Overeenkomst van goederenvervoer (Afd. 1, Titel 2, Hoofdstuk I, Boek 8 B.W.)

Pagina inhoud

Inleiding overeenkomst van goederenvervoer

In Afd. 1, Titel 2, Boek 8 B.W. is de overeenkomst van goederenvervoer geregeld. Deze afdeling omvat 13 bepalingen (art. 8:20 B.W. tot en met art. 8:32 B.W.).

Definitie overeenkomst van goederenvervoer

De overeenkomst van goederenvervoer is de overeenkomst, waarbij de ene partij (de vervoerder) zich tegenover de andere partij (de afzender) verbindt zaken te vervoeren (art. 8:20 lid 1 B.W.). Het goederenvervoer kan velerlei vormen aannemen, zoals het vervoer van goederen in een zeecontainer, of het verslepen van een woonboot. Zie de onderstaande jurisprudentie.

Ook kan er sprake zijn van een combinatie van vervoerders, zoals in het hierna vermelde arrest NDAL/Delta Lloyd, waarbij NDAL de goederen zou vervoeren in de door haar beschikbaar gestelde zeecontainers, die vervolgens op het schip van een andere vervoerder geladen werden.

Verschil met expeditie-overeenkomst

De overeenkomst tot het vervoeren van goederen moet worden onderscheiden van de expeditie-overeenkomst. De expediteur verbindt zich slechts tot het sluiten van een overeenkomst tot goederenvervoer met een vervoerder, die het daadwerkelijke vervoer verzorgt. Zie de pagina Overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen.

Vervoer van elektriciteit, warmte en koude

Deze afdeling is ook van toepassing op het vervoer van elektriciteit, warmte en koude (art. 8:20 lid 2 B.W.).

Verplichting goederen in goede staat op de bestemming af te leveren

De wet bepaalt, dat de vervoerder de goederen (i) moet afleveren op de plaats van bestemming, en wel (ii) in de staat waarin hij ze in ontvangst nam (art. 8:21 B.W.).

Aflevering vervoerde goederen zonder vertraging

De vervoerder moet de goederen ook zonder vertraging afleveren (art. 8:22 B.W.).

Vervoerder niet aansprakelijk voor niet voorzienbare en niet vermijdbare schade aan goederen

De vervoerder is niet aansprakelijk voor schade, voor zover deze is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden en voor zover de vervoerder de gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen (art. 8:23 B.W.). Dit wordt ook wel aangeduid als ‘vervoerdersovermacht’. Deze bepaling is een toepassing van de regels van redelijkheid en billijkheid bij overeenkomsten (art. 6:248 B.W.). Zie ook de pagina Rechtsgevolgen van overeenkomsten.

Zoals blijkt uit Rb. Rotterdam 4 november 2009 (vervoer woonboot ‘De Wiekslag’) omvat de verantwoordelijkheid van de vervoerder ook degenen die hij inschakelt voor het vervoer. De rechtbank overwoog (r.o. 7.8):

“Voor een geslaagd beroep op overmacht als bedoeld in art. 8:23 BW is vereist dat de vervoerder aantoont dat hij alle in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van een zorgvuldig vervoerder – daaronder begrepen de personen van wier hulp hij bij de uitvoering van de overeenkomst gebruik maakt – te vergen maatregelen heeft genomen om de schade te voorkomen.”

Aansprakelijkheid afzender voor niet tijdige aflevering goederen bij vervoerder

De afzender is verplicht om aan de vervoerder de schade te vergoeden die de vervoerder lijdt doordat de te vervoeren zaken, door welke oorzaak dan ook, niet op de overeengekomen plaats en tijd ter beschikking van de vervoerder zijn (art. 8:24 B.W.). Dit kan immers leiden tot vertraging bij het inladen van deze en andere goederen, en bij gecombineerd vervoer ook de andere vervoerders in de keten benadelen.

Annulering overeenkomst goederenvervoer vóórdat goederen aan de vervoerder zijn afgeleverd

De afzender bevoegd de overeenkomst op te zeggen vóórdat de te vervoeren zaken ter beschikking van de vervoerder zijn gesteld. Hij is in dat geval verplicht de vervoerder de schade te vergoeden die deze als gevolg van de opzegging lijdt (art. 8:25 lid 1 B.W.)

Overeenkomst goederenvervoer eindigt door opzegging voor aflevering goederen

De opzegging in dit geval kan worden gedaan door een mondelinge of schriftelijke kennisgeving. De overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan (art. 8:25 lid 2 B.W.).

Informatieplicht afzender van ten vervoer aangeboden goederen

De afzender is verplicht de vervoerder tijdig te informeren over de hoedanigheid van de te vervoeren zaken en de behandeling daarvan, voor zover de afzender daartoe in staat is of behoort te zijn, en waarvan hij weet of behoort te weten, dat zij voor de vervoerder van belang zijn. Dit tenzij de afzender mag aannemen dat de vervoerder bekend is met deze gegevens (art. 8:26 B.W.).

