de vergunning meespeelt bij de afweging van onrechtmatigheid als één van de omstandigheden, die de rechter meeweegt (reflexwerking).

Onder het oude recht – vóór invoering van het nieuw B.W. in 1992 – was de onrechtmatige daad geregeld in art. 1401 B.W.. Dat is goed om te weten als men oudere jurisprudentie bestudeert.

Stellen en bewijzen

De partij die een vordering instelt tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad van een ander zal moeten stellen en bewijzen, dat aan alle elementen van art. 6:162 B.W. is voldaan (zie ook de pagina Algemene beginselen procedures over de stelplicht (art. 21 Rv.) en de pagina Algemene bepalingen bewijsrecht voor wat betreft de hoofdregel inzake de verdeling van de bewijslast (art. 150 Rv.).

Het begrip onrechtmatig

Tegenwoordig wordt het burgerlijk recht gekenmerkt door zgn. “open normen”. Dit is met de invoering van het herziene Burgerlijk wetboek in 1992 ook in de wet opgenomen. De letter van de wet moet steeds uitgelegd worden naar de omstandigheden van het geval, en het recht beweegt mee met de “maatschappelijke ontwikkeling”. De redelijkheid en billijkheid moeten bij de rechtsvinding steeds betrokken worden in het rechterlijk oordeel. Dat is niet steeds zo geweest. In het begin van de 20e eeuw was de heersende opvatting, dat rechtsvinding uitsluitend gebaseerd mocht worden op de letter van de wet. Stond een gebod of verbod niet in de wet, dan bestond dat gebod of verbod niet.

De Hoge Raad heeft deze zogeheten “legistische” benadering in een aantal arresten begin 1900 verlaten. Op het gebied van de onrechtmatige daad achtte de Hoge Raad niet alleen meer “onrechtmatig” een handelen, dat in strijd was met een verbod of gebod dat met zoveel woorden in de wet stond, maar hij breidde dit uit tot de thans ook art. 6:162 B.W. opgenomen norm “in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt”.

Het baanbrekende arrest in dit verband is het arrest Lindenbaum/Cohen (HR 31 januari 1919, NJ 1919, p. 161 (zie voor een bespreking Wikipedia). De casuspositie was als volgt (citaat Wikipedia):

“Lindenbaum en Cohen hadden ieder een drukkerij in Amsterdam. Cohen had een bediende van Lindenbaum omgekocht, zodat deze informatie aan hem gaf over offertes en dergelijke. Lindenbaum kwam achter deze bedrijfsspionage. Hij eiste vervolgens schadevergoeding van Cohen op grond van onrechtmatige daad.”

Op basis van de legistische uitleg was toekenning van de vordering tot schadevergoeding niet mogelijk. Nergens stond met zoveel woorden in de wet dat dit niet mocht, terwijl je op je klompen aanvoelt dat dit onrechtmatig was. De Hoge Raad vond dat ook, en besloot een veel ruimere uitleg aan het begrip onrechtmatig te geven. Precies 100 jaar later is dit arrest ook in ECLI gepubliceerd. Een prachtige hommage.

Dat de casuspositie van Lindebaum/Cohen zo oud is als de weg naar Rome, blijkt ook uit een procedure van recenter datum: Hof Den Bosch 9 juni 2015 (Houtverwerkingsindustie/concurrent).

Vaak is het bewijs van onrechtmatige concurrentie lastig voor de benadeelde partij. In deze zaak vorderde de benadeelde toepassing van een ander artikel 162, nl. art. 162 Rv. (zie ook de pagina Openlegging van boeken en geschriften). Het Hof besloot een andere weg te kiezen en een deskundige aan te wijzen om de administratie van de vermoedelijk onrechtmatig handelende concurrent te onderzoeken (art. 194 Rv.). Zie Hof Den Bosch 11 maart 2014 (Houtverwerkingsindustrie/concurrent) en voor het deskundigenonderzoek van art. 194 Rv. de pagina Deskundigen.

In die zaak was de ex-medewerker zelfs samen met een ander een nieuwe onderneming begonnen waarmee hij zijn ex-werkgever beconcurreerde, ondanks een non-concurrentiebeding en relatiebeding in de arbeidsovereenkomst (zie ook de pagina Bijzondere verplichtingen van de werknemer).

Handelen of nalaten

Begin 1900 was ook het begrip “handelen” een probleem, zoals bleek uit de zaak van de “Zutphense juffrouw” (HR 10-06-1910, W 9038). In die zaak was de casuspositie als volgt (bron: Wikipedia):

“In een opslagplaats voor lederen kleding in Zutphen sprong in de nacht van 4 op 5 januari 1909 een waterleiding. De hoofdkraan van deze waterleiding bevond zich in de bovenwoning, maar de bewoonster, mevrouw De Vries, weigerde deze dicht te draaien ondanks de dreigende waterschade voor de eigenaar van de kleding. De Vries voelde zich in haar nachtrust gestoord en nam de vrees van de ondernemer niet serieus. Pas na veel aandringen draaide ze toch de kraan dicht, maar de schade was reeds geleden.”

Het ging hier dus niet om (onrechtmatig) handelen van mejuffrouw De Vries (geen familie), maar om een nalaten. De rechtbank vond dit wel onrechtmatig, maar de Hoge Raad vond van niet: nalaten is geen doen, was de opvatting van de Hoge Raad. Ook die zienswijze heeft de Hoge Raad verlaten in het baanbrekende arrest Lindenbaum/Cohen. Met het verweer “ik deed niks!”, dat de de Zutphense juffrouw voerde, kom je tegenwoordig dus niet meer weg.

Causaal verband oftewel “conditio sine qua non”

De Hoge Raad heeft in een aantal arresten aandacht besteed aan het vereiste van een causaal (of “oorzakelijk”) verband tussen de onrechtmatige daad en de geleden schade. Het begrip causaliteit is in het recht niet gelijk te stellen aan de natuurkundige causaliteit. In het recht komen er altijd elementen van toerekening aan te pas om een relatie te leggen tussen menselijk handelen (of nalaten) en de (schadelijke) gevolgen. Je zou kunnen zeggen dat het oorzakelijk verband bij juristen “normatieve aspecten” heeft.

Volgens de leer van de Hoge Raad moet een (“wat als”) gedachtenexperiment gedaan worden, om het verband te kunnen leggen tussen het onrechtmatig handelen of nalaten en de geleden schade. Met weer een van oorsprong aan het Latijn ontleende term: is het onrechtmatige handelen te beschouwen als een “conditio sine qua non” (voorwaarde zonder welke niet) voor het ontstaan van de schade. Dit principe wordt overigens ook toegepast bij de Pauliana (zie o.a. het arrest Air Holland en de pagina Faillissementspauliana).

De Hoge Raad spreekt overigens van “condicio”, maar dat is een kwestie van spellingsvoorkeur. En de Hoge Raad heeft nu eenmaal niet altijd gelijk (op spellingsgebied althans).

In het arrest HR 6 januari 2017 (X/UWV) heeft de Hoge Raad deze norm nog eens uitgelegd.

De Hoge Raad overweegt:

“3.4.4. … Het causale verband als bedoeld in art. 6:162 lid 1 BW (het condicio sine qua non-verband), waar het hier om gaat, moet immers worden vastgesteld door vergelijking van enerzijds de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en anderzijds de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de onrechtmatige gedraging achterwege was gebleven. …”.

Voor een onrechtmatig overheidsbesluit geldt niet anders, zo overweegt de Hoge Raad in aansluiting op de casus. In het arrest HR 25 september 2020 (speelautomatenvergunning gemeente Sluis) bevestigt de Hoge Raad dit nog eens.

Onrechtmatige daad in een aantal specifieke gevallen

Er is een oneindig aantal variaties op het thema onrechtmatige daad. Een aantal vaker voorkomende gevallen wordt hierna besproken.

Ongevallen en ongelukken

Een ongeluk zit in een klein hoekje. Persoonlijke ongevallen komen zowel voor in de privé-sfeer (in en om het huis), als in sport en spel en in het verkeer. De Hoge Raad heeft door de jaren heen een stelsel van rechtsregels ontwikkeld voor de beoordeling van de vraag, wanneer een derde aansprakelijk is voor letsel en schade die is ontstaan door dergelijke ongevallen.

Kelderluik-arrest

Het standaard arrest is het zgn. Kelderluik-arrest, HR 5 november 1965 (Coca Cola Export Corporation/Mathieu Duchateau). Dit arrest is – hoewel nog gewezen onder het oude art. 1401 B.W. – nog steeds de maatstaf voor de toetsing van aansprakelijkheid bij persoonlijke ongevallen (letselschade). Om die reden is dit belangrijke arrest – hoewel uit 1965 – thans ook gepubliceerd in uitspraken.rechtspraak.

De centrale overweging in dit arrest – en de nadien steevast gehanteerde maatstaf bij letselschade – is dat in het licht van de omstandigheden van het gegeven geval moet worden beoordeeld:

“of en in hoever aan iemand die een situatie in het leven roept welke voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld, dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt;

dat daarbij dient te worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen.”

Lees de overwegingen van HR 11 november 1965 (Kelderluik-arrest)

Oudere arresten zijn wat lastiger te lezen, onder meer door de ingewikkelde zinsbouw en het ontbreken van een mooie indeling in genummerde rechtsoverwegingen. De zinnen beginnen allemaal met “dat”, waardoor de zinsbouw wordt omgegooid, en er worden veel bijzinnen gebruikt.

De casuspositie van het Kelderluik arrest was als volgt. Duchateau was in Café De Munt in Amsterdam, en wilde gebruik maken van de wc. Het café was tamelijk krap en donker, en net bij de toegang van de wc bevond zich het luik dat toegang gaf tot de kelder, waar de dranken werden opgeslagen. Een werknemer van Coca Cola – met de toepasselijke naam Sjouwerman – was net bezig het café te bevoorraden en had daartoe buiten medeweten van de eigenaar van het café het kelderluik geopend. Duchateau viel in het gat en liep daarbij ernstig letsel aan zijn linkerbeen op, waarvoor hij in een ziekenhuis (in Maastricht) werd behandeld. Sjouwerman had verzuimd iets voor het kelderluik te zetten om bezoekers van het café voor het gat te waarschuwen.

De aansprakelijkheid van Coca Cola was overigens een risico-aansprakelijkheid voor het handelen (c.q. nalaten) van haar ondergeschikte Sjouwerman. Bij de beoordeling van een dergelijke aansprakelijkheid staat de aansprakelijkheid van de werknemer centraal. Als die niet aansprakelijk gehouden kan worden, is uiteraard ook de werkgever niet aansprakelijk. Het Hof oordeelde, dat Sjouwerman inderdaad aansprakelijk was uit onrechtmatige daad, omdat hij onvoldoende maatregelen had genomen om te voorkomen, dat Duchateau in het openstaande gat van het kelderluik zou vallen.

Daartegenover staat, dat het Hof van oordeel was, dat het ongeval deels – en wel voor de helft – aan de eigen schuld van Duchateau was toe te rekenen, omdat hij zelf beter had moeten opletten. De Hoge Raad wijst de klachten van Coca Cola in cassatie af en laat het arrest van het Hof in stand.

Bij de beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag in dergelijke gevallen is een zorgvuldige weging van alle omstandigheden van het geval van belang. Het opnemen van de feitelijke situatie ter plaatse en het voldoende onderbouwen van de feitelijke omstandigheden zijn vaak cruciaal om aansprakelijkheid (of het ontbreken daarvan) vast te kunnen stellen.

Coca Cola vond, dat Duchateau zelf maar beter had moeten uitkijken. Zij stelde:

“dat een cafébezoeker, die van het herentoilet gebruik wilde maken en zich bewoog en gedroeg met de normale voorzichtigheid en oplettendheid, die van een ieder konden en mochten worden verwacht, ook al was hij ter plaatse niet bekend, een val in de kelderopening had kunnen vermijden, zodat van Sjouwerman in redelijkheid niet kon worden gevergd, dat hij voor de veiligheid van café-bezoekers, die zich tijdens het openstaan van het kelderluik naar het herentoilet begaven, nog andere maatregelen trof dan het opstapelen van een paar met lege flessen gevulde kistjes langs de rand van het keldergat aan de zijde waarlangs die bezoekers liepen en in ieder geval nalaten van dergelijke maatregelen geen grond opleverde tot het rechtens (mede) aansprakelijk stellen van Sjouwerman en Coca-Cola jegens Duchateau, indien deze het openstaan van het keldergat had opgemerkt, omdat niemand een dergelijk roekeloos en onvoorzichtig gedrag behoeft te voorzien.”

De centrale maatstaf voor aansprakelijkheid voor handelen of nalaten, waardoor een ander letsel kan overkomen, geeft de Hoge Raad met de volgende overwegingen over het tweede rechtsmiddel van Coca Cola:

“dat alleen in het licht van de omstandigheden van het gegeven geval kan worden beoordeeld of en in hoever aan iemand die een situatie in het leven roept welke voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld, dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt.

dat daarbij dient te worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen.

dat in de hier gegeven situatie, waarin Sjouwerman, door in de doorgang naar het toilet een kelderluik te openen, voor bezoekers die aan hun omgeving niet hun volledige aandacht zouden besteden, een ernstig gevaar had geschapen, hetwelk hij, naar het Hof overwoog, met eenvoudige middelen had kunnen voorkomen, het Hof door Sjouwerman te verwijten dat hij met de mogelijkheid van zodanige onoplettendheid geen rekening heeft gehouden en heeft nagelaten met het oog daarop maatregelen, als door het Hof aangegeven, te treffen, de maatstaven die voor de beoordeling van de schuld van Sjouwerman aan het Duchateau overkomen ongeval moeten worden aangelegd, niet heeft miskend.”

