Algemene bepalingen bewijsrecht (Par. 1, Afd. 9, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Inleiding algemene bepalingen bewijsrecht

Het bewijsrecht is geregeld in afdeling 9, Titel 2, Boek 1 Rv. (niet-digitaal). Deze afdeling is ingedeeld in 8 paragrafen. Par. 1 bevat 7 algemene bepalingen van bewijsrecht (art. 149 Rv. tot en met art. 155 Rv.).

Deze afdeling bevat enkele belangrijke grondbeginselen van het proces- en bewijsrecht. In procedures die met een verzoekschrift worden ingeleid, zijn de bepalingen van het bewijsrecht van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak zich daartegen verzet (art. 284 lid 1 Rv in eerste aanleg, art. 361 Rv in hoger beroep). Aldus ook de Hoge Raad in HR 23 december 2016 (Mediant), r.o. 3.15.

Volgens de Hoge Raad is voor bewijs in het burgerlijk procesrecht niet altijd vereist, dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan. Soms kan worden volstaan met de vaststelling door de rechter, dat deze voldoende aannemelijk zijn geworden. Feiten kunnen soms niet onomstotelijk worden bewezen, en de juistheid daarvan kan dan door de rechter uit de stellingen van een partij en wel aangetoonde feiten worden afgeleid.

Zie voor het verschil tussen aannemelijk maken en bewijzen ook het heldere artikel van de cassatie-advocaat mr. J.W. Alt in het Advocatenblad van 31 mei 2018.

Wetswijziging Modernisering bewijsrecht

Op dit moment is er een wetsvoorstel tot modernisering van het bewijsrecht in behandeling in de Tweede Kamer. Zie hierover meer de hoofdpagina Bewijs.

NB de links naar wetten overheid op deze pagina zijn naar de NIET-DIGITALE versie van Rv.. Voor de versie van het wetboek voor digitale procedures klik hier.

Rechter is beperkt tot stellingen van partijen

Een kernbeginsel van het bewijs- en procesrecht is neergelegd in art. 149 lid 1 Rv.: De rechter mag zijn oordeel uitsluitend baseren op feiten en rechten die hem in het geding ter kennis gekomen zijn. Hij mag dus niet zelf feiten of (subjectieve) rechten aanvullen, die niet – in beginsel dus door de procespartijen – zijn aangevoerd. Dit tenzij uit de wet anders voortvloeit. Zie ook het bepaalde in art. 23 Rv. tot en met art. 26 Rv. (behandeld op de pagina Algemene beginselen procedures).

Bovendien mag de rechter zich alleen baseren op feiten en rechten, die overeenkomstig de voorschriften van deze afdeling zijn komen vast te staan. Zie naast onderstaande artikelsgewijze uitleg ook het blog Tips & Tricks van een rechter in ruste voor een leidraad hoe in een processtuk moet worden voldaan aan de stelplicht en de daaraan verbonden bewijsplicht.

Feiten die van algemene bekendheid zijn mag de rechter in zijn oordeel betrekken, ook als partijen zich daar niet op hebben beroepen (lid 2). De rechter mag wel de rechtsgronden aanvullen (art. 25 Rv.).

Onvoldoende weersproken feiten en stellingen

Feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist, moet de rechter als vaststaand beschouwen (art. 149 lid 1, 2e volzin Rv.).

De rechter mag echter bewijs te verlangen, wanneer aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat.

De rechter ‘sorteert’ de relevante stellingen in onvoldoende weersproken en wel voldoende weersproken (daarbij nummeren rechters deze vaak, als hulpmiddel bij de beslissing en het schrijven van het vonnis). Worden stellingen wel weersproken, dan gaat de rechter na, of die betwisting ook onderbouwd is en of daarbij een voldoende gespecificeerd en terzake doend (tegen)bewijsaanbod is gedaan. Zo niet, dan kan de rechter die betwisting alsnog naast zich neerleggen.

Het is dus zeer belangrijk er voor te zorgen – zeker als gedaagde – om alle stellingen van de andere partij – en bij voorkeur voldoende gemotiveerd – te weerspreken.

