Onverschuldigde betaling (Afd. 2, Titel 4, Boek 6 B.W.)

LawyrupBurgerlijk wetboekVerbintenissenrecht (Boek 6 B.W.)Verbintenissen uit andere bron (Titel 4, Boek 6 B.W.)Onverschuldigde betaling (Afd. 2, Titel 4, Boek 6 B.W.)

Onverschuldigde betaling (Afd. 2, Titel 4, Boek 6 B.W.)

Inleiding onverschuldigde betaling

Wanneer iemand aan een ander iets geeft (levert), betaalt of een andere prestatie levert, zonder dat daar een rechtsgrond voor bestaat, dan leidt dit tot een vorderingsrecht om dit terug te draaien. Dat is de vordering uit “onverschuldigde betaling”. De figuur van de onverschuldigde betaling is geregeld in Afd. 2, Titel 4, Boek 6 B.W.. De regeling omvat 9 bepalingen.

Voor de onverschuldigde betaling zijn ook de algemene bepalingen inzake nakoming van verbintenissen van belang. Zie de pagina Nakoming van verbintenissen (Afd. 6, Titel 1, Boek 6 B.W.). Zoals de bepaling dat betaling ook door een derde gedaan kan worden (art. 6:30 B.W.), of dat een betaling vóór het tijdstip van opeisbaar worden geen onverschuldigde betaling is (art. 6:39 lid 2 B.W.).

Gaat het om de betaling van een geldsom, dan spelen daarnaast de bepalingen inzake de betaling van een geldsom een rol. Zie de pagina Verbintenissen tot betaling van een geldsom (Afd. 11, Titel 1, Boek 6 B.W.).

De term “onverschuldigde betaling” ziet echter op meer dan alleen het betalen van een geldsom.

Vereisten

Uit art. 6:203 B.W. kunnen de volgende vereisten voor een vordering uit onverschuldigde betaling worden afgeleid:

– iemand heeft “een goed” aan een ander gegeven

– zonder rechtsgrond

Het is belangrijk ervan bewust te zijn, dat het begrip “een goed” heel ruim is. Zie ook de pagina Begripsbepalingen (Afd. 1, Titel 1, Boek 3 B.W.).

Wanneer het gaat om een betaling van een geldsom, dan heeft de betaler een rechtsvordering tot terugbetaling van een gelijk bedrag (lid 2). Gaat het om een andere prestatie dan heeft degeen die “betaald” heeft recht op ongedaanmaking (lid 3).

Het begrip “zonder rechtsgrond”

Zonder rechtsgrond betekent, dat er geen rechtsverhouding was waarop de prestatie of de betaling gebaseerd was. In die zin ook het arrest Van der Werff q.q./BLG Bank, waar de Hoge Raad (r.o. 3.2.2) stelt:

“De Hoge Raad merkt hierbij aanstonds op dat voor “rechtsgrond” moet worden gelezen “rechtsverhouding.”

Peilmoment is daarbij het moment van betalen (of “geven”). In het arrest HR 17 november 2000 (Recreatieproject Breezand/Gemeente Veere) heeft de Hoge Raad beslist, dat van een prestatie zonder rechtsgrond onder meer sprake kan zijn wanneer een gemeente en een grondeigenaar een exploitatie-overeenkomst hebben gesloten waarin de grondeigenaar zich heeft verbonden een financiële bijdrage te betalen, maar de gemeente haar in deze exploitatie-overeenkomst neergelegde aanspraak op een financiële bijdrage niet geldend kan maken omdat de exploitatieovereenkomst niet voldoet aan de exploitatie verordening. De Hoge Raad verwijst daarbij naar HR 16 februari 1996, NJ 1996, 608 waarin al was uitgemaakt dat een exploitatievergoeding alleen kan worden gevraagd als in de exploitatie-overeenkomst de bepalingen van de toepasselijke exploitatieverordening in acht zijn genomen.

Het is (zoals het arrest Breezand/Veere ook vermeldt) daarnaast ook mogelijk, dat de rechtsgrond achteraf aan de betaling komt te ontvallen. Bij voorbeeld omdat een overeenkomst wordt vernietigd, of een opschortende voorwaarde niet wordt vervuld waardoor wordt afgezien van uitvoering van een overeenkomst en de verrichte prestaties onverschuldigd gedaan blijken te zijn. Zie HR 31 januari 2014 (Benu Apotheken/NN). Het ging daarbij zelfs om het terugleveren van een apotheek, met bedrijfsruimte, inventaris, goodwill (klantenbestand) enz..