De Hoge Raad overwoog in navolging van het Hof over de schuld van Sjouwerman in dit concrete geval als volgt:

“dat het Hof de schuld van Sjouwerman hierin heeft gezien, dat, hoewel Sjouwerman er rekening mee had moeten houden ‘’dat bezoekers aan de toegang van het toilet wellicht niet hun volledige aandacht zouden besteden’’, hij, toen hij zich verwijderde, de toegang tot het keldergat niet, zoals hij gemakkelijk had kunnen doen, afdoende had gebarricadeerd.

Coca Cola had verder geklaagd, dat het Hof ten onrechte niet had vastgesteld, dat Duchateau het openstaande luik van tevoren had opgemerkt. Er stonden wat kistjes voor het keldergat, waar Duchateau omheen gemaneuvreerd was. Pas voorbij de kistjes, bij het opendoen van de wc-deur, stapte hij opzij en viel in het gat. De verklaringen over de vraag of hij het openstaande luik al had opgemerkt liepen uiteen, maar Duchateau ontkende dit in elk geval.

Het Hof had hier behendig omheen gemaneuvreerd, door de vraag of Duchateau het openstaande luik vooraf had opgemerkt te omzeilen:

“dat, ook indien Duchateau bij zijn nadering van het toilet het daar boven zichtbare naar boven geklapte kelderluik heeft opgemerkt, zulks aan de verwijtbaarheid van de gedragingen van Sjouwerman, zoals het Hof deze beoordeelde, geen afbreuk zou hebben gedaan.”

De onoplettendheid van Duchateau bleef niet geheel zonder gevolgen en komt tot uiting in de mate van “eigen schuld”. Of Duchateau daarbij al bij nadering had opgemerkt dat het kelderluik openstond, of niet deed niet ter zake voor die eigen verantwoordelijkheid om de nodige oplettendheid in acht te nemen. De Hoge Raad volgt de overwegingen van het Hof hierin:

“dat het Hof, dat bij de beoordeling van de schuld van Duchateau de juistheid van genoemde stelling in het midden kon laten omdat het Hof reeds op andere gronden tot de conclusie was gekomen dat Duchateau bij de nadering van het herentoilet op zijn omgeving had behoren te letten, ook voor de beoordeling van de schuld van Sjouwerman de vraag of Duchateau vóór zijn val het naar boven geklapte kelderluik heeft opgemerkt, heeft kunnen daarlaten.”

Uit een recente zaak, waarover de Hoge Raad zich nog moet uitspreken, blijkt dat niet iedere gebeurtenis die mogelijk is toe te rekenen aan iemands handelen of nalaten, en die schade tot gevolg heeft, tot aansprakelijkheid leidt. De mate van voorzienbaarheid en de maatregelen die van de betrokkenen in het licht daarvan verwacht mochten worden zijn – net als gold voor het handelen van Sjouwerman bij het Kelderluik-arrest – nog steeds leidend. In zijn conclusie P-G 17 augustus 2020 (Zeeuwse oesterput) komt de P-G tot de slotsom, dat de verweerders geen rekening hoefden te houden met een storing van de automatische afsluiting van de oesterput, waardoor waterschade was ontstaan.

Aansprakelijkheid voor persoonlijk letsel of materiële schade na het Kelderluik-arrest

Het aansprakelijkheidsrecht heeft zich voor wat betreft persoonlijk letsel dat iemand is overkomen sinds het Kelderluik-arrest verder ontwikkeld, maar de maatstaven van dat arrest blijven daarbij van belang. In de rechtspraak is een aantal categorieën te onderkennen van situaties waarin men letsel heeft opgelopen. Overigens gelden deze criteria ook wanneer er materiële schade is geleden.

Onderscheiden kan worden in letsel door ongevallen:

1. in de privé-sfeer (huis en tuin ongevallen);

2. tijdens sport en spel;

3. in een werksituatie;

4. in het verkeer;

5. opgelopen als gevolg van een onveilige situatie op de openbare weg.

De weging van de aansprakelijkheid verschilt in deze situaties, hoewel de redenering van de rechter wel verloopt langs de lijnen van het Kelderluik-arrest. Wanneer de rechter tot de slotsom komt, dat de gelaedeerde zijn schade niet kan verhalen, dan is daar een mooie term voor: de schade is het gevolg van “een ongelukkige samenloop van omstandigheden”. Dit is niet een juridisch criterium en ook geen maatstaf, maar slechts een etiket dat de rechter op de situatie plakt wanneer er niemand aansprakelijk gehouden kan worden en het slachtoffer van dit ongeluk zijn eigen schade moet dragen, hoe zuur dat ook moge zijn.

Letsel opgelopen in de privé-sfeer

Het aantal ongevallen waarbij mensen letsel in de privé-sfeer oplopen is verreweg het grootste van alle ongevallen waarbij letsel ontstaat. Samen met letsel opgelopen bij sport en spel bijna 75% van alle gevallen van persoonlijk letsel. In het algemeen zal bij een ongeluk in de prive-sfeer (of bij recreatie of uitgaan) minder snel aansprakelijkheid worden aangenomen.

In de zaak Hof Den Bosch 17 februari 2009 (JA 2009, 81 – niet gepubliceerd in ECLI) was een dame ten val gekomen tijdens een verhuizing. De verhuizers die ze had ingehuurd gebruikten – zoals gebruikelijk bij verhuizingen – zogenaamde hondjes (een soort board op wieltjes om dingen op te zetten en te verplaatsen). Bij een moment van onoplettendheid – ze liep achteruit – viel ze over een hondje en liep letsel op. Het Hof was van oordeel dat dit niet aan de verhuizer was toe te rekenen. Het was door de verhuizing minder ordelijk dan normaal en ze wist dat er hondjes gebruikt werden. Dus ze had zelf beter moeten opletten.

Het komt heel vaak voor, dat mensen elkaar een “speelse duw” geven. HR 17 november 2006 (speelse duw café-bezoeker) wees de Hoge Raad de klacht van de gelaedeerde af, die een ander aansprakelijk hield voor het letsel dat hij had opgelopen nadat die ander hem tijdens het café-bezoek een speelse duw gegeven had, waardoor hij was gevallen.

De P-G overweegt in zijn conclusie, dat de stelling dat het geven van een duw, waarbij een ander ten val kan komen en misschien letsel kan overkomen, in alle gevallen onrechtmatig is, niet kan worden volgehouden:

“Overigens ligt … in de rede dat het in veel gevallen niet mogelijk is “generiek” te beoordelen of een gebleken handelwijze de waarschijnlijkheid van een ongeval in niet te verantwoorden mate met zich meebrengt, omdat de mate van risico die met die handelwijze gepaard gaat (te) sterk van de variabele omstandigheden van het geval afhangt.”

De P-G verwijst daarbij naar oudere – niet in ECLI gepubliceerde – arresten: HR 11 december 1987, NJ 1988, 393 met noot G, r.o. 3.2 en 3.3; HR 20 juni 1986, NJ 1986, 780, r.o. 3.

Ook verwijst de P-G naar de “verhuizende zusjes” (HR 12 mei 2000, NJ 2001, 300) en de “zwiepende tak” (HR 9 december 1996, NJ 1996, 403):

“Zo werd in het arrest van 12 mei 2003 (in rov. 4.3) overwogen dat de daar vastgestelde toedracht – namelijk het tijdens het gezamenlijk verplaatsen (verhuizen) van een kast langs een trap, maken van een horizontale draaibeweging waarbij de betrokkene de kast uit de handen liet schieten en in een onwillekeurige reactie daarop een duw gaf – het ongeval zoals dat vervolgens plaatsvond niet zodanig waarschijnlijk maakte, dat de betrokkene zich van haar handelwijze had behoren te onthouden. Ook in het arrest van 9 december 1994 – waarin het ging om het tijdens een boswandeling schoppen tegen een tak die daarna tegen een andere wandelaar aanzwiepte en deze (ernstig) verwondde – stelde de Hoge Raad (in rov. 3.6) vast dat de (vast)gestelde toedracht geen ruimte liet voor het oordeel dat de desbetreffende handelwijze de door de “waarschijnlijkheidsnorm” bepaalde grens overschreed.”

In de zaak Rb. Oost-Brabant 11 november 2015 (gevelplaten) was er ook sprake van een privé-situatie. Een aannemer was kapotte gevelplaten aan het verwijderen, die met toestemming van de opdrachtgever door een gepensioneerde agent mochten worden opgehaald voor zijn prive-woning. Een vriend van de oud agent kwam de platen met een auto met aanhanger ophalen. De aannemer hielp de vriend met het opladen, maar daarbij kwam zijn vinger tussen een plaat en de aanhanger, waardoor het topje van zijn vinger geamputeerd werd. Ook hier wees de rechtbank aansprakelijkheid van de vriend af.

Lees de overwegingen van Rb. Oost-Brabant 11 november 2015 (gevelplaten)

De rechtbank oordeelde, dat uit de stellingen van de gelaedeerde niet bleek, dat de vriend een verwijt gemaakt kon worden dat hij zich schuldig gemaakt had aan ongebruikelijk gevaarzettend gedrag, waar hij zich van had moeten onthouden. Bovendien had de aannemer zelf verklaard de regie over het inladen te hebben genomen, omdat hij meende dat hij daar meer kaas van gegeten had dan de vriend in kwestie. In die situatie moest de aannemer zijn eigen schade dragen. De rechtbank overwoog (r.o. 4.11):

“De rechtbank acht niet aannemelijk dat het ongeval is gebeurd doordat de vriend na het optillen van het paneel eerder is gaan lopen dan de aannemer had verwacht. De aannemer stond immers op enige afstand van de aanhangwagen en moest eerst een stukje met de vriend mee lopen voordat hij bij (de rong van) de aanhangwagen was. Indien het zo is, zoals de aannemer stelt, dat hij met zijn rechter wijsvinger tussen de opstaande rong en het paneel is gekomen, dan zal dit zijn gebeurd bij het naar rechts brengen van het paneel om dit in de aanhangwagen te leggen. Of dit is veroorzaakt doordat de vriend tijdens deze manoeuvre zonder te waarschuwen tegen het paneel aan duwde, zoals de aannemer ter zitting heeft verklaard, staat niet vast want is door de vriend betwist.

Maar ook als dit wel het geval is geweest, dan betekent dit naar het oordeel van de rechtbank niet dat de vriend onrechtmatig heeft gehandeld. Door het paneel te duwen zonder de aannemer te waarschuwen ontstond weliswaar het gevaar dat de aannemer met zijn handen te dicht bij de aanhangwagen zou komen en daardoor bekneld zou raken, maar dit duwen maakte de kans op een ongeval niet zo groot dat de vriend zich daarvan naar maatstaven van zorgvuldigheid had moeten onthouden.

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de vriend de taak had het paneel in de richting van de aanhangwagen te brengen terwijl hij – uitgaande van de lezing van de aannemer over de lengte van de panelen – op zo’n 6 meter afstand van de aannemer stond en dus geen goed zicht had op de exacte plaats van de handen van de aannemer ten opzichte van de aanhangwagen. Gelet op de leidende rol die de aannemer op zich had genomen, zijn ervaring met de panelen en zijn positie ten opzichte van de aanhangwagen, mocht de vriend er op vertrouwen dat de aannemer met zijn handen voldoende afstand zou houden van de aanhangwagen en het zo nodig zou aangeven wanneer de vriend even zou moeten stoppen met lopen en/of duwen.”

De aannemer die letsel had opgelopen verwees bij zijn eis overigens naar een – volgens hem – soortgelijke zaak, Hof Leeuwarden 23 juli 2003 (verhuizing wasmachine), waarbij een wasmachine in een aanhanger geladen werd. In die zaak werd de helper van de gelaedeerde wel aansprakelijk gehouden. De rechtbank vond dat er relevante verschillen waren, waardoor degeen die hielp met het verhuizen van de wasmachine wèl aansprakelijk was. Doorslaggevend in die zaak was, dat de veroorzaker van de schade daar de regie op zich had genomen en verantwoordelijk was voor de aanpak en gebruikte materialen.

In de zaak leidend tot het arrest Hof Den Bosch 28 juni 2016 (botsing bij privé-zwembad) kwam het Hof ook tot de conclusie, dat de botsing tussen de bezitter van het zwembad (de gelaedeerde) en een (toen nog) vriend die op bezoek was en ook van het zwembad gebruik maakte een ongelukkige samenloop van omstandigheden was. Het Hof overwoog:

“Het leven van alledag wordt onwerkbaar indien te allen tijde van iedereen de hoogste zorgvuldigheid en oplettendheid zou worden geëist. Mensen zijn soms minder handig en daar kunnen, soms, andere mensen de dupe van worden. Dat valt, bezien vanuit de optiek van die andere mensen – de “slachtoffers” – onder de gevaren van alledag die voor risico van dat slachtoffer zelf komen. In het onderhavige geval ware het wenselijk geweest indien geïntimeerde een grotere mate van oplettendheid en behoedzaamheid in acht had genomen dan hij feitelijk heeft gedaan, maar dat hij dat niet heeft gedaan maakt zijn gedrag nog niet onrechtmatig jegens appellant.”