Wie stelt moet bewijzen

Een zeer belangrijke regel in het bewijsrecht is art. 150 Rv., die in de wandelgangen doorgaat onder het motto “wie stelt moet bewijzen”. De partij die zich op (i) bepaalde rechtens relevante feiten of (ii) het bestaan van bepaalde rechten beroept, draagt de bewijslast daarvan. Alleen wanneer de wet een bijzondere regel geeft die van deze hoofdregel afwijkt, kan een omkering gelden. Zoals het wettelijke bewijsvermoeden van art. 42 Fw., art. 1:141 lid 3 B.W. en art. 2:248 B.W..

Bewijs, tegenbewijs, verzwaarde stelplicht en omkeringsregel

Op grond van art. 150 Rv. is de hoofdregel in het bewijsrecht, dat degeen die zich op bepaalde (rechts)feiten beroept, die feiten zal moeten stellen en tevens zal moeten bewijzen. Wanneer de eisende partij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden, zal de rechter hem op grond van  art. 166 lid 1 Rv. tot getuigenbewijs moeten toelaten. In dit bewijsaanbod hoeven (nog) niet exact alle getuigen en wat zij kunnen verklaren te worden genoemd. Het is echter altijd beter een bewijsaanbod zoveel mogelijk te concretiseren, en met name ten aanzien van welke stelling die getuigen kunnen verklaren. Zie hierover nader de pagina Getuigenbewijs.

De wederpartij kan die stellingen (en bewijsmiddelen) weerleggen door die te weerspreken en waar nodig zgn. tegenbewijs te leveren. Daaraan worden géén hoge eisen gesteld: de gedaagde hoeft slechts (i) te weerspreken en (ii) eventueel aannemelijk te maken dat de door de eiser aangevoerde bewijzen het gestelde niet aantonen. De bewijslast blijft steeds op de eisende partij rusten.

De conclusie van de P-G PHR 26 juni 2020 (Erven Franz Koenigs/Museum Boymans Van Beuningen) is verhelderend voor de logische juridische argumentatie, die komt kijken bij de beoordeling van de toe te passen systematiek voor stellen en bewijzen. Van belang is allereerst de vraag: wat is precies de stelling van de eisende partij? Die stelling moet de eiser bewijzen. De gedaagde kan volstaan met een aannemelijke weerlegging. De P-G duidt dit aan met het verschil tussen “nee, want” en “ja, maar”. Als de verweerder met een “ja, maar” verweer komt, dan verspringt de bewijsplicht naar de kant van de verweerder, zo kun je uit die uitleg van de P-G afleiden.

Lees meer over de conclusie PHR 26 juni 2020 (Erven Franz Koenig/Museum Boymans Van Beuningen)

De casuspositie was als volgt. Franz Koenig was een kunstverzamelaar, die een verzameling schilderijen en tekeningen aan het museum Boymans in Rotterdam in bruikleen had gegeven. Destijds was de naam van Van Beuningen – die in deze casus wel een rol speelt – nog geen onderdeel van de naam van het museum. Het museum was een gemeentelijk museum van de gemeente Rotterdam, en viel onder een “Dienst” van de gemeente. Later is dit verzelfstandigd en is het museum en de collectie ondergebracht in een stichting, in deze procedure één van de verweerders naast de gemeente.

Franz Koenig was in 1935 een krediet aangegaan bij de Joodse bank Lisser & Rosenkranz, en had daarbij de collectie schilderijen en tekeningen, die in bruikleen waren gegeven aan museum Boymans onder de noemer ‘Collectie Koenig”, aan de bank in onderpand gegeven tot zekerheid. Destijds vond dit plaats door zgn. “fiduciaire eigendomsoverdracht”, waarbij het onderpand in eigendom onder ontbindende voorwaarde van betaling van het krediet overging naar de bank. In 1992 is deze vorm van onderpand bij invoering van het nieuwe B.W. vervangen door het stil pandrecht (zie de pagina Pandrecht).

Omdat de directie van bank Lisser & Rosenkranz voorzag, dat het de verkeerde kant op ging besloot zij op 2 april 1940 om de bank te liquideren (naar valt aan te nemen om vervolgens een veilig heenkomen te zoeken). Daarom sprak zij met Koenigs af, dat deze zijn krediet afloste door overdracht van de collectie bij wijze van betaling van het krediet. In de procedure werd een brief van Koenigs aan het museum als bewijsstuk aangevoerd, waarin Koenigs het museum laat weten de collectie aan de bank ter betaling te hebben overgedragen, zodat de – volgens die brief – overeenkomst van bruikleen van Koenigs met het museum eindigde.