Dat kan – zoals blijkt uit het arrest HR 30 januari 2004 (huurder/Woningcorporatie Binnenhof) – ook betekenen, dat wanneer een vonnis ten uitvoer gelegd is (het ging hier om de ontruiming van het gehuurde), maar dit in hoger beroep wordt vernietigd, die tenuitvoerlegging, die ook beschouwd kan worden als een prestatie, op de voet van art. 6:203 B.W. ongedaan gemaakt moet worden. Zie ook HR 9 september 2005 (NN/NOB), r.o. 3.4.2. in gelijke zin. In geval van faillissement leidt een dergelijk vervallen van de rechtsgrond slechts tot een concurrente vordering (zie hierna Onverschuldigde betaling aan de curator).

Als de vordering is gebaseerd op het achteraf ontvallen van de rechtsgrond, dan moet de rechter de vernietiging van de rechtsgrond wel vaststellen (vgl. HR 14 maart 2008 mr. Aerts q.q./NN, r.o. 4.5). Het enkele feit, dat de tegenprestatie niet geleverd is (i.c. levering van de verkochte aandelen) wil zonder nadere beslissing van de rechter nog niet zeggen dat de rechtsgrond is komen te ontbreken.

Tijdstip waarop de vordering ontstaat

In het arrest HR 14 december 2014 (ex-saniet/Benedictus q.q.)heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over het moment, waarop de vordering uit onverschuldigde betaling ontstaat. De ex-saniet wilde een voor de schuldsanering aan een wederpartij betaald bedrag zelf innen, nadat hij de procedure tegen die wederpartij had gewonnen. Dit moment viel toevallig ook net na het beëindigen van de schuldsanering met een schone lei voor de saniet (dus zonder dat alle crediteuren waren betaald).

De ex-bewindvoerder eiste dit bedrag (ook) op ten behoeve van nadere verdeling onder de crediteuren (ex art. 356 lid 4 Fw. jo. art. 194 Fw.). De vlieger van de ex-saniet ging niet op.

De Hoge Raad overwoog, verwijzend naar HR 19 februari 1999, NJ 1999/367, HR 30 januari 2004 (Woningcorporatie Binnenhof), NJ 2005/246 en HR 9 september 2005 (NOB), NJ 2007/140:

“Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad brengt een onherroepelijk geworden vernietiging door de appelrechter van een rechterlijke uitspraak in eerste aanleg mee dat de rechtsgrond ontvalt aan hetgeen reeds ter uitvoering van die uitspraak is verricht, en dat op de voet van art. 6:203 BW een
vordering tot ongedaanmaking van de verrichte prestatie ontstaat. In deze rechtspraak ligt besloten dat de vernietiging van een rechterlijke uitspraak terugwerkende kracht heeft, en dat de vordering strekkende tot ongedaanmaking van de verrichte prestatie op de voet van art. 6:203 BW ontstaat op het moment waarop ter uitvoering van die uitspraak is gepresteerd, ongeacht of daarbij sprake is van een prestatie als bedoeld in lid 1, lid 2, dan wel lid 3.”

Bescherming ontvanger te goeder trouw

De ontvanger van een onverschuldigde betaling, die te goeder trouw is – dat wil zeggen niet in de gaten had dat hem onverschuldigd geleverd of betaald is – wordt beschermd door art. 6:204 B.W..

Lid 1 bepaalt, dat wanneer de ontvanger niet als een zorgvuldig schuldenaar voor het goed zorg gedragen heeft, hem dit niet kan worden toegerekend, zolang hij redelijkerwijze met een verplichting tot teruggave van het goed geen rekening hoefde te houden.

Lid 2 bepaalt, dat de degene die namens een ander (dus als vertegenwoordiger van die ander), maar onbevoegd een niet aan die ander verschuldigde geldsom heeft ontvangen, niet kan worden aangesproken tot terugbetaling als hij het aan de ander heeft afgedragen op een tijdstip dat hij nog niet wist of kon weten dat de betaling onverschuldigd was.