Dat de regels van het Kelderluik-arrest ook gelden bij materiële schade blijkt uit Hof Den Bosch 7 juli 2018 (omgewaaide boom). Het ging hier om een omgevallen boom die schade had veroorzaakt aan het hek van de buurman. Het Hof haalt in zijn arrest ook de criteria aan die gelden voor de redelijke maatregelen die iemand moet nemen om schade te voorkomen, zoals aan de orde kwamen in de Surfplank-zaak:

“voor het aannemen van onrechtmatigheid in gevaarzettingssituaties ten minste is vereist dat de dader wist of behoorde te weten van het door hem gecreëerde gevaar en de dreigende verwezenlijking daarvan. De in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid gaat immers niet zo ver dat men, wanneer men een gevaarzettende situatie in het leven heeft geroepen of in stand heeft gelaten, ook voorzorgsmaatregelen zou moeten nemen indien men niet weet en ook geen redenen heeft om aan te nemen dat er enig gevaar dreigt, vgl. HR 23 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:AJ6863 (VR 1991/154 (Surfplank). In zoverre is grief 1 terecht voorgedragen, aangezien de kantonrechter in het bestreden vonnis heeft miskend dat aan dit vereiste moet zijn voldaan om aansprakelijkheid te kunnen aannemen.”

De eigenaar van de boom komt echter in dit geval niet onder een veroordeling uit. De eigenaar van de boom had namelijk niets gedaan aan het onderhoud van de boom en had waarschuwingen van de buurman in de wind geslagen. Dit terwijl hij redelijkerwijs had moeten onderkennen, dat de boom teveel was uitgegroeid en onderhoud noodzakelijk was om het gerealiseerde gevaar te voorkomen.

Slotsom aansprakelijkheid privé-situatie

Er kan dus niet in zijn algemeenheid worden gesteld, dat onvoorzichtig handelen zoals het geven van een amicale duw of het schoppen tegen een tak in het bos per definitie een handeling is die vanwege de gevaarzetting die ervan kan uitgaan achterwege moet blijken. Pakt dat verkeerd uit, dan kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden worden vastgesteld dat de “dader” voor de onbedoelde schadelijke gevolgen (het letsel dat een ander daardoor overkomt) aansprakelijk is. Juridische causaliteit is dus niet hetzelfde als natuurkundige causaliteit.

Ook de onderlinge verhouding tussen de betrokken personen en de voorzienbaarheid van de schade spelen een rol. Met name in een situatie waarin mensen zich als privé personen tot elkaar verhouden, zal er meer nodig zijn voor aansprakelijkheid. Ook in een sport en spel situatie geldt, dat aansprakelijkheid minder snel wordt aangenomen, heel anders dan in een werksituatie.

Letsel opgelopen tijdens sport en spel

Bij activiteiten in een sport en spel situatie geldt een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel: de deelnemers moeten bij deelname aan sport en spel rekening houden met meer risico. In het arrest HR 28 maart 2003 (“Witmarsumer Merke”) heeft de Hoge Raad zich hier over uitgelaten. In dat arrest wijst de Hoge Raad op meerdere eerder door hem gewezen arresten, waarbij in een sport en spelsituatie:

de vraag of een deelnemer aan een sport of spel onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging als gevolg waarvan aan een andere deelnemer letsel is toegebracht, minder spoedig bevestigend moet worden beantwoord dan wanneer die gedraging niet in een sport- of spelsituatie had plaatsgevonden. De reden daarvan is dat de deelnemers aan die sport of dat spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten”.

Lees meer over het arrest Hoge Raad 28 maart 2003 (“Witmarsumer Merke”)

De casuspositie was als volgt. In het kader van de Witmarsumer Merke heeft op 2 augustus 1997 in de gemeente Wûnseradiel, een wedstrijd met een spelelement plaatsgevonden. Over de Bottefeart is een kabel gespannen, waaraan een katrol hing. De deelnemers aan de wedstrijd moesten hangende aan deze katrol naar het midden van de Bottefeart zweven en de katrol dan loslaten, om te landen op een drijvend plateau. Vervolgens dienden zij over drijvende platen naar de overkant van het vaarwater te lopen naar een kanosteiger, waar zij een bel moesten luiden. Dit alles moesten de deelnemers zo snel mogelijk doen, zonder daarbij nat te worden.

Aan dit spel deden – naast anderen – drie deelnemers mee. De verweerder in cassatie had de overkant droog gehaald, maar de twee anderen niet. Zij hebben de verweerder daarna in het water gegooid, hoewel hij zich daartegen verzette. Bij de val in het water is hij met zijn linkerbeen in aanraking gekomen met een voorwerp dat zich onder het wateroppervlak bevond in de modderige bodem van de sloot. Dientengevolge is hij gewond geraakt. Hij ondervindt nog steeds de gevolgen van deze verwonding. Voordat de wedstrijd begon, hebben de organisatoren het wedstrijdwater oppervlakkig gecontroleerd op de aanwezigheid van mogelijk gevaarlijke voorwerpen.

De gelaedeerde legde aan zijn vordering ten grondslag dat de andere twee onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld door hem tegen zijn wil in het water te gooien, zonder te (kunnen) weten of onder water wellicht gevaarlijke obstakels aanwezig waren. Zij bestreden dat zij jegens gelaedeerde onrechtmatig hebben gehandeld, waartoe zij onder meer hebben aangevoerd dat het onderhavige voorval plaatsvond in het kader van een sport- en spel-situatie. Het feit dat zij hem in het water hebben gegooid, lag in de lijn der verwachtingen bij een wedstrijd die op waterpret was gericht. Normaal gesproken is dit volstrekt onschuldig en risicoloos; het feit dat dit in het onderhavige geval tot een (ernstige) verwonding heeft geleid, lag volgens hen buiten het normale verwachtingspatroon en was voor hen onvoorzienbaar.

Rechtbank en Hof oordeelden, dat de spelsituatie voorbij was en daarom de regel voor sport en spel niet aan de orde was. De rechtbank oordeelde, dat het een ongeluk was, maar het Hof veroordeelde de twee gedaagden wel. De Hoge Raad overwoog, dat de sport en spelsituatie niet zonder meer voorbij hoeft te zijn als het spel volgens de regels is afgelopen (in dit geval het laten rinkelen van de bel). De Hoge Raad overwoog (r.o. 3.6):

“De Hoge Raad heeft in een reeks arresten, zoals vermeld in de conclusie van de Procureur-Generaal onder 10, geoordeeld dat de vraag of een deelnemer aan een sport of spel onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging als gevolg waarvan aan een andere deelnemer letsel is toegebracht, minder spoedig bevestigend moet worden beantwoord dan wanneer die gedraging niet in een sport- of spelsituatie had plaatsgevonden. De reden daarvan is dat de deelnemers aan die sport of dat spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten (vgl. HR 28 juni 1991, 14235, NJ 1992, 622).

Aangezien de door die sport of dat spel bepaalde verhouding tussen de deelnemers daaraan niet direct en geheel hoeft te veranderen doordat en op het moment waarop aan die sport of dat spel volgens de daarvoor geldende regels, een einde komt, houdt ook de verhoogde drempel om aansprakelijkheid te kunnen aannemen, dan niet steeds direct en geheel op te gelden. Een (korte) tijd daarna kan het feit dat partijen zo-even nog met elkaar hebben gewedijverd of in een spelsituatie waren verwikkeld, de verwachtingen die zij van elkaar mogen of moeten hebben, blijven beïnvloeden, afhankelijk van de aard van die activiteit en de verdere omstandigheden van het geval.”

De P-G overwoog in nr. 10 van zijn conclusie:

“Deze arresten hadden betrekking op sporten waarbij gelijktijdig meer dan één speler betrokken is, zoals judo, voetbal en tennis; zie HR 19 oktober 1990, NJ 1992, 621 (tennisbal) en HR 28 juni 1991, NJ 1992, 622 (natrap), beide m.nt. CJHB; HR 11 november 1994, NJ 1996, 376 m.nt. CJHB (judoworp).”

Daarom verschilde de situatie in die gevallen van de situatie tijdens de Witmarsumer Merke, aldus de P-G (en ook de Hoge Raad):

“door eisers in cassatie is onweersproken erop gewezen dat de onderhavige, in het kader van de Witmarsumer Merke georganiseerde wedstrijd, onderdeel uitmaakte van festiviteiten waarbij in het water geraken van de deelnemers tot het beoogde vermaak behoorde. Met name in een dergelijke situatie kan aanleiding bestaan aan te nemen dat de door die wedstrijd bepaalde verhouding tussen de deelnemers niet direct geheel hoefde te veranderen doordat en op het moment waarop aan die wedstrijd, volgens de regels waaronder deze plaatsvond, een einde kwam.”

Het verzet van de gelaedeerde moesten zij wel serieus nemen:

“Wie een handeling of gedraging doorzet ondanks verzet van een ander, dient in beginsel steeds rekening te houden met de mogelijkheid (zo niet: waarschijnlijkheid) dat dit verzet serieus is gemeend en die ander werkelijk niet wil dat de desbetreffende handeling of gedraging plaatsvindt.”

Maar daarmee was de onrechtmatigheid daarvan niet in zichzelf reeds een gegeven, oordeelde de Hoge Raad. En doordat het Hof de sport en spelsituatie niet in de afweging had meegenomen, was het oordeel van het Hof niet deugdelijk gemotiveerd. Het Hof begon wel vanuit een juist vertrekpunt, namelijk dat de voorzienbaarheid van het letsel van belang is. Aldus de Hoge Raad (r.o. 3.11):

“Het Hof heeft terecht tot uitgangspunt gekozen dat niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar, dat gedrag onrechtmatig doet zijn, maar dat zodanig gevaarscheppend gedrag slechts onrechtmatig is indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden (HR 9 december 1994, 15527, NJ 1996, 403).”

Het arrest van het Hof werd daarom vernietigd en de zaak werd verwezen ter verdere afdoening door een ander Hof.

In een uitspraak van Rb. Oost-Brabant 12 april 2018 (onfortuinlijke wielrenner/ASR & Univé) had een wielrenner dubbel pech. Tijdens een sportieve tocht met zijn fietsmaten kwam hij door hun toedoen maar liefst twee keer ten val.

Lees meer over Rb. Oost-Brabant 12 april 2018 (onfortuinlijke wielrenner)

De casus was als volgt. Een wielrenner, die met twee maten aan het fietsen was, was bij een inhaalwedstrijdje ten val gekomen doordat ze elkaar raakten, waarbij hij een kwetsuur aan zijn linkerschouder had opgelopen.

Tot overmaat van ramp wilde de andere wielrenner hem iets later bemoedigend toespreken, waarbij hij hem een schouderklopje gaf op de gekwetste schouder. Daardoor raakte hij weer de macht over het stuur kwijt, belandde in een geul en kwam hard neer op zijn hoofd en zijn rechterschouder. De rechtbank toetst aan de hand van het Kelderluik-arrest of deze handelingen aan de twee fietsmaten te verwijten waren als een onrechtmatige daad. De gelaedeerde sprak zijn beide fietsmaten en hun verzekeraars (op grond van art. 7:954 B.W.) aan en vorderde schadevergoeding wegens het hem overkomen letsel.

De rechtbank wil er niet aan. Zij moesten zich weliswaar aan de verkeersregels houden, maar in de competitieve sportieve situatie moest de gelaedeerde er rekening mee houden dat hij links kon worden ingehaald, aldus de rechtbank. Zijn val was dus niet verwijtbaar jegens zijn medewielrenner. Zij moesten er – ondanks dat het een recreatief tochtje was en geen echte wielerwedstrijd – wel rekening mee houden, dat de andere deelnemers zich mogelijk wat anders zouden gedragen en wat meer risico zouden nemen dan men buiten een sportieve situatie zou doen.

De rechtbank past (deels) de regels van sport en spel toe en overweegt (r.o. 4.7):

“De maatschappelijke zorgvuldigheid eist dat men in situaties die potentieel gevaarlijk zijn een ander niet blootstelt aan een groter risico dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord is en waarop een normaal mens bedacht moet zijn. Niet elk gedrag dat tot een ongeval kan leiden is ook onrechtmatig. Gevaarzettend gedrag is alleen dan onrechtmatig als de waarschijnlijkheid van een ongeval als gevolg van dat gedrag zo groot is dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had behoren te onthouden (zie: Hoge Raad 12 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5784, “verhuizende zussen”).

Om vervolgens de criteria op te sommen uit het Kelderluik arrest:

“Of dit in een bepaalde situatie het geval is geweest, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Vier concrete factoren die hierbij een rol kunnen spelen zijn geformuleerd in het bekende Kelderluikarrest van de Hoge Raad van 5 november 1956. Het gaat dan samengevat om:

(i) de waarschijnlijkheid van onoplettendheid of onvoorzichtigheid van de ander
(ii) de kans dat daardoor een ongeval ontstaat
(iii) de ernst van de mogelijke gevolgen van zo’n ongeval en
(iv) de bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.”