Je zou ook kunnen denken: de bruikleen eindigde door deze ‘traditio longa manu’ (zie de pagina Verkrijging en verlies van goederen) niet, maar doordat de bank eigenaar was geworden kon deze de bruikleen wel opzeggen. Zie ook de pagina Bruikleen.

Vervolgens liet de bank aan het museum weten dat zij de collectie opeiste. Het museum trad – op initiatief van Koenigs mede met bemiddeling van de eveneens Joodse kunsthandelaar Goudstikker – in onderhandeling met de bank, wat leidde tot verkoop van de Collectie Koenigs aan de heer D.G. van Beuningen. Deze verkocht een deel aan Dr. Hans Posse, die destijds in opdracht van Adolf Hitler kunst aankocht ten behoeve van het op te richten Führermuseum te Linz. De overige werken schonk Van Beuningen aan de Stichting Boijmans. Daarmee werd de Collectie Koenigs ervoor behoed ‘roofkunst’ te worden.

De erfgenamen van Koenigs vorderden een verklaring voor recht dat zij krachtens erfrecht eigenaren van de ‘Collectie Koenigs’ (althans van een aantal boeken met tekeningen) waren geworden, doordat Koenigs de eigendom niet had verloren. Rechtbank en Hof wezen die vordering af, omdat uit de hiervoor beschreven gang van zaken bleek, dat Koenigs de collectie tekeningen had overgedragen aan de bank. De Erven klaagden in cassatie, dat rechtbank en Hof hiermee hadden miskend dat het aan het museum was om te stellen en te bewijzen, dat zij de eigendom hadden verkregen.

De P-G legt aan de hand van de vergelijking tussen “nee, want” (weerlegging van de stelling van de eiser, die deze stelling moet bewijzen) en “ja, maar” (erkenning van de stelling van de eiser, met een tegenstelling op grond waarvan de verweerder toch in het gelijk gesteld wordt; de verweerder moet die stelling dan bewijzen). Het museum hoefde niet te bewijzen, dat zij eigenaar was geworden (en hoe dan), zij kon volstaan met de weerlegging van de stelling van de eisers, dat Koenigs eigenaar van de collectie was gebleven. In de redenering dus een schakel eerder.

De Erven proberen er wat anders van te maken, door te stellen dat de bruikleenovereenkomst niet was geëindigd, en het museum moet bewijzen dat die wel is geëindigd. Dat is echter niet juist: het gaat erom of Koenigs nog eigenaar was. En uit de stukken bleek, dat dit niet het geval was (waarbij enige deductie nodig was omdat de bijlage bij de akte van overdracht ontbrak). De bewijslast lag dus bij de Erven.

Het ingewikkelde ping-pong spel van stelplicht en bewijsplicht tussen de bruikleengever en de bruiklener, in de situatie waarin de bruikleengever de in bruikleen gegeven zaken weer opeist, wordt door de P-G uiteengezet in overweging 4.17. De bewijsvermoedens omtrent bezit en houderschap werken hier dus in het voordeel van de – niet in deze procedure betrokken – derde (de bank), waardoor de bewijslast ondanks het “ja, maar” verweer van museum Boymans toch niet op haar is komen te rusten.

Soms worden er echter hogere eisen gesteld aan het tegenbewijs van de verwerende partij. Men spreekt dan wel van een “verzwaarde bewijsplicht“. In een aantal specifieke gevallen vindt zelfs omkering van de bewijslast plaats. Bij een wettelijk bewijsvermoeden gaat de wet er ten gunste van de eisende partij van uit, dat een bepaald rechtsfeit vaststaat, maar de verwerende partij mag bewijzen dat dit niet zo is. Zo kan bij de aansprakelijk gestelde bestuurder tegen het wettelijk bewijsvermoeden van art. 2:248 B.W. aantonen (althans voldoende aannemelijk maken), dat het faillissement niet de oorzaak is van het door de wet aangenomen onbehoorlijk bestuur. De bestuurder kan dus het causaal verband door middel van bewijsmiddelen ontzenuwen. Hij voert dan bewijs aan, dat ook als hij wel behoorlijk bestuurd had, het faillissement van de vennootschap evengoed zou zijn uitgesproken.