Over de positie van de ontvanger van een onverschuldigde betaling is de nodige jurisprudentie ontstaan. Hierna worden enkele uitspraken behandeld.

Onverschuldigde betaling door de bank namens rekeninghouder

In het arrest HR d.d. 6 februari 2004 (National Westminster Bank PLC/Jeka Holding B.V.) was de vraag aan de orde, of de bank (zelf) gerechtigd was een bedrag op basis van onverschuldigde betaling kon terugvorderen, wanneer die betaling als gevolg van een valse betalingsopdracht (ogenschijnlijk uit naam van een klant van de bank) aan Jeka betaald was. De klachten van Jeka in cassatie werden door de Hoge Raad zonder nadere toelichting (o.g.v. art. 81 RO) afgewezen. De voornaamste reden daarvoor was, dat in dat concrete geval door het Hof was vastgesteld, dat er van uit gegaan moest worden, dat de betaling niet door de rekeninghouder van de bank was gedaan, ook omdat de bank de rekening niet voor die betaling gedebiteerd had en ook overigens nergens uit bleek dat de bank het bedrag op deze had verhaald. De betaling was zodoende een “vergissing van de bank” in het voordeel van Jeka en tevens onverschuldigd. Dus de bank mocht die betaling zelf terug vorderen.

Van belang is echter de conclusie van de A-G bij dit arrest, die ingaat op een aantal juridische aspecten van deze casus.

De A-G bespreekt onder meer de volgende kwesties:

– kon Jeka zich – op de voet van art. 6:2 lid 2 B.W. – erop beroepen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar was dat zij het aan haar betaalde bedrag moest terugbetalen. Daarbij wordt ook verwezen naar HR 28 juni 1991, NJ 1992, 787 (Aannemingsbedrijf Verkerk B.V./mr. Van der Veen q.q. als curator in het faillissement van Bouwbedrijf Doetinchem B.V.).

– kan de bank – wanneer het zoals hier gaat om een girale overboeking – zelf de vordering uit onverschuldigde betaling instellen, of komt die vordering alleen toe aan de rekeninghouder van de bank? Dit mede gelet op art. 6:114 B.W.;

– hoe verhoudt zich deze casus tot het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1981, NJ 1982, 191 m.nt. CJHB (ABN/Allectric) (gewezen naar oud B.W.), en op een daarbij aansluitende opmerking van de minister van Justitie bij MvA I, Inv. wet boeken 3, 5 en 6 B.W.;

– en dit laatste mede bezien in het licht van art. 1418 lid 2 (oud) B.W. en de parlementaire geschiedenis inzake onder meer art. 6:30 B.W. (betaling door een derde) en art. 6:203 B.W. (onverschuldigde betaling) (Parl. gesch. artt. 6:30-31 (6.1.6.4-5) in verbinding met art. 6:114 B.W. (6.1.9A.3, girale betaling), en met afdelingen 6.4.2 en dan met name art. 6:203 B.W. (onverschuldigde betaling) en 6.4.3 (ongerechtvaardigde verrijking) van het huidige B.W.);

Betaling wegens een nietige overeenkomst en art. 6:2 B.W.

Het hiervoor vermelde arrest Verkerk/Van der Veen q.q. (NJ 1992, 787) ging over de situatie, dat een aannemingsbedrijf (Bouwbedrijf Doetinchem) personeel had uitgeleend aan een andere aannemer (Verkerk). Uitlening van personeel was echter zonder vergunning bij wet verboden, zodat die overeenkomst nietig was. Daardoor was ook de “betaling” van de uitlener (het uitlenen van diens personeel) onverschuldigd. De curator vorderde op grond daarvan terecht de ongedaanmaking van die prestatie uit hoofde van “onverschuldigde betaling”, in de vorm van een vergoeding van de loonkosten. Het feit dat beide aannemers zich er – volgens het Hof – van bewust waren dat dit een verboden transactie was deed daar niet aan af en stond er niet aan in de weg dat ook degeen die het verbod welbewust overtrad toch de ongedaanmaking mocht vorderen.

Alleen wanneer op basis van art. 6:2 lid 2 B.W. (in die zaak anticiperend door de Hoge Raad genoemd) de toewijzing van de vordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, zou de vordering uit onverschuldigde betaling daarop kunnen afketsen. Maar dat deed zich in die kwestie niet voor (en Verkerk had zich er niet op beroepen). De Hoge Raad verwijst daarbij naar Parl. Gesch. Boek 3, Inv. wet boek 3, 5 en 6, pag. 1168-1169, punt a.