Hoewel de rechtbank oordeelde, dat het tweede voorval niet meer onder een sport- en spelsituatie viel, vond de rechtbank toch niet dat het handelen van de tweede fietser aan die criteria voldeed. De onfortuinlijke wielrenner moest dus zijn eigen schade dragen.

Letsel opgelopen in een werksituatie

De kaarten zijn al snel anders geschud, wanneer een soortgelijk ongeval zich voordoet in een werksituatie. Wanneer de ene werknemer de andere een speelse duw geeft, waardoor die letsel oploopt, is er immers een werkgever in het spel die aansprakelijk gehouden kan worden voor het handelen van de ene werknemer jegens de andere. De maatstaven veranderen dan al snel.

Dit zien we onder meer in Rb. Rotterdam 13 juni 2012 (speelse duw werknemer). Waar een speelse duw in het café niet zonder meer tot aansprakelijkheid leidt, is dat in een werksituatie – waaronder ook de pauze valt – al snel anders. De metselaar van een hoofdaannemer kwam door een speelse duw van de elektriciën van een onderaannemer ten val en liep letsel op.

Lees meer over Rb. Rotterdam 13 juni 2012 (speelse duw werknemer)

De gelaedeerde stelde een vordering tot schadevergoeding in tegen een aantal betrokkenen:

– de metselaar grondt zijn vorderingen jegens de onderaannemer (werkgever van de duwer) op artikel 6:170 Burgerlijk Wetboek (BW) (aansprakelijkheid werkgever voor fouten van ondergeschikten);

– jegens Aegon (de verzekeraar van de onderaannemer) op artikel 7:954 BW (directe actie bij aansprakelijkheidsverzekering) (zie ook de pagina Schadeverzekering).

– en jegens zijn werkgever – de hoofdaannemer – op artikel 6:171 BW (aansprakelijkheid voor niet-ondergeschikten), en subsidiair op artikel 7:658 BW (aansprakelijkheid werkgever) en/of artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap).

De rechtbank kan de lol van de duw niet inzien en overweegt:

“Dat de metselaar van een plotselinge duw tegen zijn linkerschouder zou kunnen schrikken en naar rechts ten val zou kunnen komen, was alleszins voorzienbaar. Weliswaar hoeft een dergelijke val op de stenen niet noodzakelijkerwijs ernstige gevolgen te hebben, maar met de mogelijkheid daarvan diende de elektriciën in juridische zin wel degelijk rekening te houden. Door in de gegeven omstandigheden de metselaar plotseling een duw tegen de linkerschouder te geven, handelde de elektriciën jegens hem in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, en daarmee onrechtmatig.”

De rechtbank neemt geen genoegen met de stelling, dat de schadelijke gevolgen van deze speelse duw te scharen zijn onder de noemer “ongelukkige samenloop van omstandigheden”. De rechtbank betrekt daarin de voorzienbaarheid van die gevolgen: alleen als niet te voorzien was dat die val letsel als gevolg zou hebben, zou dit een onschuldige duw zijn. Nu de collega naast een talud zat waar onderaan een hoop stenen lag, was te voorzien dat dit niet goed zou aflopen.

Alledrie de gedaagden worden aansprakelijk gehouden.

Zie wat betreft de mogelijkheid tot het (mede) dagvaarden van de verzekeraar van de wederpartij, zoals in deze zaak aan de orde was, de pagina Schadeverzekering.

Voor de bespreking van de aansprakelijkheid van de werkgever jegens zijn werknemer(s) op grond van art. 7:658 lid 2 B.W. op grond van tekortschieten in het waarborgen van de veiligheid op de werkvloer zie de pagina Bijzondere verplichtingen van de werkgever. Daarnaast kan de werkgever ook aansprakelijk zijn op de meer algemene grondslag van goed werkgeverschap als bedoeld in art. 7:611 B.W.. Zie daarover de pagina Algemene bepalingen arbeidsovereenkomst. Doorgaans zal een werknemer die letsel is overkomen voor twee ankers gaan liggen en zijn vordering op beide grondslagen baseren.

Letsel opgelopen in het verkeer

Wanneer letsel ontstaat bij verkeersdeelname ontstaat en andere situatie. In het verkeer spelen de verkeersregels namelijk ook een rol.

In de zaak van HR 21 december 2001 (Sun Alliance/ten val gekomen fietser) oordeelden zowel rechtbank, Hof als Hoge Raad dat het onvoorzichtige rijgedrag van één van beide fietsers, waardoor de sturen elkaar raakten en de ander ten val kwam en letsel opliep, niet was toe te rekenen aan “een ongelukkige samenloop van omstandigheden”. De vraag dringt zich op, of het feit dat de veroorzaker hier verzekerd was wellicht tot die conclusie heeft bijgedragen. In ieder geval was er een wettelijk voorschrift (een verkeersregel) geschonden: te weten art. 25 WVW (oud), terwijl zijn handelen tevens in strijd komt met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Art. 25 WVW hield in dat je bij het deelnemen aan het verkeer de nodige zorgvuldigheid in acht moet nemen en andere verkeersdeelnemers niet in gevaar mag brengen (zie nu art. 5 WVW). Door te dicht op de andere fietser te fietsen – wat axiomatisch bleek uit het feit dat beiden vielen toen hij met zijn stuur wat uitweek – overtrad hij die regel en was hij aansprakelijk.

Schade bij botsing auto’s of trams enerzijds en voetgangers of fietsers anderzijds

Bij verkeersongevallen waarbij niet gemotoriseerd verkeer in aanvaring komt met gemotoriseerd verkeer geldt ter bescherming van de zwakkere partij de zgn. 50%-regel: ongeacht de onvoorzichtigheid van de niet gemotoriseerde verkeersdeelnemer is de helft van de schade steeds voor rekening van de gemotoriseerde verkeersdeelnemer. Tenzij aan de zijde van de niet gemotoriseerde verkeersdeelnemer sprake is van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid.

Daaronder vallen ook trams, zoals blijkt uit HR 14 juli 2000 (voetganger/HTM). Ook in Amsterdam deed zich een geval voor waarbij een voetganger door een tram werd aangereden: Rb. Amsterdam 7 augustus 2019 (voetganger/GVB) (met een leuk fotootje van de situatie ter plaatse).

Verplichte verzekering personenauto’s en vrachtwagens

Aan gemotoriseerd verkeer kleeft vanwege de hogere snelheden een inherent risico, waarvoor de wetgever een regeling heeft getroffen om de gevolgen zoveel mogelijk op te vangen. De centrale gedachte achter de regeling inzake de aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt met motorrijtuigen is, dat het slachtoffer van een aanrijding niet geconfronteerd wordt met een veroorzaker, die geen verhaal biedt.

Art. 185 lid 1 WVW bepaalt, dat de eigenaar van het voertuig aansprakelijk is voor de daarmee veroorzaakte schade. De verzekering voor een motorrijtuig wordt afgesloten op het voertuig zelf. Op grond van art. 185 lid 2 WVW is de eigenaar ook aansprakelijk, wanneer hij of zij niet zelf in het voertuig rijdt. Daardoor biedt de verzekering ook dekking wanneer een ander in het motorrijtuig rijdt, bij voorbeeld als die uitgeleend is (art. 3 lid 1 WAM). De eigenaar is niet aansprakelijk, wanneer er sprake is van overmacht waarvoor hij niet aansprakelijk gehouden kan worden. Zoals wanneer de auto gestolen is. Als aan hem onachtzaamheid verweten kan worden, waardoor het onbevoegde gebruik van het motorrijtuig aan hem te wijten is, dan is de eigenaar of bezitter van de auto wel aansprakelijk. Bij voorbeeld als zoonlief de sleutels van de Jaguar pakt die ergens voor het grijpen liggen en vervolgens schade veroorzaakt.

Voor motorrijtuigen geldt een verzekeringsplicht (art. 2 WAM). Onverzekerd met een motorrijtuig rijden is zelfs een strafbaar feit (art. 30 WAM). Verplicht tot verzekering is in principe de eigenaar of kentekenhouder; wanneer uit de aard van de rechtsverhouding volgt dat een ander de regelmatige berijder is – zoals bij een lease-overeenkomst of verhuur van de auto – dan moet de berijder voor de verzekering zorgen. De verzekering moet tenminste een WA-dekking bieden: dat wil zeggen een dekking tegen aansprakelijkheid tegenover derden, die met het motorrijtuig schade is toegebracht. De bestuurder zelf hoeft niet meeverzekerd te worden (art. 4 lid 1 WAM).

Dat betekent, dat de auto niet all-risk of casco verzekerd hoeft te zijn. Alleen schade die aan derden wordt toegebracht is gedekt. Voor de inzittenden van de auto moet een aparte verzekering worden afgesloten (met de toepasselijke naam inzittendenverzekering). Wanneer iemand die een auto leent een ongeluk veroorzaakt, dan is de schade van derden dus ook gedekt. Maar de schade aan de inzittenden en aan de auto zelf niet, tenzij de polis daar ook dekking voor biedt. In die situatie kan de eigenaar de bruiklener aansprakelijk stellen voor de niet door de verzekering schade die door de fout van de bruiklener is veroorzaakt. Dus de schade aan de auto waarmee het ongeluk is veroorzaakt en de (letsel)schade die inzittenden hebben geleden.

De gelaedeerde heeft een rechtstreeks vorderingsrecht tegenover de verzekeraar (art. 6 lid 1 WAM), naast zijn vorderingsrecht jegens de veroorzaker van het ongeluk (de verzekerde).

In situaties, waarin de dader onbekend is of de auto om welke reden ook onverzekerd blijkt te zijn, is er ook nog het Waarborgfonds Motorverkeer. Op grond van art. 25 lid 1 WAM kan de benadeelde een beroep doen op dit fonds om zo toch zijn schade vergoed te krijgen.

Letsel opgelopen door gevaarzetting op de openbare weg

Bij ongevallen op de openbare weg komen andere criteria om de hoek kijken. We hebben hier te maken met de risico-aansprakelijkheid van de wegbeheerder (art. 6:174 BW).

In de zaak HR 4 april 2014 (Reaal/Gemeente Deventer) was een wielrenner ten val gekomen en onder een vrachtwagen beland, waardoor hij zwaar letsel had opgelopen. Reaal was als WAM-verzekeraar van de vrachtwagen aansprakelijk voor de schade, maar zij had de gemeente in vrijwaring opgeroepen omdat de val – volgens het slachtoffer – was veroorzaakt door een richel in de weg, waardoor die viel op het moment dat hij verder probeerde uit te wijken. Reaal stelde dat de gemeente aansprakelijk was voor het ongeval en daarmee voor de schade. Reaal stelde, dat de berm van de weg (en de daar aangebrachte strook grasbetonklinkers) een veilige uitwijkmogelijkheid voor weggebruikers dient te bieden, hetgeen ook blijkt uit het “Handboek veilige inrichting van bermen” van CROW. Aan die eisen voldeed de weg niet. Het Hof had ten onrechte beslist, dat een spleet van 3 tot 5 cm tussen rijbaan en grasbetonstenen niet in strijd was met de aan de weg te stellen eisen. De gemeente had verder gesteld dat zij niet over voldoende middelen beschikte om de weg aan te passen. Die stelling werd gepasseerd omdat de gemeente die stelling op geen enkele wijze had onderbouwd. Die onderbouwing zou ook wel heel ver voeren, dus die stelling van de gemeente was een “beetje dom”.

Aansprakelijkheid voor beroepsfouten

Op zakelijke dienstverleners zoals notarissen, advocaten en makelaars rust een bijzondere zorgplicht, die bij nalatigheid tot aansprakelijkheid kan leiden. In veel gevallen gaat het hier om een overeenkomst van opdracht, zodat het primair om een contractuele aansprakelijkheid gaat. Maar bij de uitoefening van een beroep kunnen ook derden – die buiten de contractuele relatie met de beroepsbeoefenaar staan – schade lijden. In dat geval komt de onrechtmatige daad aan bod, omdat derden zich niet op wanprestatie kunnen beroepen.

Aansprakelijkheid notaris

Voor de notaris is die zorgplicht (mede) gebaseerd op zijn informatie- en waarschuwingsplicht, die niet alleen geldt tegenover zijn opdrachtgever, maar ook de andere bij zijn dienstverlening betrokken partijen. De notaris moet zelfstandig onderzoek doen naar de aangereikte informatie, en alle betrokken partijen wijzen op de (rechts)gevolgen van de (rechts)handeling, die hij voor partijen verricht (vgl. art. 43 lid 1 Wet Notarisambt).

Wanneer de notaris daarin te kort schiet, kan hij niet alleen aansprakelijk zijn tegenover de eigen cliënt, maar ook tegenover de andere betrokken partijen. In dat geval betreft het aansprakelijkheid buiten contract, op grond van onrechtmatige daad. Schiet hij tekort tegenover de eigen cliënt, dan is dit wanprestatie in de overeenkomst van opdracht (zie de pagina Overeenkomst van opdracht).