In de het vonnis van de hiervoor al vermelde zaak Rb. Rotterdam 4 november 2009 (vervoer woonboot ‘De Wiekslag’) oordeelde de rechtbank, dat het de afzender niet verweten kon worden, dat hij de vervoerder – die de woonboot van de afzender met een sleepboot moest verslepen – niet had gewaarschuwd voor het feit, dat er gevaar was dat de woonboot zou zinken door de verzwaring (om onder een brug door te kunnen) met containers met water, omdat er een standpijp in de zogeheten hennegatskoker aanwezig was met een vrijlating van (slechts) 35 cm, die bij verzwaring nog maar 5 cm onder waterniveau zou staan. De rechtbank overwoog (r.o. 7.11):

“Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden … komt de rechtbank tot het oordeel: ten eerste dat eiser niet is tekortgeschoten in zijn informatieplicht door niet tegen de Schipper te zeggen dat de hennegatskoker/standpijp open was en ten tweede dat de Schipper zich niet met succes kan beroepen op vervoerdersovermacht. Van hem als deskundige mocht immers worden verlangd dat deze bijzondere sleepreis gedegen werd voorbereid en dat hij zich grondig van alle daaraan mogelijkerwijs verbonden risico’s op de hoogte zou stellen. Hij heeft echter nagelaten om verdere navraag te doen naar de toestand van de hennegatskoker/standpijp en om zo nodig een nader onderzoek in te stellen.”

Het beroep op niet tijdig klagen (art. 6:89 B.W.) en het beroep op het exoneratiebeding in de “Algemeene Sleepconditiën” werden ook afgewezen. Bij het gesprek over de melding van het zinken en de daardoor ontstane schade hoefde de afzender niet meteen een uitvoerige klacht te formuleren. En als de algemene voorwaarden al van toepassing waren, was het beroep op vernietiging van het beding toewijsbaar, omdat de algemene voorwaarden waren niet vooraf ter hand gesteld. Zie ook de pagina Algemene voorwaarden.

Aansprakelijkheid afzender voor ontbreken voor vervoer vereiste documenten

De afzender is verplicht de vervoerder de schade te vergoeden die deze lijdt doordat de documenten, die van de zijde van de afzender voor het vervoer vereist zijn, door welke oorzaak dan ook, niet naar behoren aanwezig zijn (art. 8:27 B.W.).

Annulering overeenkomst goederenvervoer bij aanbieden zaken

Wanneer zich vóór of bij de aanbieding van de zaken aan de vervoerder omstandigheden aan de zijde van een der partijen aan het licht treden, die de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, die indien zij wel bekend waren geweest, redelijkerwijs voor de wederpartij grond hadden opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te gaan, is deze wederpartij bevoegd de overeenkomst op te zeggen (art. 8:28 lid 1 B.W.).

Deze opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke kennisgeving. De overeenkomst eindigt ook in dit geval op het ogenblik van ontvangst van die opzegging (art. 8:28 lid 2 B.W.).

Schadevergoeding bij annulering wegens bij aflevering goederen gebleken onvoorziene omstandigheden

De wet geeft in art. 8:28 lid 3 B.W. bij annulering op grond van de bij aflevering gebleken feiten een open norm voor schadevergoeding: “naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na opzegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden”. Zie in dit verband ook de verwijzing hierboven naar de bepalingen over de redelijkheid en billijkheid bij overeenkomsten.

Opeisbaar worden “vracht”

De vracht – dat is de prijs waar de vervoerder aanspraak op heeft als tegenprestatie voor het vervoer – is verschuldigd na aflevering van de zaken ter bestemming (art. 8:29 B.W.).

Afgifte goederen door vervoerder alleen aan krachtens de overeenkomst gerechtigde

De vervoerder is gerechtigd afgifte van zaken, die hij in verband met de vervoerovereenkomst onder zich heeft, te weigeren aan ieder, die uit anderen hoofde dan de vervoerovereenkomst recht heeft op aflevering van die zaken, tenzij op de zaken beslag is gelegd en uit de vervolging van dit beslag een verplichting tot afgifte aan de beslaglegger voortvloeit (art. 8:30 lid 1 B.W.).

Dit hoeft niet de afzender te zijn. Het kan immers zijn dat de goederen over lange afstand vervoerd worden, en door iemand anders opgehaald moeten worden. Bij een cognossement – het zakenrechtelijke papier dat recht geeft om de vervoerde goederen na aankomst op te eisen – is de houder van het cognossement de gerechtigde tot de aflevering van de zaken uit hoofde van de vervoersovereenkomst.

Retentierecht vervoerder

De vervoerder kan het recht van retentie uitoefenen op zaken, die hij in verband met de vervoerovereenkomst onder zich heeft, voor hetgeen hem door de ontvanger verschuldigd is of zal worden terzake van het vervoer van die zaken. Hij kan dit recht tevens uitoefenen voor hetgeen bij wijze van rembours op die zaak drukt (art. 8:30 lid 2 B.W.).