Nadere bewijslevering tegen tegenbewijs

De situatie kan zich voordoen, dat de eisende partij zijn stellingen met bewijsmiddelen heeft onderbouwd, en de rechter die feiten voorshands aanneemt. De verwerende partij kan dan tegenbewijs leveren. De eisende partij moet dan wel opletten, dat hij – indien nodig – nader bewijs levert waarmee dit tegenbewijs weer wordt ontzenuwd. Laat hij dit na, dan hoeft de rechter hem niet opnieuw de gelegenheid te bieden om dit nadere bewijs te leveren ter weerlegging van het geleverde tegenbewijs. Alleen wanneer er na het eerdere bewijsaanbod nieuwe feiten aan het licht zijn getreden kan dit uitzondering lijden. Zie in dit verband HR 26 april 2013 (Bruscom) (r.o. 3.8).

Bewijsaanbod in het huidige procesrecht

In het huidige procesrecht kan een partij niet volstaan met een feit of recht te stellen en een bewijsaanbod te doen: alle bewijsmiddelen, die strekken om dit feit of dit recht te bewijzen, moeten direct door de partij die zich daarop beroept in het geding gebracht worden. Dit opdat de procedure snel en efficiënt verloopt. De partij die dit verzuimt, kan daardoor de kans mislopen dit op een later tijdstip alsnog te mogen doen. Het is dus niet verstandig bewijs “achter te houden” met de bedoeling dit op een later moment in de procedure in te brengen. Voor 2002 werd deze strategie nog wel eens toegepast, en was er meer speelruimte.

De regel “wie stelt moet bewijzen” geldt niet voor iedere stelling, en is dus in feite te summier. Wanneer de eiser iets gesteld heeft, en de gedaagde dit betwist, dan stelt de gedaagde dus ook iets, maar het is niet primair aan de gedaagde om de betwisting te bewijzen. Natuurlijk kan het wel handig zijn om een bewijsstuk, waaruit blijkt dat de stellingen waarop de eisende partij zijn vordering baseert onjuist is, direct in het geding te brengen. Partijen moeten immers zoveel mogelijk inzicht geven in de voor de procedure relevante informatie. Zie ook de pagina Algemene beginselen procedures inzake de waarheidsvinding van art. 21 Rv..

Omkeringsregel

In sommige gevallen kan ook zonder dat daarvoor een specifieke wettelijke bepaling gegeven is de zgn. omkeringsregel worden toegepast. In het arrest HR 2 juni 2017 (Stichting Free Press Unlimited) geeft de Hoge Raad weer, wat de omkeringsregel inhoudt, met verwijzing naar eerdere rechtspraak (r.o. 3.4.2):

“Ingevolge vaste rechtspraak strekt de omkeringsregel ertoe dat in bepaalde gevallen een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel van art. 150 Rv in dier voege dat het bestaan van causaal verband … tussen een onrechtmatige daad of tekortkoming en het ontstaan van de schade wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken bewijst – waarvoor in het kader van het hier te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk maakt – dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan.

Voor toepassing van deze regel is vereist dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt. (Zie, met verwijzingen naar eerdere rechtspraak, HR 23 november 2012, NJ 2012/669).

De klacht stuit reeds af op het gegeven dat niet is komen vast te staan dat de vermeende normschending ertoe heeft geleid dat het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogde te bieden – gevaar voor vervolging – zich heeft verwezenlijkt.”

De Hoge Raad verwijst in het arrest uit 2012 weer naar HR 19 december 2008, NJ 2009/28 (gelaedeerde weggebruiker/Gemeente Heerlen). De Hoge Raad licht in dat arrest de werking van de omkeringsregel toe aan de hand van de concrete casus inzake de aansprakelijkheid van de wegbeheerder.

Lees de overwegingen van HR 19 december 2008 (gelaedeerde weggebruiker/Gemeente Heerlen)

3.4 In deze regel ligt besloten dat, wanneer partijen erover strijden of is voldaan aan de voorwaarden voor toepasselijkheid daarvan, de rechter in beginsel steeds mede de aan de vordering ten grondslag gelegde normschending moet beoordelen. De inhoud en strekking van de geschonden norm zijn immers van belang om vast te stellen tegen welk specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade zij bescherming biedt. Dit laatste is weer van belang voor hetgeen de benadeelde dient aan te voeren om aannemelijk te maken dat in het concrete geval het specifieke gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt.