Giraal betalingsverkeer; positie van de bank bij onverschuldigde betaling

In het arrest National Westminster Bank PLC/Jeka Holding werd verder aan de orde gesteld, of de bank wel aangemerkt moet worden als degeen die betaalt, als de bank een girale betalingsopdracht uitvoert voor een rekeninghouder. In die casus deed zich dit volgens het Hof niet voor, maar de A-G gaat meer in het algemeen wel op de positie van de bank in een dergelijke situatie in.  De A-G benadrukt, dat art. 6:114 B.W. niet mag worden opgeblazen buiten de strekking ervan: nl. de fictie dat de betaling door de ene rekeninghouder aan de andere rekeninghouder gedaan wordt. Die fictie (of zoals e A-G zegt “constructie”) is alleen maar bedoeld om juridisch ingewikkelde vragen op te lossen, en helder te maken dat wanneer een betaling door de één langs girale weg aan de ander gedaan wordt in beginsel moet worden aangemerkt als betaling van de opdrachtgever (rekeninghouder) van de betalende bank en niet van de bank zelf. Het kan volgens de A-G met name niet de bedoeling zijn dat dit in de weg staat aan een (eigen) vordering uit onverschuldigde betaling, wanneer de bank is misleid door een valse opdracht, die niet van de rekeninghouder afkomstig is en op basis daarvan een betaling uit haar vermogen doet, die door de bank niet op haar rekeninghouder is verhaald.

Het arrest ABN/Allectric (NJ 1982, 191)

Uit dit arrest zou volgens de A-G (nr. 4.10.10) de indruk kunnen ontstaan, dat de bank bij een abusievelijke betaling namens een rekeninghouder niet (zelf) een vordering uit onverschuldigde betaling zou mogen instellen. De casus was aldus, dat ABN Bank destijds namens haar rekeninghouder Slotboom een betalingsopdracht had uitgevoerd ten gunste van Allectric, die was gecrediteerd op haar rekening bij de Amro Bank (toen nog niet gefuseerd met de ABN). Het probleem was echter, dat Slotboom opdracht gegeven had NLG 4.000 over te maken, maar ABN per ongeluk NLG 40.000 had betaald. En Allectric wilde dit niet terugbetalen, omdat de schuld van Slotboom groter was dan die NLG 4.000 (en kennelijk tenminste NLG 40.000 bedroeg). De Hoge Raad oordeelde, dat de stelling dat Allectric ‘zonder enige rechtvaardiging een voordeel in de schoot geworpen heeft gekregen’, onjuist  was, omdat omdat het Hof de betaling had aangemerkt als een betaling als bedoeld in art. 1418 lid 2 BW (oud) (thans: art. 6:30 B.W., betaling door een derde). De vraag of die laatste kwalificatie juist was, kwam echter in cassatie niet meer ter sprake. Dus de Hoge Raad had daar niets over gezegd.

Blijkens de Parl. Gesch. kwam die uitspraak bij de behandeling van het wetsvoorstel aan de orde, en de minister had daarbij een mening gegeven. Of de vordering van de bank dan gegrond zou worden op onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking zou volgens de minister er niet toe doen:

“wanneer de creditering aan de ontvanger is medegedeeld en zij heeft plaats gevonden voor een bedrag dat de opdrachtgever inderdaad aan de ontvanger verschuldigd was, terwijl ook de door de bank opgegeven reden van betaling de ontvanger niet op de gedachte behoefde te brengen dat er iets mis was.”

Verder had de minister zich afgevraagd of de betaling door de bank in die casus in het stelsel van het nieuw B.W. (en dan met name art. 6:114 B.W.) als een betaling van de bank kon worden aangemerkt. Volgens de A-G moet die opmerking van de minister niet teveel belang gehecht worden, juist omdat het in die casus niet ging om een evidente foute betaling zonder grondslag (zoals bij National Westminster/Jeka Holding), maar om een betaling die wel een grondslag had (maar door een kommafout voor een te hoog bedrag).