Zekerheidstelling voor lossing retentierecht vervoerder

Dit retentierecht vervalt zodra aan de vervoerder is betaald het bedrag waarover geen geschil bestaat en voldoende zekerheid is gesteld voor de betaling van die bedragen, waaromtrent wel geschil bestaat of welker hoogte nog niet kan worden vastgesteld. De vervoerder behoeft echter geen zekerheid te aanvaarden voor hetgeen bij wijze van rembours op de zaak drukt.

Verplichting tot afgifte aan derde, als vervoerder reden had te twijfelen aan bevoegdheid afzender

De in dit artikel aan de vervoerder toegekende rechten komen hem niet toe jegens een derde, indien hij op het tijdstip dat hij de zaak ten vervoer ontving, reden had te twijfelen aan de bevoegdheid van de afzender jegens die derde hem de zaak ten vervoer ter beschikking te stellen (art. 8:30 lid 3 B.W.).

Aansprakelijkheid vervoerder voor onrechtmatige daad

Wordt de vervoerder dan wel de afzender buiten overeenkomst aangesproken, dan zijn de bepalingen art. 8:361 B.W. tot en met art. 8:366 B.W. (inzake de exploitatie van een zeeschip) van overeenkomstige toepassing (art. 8:31 B.W.). Dit geldt ook wanneer de aansprakelijkheid het handelen van hun ondergeschikten betreft. Zie ook de pagina Exploitatie van een zeeschip.

Dit betekent, dat wanneer hetzij de vervoerder of de afzender aansprakelijk gesteld wordt uit hoofde van onrechtmatige daad, die aansprakelijkheid nog steeds wordt beheerst door een specifiek vervoersrechtelijk regime. Het vervoersrecht kent daarbij inperkingen van de omvang van de aansprakelijkheid.

De aansprakelijkheid van de exploitant van een zeeschip (en dus mutatis mutandis hier ook de andere vervoerder van goederen) is op grond van art. 8:362 B.W. en art. 8:363 B.W. jegens haar wederpartij dan wel jegens derden niet aansprakelijk voor een hoger bedrag dan voortvloeit uit de vervoersovereenkomst.

Paardensprong bepaling bij aansprakelijkheid vervoerder jegens derden

Bij derden moet de aansprakelijkheid worden beoordeeld als ware de aansprakelijk gestelde wederpartij bij de exploitatieovereenkomst, die is aangegaan door degeen die haar aanspreekt en die in de keten der exploitatieovereenkomsten tussen haar en deze laatste ligt. Dit is de zogenaamde paardensprong/parallelsprong bepaling.

Aansprakelijkheid vervoerder (of afzender) voor ondergeschikten

De uitbreiding tot ondergeschikten betekent ook, dat de aansprakelijkheid ex art. 6:170 B.W. van met name de vervoerder als werkgever wordt ingeperkt. Als werknemers de vervoerder goederen achterover drukken of daaraan meewerken, is niettemin de aansprakelijkheid van de werkgever beperkt. Zie ook de pagina Aansprakelijkheid voor personen en hulppersonen.

Algemene bepalingen goederenvervoer wijken voor bijzondere regelingen elders in Boek 8 B.W.

Deze afdeling geldt slechts ten aanzien van niet elders in dit boek geregelde overeenkomsten van goederenvervoer (art. 8:32 B.W.). Dit is een toepassing van de regel ‘Lex specialis derogat legi generali’.

Per soort vervoer kent de wet specifieke regelingen voor de overeenkomst van goederenvervoer: voor het vervoer per zeeschip, binnenschip, vervoer over de weg, door de lucht en over het spoor. Zie de volgende pagina’s:

Overeenkomst van goederenvervoer over zee

Overeenkomst van goederenvervoer over binnenwateren

Overeenkomst van goederenvervoer over de weg

Overeenkomst van goederenvervoer door de lucht

Overeenkomst van goederenvervoer over het spoor

In het arrest HR 1 februari 2008 (NDAL c.s./Delta Lloyd c.s.) zien we een toepassing van deze bepaling. Een lading tabak was nat geworden doordat twee van de vier containers, die NDAL ter beschikking gesteld had voor het vervoer, doorgeroest waren. NDAL stelde, dat het Hof ten onrechte art. 8:32 B.W. had toegepast , omdat het vervoer plaatsvond onder cognossement. Art. 8:371 lid 3 B.W. bepaalt, dat in dat geval de Hague-Visby Rules van toepassing zijn. Die cassatieklacht was op dus gelet op art. 8:32 B.W. op zichzelf juist, maar leverde niets op, omdat de schade onder de Hague-Visby Rules ook aan NDAL was toe te rekenen. Zie de ook pagina Overeenkomst van goederenvervoer over zee.

Auteur & Last edit

[MdV, 1-03-2022; laatste bewerking 9-05-2022]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank over burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.