Aansprakelijkheid advocaat

De rol van een advocaat is een principieel andere dan die van een notaris. De notaris verleent zijn diensten als onafhankelijke partij. De advocaat is daarentegen bij uitstek “partijdig”. Hij behartigt de belangen van één partij, de eigen cliënt. Toch kan de advocaat in zijn optreden ook gehouden zijn rekening te houden met de belangen van andere partijen, die niet zijn cliënt zijn, en kan hij zelfs aansprakelijk zijn als hij die belangen veronachtzaamt.

In de kwestie die leidde tot het arrest Hof Amsterdam d.d. 6 juni 1996 (NJ 1998, 653) had een koper onderhandeld met een verkoper over de verkoop van een stuk grond. De verkoper was failliet. De verkoper meldde aan zijn advocaat dat de economische eigendom van de grond in handen was van een Antilliaanse NV, waarvan hij de zeggenschap had. Die laatste informatie gaf de advocaat door aan de koper, die daarop de koopsom van 2,9 miljoen betaalde. Dit geld betaalde de advocaat door aan de crediteuren van de verkoper.

Vervolgens bleek, dat de Antilliaanse NV niet bestond. Het Hof overwoog, dat de advocaat de koper niet klakkeloos – zonder enig voorbehoud – de informatie had mogen doorgeven, die zijn cliënt had verstrekt. Immers had de koper de koopsom betaald op basis van die informatie. De advocaat kon zich er niet achter verschuilen, dat hij slechts een doorgeefluik was. Ten eerste had hij moeten weten, dat de cliënt vanwege het faillissement niet vrijelijk over de grond kon beschikken. Bovendien had hij moeten onderzoeken, of de informatie over de NV juist was.

De advocaat is in die situatie ook tegenover de derde, die op zijn informatie afgaat, aansprakelijk. Dit geldt te meer wanneer die derde niet wordt bijgestaan door een advocaat of juridisch deskundige.

Een soortgelijke beslissing is in latere jurisprudentie genomen, waarbij de advocaat in zijn advisering aan een BV in een situatie van een dreigend faillissement geen rekening had gehouden met de mogelijke aansprakelijkheid van de bestuurders. De advocaat werd daardoor zelf aansprakelijk jegens de bestuurders voor de schade die het gevolg was van zijn nalatigheid hen op de mogelijke risico’s voor hen als bestuurders te wijzen – terwijl de bestuurders formeel gezien niet zijn cliënten waren.

Aansprakelijkheid curator

De faillissementscurator is weliswaar doorgaans tevens advocaat, maar werkt in de hoedanigheid van curator niet als advocaat in opdracht van een cliënt. Hij wordt aangesteld door de rechtbank om de belangen van de crediteuren te behartigen en de boedel volgens de regels van het recht af te wikkelen. De aansprakelijkheid van de curator wordt dus beheerst door een ander toetsingskader, en berust steeds op onrechtmatige daad en niet op opdracht. Zie nader de pagina Curator.

Veiligheidsrichtlijnen en voorschriften

Voor de vaststelling van de vraag, of iemand onrechtmatig gehandeld heeft – wanneer door zijn handelen schade is ontstaan – kunnen ook richtlijnen omtrent veiligheid, best practices en voorschriften een rol spelen.

Hierbij kan aan van alles gedacht worden: bvb. een scheepsjongen die in de binnenvaart zijn vingers verliest bij het losgooien van trossen doordat de duwboot gas geeft – zijn de juiste seinen gebruik, heeft de kapitein juist gehandeld, heeft de kapitein alle brevetten gehaald – in het verkeer (bvb. aansprakelijkheid ambulance chauffeur wegens gevaarlijk rijden) of in de luchtvaart.

Zie bvb. de kwestie van de doodgeschrokken dure papegaaien en de mogelijke aansprakelijkheid van de ballonvaarder in de zaak die leidde tot het (tussen)vonnis van Rechtbank Oost Brabant d.d. 12 september 2018.

Bij de aansprakelijkheid van de wegbeheerder kan een rol spelen, of deze aan de best practices voor groenbeheer heeft voldaan (regelmatig onderhoud en inspectie).

Onrechtmatige overheidsdaad

De overheid – gemeenten, Provincies, het Rijk en andere overheidslichamen of diensten – kunnen ook een onrechtmatige daad plegen en daarvoor aansprakelijk zijn. Daarbij moet onderscheid gemaakt worden tussen de situatie waarin de overheid als burger optreedt, en situaties waarin de overheid in haar functie van overheid optreedt tegenover de burger. Bij voorbeeld bij het verlenen of weigeren van vergunningen, het opleggen van aanslagen door de Belastingdienst, het uitoefenen van toezicht door tal van toezichthoudende instanties. Het takenpakket van de moderne overheid is zeer omvangrijk en divers, dus het kan gaan om allerhande aspecten van het bestuursrecht (dat is hetzelfde als “administratief recht”).

Wanneer de overheid “als burger” oftewel als (rechts)persoon gewone privaatrechtelijke rechten uitoefent en daarmee een andere burger schade toebrengt, dan is er sprake van een gewone onrechtmatige daad en is de positie van de schadeveroorzakende overheid niet anders dan die van elke burger ten opzichte van een andere burger. Bij voorbeeld als eigenaar van een onroerend goed, of wanneer een ambtenaar in functie een auto bestuurt en een ongeluk veroorzaakt. Dit is een zgn. “horizontale” rechtsverhouding van burger tot burger in het privaatrecht.

Anders wordt het als de overheid in de uitoefening van haar publiekrechtelijke raken – dus binnen het administratief recht of bestuursrecht – een fout maakt en daarmee schade aan een burger toebrengt. De overheid heeft dan een verticale rechtsverhouding met de individuele burger, als overheid. Als daarbij onrechtmatig gehandeld wordt, spreekt men van een “onrechtmatige overheidsdaad”.

Er is de nodige jurisprudentie over de onrechtmatige overheidsdaad en hoe deze te toetsen. In diens conclusie bij het arrest van de Hoge Raad d.d. 25 mei 2012 (Gemeente ‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel) geeft de P-G randnummer 4.22 enkele handvatten voor het beoordelen van de omstandigheden, die tot de conclusie kunnen leiden dat er sprake is van onrechtmatige overheidsdaad.

In het arrest Paul Krugerbrug I (ARRvS 12 januari 1982, ECLI:NL:RVS:1982:AM7845, AB 1982/299, m.nt. P.C.E. van Wijmen) is een elegante oplossing gevonden voor de onrechtmatige overheidsdaad. Een handelwijze van de overheid kan onrechtmatig zijn, tenzij de overheid de daardoor ontstane schade vergoedt. De onderstaande tekst (tot en met Wetsvoorstel Nadeelscompensatie) is ontleend aan Collegeaantekeningen bestuursrecht JFV Groningen.

Twee beginselen voor schadevergoeding van de overheid: égalité en evenredigheid

In het leerstuk van de onrechtmatige overheidsdaad worden twee beginselen gehanteerd waarop een schadevergoeding gebaseerd kan worden.

Het evenredigheidsbeginsel is gebaseerd op afweging tussen het doel en het middel en vormt een gedragsnorm voor het bestuursorgaan.

Het égalitébeginsel ziet op de lastenverdeling van overheidshandelen tussen burgers. Het is een verbintenisscheppend beginsel, daaruit vloeit de verplichting voort tot het betalen van nadeelscompensatie.

Schadevergoeding onrechtmatige overheidsdaad: procedure

Bij de bestuursrechter

Nadeelscompensatie kan op grond van een wettelijke regeling of beleidsregel worden toegekend. In dat geval kan de belanghebbende een verzoek doen bij het bestuursorgaan. De reactie op dat verzoek is een appellabel besluit. Zo’n verzoek kan ook worden ingediend als het nadeel veroorzaakt is door feitelijk handelen. Als er geen wettelijke grondslag of beleidsregel aanwezig is waarin nadeelscompensatie wordt geregeld, kan de burger een beroep doen op het égalitébeginsel. Er bestaat dan een onderscheid tussen een zelfstandig en een onzelfstandig nadeelscompensatiebesluit.

1. In het geval van een onzelfstandig nadeelscompensatiebesluit gaat de burger in beroep tegen het nadeelveroorzakende besluit. De grond voor dat beroep is dan dat er in dat besluit geen of te weinig nadeelscompensatie wordt toegekend. Dit volgt uit de uitspraak Paul Krugerbrug. Dit heeft een aantal nadelen. Burgers moeten binnen een termijn een procedure instellen tegen het besluit, terwijl de omvang van de schade op dat moment vaak nog niet duidelijk is. Verder wordt er geprocedeerd tegen een besluit vanwege nadeelscompensatie, niet omdat men het niet eens is het met besluit.

2. In het arrest Van Vlodrop is geoordeeld dat het ook mogelijk is om een verzoek te doen om nadeelscompensatie bij het bestuursorgaan. Er is dan sprake van een zelfstandig nadeelscompensatiebesluit. De grondslag voor dat verzoek is het égalitébeginsel. Dit heeft als voordeel dat burgers kunnen wachten met procederen tot de schade bekend is. Het bestuursorgaan hoeft nog niet meteen bij het nemen van het besluit over nadeelscompensatie te beslissen. Dit kan echter alleen als er tegen het nadeelveroorzakende besluit beroep bij de bestuursrechter mogelijk is. Als het bestuursorgaan in dat besluit wel een beslissing heeft genomen over nadeelscompensatie, moet de burger daartegen procederen.

Burgerlijke rechter

Burgers kunnen bij de burgerlijke rechter nadeelscompensatie vorderen op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) als de handeling die het nadeel veroorzaakt heeft niet appellabel is in het bestuursrecht. Volgens het arrest Leffers/Staat wordt het gelijkheidsbeginsel geschonden als een rechtmatige overheidsdaad voor een beperkte groep burgers schade oplevert die buiten het normaal maatschappelijk risico valt. In dat geval gaat het om een onrechtmatige daad, ook al was het overheidshandelen in principe rechtmatig.

Wetsvoorstel Nadeelscompensatie

De wetgever heeft een wetswijziging over Nadeelscompensatie voorbereid (zie Hoofdstuk 4.5 Algemene Wet Bestuursrecht) waardoor schadevergoeding voor overheidshandelen alleen nog mogelijk is over de bestuursrechtelijke boeg.

Onrechtmatige overheidsdaad: handelen in strijd met opgewekt vertrouwen

De overheid – d.w.z. degeen die namens de overheid met de burger te maken heeft – kan zich vergalopperen door toezeggingen te doen of verwachtingen te scheppen, zonder dat dit te kwalificeren is als een besluit. In dat geval is er geen rechtsgang mogelijk, en moet de burgerlijke rechter beslissen of de overheid hiermee aansprakelijk is geworden voor evt. schade van degeen die op het gewekte vertrouwen is afgegaan.

Onrechtmatig overheidsbesluit

De overheid kan aansprakelijk zijn voor een onrechtmatig overheidsbesluit. De hiervoor bij de bespreking van het causaliteitsvereiste vermelde arrest HR 6 januari 2017 (UWV/X) gaat over een onrechtmatig overheidsbesluit. Een werknemer was ontslagen doordat het UWV een ontslagvergunning verleend had. De werknemer had verweer gevoerd. Allereerst stelt de Hoge Raad vast dat de bestuursrechtelijke rechtsgang – voor zover die er is – moet worden doorlopen. Pas dan is er immers een definitief besluit met formele rechtskracht.

De Hoge Raad overweegt:

“3.4.1 Het gaat in deze zaak om aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad voor een besluit van een bestuursorgaan dat ongunstig is voor degene die terzake schadevergoeding verlangt. In de regel staat van een dergelijk besluit bezwaar en beroep open op grond van de Awb. Is dat het geval, dan zal aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad in beginsel slechts kunnen worden aangenomen na vernietiging, intrekking of herroeping van het besluit. Die vernietiging, intrekking of herroeping is dan immers in verband met de formele rechtskracht van het besluit in beginsel noodzakelijk voor de vaststelling van de onrechtmatigheid daarvan.”

Wordt er een nieuw besluit genomen, dan geldt het volgende:

” 3.4.2 Moet het bestuursorgaan na een vernietiging, intrekking of herroeping van het besluit opnieuw in de zaak voorzien door het nemen van een nieuw besluit – wat bij een besluit op aanvraag doorgaans het geval is -, dan hangt het veelal van de inhoud van het nieuwe besluit af of het eerdere, onrechtmatige besluit tot schade heeft geleid. Als het nieuwe besluit rechtmatig is en een beslissing bevat die (voor de belanghebbende) tot hetzelfde rechtsgevolg leidt als het eerdere besluit, dan is dat, voor zover het gaat om schade die veroorzaakt wordt door dat rechtsgevolg, niet het geval. In het feit dat het bestuursorgaan een nieuw besluit moet nemen, kan daarom voor de rechter een grond zijn gelegen voor afwijzing van een op de onrechtmatigheid van het eerdere besluit gebaseerde schadevergoedingsvordering. (Vgl. in dit verband HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2087, NJ 2007/187 (Enschede/Gerridzen), rov. 4.2.3, en HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3257, NJ 2009/146)

Voor zover het gaat om andere schade dan schade die veroorzaakt wordt door het rechtsgevolg van het besluit, en waarvan de vergoedbaarheid daarom niet afhankelijk is van een nieuw besluit van het bestuursorgaan, geldt met betrekking tot het causaal verband hetgeen hierna in 3.4.4 en 3.4.6 wordt overwogen.”