Het beroep van Jeka op het feit, dat zij het ontvangen bedrag grotendeels had doorbetaald aan een derde, en het om die reden niet van haar teruggevorderd kon worden, ging ook niet op. De A-G wijst er op, dat art. 6:204 lid 2 B.W. daarvoor een regeling geeft. Op basis van de feiten zoals die in de procedure waren vastgesteld, had Jeka onvoldoende aangetoond dat zij te goeder trouw mocht menen dat de betaling wel voor haar bestemd was.

Onmiddellijk verzuim ontvanger te kwader trouw

Daar staat tegenover, dat de ontvanger te kwader trouw direct in verzuim is en dus gehouden is de ontvangen prestatie onmiddellijk ongedaan te maken (art. 6:205 B.W.).

Dit impliceert, dat de ontvanger te goeder trouw niet eerder in verzuim is om het ontvangene terug te geven nadat deze op de hoogte is geraakt van de onverschuldigdheid en in gebreke gesteld is. De gewone regeling van ingebrekestelling is overeenkomstig van toepassing bij de onverschuldigde betaling. Zie ook de pagina Verzuim van de schuldenaar.

Vruchten en vergoeding van kosten en schade

De bepalingen over afgifte van vruchten en de vergoeding van kosten en schade van Boek 3, Afd. 5 (zie de pagina Bezit en houderschap, art. 3:120 tot en met art. 3:124 B.W.) zijn ook van toepassing op de onverschuldigde betaling (art. 6:206 B.W.).

Vergoeding van kosten en uitgaven ontvanger

De ontvanger te goeder trouw heeft – binnen de grenzen van de redelijkheid – ook recht op vergoeding van de kosten van het ontvangen en teruggeven van het goed en vergoeding van uitgaven die hij gemaakt heeft vanwege het onverschuldigd geleverde goed (art. 6:207 B.W.). Wanneer dat teveel in de papieren gaat lopen, kan degeen die onverschuldigd betaald heeft van terugbetaling / ongedaanmaking van de levering afzien (art. 6:208 B.W.). De ontvanger is dan krachtens de wet verplicht mee te werken aan de levering, om zo de ongeldigheid van de levering alsnog te helen. Immers is levering zonder rechtsgrond (die dus in dit geval bleek te ontbreken) niet geldig krachtens art. 3:84 lid 1 B.W.. Zie de pagina Overdracht.

Onverschuldigde betaling aan onbekwame

Een onverschuldigde betaling aan een onbekwame kan volgens art. 6:209 B.W. slechts worden teruggevorderd als:

a. die hem tot werkelijk voordeel gestrekt heeft; of
b. deze aan zijn vertegenwoordiger is afgedragen

Prestaties anders dan geven van een goed

Bestond een prestatie in iets anders dan het geven van een goed (of betaling van een geldsom), dan gelden de voorgaande bepalingen niettemin (art. 6:210 B.W.). Te denken valt aan het leveren van een dienst. In de Parl. Geschiedenis wordt onder meer gesproken van het meenemen van een verstekeling. Een ander voorbeeld is het schilderen van het verkeerde huis.

Wanneer het teruggeven van die andersoortige prestatie niet mogelijk is, dan moet moet de ontvanger de waarde van de prestatie op het ogenblik van ontvangst aan de “betaler” vergoeden, onder de volgende voorwaarden:

– voor zover dit redelijk is;

– indien de ontvanger door de prestatie is verrijkt;

– indien het aan hem is toe te rekenen dat de prestatie is verricht;

– of indien hij erin had toegestemd een tegenprestatie te verrichten.

Onverschuldigde betaling en nietige overeenkomst

Wanneer een betaling (of andere prestatie) wordt verricht op basis van een nietige rechtshandeling, dan is die betaling in beginsel ook onverschuldigd en kan deze worden teruggevorderd. Dit tenzij terugvordering “in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is” (in de zin van art. 6:2 B.W. en/of art. 6:248 lid 2 B.W. bij overeenkomsten).

In Hof Den Bosch 3 december 2013 (planschadevordering Gemeente Beek) overweegt het Hof hierover (r.o. 4.5.5):

“Wel kan het zijn, dat toewijzing van een zodanige vordering in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheiden billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (Parlementaire Geschiedenis Boek 3, Inv. 3, 5 en 6, p. 1168-1169, telkens punt a). Zie hiertoe ook Hoge Raad 28 juni 1991, NJ 1992, 787. Daarbij geldt dat de nodige terughoudendheid dient te worden betracht.”