3.5 De rechtbank heeft geoordeeld, kort gezegd, dat de weg, door de aanwezigheid van de richel ter plaatse en het ontbreken van een voldoende duidelijke waarschuwing daarvoor, niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen en daardoor met name voor fietsers die over de Heesbergstraat naar beneden reden, gevaar opleverde als bedoeld in art. 6:174 BW. De rechtbank doelde hiermee kennelijk op het gevaar dat die fietsers de richel te laat of zelfs in het geheel niet zouden opmerken en, door onverhoeds ertegenaan te rijden, de macht over het stuur zouden verliezen en ten val zouden komen. Omdat het hof de tegen dit oordeel van de rechtbank gerichte grief onbehandeld heeft gelaten, dient in cassatie veronderstellenderwijze van dat oordeel te worden uitgegaan.

3.6 De aan art. 6:174 BW ten grondslag liggende zorgplicht van de beheerder van openbare wegen strekt met name ter bescherming van de veiligheid van de gebruikers daarvan. De beschermingsomvang van verkeers- en veiligheidsnormen moet ruim worden uitgelegd.

3.7 Indien een openbare weg niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, zodat de wegbeheerder op de voet van art. 6:174 aansprakelijk is tegenover degene die daardoor schade heeft geleden, zal hij die stelt als gevolg van een ongeval op die weg schade te hebben geleden en ten aanzien van het causaal verband tussen dat ongeval en de gevaarlijke toestand van de weg een beroep doet op de omkeringsregel, omtrent de toedracht van het ongeval feiten dienen te stellen en zonodig aannemelijk te maken waaruit volgt dat een bepaald, uit die toestand voortvloeiend gevaar zich heeft verwezenlijkt, zonder dat nodig is dat hij ook de precieze toedracht van het ongeval aannemelijk maakt. In gevallen als het onderhavige wordt hij immers tegen het bewijsrisico dat is verbonden aan de dienaangaande bestaande onzekerheid, nu juist beschermd door de omkeringsregel.”

De Hoge Raad verwijst in het arrest uit 2008 weer naar een ouder arrest: HR 29 november 2002 (Transport Ferry Service/NS). In dat arrest heeft de Hoge Raad de omkeringsregel nader verduidelijkt, en uitgelegd dat deze uitzondering op de hoofdregel van art. 150 Rv. berust op de redelijkheid en billijkheid.

Lees de nadere uitleg van de omkeringsregel in HR 29 november 2002

“Deze met de “omkeringsregel” aangeduide rechtspraak behoeft, blijkens daarover in de doctrine gerezen vragen, verduidelijking. Ter toelichting en uitwerking van deze regel waarvan de toepassing niet is beperkt tot een duidelijk afgebakende groep van gevallen, diene het volgende.

(i) In de vorenvermelde rechtspraak wordt tot uitdrukking gebracht dat in de daarin bedoelde gevallen op grond van een bijzondere, uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende regel, een uitzondering dient te worden gemaakt op de hoofdregel van art. 150 Rv. (art. 177 oud) in dier voege dat het bestaan van causaal verband (in de zin van: conditio sine qua non-verband) tussen de onrechtmatige gedraging of tekortkoming en het ontstaan van de schade wordt aangenomen tenzij degene die wordt aangesproken, bewijst – waarvoor in het kader van het hier te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk maakt – dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan.

(ii) Voor het maken van de in (i) bedoelde uitzondering is alleen plaats als het gaat om schending van een norm die ertoe strekt een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade bij een ander te voorkomen en als dit gevaar door de normschending in het algemeen aanmerkelijk wordt vergroot.

(iii) In dat geval is het immers, gelet op de bescherming die een dergelijke norm beoogt te bieden, redelijk, behoudens tegenbewijs, ervan uit te gaan dat, als het specifieke gevaar waartegen de norm beoogt te beschermen, zich heeft verwezenlijkt, zulks een gevolg moet zijn geweest van deze normschending.

Voor de toepassing van voormelde regel is dus blijkens het vorenstaande vereist dat is komen vast te staan dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt.