Is er geen rechtsgang (meer) mogelijk, dan geldt het volgende:

” 3.4.3 Op het besluit op de aanvraag van een ontslagvergunning als bedoeld in art. 6 BBA (oud) (thans art. 7:671a BW), om welk besluit het in deze zaak gaat, is de Awb van toepassing. Tegen dat besluit staat echter geen bezwaar of beroep open op grond van die wet (art. 8:5 lid 1 Awb in verbinding met de ten tijde van het onderhavige besluit geldende bijlage bij de Awb, onderdeel F, onder 1). In verband hiermee dient de rechtmatigheid van dit besluit door de burgerlijke rechter te worden beoordeeld. Ook doet zich bij dit besluit niet het hiervoor in 3.4.2 genoemde geval voor dat het bestuursorgaan opnieuw in de zaak moet voorzien door het nemen van een nieuw besluit.”

Staat het oorzakelijk verband tussen de schade en het overheidsbesluit los van het nemen van een nieuw besluit dan moet de “wat als” regel moet worden toegepast:

“3.4.4 In de gevallen waarin het bestaan van causaal verband tussen een onrechtmatig besluit en schade niet … afhankelijk is van een nieuw besluit van het bestuursorgaan, dient het bestaan van dat verband te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf hoe het bestuursorgaan zou hebben beslist (of gehandeld) indien het niet het onrechtmatige besluit had genomen. Het causale verband als bedoeld in art. 6:162 lid 1 BW (het condicio sine qua non-verband), waar het hier om gaat, moet immers worden vastgesteld door vergelijking van enerzijds de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en anderzijds de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de onrechtmatige gedraging achterwege was gebleven. Er is geen grond om hierover anders te oordelen indien het gaat om een onrechtmatig besluit van een bestuursorgaan (HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112, NJ 2016/291 (Hengelo/Wevers), rov. 3.5.2).”

Het arrest HR 25 september 2020 (speelautomatenvergunning gemeente Sluis) gaat ook over een onrechtmatig overheidsbesluit (namelijk het onbevoegd toekennen van een vergunning aan een hotel, waardoor een concurrent schade geleden stelt te hebben).

Onrechtmatige overheidsdaad en de onschuldpresumptie van art. 6 EVRM

Wanneer een verdachte in een strafzaak wordt vrijgesproken, dan heeft deze op grond van op grond van art. 89 Wetboek van Strafvordering jegens de Staat aanspraak op schadevergoeding voor de gemaakte de advocaatkosten en een vergoeding voor eventuele ondergane detentie (voorarrest). De vrijgesproken verdachte kan daarnaast echter ook nog in een civiele procedure schadevergoeding vorderen. Daarbij wordt het door de Hoge Raad ontwikkelde “gebleken onschuld-criterium” gehanteerd.

In het arrest HR 13 oktober 2006 (Begaclaim-arrest) heeft de Hoge Raad uiteengezet dat er twee gronden voor aansprakelijkheid van de Staat kunnen worden onderscheiden, als het gaat om het in een civielrechtelijke procedure toekennen van een aanvullende schadevergoeding in verband met strafrechtelijk optreden van politie en justitie. Daarbij heeft de Hoge Raad het eerder al ontwikkelde “gebleken onschuld-criterium” gehandhaafd.

Deze – naast elkaar bestaande – gronden zijn:

(i) dat van de aanvang af een rechtvaardiging voor dit optreden heeft ontbroken, doordat dit optreden in strijd is met een publiekrechtelijke rechtsnorm, en
(ii) dat uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de strafzaak blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte.

In de prejudiciële uitspraak van de Hoge Raad HR 25 september 2020 (schadevergoeding verdachte Haagse metselmoorden) stelde het Hof prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, hoe de onschuldpresumptie van art. 6 EVRM bij de beoordeling van een dergelijke civielrechtelijke vordering. Het betrof hier een claim op de 2e hiervoor vermelde grond.

Het Hof formuleerde deze vraag als volgt:

“Is het gebleken onschuld-criterium in strijd met de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM, althans is dit het geval indien (dit criterium zo moet worden uitgelegd dat) van de onschuld van de verdachte niet reeds is gebleken indien de verdachte is vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs?”

De Hoge Raad beantwoordt deze vraag mede aan de door hem geciteerde jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het EVRM-Hof), met name de zaak EHRM 12 juli 2013, nr. 25424/09 (Allen/Verenigd Koninkrijk). Het antwoord (r.o. 2.15) luidt: Het gebleken onschuld-criterium is niet in strijd met art. 6 lid 2 EVRM. Wel leidt deze verdragsbepaling ertoe dat strikte eisen moeten worden gesteld aan de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan dat criterium en de wijze waarop een beslissing tot afwijzing van de vordering tot schadevergoeding wordt gemotiveerd.

Waar het om gaat, is dat de civiele rechter (i) de strafrechtelijke uitspraak als vaststaand uitgangspunt neemt. De civiele rechter moet zich niet zelf ook weer gaan verdiepen in de schuldvraag. En de vrijgesproken verdachte hoeft niet te bewijzen dat hij onschuldig is. Hij moet echter wel voldoende stellen (en zo nodig bewijzen) ter onderbouwing van het “bewezen onschuld-criterium”. De civielrechtelijke vergoeding heeft een andere grondslag dan de vergoeding van art. 89 Sv.. De civielrechtelijke grondslag is de “redelijkheid en billijkheid”. Daarmee wordt ruimte gelaten voor het afwijzen van een extra vergoeding als niet redelijkerwijs vast staat dat de verdachte onschuldig was, in welk geval de Staat de verdachte achteraf bezien ten onrechte in een strafzaak heeft betrokken. Wanneer er wel redelijke verdenking was, en de onschuld niet is komen vast te staan, dan is er derhalve geen plaats voor een aanvullende civielrechtelijke schadevergoeding.

Lees de overwegingen van HR 25 september 2020 (schadevergoeding verdachte Haagse metselmoorden)

De Hoge Raad komt tot deze beantwoording aan de hand van een bespreking van de uitspraak van het Europees Hof in de zaak Allen. De Hoge Raad overweegt (na een citaat uit dat arrest):

“2.10 Uit de hiervoor in 2.9 weergegeven rechtspraak van het EHRM volgt niet dat het bepalen van de (aanvullende) schadeplichtigheid van de Staat in een civiele procedure op grond van onrechtmatige overheidsdaad aan de hand van het gebleken onschuld-criterium, als zodanig onverenigbaar is met art. 6 lid 2 EVRM. Waar het blijkens de overwegingen van de Grote Kamer van het EHRM in de zaak Allen tegen het Verenigd Koninkrijk op aankomt is dat, indien de burgerlijke rechter de vordering tot schadevergoeding afwijst omdat niet aan het gebleken onschuld-criterium wordt voldaan, de wijze waarop aan dat criterium toepassing wordt gegeven en de motivering van de beslissing niet in strijd komen met de eisen van art. 6 lid 2 EVRM. Daarbij komt in het bijzonder betekenis toe aan “the nature and context of the proceedings” en “the language used by the decision-maker”.

2.11 Wat betreft de aard en context van de procedure geldt het volgende. De civiele procedure waarin door een gewezen verdachte op grond van onrechtmatige overheidsdaad een schadevergoeding van de Staat wordt gevorderd, voorziet in een mogelijkheid voor de gewezen verdachte om een schadevergoeding te krijgen in aanvulling op de (schade)vergoedingsmogelijkheden die het Wetboek van Strafvordering biedt. Met betrekking tot laatstbedoelde (schade)vergoedingsmogelijkheden, die onder meer betrekking hebben op de door een gewezen verdachte ondergane voorlopige hechtenis, geldt niet het gebleken onschuld-criterium, maar het (ruimere) criterium van de billijkheid. In dit opzicht verschilt het Nederlandse stelsel met de wettelijke regeling in Spanje.

2.12 Voor zover het gaat om de wijze van motivering van de beslissing, volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat indien de verdachte onherroepelijk is vrijgesproken, de instantie die beslist over de vordering tot vergoeding of compensatie zich niet mag verlaten op “suspicions regarding an accused’s innocence” en dat de motivering van de afwijzing van die vordering niet “in substance (…) a determination of the guilt of the former accused” mag inhouden.

Daaraan ligt ten grondslag dat de gronden voor de vrijspraak niet in twijfel mogen worden getrokken door de instantie die beslist over de vordering tot vergoeding of compensatie. Dat betekent dat de bewoordingen waarmee de afwijzing van een vordering tot vergoeding of compensatie gepaard gaat, zorgvuldig dienen te worden gekozen (“the language used by the decision-maker will be of critical importance”) en dat hierin geen zelfstandig oordeel van de instantie die beslist over de vordering tot vergoeding of compensatie, tot uitdrukking mag worden gebracht dat zich niet verhoudt met de uitspraak van de strafrechter die de verdachte onherroepelijk heeft vrijgesproken. Zo is het onder meer niet toegestaan dat deze instantie tot uitdrukking brengt dat, niettegenstaande de beslissing tot vrijspraak, het toch waarschijnlijk is dat de verdachte het strafbare feit heeft begaan, dat het tot een bewezenverklaring had kunnen komen indien een wijziging van de tenlastelegging had plaatsgevonden of dat toereikend belastend bewijsmateriaal voorhanden is. Evenmin is het toegestaan de vordering tot schadevergoeding of compensatie af te wijzen met als motivering dat de gewezen verdachte niet erin is geslaagd de tegen hem gerezen verdenking te ontzenuwen.

2.13 In een geval waarin de verdachte onherroepelijk is vrijgesproken, brengt deze rechtspraak van het EHRM het volgende met zich voor de beoordeling door de burgerlijke rechter of een verplichting tot schadevergoeding bestaat op de grond dat van de onschuld van de gewezen verdachte is gebleken.

De burgerlijke rechter mag in dat geval uitsluitend nagaan of de uitspraak van de strafrechter, waarin de verdachte is vrijgesproken, blijkens de motivering daarvan inhoudt dat de onschuld van de gewezen verdachte is gebleken, dan wel dat uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak de onschuld van de verdachte is gebleken. De burgerlijke rechter mag daarbij niet treden in een (nader) onderzoek naar de gedragingen van de verdachte in verband met het strafbare feit waarop de verdenking betrekking had. Indien de vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen, dient de burgerlijke rechter zich ertoe te beperken tot uitdrukking te brengen dat uit de uitspraak van de strafrechter, of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak, niet blijkt van de onschuld van de gewezen verdachte en het – achteraf bezien – ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte.

Wat betreft de stelplicht en de bewijslast van de gewezen verdachte geldt daarbij het volgende. Art. 6 lid 2 EVRM staat op zich niet eraan in de weg dat de stelplicht en de bewijslast op de gewezen verdachte rust. Van de gewezen verdachte die zich beroept op het gebleken onschuld-criterium, mag door de rechter echter uitsluitend worden verlangd (i) dat de gewezen verdachte voldoende gespecificeerd stelt dat uit de uitspraak van de strafrechter dan wel de overige stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak blijkt van zijn onschuld en (ii) dat hij de desbetreffende stukken uit de strafzaak in het geding brengt.

Met een dergelijke wijze van beoordeling en motivering onthoudt de burgerlijke rechter zich van een eigen, zelfstandige waardering van de (mogelijke) betrokkenheid van de gewezen verdachte bij het tenlastegelegde feit en komt de motivering van een afwijzende beslissing ook niet neer op een de facto schuldigverklaring of verdachtmaking in weerwil van de vrijspraak door de strafrechter van de verdachte. Het op deze manier afwijzen van de vordering tot (aanvullende) schadevergoeding op de grond dat niet is voldaan aan het gebleken onschuld-criterium, is niet in strijd met art. 6 lid 2 EVRM. Art. 6 lid 2 EVRM geeft dus geen aanleiding om het gebleken onschuld-criterium – en daarmee de mogelijkheid om op die grond in specifieke gevallen in aanvulling op de bestaande strafvorderlijke mogelijkheden een (schade)vergoeding aan de gewezen verdachte toe te kennen – ter zijde te stellen.

2.14 In een geval waarin de strafzaak is geëindigd op een andere wijze dan met een vrijspraak, heeft de burgerlijke rechter die moet beoordelen of een verplichting tot schadevergoeding bestaat, meer ruimte voor een eigen beoordeling ten aanzien van de vraag of van de onschuld van de gewezen verdachte is gebleken. In een dergelijk geval is het namelijk niet in strijd met art. 6 lid 2 EVM als de motivering van de burgerlijke rechter tot uitdrukking brengt dat ten aanzien van de gewezen verdachte blijkens de stukken van de strafzaak nog “a state of suspicion” bestaat. Het is echter ook in een dergelijk geval niet toegestaan dat de motivering “in substance (…) a determination of the guilt of the former accused” inhoudt.”