Art. 6:211 B.W. geeft hierop een uitzondering. Een vordering uit onverschuldigde betaling, die op grond van een nietige overeenkomst is verricht, is niet mogelijk, voor zover deze in strijd met redelijkheid en billijkheid zou zijn.

De wet stelt twee nadere voorwaarden:

– de prestatie kan naar haar aard niet ongedaan worden gemaakt;

– zij behoort ook niet in rechte op geld te worden gewaardeerd.

Civielrechtelijke terugvordering uitkeringen

In het arrest HR 26 maart 2004 (UWV/NN) heeft de Hoge Raad beslist, dat art. 6:203 B.W. geldt voor het gehele recht, en dat deze bepaling derhalve ook moet worden toegepast op betalingen van publiekrechtelijke aard, voor zover uit de wet niet het tegendeel voortvloeit (vgl. HR 25 oktober 1991, nr. 14630, NJ 1992, 299).

Wanneer een uitkering wordt teruggevorderd, waarover ook inhoudingen loonbelasting hebben plaatsgevonden, kan niettemin bruto worden teruggevorderd. Immers heeft de inhoudingsplichtige namens de (schijnbaar) uitkeringsgerechtigde aan de Belastingdienst betaald. Die afdrachten moeten worden beschouwd als mede aan de ontvanger van de onverschuldigde betaling betaald. Aldus de P-G in diens conclusie bij HR 25 oktober 2013 (NN/ABP). De Hoge Raad beaamde dit.

Voor de terugvordering van een onverschuldigd betaalde uitkering van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft de SVB daartoe een  Besluit beleidsregels SVB gepubliceerd.

Onverschuldigde betaling aan de curator

Wanneer iemand aan een gefailleerde boedel (“aan de curator”) een onverschuldigde betaling doet, dan moet de regel van het arrest Ontvanger/Hamm q.q. en Komdeur q.q./Nationale Nederlanden worden toegepast (HR 5 september 1997, nr. 16400, NJ 1998, 437  en HR 7 juni 2002, R00/148, NJ 2002, 608). Zie meer op de pagina Vereffening van de boedel, en het arrest HR 8 juni 2007 (Van der Werff q.q./BLG Hypotheekbank).

Verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling

In art. 3:309 B.W. wordt een speciale regeling gegeven voor de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling. Zie hierover nader de pagina Verjaring en stuiting.

In het arrest HR 3 juni 2016 (Bierbrouwerij De Leeuw/Pinocchio restaurants) was een huurverhoging achteraf in rechte vernietigd. Daarbij rees de vraag, of de vordering tot terugbetaling van de teveel betaalde huur (deels) was verjaard op grond van art. 3:309 B.W., dat bepaald dat vorderingen die betaalbaar zijn bij kortere termijnen dan een jaar, verjaren na vijf jaar. Het Hof had beslist dat die termijn pas kon aanvangen op het moment, waarop degeen die betaald had wist dat hij het teveel betaalde kon terugvorderen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel.

Onbevoegde vertegenwoordiging rechtspersoon

De vraag, of een betaling als onverschuldigd betaald kan worden teruggevorderd, kan zich ook voordoen wanneer een (rechts)persoon aan een derde betaald heeft, maar stelt dat er geen rechtsrelatie bestond waarop de betaling gebaseerd was, terwijl de derde stelt dat er wel een rechtsrelatie was aangegaan. Deze casuspositie komt aan de orde in Rb. Noord-Holland d.d. 3 augustus 2018 (Kolme Tak Holding AG/Strongwood Recherchebureau).

Het betrof hier een opdracht van een onbevoegde (nl. de bestuurder van de aandeelhouder van KTH) aan Strongwood. In beginsel was er dus geen overeenkomst van opdracht tot stand gekomen, vanwege de onbevoegde vertegenwoordiging, die voor Strongwood ook kenbaar had moeten zijn. Doordat de aan KTH gerichte facturen door deze echter zijn behouden en voldaan is desondanks een overeenkomst tot stand gekomen door middel van bekrachtiging (art. 3:69 B.W.) wel een overeenkomst en dus geen sprake van het ontbreken van een rechtsgrond. Betalingen niet onverschuldigd en kunnen niet worden teruggevorderd. Zie ook de pagina Volmacht. De Rb. verwijst in de uitspraak nog naar het arrest Kuijpers/Wijnveen, dat op de pagina Volmacht wordt besproken.