Opmerking verdient nog dat het hier bedoelde vermoeden zich niet zonder meer uitstrekt tot de omvang van de schade die in beginsel door de benadeelde moet worden aangetoond of aannemelijk gemaakt.”

De Hoge Raad geeft hierbij weer een rijtje eerdere arresten: HR 19 januari 2001, nr. C99/093, NJ 2001, 524; HR 2 maart 2001, nr. C99/089, NJ 2001, 649; HR 23 november 2001, nr. C99/259, NJ 2002, 386; HR 23 november 2001, nr. C00/069, NJ 2002, 387.

Dwingend bewijs

In art. 151 lid 1 Rv. wordt het begrip “dwingend bewijs” geïntroduceerd. De rechter is gehouden bewijs dat te kwalificeren is als “dwingend bewijs” als waar aan te nemen. Partijen bij een rechtsverhouding kunnen overeenkomen, dat bepaalde feiten tussen hen als dwingend bewijs hebben te gelden. De rechter is dan aan die feiten gebonden, behoudens tegenbewijs.

Een voorbeeld van een dergelijke partij-afspraak is art. 11 van de Algemene Bankvoorwaarden. In de zaak Rb. Utrecht 14 mei 2008 (Rabobank/BOAS) wijst de rechtbank (r.o. 4.5) de stelling van BOAS – die het bestaan van de vordering van de bank betwist – van de hand op basis van deze bepaling. BOAS mocht wel tegenbewijs leveren, maar had verzuimd dit aan te bieden.

Tegenbewijs

Zoals uit het hierboven geciteerde vonnis Rabobank/BOAS naar voren komt, mag de wederpartij tegen dwingend bewijs wel tegenbewijs leveren (art. 151 lid 2 Rv.).

Bewijs met alle middelen

Art. 152 lid 1 Rv. bepaalt, dat bewijs mag worden geleverd “met alle middelen”. Die zinsnede zien we dan ook vaak in processtukken staan bij het bewijsaanbod: “Biedt aan zijn/haar stellingen te bewijzen, met alle middelen rechtens”. Het is zoals hiervoor opgemerkt echter raadzaam, om alle reeds beschikbare bewijsmiddelen in het geding te brengen.

Gebruik van produkties in een procedure

Dat kan door het overleggen van schriftelijke bewijsstukken (die worden in de praktijk aangeduid als “produkties”). Naarmate de digitale communicatie meer de norm is geworden, worden emails en Whatsapp berichten steeds vaker in procedures (in geprinte vorm) in het geding gebracht en door de rechter aanvaard als bewijs. Of, als het geen schriftelijk bewijs is maar bvb. een geluidsdrager, die ter griffie van het gerecht in kwestie te deponeren (en dit in het processtuk te vermelden). Als het getuigenbewijs betreft, dan kan evt. alvast een minder formele schriftelijke verklaring in het geding gebracht worden.

Belangrijk is om in het processtuk zo concreet mogelijk aan te geven, welke passage daaruit relevant is als bewijs van een stelling omtrent feiten en rechten. Eventueel ook nog met een citaat in het processtuk van die passage uit de daarbij gevoegde produktie. Van de rechter mag niet verwacht worden, dat die een stapel produkties overhandigd krijgt en daaruit zelf moet gaan selecteren, wat tot bewijs van de stellingen van die procespartij kan dienen. Wanneer de rechter dat zou doen, dan zou deze daarmee in strijd handelen met het procesrecht. De rechter kan in die situatie het bewijs passeren, omdat niet duidelijk is welke passage daaruit tot bewijs van de stellingen van die procespartij dient.

In het arrest HR 10 maart 2017 (geen beroepsfout cassatie-advocaat) onderstreept de Hoge Raad dit nog eens. De Hoge Raad overweegt (r.o. 3.3.2):

“De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (vgl. HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729, NJ 1992/814 en HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810, NJ 1999/342). De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept (vgl. HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1176, NJ 1994/686).”

Verder is het verstandig naast dit algemene bewijsaanbod in concreto specifieke stellingen te noemen, waarvan bewijs wordt aangeboden, met eventueel de wijze waarop. Dus bvb. “biedt in het bijzonder bewijs aan van de gestelde bruikleen door het doen horen van de getuige Pietje Puk, wonende te etc.”.