Onrechtmatige overheidsdaad in internationaal verband

In de procedure van de “moeders van Srebrenica” tegen de Nederlandse Staat stelden deze vrouwen en moeders van mannen, die door de Bosnische Serviërs vermoord waren, de Nederlandse Staat aansprakelijk uit onrechtmatige daad voor het optreden van Dutchbat na de val van de enclave Srebrenica, waar Dutchbat onder leiding van de VN deelnam aan een missie om te proberen de oorlog te stoppen en de burgerbevolking te beschermen. Na twee tussentijdse arresten heeft de Hoge Raad in zijn arrest HR 19 juli 2019 (Mothers of Srebrenica/Nederlandse Staat) de Nederlandse Staat aansprakelijk gehouden voor het feit, dat Dutchbat de mannen, die zich op de “mini safe area” bevonden niet de keuze had geboden om daar te blijven. De Hoge Raad heeft de kans, dat hen dat had kunnen beschermen tegen het geweld van – en de moord op hen door – de Bosnische Serviërs echter geschat op 10%. In het licht van afweging van het belang van een mensenleven tegen een juridische begroting van schade op basis van financiele maatstaven komt die afweging cynisch over. Het feit dat de Staat aansprakelijk gehouden is, was echter wellicht voor de nabestaanden wel een morele overwinning, die nog enigszins het gevoel kon geven dat hen recht was gedaan.

De internationale volkenrechtelijke context is complex, zeker als het gaat om een oorlogssituatie, waarin recht en werkelijkheid uit de aard der zaak op gespannen voet met elkaar staan en het recht al snel het onderspit moet delven.

Externe aansprakelijkheid bestuurder van een rechtspersoon

Naast de interne aansprakelijkheid van een bestuurder voor onbehoorlijke taakvervulling (zie de pagina Algemene bepalingen rechtspersoon, art. 2:9 B.W.) en de aansprakelijkheid tegenover de curator op grond van art. 2:248 B.W. kan de bestuurder van een rechtspersoon ook door derden (extern) aansprakelijk gesteld worden voor onbehoorlijk bestuur (zie de pagina Bestuur van de besloten vennootschap).

Ook andere personen die de vennootschap vertegenwoordigen, zoals de commissarissen of zelfs de aandeelhouders van de rechtspersoon, kunnen soms zelf aansprakelijk worden voor handelingen die zij in hun rol als vertegenwoordiger van de rechtspersoon hebben verricht. Daarnaast komt ook de aansprakelijkheid van de feitelijk leidinggevende voor: deze heeft juist niet beoogd op te treden als orgaan van de rechtspersoon, maar blijkt dit in de praktijk wel gedaan te hebben, met aansprakelijkheid tot gevolg. De décharge die aan het bestuur verleend pleegt te worden bij de vaststelling van de jaarstukken van de rechtspersoon ziet op de interne aansprakelijkheid.

Rechtersrecht: verschillende vormen

De uitwerking van de bestuurdersaansprakelijkheid heeft in de afgelopen decennia vooral plaatsgevonden in de jurisprudentie. Uiteraard heeft vooral de Hoge Raad een belangrijke rol in gespeeld in de rubricering van de verschillende vormen van (met name) bestuurdersaansprakelijkheid.

De centrale grondslag van de bestuurdersaansprakelijkheid is de onrechtmatige daad (art. 6:162 B.W.). Daarnaast zijn er diverse andere specifieke grondslagen in de wet te vinden, die als alternatief gebruikt kunnen worden dan wel een specifieke invulling aan de aansprakelijkheid geven.

De Hoge Raad heeft in het arrest HR 8 december 2006 (Ontvanger/Roelofsen) twee grondslagen geformuleerd voor bestuurdersaansprakelijkheid.

(i) Het aangaan van verplichtingen, wetende dat de rechtspersoon deze niet zal kunnen nakomen of
(ii) het frustreren van de nakoming door de rechtspersoon.

In beide gevallen zal de bestuurder een ernstig persoonlijk verwijt gemaakt moeten kunnen worden. Daarnaast is zgn. “selectieve betaling” in het zicht van faillissement een grondslag voor aansprakelijkheid van bestuurders van rechtspersonen.

Aangaan van verbintenissen die (voorzienbaar) niet kunnen worden nagekomen (Beklamel-norm)

Eén van de twee belangrijkste redenen van aansprakelijkheid van bestuurders van een rechtspersoon kan zijn het aangaan van verplichtingen, terwijl voorzienbaar is dat de rechtspersoon deze niet zal kunnen nakomen. De schuldeiser(s) van de rechtspersoon lijden dan schade door het onbetaald blijven van hun vordering(en) op de rechtspersoon. Zoals de naam al doet vermoeden is deze grondslag geformuleerd in het zgn. Beklamel-arrest.

In het arrest HR 21 december 2001 (SOBI/Hurks) werd de bestuurder aansprakelijk gehouden, omdat hij voortging met de onderneming, terwijl al voorzienbaar was dat faillissement onvermijdelijk was. Daardoor werden nieuwe schulden aangegaan. De bestuurder spande zich ondertussen in om de vorderingen op debiteuren te innen, om zo zijn aansprakelijkheid jegens de bank – wegens een persoonlijke borgstelling – te verminderen.

Het opzettelijk frustreren van nakoming

De tweede categorie is de situatie dat de bestuurder de nakoming van de wettelijke of contractuele verplichtingen door de rechtspersoon opzettelijk frustreert, en daarmee de schuldeiser schade berokkent. Die situatie deed zich voor in het arrest van de Hoge Raad van 3 april 1992, NJ 1992,411 (Van Waning/Van der Vliet). Daarbij weigerde de bestuurder Van Waning moedwillig om de rechtspersoon te laten betalen, terwijl de middelen daartoe wel aanwezig waren. Als gevolg werd de bestuurder aansprakelijk gehouden voor deze betalingsonwil. Op dit thema zijn uiteraard allerlei varianten denkbaar. De bestuurder kan bvb. ook verhaalsmogelijkheden wegsluizen, waardoor de situatie kan overlappen met de vordering uit hoofde van de “Pauliana”. Die heeft echter een ander doel: het terugbrengen van de onttrokken verhaalsobjecten.

Selectieve betaling

In het arrest HR 17 januari 2020 (Ingwersen q.q./Kromme Leek c.s.) heeft de Hoge Raad het arrest van het Hof bekrachtigd, waarin dit oordeelde dat een betaling aan een crediteur gedaan door de bestuurder van Source Food B.V. – terwijl het faillissement al was aangevraagd – niet laakbaar was. Het cassatiemiddel (en ook de P-G in diens conclusie bij dit arrest) bepleitte een regel, dat een dergelijke betaling in het zicht van faillissement altijd onrechtmatig is, tenzij er een rechtvaardigingsgrond is voor die specifieke betaling. Dit zou een omkering van de bewijslast betekenen (onrechtmatig, tenzij). De Hoge Raad gaat hierin niet mee. Het uitgangspunt, dat een bestuurder niet aansprakelijk is tenzij hem een persoonlijk ernstig verwijt treft, blijft gelden, zelfs in deze situatie (rechtmatig, tenzij). Het Hof had op grond van de feiten geoordeeld, dat ondanks het feit dat de betaling gedaan werd terwijl de faillissementsaanvraag al was ingediend, deze toch niet aan te merken viel als een persoonlijk aan de bestuurder te verwijten onrechtmatige handeling.

In deze casus had de bestuurder aangevoerd, dat de aanvraag juist was ingediend om de druk te verhogen om tot een oplossing te komen, en de betaling diende om een partij, die daarbij kon helpen (die aan de crediteur gelieerd was) gunstig te stemmen. Helaas had dit drukmiddel uiteindelijk geen succes. Wat niet wegneemt, dat een bestuurder in het algemeen door het (selectief) doen van betalingen, terwijl de aanvraag al is ingediend, eerder in de gevarenzone zal belanden dan wanneer dat nog niet het geval is. Op dat moment moet in beginsel de fixatie van de boedel ingaan. Met name wanneer er betalingen aan gelieerde partijen gedaan worden, of wanneer de bestuurder er zelf belang bij heeft dat die betalingen gedaan worden (zie hierna bvb. het arrest SOBI/Hurks), zal aansprakelijkheid eerder worden aangenomen.

Lees de overwegingen van HR 17 januari 2020 (Ingwersen q.q./Kromme Leek c.s.)

Het Hof had overwogen:

“3.5. Wil een jegens (indirect) bestuurders van een vennootschap op grond van onrechtmatige daad ingestelde vordering kunnen slagen dan is vereist dat hen van het gewraakte handelen (of nalaten) namens de vennootschap persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dit is in het geval van een betaling die heeft plaatsgevonden in het zicht van een (mogelijk) faillissement niet anders.

Kromme Leek c.s. wijzen er terecht op dat een debiteur in beginsel gehouden is om de door hem aangegane financiële verplichtingen na te komen. Mede in het licht daarvan kan niet worden aanvaard dat het enkele feit dat een zodanige nakoming/betaling door de vennootschap plaatsvindt terwijl de handelende (indirect) bestuurder weet dat het faillissement van de vennootschap is aangevraagd reeds meebrengt dat deze zich jegens de overige schuldeisers schuldig maakt aan een onrechtmatige daad. Daartoe zijn bijkomende omstandigheden vereist waarbij met name kan worden gedacht aan een samenspanning tussen de betrokken bestuurder en schuldeiser met als oogmerk deze laatste boven andere schuldeisers te bevoordelen, dan wel een betaling waarbij de bestuurder direct of indirect persoonlijk baat heeft. Van de aanwezigheid van dergelijke bijkomende omstandigheden is in het onderhavige geval onvoldoende gebleken.”

De stelling in cassatie van de curator, dat een bestuurder die betaalt terwijl faillissement al is aangevraagd steeds aansprakelijk is, behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond wijst de Hoge Raad van de hand. De Hoge Raad overweegt:

“3.2 Een bestuurder van een vennootschap is niet persoonlijk aansprakelijk jegens een vennootschapsschuldeiser die is benadeeld wegens het onbetaald en onverhaalbaar blijven van zijn vordering, op de enkele grond dat die bestuurder het faillissement van de vennootschap heeft aangevraagd en daarna heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap een of meer andere schuldeisers heeft betaald met voorrang boven die vennootschapsschuldeiser. De betrokken bestuurder kan ter zake van deze benadeling persoonlijk aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.”

De Hoge Raad vermeldt vervolgens in r.o. 3.3 en 3.4. welke omstandigheden het Hof bij die beoordeling in aanmerking genomen heeft, en concludeert dat het Hof op grond daarvan terecht tot dit oordeel kon komen.

In het arrest HR 12 april 2019 (Ontvanger/bestuurder) had de Ontvanger de bestuurder van een gefailleerde vennootschap aansprakelijk gesteld op grond van art. 36 IW (zie ook de pagina Invorderingswet). Ook in dit geval stelde de Hoge Raad voorop, dat het een bestuurder – ook in zicht van faillissement – vrij staat te bepalen welke vorderingen hij al dan niet voldoet. De bestuurder had al een schikking getroffen met de curator voor EUR 120.000 en werd vervolgens door de Ontvanger aangesproken voor de onbetaalde belastingschuld van de vennootschap.

De maatstaf voor selectieve betaling is door de Hoge Raad eerder al vastgesteld in HR 12 juli 1998 (Coral/Stalt, JOR 1998/107). In die casus had de vennootschap alle vorderingen van crediteuren – inclusief die van zustervennootschappen – betaald, behalve die van één handelscrediteur. Op dat moment wist het bestuur al, dat de vennootschap niet kon voortbestaan, en niet al haar schulden kon voldoen. De moedervennootschap werd hiervoor aansprakelijk gehouden, omdat zij een bepalende rol had bij deze handelwijze. In de zaak Rb. Utrecht 24 maart 2010 (Triple P) past de rechtbank deze leer op een soortgelijke casus toe.

Nadien zijn er verschillende arresten gewezen, waarin bestuurders en/of holdings aansprakelijk gehouden werden voor selectieve betaling. In het arrest HR 24 maart 2010 (Zandvliet/ING) werd de bestuurder van de Standard Groep door ING Bank aansprakelijk gehouden voor selectieve betalingen. De bestuurder had een betaling aan Standard Groep van WNF – voor wervingsacties door haar uitgevoerd t.b.v. van het WNF – aan andere crediteuren betaald – waaronder de 50% aandeelhouder van Standard Groep – terwijl met ING Bank was afgesproken dat dit bedrag aan haar zou toekomen, en zij bovendien pandrecht had op de vordering op WNF. Voor een bespreking van dit arrest zie het op de website van de RU Leiden gepubliceerde artikel van Prof. Bartman in Ars Aequi (februari 2011).

Selectieve betaling: verweer

Bij aansprakelijkstelling op grond van selectieve betaling moet onder meer het verweer gevoerd worden, dat de schade niet gelijk is aan het onttrokken bedrag. Er moet worden vergeleken met de hypothetische situatie, dat de betaling niet zou hebben plaatsgevonden. Daarbij kunnen ook de opeisbare vorderingen, die zijn voorgetrokken, meewegen doordat deze anders nog bestaan hadden en een deel van het onttrokken bedrag mede aan die schuldeiser(s) ten goede had dienen te komen. Dit deel moet dus van de vordering worden afgetrokken.