Bij de beantwoording van de vragen die zich in de casus KTH/Strongwood aan de orde komen gaat de rechtbank ook nog in op de toerekenbare schijn. De rechtbank overweegt in dit verband, dat bekrachtiging niet aan een bepaalde vorm gebonden is, en kan zowel gelegen zijn in verklaringen als in gedragingen (artikelen 3:33 B.W., art. 35 B.W. en art. 37 B.W.).

Een vordering uit onverschuldigde betaling kan ook voortvloeien uit het ontbreken van de grondslag voor een vergoeding aan een commissaris voor werkzaamheden als (tijdelijk) bestuurder, als het vereiste besluit van de AVA tot vaststelling van diens vergoeding ontbreekt (HR 6 januari 2012, IMEKO/B&D Beheer BvbA, r.o. 3.4). Het kan echter zo zijn, dat de vennootschap dan ongerechtvaardigd verrijkt is (vgl. HR 13 juli 2018, Imeko).

Voor de vaststelling van het tijdstip waarop de vennootschap bekend verondersteld moet worden met haar vorderingsrecht is de wetenschap van de bestuurder, die zijn bevoegdheid te buiten gaat, niet van belang. De vordering begint dus pas te verjaren als de vennootschap zelf daadwerkelijk de betaling kan opeisen. Vgl. de pagina Verjaring en stuiting (en dan met name art. 3:309 B.W.).

Rechtspraak

HR 3 juni 2016 (Bierbrouwerij De Leeuw/Pinocchio restaurants)- de aanvang van de verjaring inzake de terugvordering van betaalde periodieken vangt pas aan na de beslissing van de rechter waardoor de onverschuldigdheid komt vast te staan.

HR 14 december 2014 (ex-saniet/Benedictus q.q.) – de vordering uit onverschuldigde betaling ontstaat in het geval dat de onverschuldigdheid van de betaling blijkt uit een nadien gewezen rechterlijke beslissing, met terugwerkende kracht vanaf het moment van de prestatie, ongeacht of het een prestatie ex lid 1, 2 of 3 van art. 6:203 B.W. betrof.

HR 25 oktober 2013 (NN/ABP) – een onverschuldigd betaalde uitkering kan bruto worden teruggevorderd.

HR 26 maart 2004 (UWV/NN) – art. 6:203 B.W. geldt voor het gehele recht, zodat deze bepaling ook moet worden toegepast op betalingen van publiekrechtelijke aard, voor zover uit de wet niet het tegendeel voortvloeit.

HR 30 januari 2004 (huurder/Woningcorporatie Binnenhof) r.o. 3.3 2e alinea – De rechtsgrond kan ook achteraf aan een prestatie komen te ontvallen. Wanneer een vonnis ten uitvoer gelegd is (het ging hier om de ontruiming van het gehuurde), maar dit vonnis in hoger beroep wordt vernietigd, moet die tenuitvoerlegging (die ook beschouwd kan worden als een prestatie) op de voet van art. 6:203 B.W. ongedaan gemaakt worden. Zie ook HR 9 september 2005 (NN/NOB), r.o. 3.4.2. in gelijke zin.

HR 17 november 2000 (Recreatieproject Breezand/Gemeente Veere) – van een prestatie zonder rechtsgrond kan ook sprake zijn wanneer de in de exploitatieovereenkomst door de gemeente bedongen financiële bijdrage niet voldoet aan de exploitatie verordening (d.w.z. wettelijke basis ontbeert).

Betaling door pseudovertegenwoordiger

Rb. Noord-Holland d.d. 3 augustus 2018 (Kolme Tak Holding AG/Strongwood Recherchebureau) – opdracht van onbevoegde bestuurder van de aandeelhouder aan Strongwood. Doordat facturen zijn behouden en voldaan is er t.g.v. bekrachtiging (art. 3:69 B.W.) wel een overeenkomst en dus geen sprake van het ontbreken van een rechtsgrond. Betalingen niet onverschuldigd en kunnen niet worden teruggevorderd.

Auteur & Last edit

[MdV, 11-09-2018]

0 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 50 votes, average: 0,00 out of 5 (0 votes, average: 0,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.