Daarbij wordt vaak ook iets vermeld als “onder protest van gehoudenheid” of “voorzover hij tot het leveren van dit bewijs gehouden is”. Dit is een soort bezwering om te voorkomen, dat de rechter een bewijsopdracht geeft terzake van stellingen, waarvan de bewijslast in principe op de andere partij ligt. In de regel zal de rechter de regels van verdeling van de bewijslast wel juist toepassen zodat die formule enigszins overbodig is.

Onrechtmatig verkregen bewijs

In civiele procedures is het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs minder problematisch dan in het strafrecht. De rechter zal in civiele zaken ook acht (kunnen) slaan op dergelijk bewijs, dat op onrechtmatige wijze in het bezit van degeen is gekomen die dat bewijs ter staving van zijn stellingen wil gebruiken.

Het is een advocaat ook niet verbonden om onrechtmatig bewijs te gebruiken: daarmee handelt hij of zij op zichzelf nog niet klachtwaardig. Aldus ook Raad van Discipline ‘s-Gravenhage, 22 februari 2021.

Waardering van het bewijs is aan de rechter

Het staat de feitenrechter in beginsel vrij om het bewijs te wegen op de wijze die de rechter goed dunkt (art. 152 lid 2 Rv. ). Behoudens uitzonderingen zoals de regel van dwingend bewijs, die hierboven is besproken.

Bewijsafspraken en feiten die niet ter vrije beschikking staan

Zoals hiervoor al aan de orde kwam, kunnen partijen bewijsafspraken maken. Deze kunnen ook worden neergelegd in algemene voorwaarden, zoals de hiervoor genoemde Algemene Bankvoorwaarden.

Overeenkomsten, waarmee partijen van de bewijsregels afwijken, blijven echter buiten toepassing wanneer zij betrekking hebben op het bewijs van feiten waaraan het recht gevolgen verbindt, die niet ter vrije bepaling van partijen staan (art. 153 Rv.).

Gerechtelijke erkentenis

Wanneer een partij een stelling omtrent de feiten of het bestaan van een recht in rechte erkent, dan kan deze daar niet meer op terugkomen (art. 154 lid 1 Rv.).

Erkentenis onder dwang of door dwaling

Alleen wanneer indien aannemelijk is, dat de gerechtelijke erkenning door een dwaling of niet in vrijheid is afgelegd, lijdt deze regel uitzondering (art. 154 lid 2 Rv.).

Vonnis door de rechter voor wie bewijs geleverd is

De wet hecht eraan, dat het vonnis in een procedure wordt (mede) gewezen door dezelfde rechter, ten overstaan van wie het bewijs is geleverd. Dit is natuurlijk belangrijk, omdat wat die rechter heeft gehoord en gezien van groot belang is voor partijen voor de overtuiging of een stelling omtrent feiten of rechten voldoende bewezen is (art. 155 lid 1 Rv.).

De wet schrijft daarom voor, dat de rechter die bvb. het getuigenverhoor heeft bijgewoond ook deel neemt aan het wijzen van het vonnis. Dit is echter een minder harde eis dan waar het gaat om comparities of andere zittingen waarbij “gepleit” wordt. Voor wijzigingen in de samenstelling van de rechtbank (of het Hof) dat de uitspraak wijst na comparitie, zie de pagina Verloop van de procedure.

Wijziging van rechter(s)

Toch kan het natuurlijk voorkomen dat er wijzigingen in de samenstelling van de rechtbank of het Hof voorkomen. In dat geval zal daar in het vonnis (of het arrest) melding van gemaakt moeten worden, en van de reden waarom de rechter die van het bewijs kennis genomen had niet het vonnis (mede) wijst. Partijen kunnen echter niet opkomen tegen de beslissing om van deze regel af te wijken  (art. 155 lid 2 Rv.).

Al onder het oude recht (art. 112 Rv. oud) wees de Hoge Raad een arrest, waarin de Raad overwoog dat een wisseling van rechters na getuigenverhoor niet tot nietigheid kon leiden. Een rechtsmiddel stond ook niet open tegen het niet motiveren van die wisseling. Zie HR 26 januari 1996 (Bemico/Cornebo). Recent werd dit nog eens bevestigd in HR 30 oktober 2020 (beslag erfpachtrecht).

Auteur & Last edit

[MdV, 29-6-2018; laatste bewerking 14-09-2021]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank voor burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.