In de zaak HR 12 april 2019 (Ontvanger/bestuurder) voerde de bestuurder in dit kader nog een interessant verweer: de curator had nagelaten om een verzoek in te dienen tot teruggaaf van VPB wegens verliesverrekening, waardoor de belastingschuld met EUR 60.000 verminderd had kunnen worden. Dit verweer deed niet meer terzake omdat de bestuurder door de Hoge Raad uit zijn aansprakelijkheid werd ontslagen. Wanneer dat niet zo was geweest, zou dit voor de hoogte van de vordering nog wel aan flink verschil kunnen maken.

Aansprakelijkheid van de aandeelhouder

Onder omstandigheden kan ook de aandeelhouder van een besloten vennootschap (of N.V.) bij faillissement van de dochtervennootschap aansprakelijk zijn uit hoofde van onrechtmatige daad, als door diens handelen schuldeisers schade ondervinden.

Onder het oude recht was dit ook al aan de orde in het arrest HR 19 februari 1988 (Albada Jelgersma Holding BV/INZA) (NJ 1988, 487). In deze zaak werd Albada Jelgersma Holding aansprakelijk gehouden voor de onbetaalde leveringen van INZA aan een door Albada Jelgersma Holding overgenomen vennootschap, omdat zij intensieve bemoeienis met die dochtervennootschap had en naliet INZA te waarschuwen – en door liet gaan met bestellingen – terwijl Albada Jelgersma Holding op enig moment wist dat het faillissement onafwendbaar was.

Lees meer over HR 19 februari 1988 (Albada Jelgersma Holding BV/INZA)

Albada Jelgersma Holding had eind augustus 1980 alle aandelen in Wijnalda Kuntz B.V. overgenomen. In verband met de slechte financiële toestand van Wijnalda Kuntz (“WK”) – er was een schuld bij leveranciers van NLG 14 mio – hadden diverse leveranciers op dat moment hun leveranties aan WK gestaakt.

Na de overname liet Albada Jelgersma Holding aan meerdere leveranciers – onder wie niet de in België gevestigde INZA – per brief van 12 september 1980 weten, dat zij garandeerde dat alle leveringen betaald zouden worden. INZA stelde, dat haar deze toezegging ook gedaan was, maar na getuigenverhoren (dat deed men destijds nog) kon zij dit niet aantonen.

INZA stelde meer subsidiair, dat Albada Jelgersma tegenover haar onrechtmatig gehandeld had, doordat zij niet had gewaarschuwd voor de slechte financiële situatie, waardoor INZA was doorgegaan met leveringen. Die stelling werd gehonoreerd. Na de overname bleek Albada Jelgersma gaandeweg, dat WK er veel slechter voor stond dan Albada Jelgersma wist bij overname. Er kwam een claim van de bank van 6 ton en vervolgens bleek bij boekenonderzoek dat er nog een tegenvaller van ruim 3 mio was.

Uiteindelijk ging WK in maart 1981 failliet, en bleven de facturen van INZA onbetaald tot een bedrag van NLG 445.529. Het Hof stelde vast, dat Albada Jelgersma verregaande controle had genomen over de onderneming, door een centraal inkoopbeleid te voeren en een bestuurder uit de groep aan te stellen bij WK. Het feit dat de brief aan leveranciers was verzonden door Albada Jelgersma droeg aan dit beeld van ingrijpende bemoeienis bij.

Albada Jelgersma stelde, dat zij in november de “belangrijkste exponent van handelaren” had geïnformeerd. INZA was daar echter niet bij aangesloten en kreeg die informatie niet. Zij leverde nadien nog voor NLG 138.525 aan WK. Het Hof verweet Albada Jelgersma dan ook – mede gezien haar intensieve bemoeienis met WK – onrechtmatig te hebben gehandeld, door INZA niet te informeren. Het Hof veroordeelde Albada Jelgersma om aan INZA het bedrag van de leveringen vanaf het moment waarop INZA ingelicht had moeten worden te vergoeden. De Hoge Raad bekrachtigde dit arrest.

Enigszins vergelijkbaar met deze casus is de veroordeling van de moedermaatschappij Hanzevast Beleggingen in het arrest HR 24-03-2017, NJ 2017, 149 (Hanzevast/Ontwikkelingsmij G4). Het betrof hier een koopovereenkomst voor onroerend goed tussen projectontwikkelaar G4 en Hanzevast III, dochter van Hanzevast Beleggingen. Toen Hanzevast III de koopovereenkomst ten onrechte ontbond wegens gestelde niet-nakoming door G4, vorderde G4 niet alleen betaling van de schade van Hanzevast III, maar – in haar hoedanigheid van bestuurder van Hanzevast III – ook van moedermaatschappij Hanzevast Beleggingen. Die vordering werd toegewezen.

Lees meer over HR 24 maart 2017 (Hanzevast/G4)

De Hoge Raad overwoog – met verwijzing naar de maatstaven uit het standaard arrest voor bestuurdersaansprakelijkheid Ontvanger/Roelofsen – als volgt:

“3.3.2 Het hof heeft de vraag of Hanzevast Beleggingen aansprakelijk is, beoordeeld aan de hand van de maatstaf uit HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659 (Ontvanger/Roelofsen). Daartegen komt het middel op zichzelf niet op, zodat dit in cassatie tot uitgangspunt dient.

Voor zijn oordeel dat Hanzevast Beleggingen als bestuurder van Hanzevast III persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en daarom aansprakelijk is, heeft het hof blijkens rov. 3.19-3.21 het volgende in aanmerking genomen.

Hanzevast Beleggingen heeft, namens de daartoe speciaal door haar opgerichte lege projectvennootschap Hanzevast III, de onderhandelingen met G4 c.s. gevoerd en de koopovereenkomst ondertekend. Ingevolge de koopovereenkomst tussen Hanzevast III en G4 mocht laatstgenoemde ervan uitgaan dat Hanzevast Beleggingen ervoor zou zorgdragen dat Hanzevast III van voldoende financiële middelen zou worden voorzien om op het moment van levering van de kantoorruimte de koopsom te kunnen voldoen. Ook Hanzevast Beleggingen was zich ervan bewust dat G4 daarvan uitging en om die reden geen zekerheden had bedongen. Het zou onrechtmatig tegenover G4 zijn geweest indien Hanzevast Beleggingen op het moment van levering van de kantoorruimte niet ervoor zou hebben zorggedragen dat Hanzevast III van voldoende financiële middelen zou zijn voorzien om de koopsom te voldoen. Naar het oordeel van het hof is van onrechtmatigheid eveneens sprake in het onderhavige geval, waarin Hanzevast Beleggingen als bestuurder van Hanzevast III de ontbinding van de koopovereenkomst op onjuiste gronden heeft ingeroepen, daaruit een schadevordering van G4 jegens Hanzevast III is voortgevloeid en Hanzevast Beleggingen nalaat ervoor zorg te dragen dat Hanzevast III van voldoende financiële middelen is voorzien om die schadevordering te kunnen voldoen.

Door op grond van de hiervoor weergegeven, in onderlinge samenhang te beschouwen omstandigheden en overwegingen te oordelen dat Hanzevast Beleggingen als bestuurder van Hanzevast III aansprakelijk is jegens G4 omdat haar persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van haar handelen, heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. In zijn oordeel ligt besloten dat Hanzevast Beleggingen heeft bewerkstelligd of toegelaten dat Hanzevast III haar verplichtingen jegens G4 niet kon nakomen, terwijl Hanzevast Beleggingen wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat Hanzevast III geen verhaal zou bieden voor de schadevordering van G4 doordat Hanzevast Beleggingen niet ervoor heeft zorggedragen dat Hanzevast III van financiële middelen is voorzien. Het oordeel van het hof kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder op juistheid worden onderzocht; het is ook niet onbegrijpelijk.”

Afgeleide schade aandeelhouder

Volgens vaste rechtspraak geldt, dat indien een derde aan een naamloze of besloten vennootschap vermogensschade toebrengt door een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een contractuele verplichting jegens de vennootschap of door gedragingen die jegens de vennootschap onrechtmatig zijn, alleen de vennootschap een vordering heeft tot vergoeding van deze schade.

Aan de aandeelhouder(s) in de vennootschap komt in beginsel niet een vordering toe tot vergoeding van schade bestaande in vermindering van de waarde van hun aandelen of gemiste koerswinst die het gevolg is van de vorenbedoelde tekortkoming of onrechtmatige gedraging jegens de vennootschap (zogeheten afgeleide schade).

A-G Hartkamp overweegt in zijn conclusie met betrekking tot de coöperatie bij het arrest HR 13 oktober 2000 (leden Coberco/ex-bestuurder, NJ 2000 699):

“Ook voor de coöperatieve vereniging geldt, dunkt mij, het uitgangspunt van het arrest Poot/ABP dat, nu het gaat om een rechtspersoon die zelfstandig, als drager van eigen rechten en verplichtingen, aan het rechtsverkeer deel neemt en een van dat van zijn leden afgescheiden vermogen heeft, in beginsel alleen de coöperatieve vereniging kan optreden tegen derden die onrechtmatig jegens haar handelen en haar daardoor schade berokkenen. Hetgeen ik in de conclusie voor het arrest Poot/ABP (onder 9) opmerkte, geldt mutatis mutandis ook hier. Uitzonderingen zijn echter denkbaar, zoals dat ook in het vennootschapsrecht het geval is.”

Dit uitgangspunt lijdt alleen uitzondering Op deze regel kan een uitzondering worden gemaakt indien sprake is van een gedraging die specifiek onzorgvuldig is jegens de aandeelhouder. Zie onder meer HR 2 december 1994 (r.o. 3.4.3, Poot/ABP, NJ 1995, 288 ), HR 2 mei 1997, NJ 1997, 662 m.nt. Ma. (Kip en Sloetjes/Rabo Winterswijk) en HR 15 juni 2001 (r.o. 3.4.2, Chipshol / Coopers & Lybrand, NJ 2001/573). Het lijkt alsof de Hoge Raad in zijn arrest van 12 oktober 2018 (Holding/Gemeente Gilze Rijen), waarin bovenstaande uitgangspunten herhaal worden, meer ruimte biedt om te onderzoeken of de holding toch ook eigen schade geleden heeft. Maar misschien is dit slechts optisch.

Rechtspraak

Aansprakelijkheid makelaar

HR 13 juli 2018 aansprakelijkheid verkopend makelaar jegens koper voor juistheid metrage in brochure.

Aansprakelijkheid accountant

Hof Den Bosch d.d. 28 januari 2004 (ABAB/Calzaturificio c.s.) – aansprakelijkheid accountant voor verkeerde advisering (bekrachtigd door HR);

Aansprakelijkheid notaris

Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 30 juli 2013 – zorgplicht notaris (bekrachtigd door Hoge Raad art. 81 RO zie ook conclusie PG 27-11-2015).

Bestuurdersaansprakelijkheid

Hof Amsterdam 27 februari 2018 – persoonlijk ernstig verwijt bestuurder stichting

 HR 24-03-2017, NJ 2017, 149 (Hanzevast/Ontwikkelingsmij G4 – Aansprakelijkheid bestuurder tevens aandeelhouder voor het niet fourneren van de gelden om de schade te vergoeden, waar bij doorgaan van de transactie het tussen partijen in confesso was dat de holding de koopsom aan haar dochter zou fourneren.

HR 17 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:275 Fruitexporteur)

HR 5 september 2014 (CRI Financial Services/Kastrop) – geen voorzienbaarheid schade; hoge drempel voor aansprakelijkheid

HR 23 mei 2014 (Kok/Maas q.q.) (NJ 2014, 325) – de indirecte bestuurder kan rechtstreeks worden aangesproken op de voet van art. 2:11 B.W., zonder dat de bestuurder zelf in rechte betrokken wordt; evt. betalingen (incl. verrekening) door de bestuurder strekken in mindering omdat er sprake is van een hoofdelijke aansprakelijkheid (art. 6:7 lid 2 B.W.), ook als deze geen partij is in de procedure.

HR 20 juni 2008 (NOM Ontwikkelingsmaatschappij, NJ 2009, 21)

HR 8 december 2006 (Ontvanger/Roelofsen) – maatstaf voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder is dat er sprake is van:
(i) Het aangaan van verplichtingen, wetende dat de rechtspersoon deze niet zal kunnen nakomen of
(ii) het frustreren van de nakoming door de rechtspersoon. In beide gevallen zal de bestuurder een ernstig persoonlijk verwijt gemaakt moeten kunnen worden.

Staleman/Van de Ven HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360

Beklamel-arrest HR 6 oktober 1989, NJ 1990, 286 ECLI:NL:HR:1989:AB9521

Van Waning/Van der Vliet HR 3 april 1992, NJ 1992, 411

Schade van de aandeelhouder

HR 12 oktober 2018 (Holding/Gem. Gilze Rijen) – Hoge Raad herhaalt de uitgangspunten van ABP/Poot en Rabobank/Kip & Sloetjes, maar oordeelt dat het Hof onvoldoende heeft onderzocht of de Holding niet toch een eigen schade heeft geleden. Meer ruimte voor de uitzondering?

Auteur & Last edit

[MdV, 21-09-2017, laatste bewerking 7-12-2020]

0 stemmen, gemiddeld: 0,00 van de 50 stemmen, gemiddeld: 0,00 van de 50 stemmen, gemiddeld: 0,00 van de 50 stemmen, gemiddeld: 0,00 van de 50 stemmen, gemiddeld: 0,00 van de 5 (0 votes, average: 0,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.