Kort geding (Afd. 14, Titel 2, Boek 1 Rv.)

Inleiding kort geding

Een kort geding is een procedure waarmee een spoedeisende voorziening gevraagd kan worden aan de Voorzieningenrechter van de bevoegde rechtbank.

Het kort geding is apart in de wet geregeld in Afd. 14, Titel 2, van Boek 1 Rv.. De regeling is erg summier en bevat 6 bepalingen: art. 254 Rv. tot en met art. 259 Rv..

Met een kort geding kan aan de Voorzieningenrechter een voorlopige maatregel gevraagd worden voorafgaand aan een gewone procedure. Het kort geding wordt geregeld door art. 254 Rv. (14e afd. Titel 2, Boek 1 Rv.).

In Titel 7 Boek 2 Rv. is het kort geding ook aangewezen als de wijze om een geschil over zekerheidstelling te doen beslechten. Zie de pagina Zekerheidstelling.

De Voorzieningenrechter kan bepalen, dat het kort geding op ongebruikelijke tijden en zeer korte termijn plaatsvindt, mits er een voldoende spoedeisend belang is. Dit noemt men “spoedspoed-zaken”. Bij voorbeeld het tegengaan van een uitzending op TV, of wanneer er geschil is over een begrafenis. Het is zelfs mogelijk zonder dat de dagvaarding bij exploit wordt uitgebracht bijeen te komen, als de gedaagde daarmee instemt en desnoods in de achtertuin van de Voorzieningenrechter. In de regel zal het kort geding gewoon in de rechtszaal plaatsvinden nadat er een datum is verleend via het bureau Voorzieningenrechter.

De datum moet worden aangevraagd – onder overlegging van een concept van de dagvaarding – met een daartoe bestemd formulier. Daarin moeten ook de verhinderdata worden opgegeven zodat daarmee rekening gehouden kan worden bij de bepaling van datum en tijdstip van de zitting. Zie de website van de rechtspraak voor dit online in te vullen Aanvraagformulier. Het formulier laat – anders bij het invoeren van een nieuwe zaak in de digitale rol – slechts toe 1 gedaagde in te voeren, dat is een tekortkoming die wellicht nog hersteld wordt.

Vaak worden kort gedingen gebruikt als pressiemiddel, waardoor het geschil alsnog kan worden opgelost. Wanneer de zaak voor de zitting wordt ingetrokken, is geen griffierecht verschuldigd. Zie Procesreglement kort geding handelszaken en familierecht art. 8.1: “het griffierecht is verschuldigd bij de eerste uitroeping van de zaak ter zitting“. De gedaagde is griffierecht verschuldigd bij verschijning ter zitting. Zie ook art. 3 lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zaken.

*NB de links naar de wettekst verwijzen naar de versie van de wet zoals die geldt voor niet-digitaal procederen. Overigens is voor het kort geding digitaal procederen niet ingevoerd en zal dit ook niet gebeuren.

Executiegeschil

Wanneer een geëxecuteerde (iemand tegen wie een executoriale titel ten uitvoer gelegd wordt) tegen de executie op wil komen, kan hij een executiegeschil beginnen (art. 438 Rv.). Zie ook de pagina Algemene regels tenuitvoerlegging voor nadere informatie over het executiegeschil.

Vaak gebeurt dat via een kort geding, maar het kan ook via een gewone procedure en zelfs in reconventie. Vanwege de centrale rol die aan de Voorzieningenrechter is toebedeeld bij het verlenen van verlof tot het leggen van conservatoir beslag en andere beslissingen inzake de executie is het kort geding voor deze rechter ook de aangewezen weg voor geschillen over de tenuitvoerlegging van vonnissen (oftewel executie).

Zie de pagina Algemene bepalingen conservatoir beslag voor de regels inzake het vragen van conservatoir beslag.

Tijdelijke wet voorziening betalingsuitstel en WHOA

In het kader van de Tijdelijke wet voorziening betalingsuitstel kunnen schuldenaren die door de coronamaatregelen in financiële problemen geraakt zijn opschorting en opheffing van beslagen vorderen. Zie het blog Tijdelijke wet voorziening betalingsuitstel. Ook wanneer een schuldenaar een WHOA-akkoord voorbereidt, kan die aan de rechtbank voorzieningen vragen tot opheffing en/of het verbieden van executiemaatregelen, en ter opschorting van faillissementsaanvragen van schuldeisers. Zie de pagina Wet homologatie onderhands akkoord.

Vordering tot opheffing conservatoir beslag in kort geding

De Voorzieningenrechter die het verlof voor het conservatoir beslag heeft gegeven, kan het beslag ook weer – op verzoek van de beslagene – opheffen (art. 705 lid 1 Rv.).

De opheffing wordt onder meer uitgesproken in de omstandigheden vermeld in art. 705 lid 2 Rv., te weten:

– bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen;
– indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of
– als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld.

Het is aan de partij die opheffing van het conservatoire beslag vordert om aannemelijk te maken dat de vordering waarvoor het beslag gelegd is ondeugdelijk is. Zie HR 17 april 2015 (NN/Nidera Suisse). De Hoge Raad had dit eerder reeds beslist in HR 30 juni 2006 (executiegeschil ogv vordering VSO bouw landhuizen).

Vordering verbod verdere conservatoire beslaglegging

Degeen ten laste van wie conservatoir beslag gelegd is of dreigt te worden kan in kort geding – naast opheffing van een reeds gelegd conservatoir beslag – ook een verbod eisen tot het leggen van nieuwe conservatoire beslagen.

In HR 3 april 2020 (Econocom/Intralot Leasing Netherlands c.s.) komt de vraag aan de orde, welke maatstaf de kort geding rechter hierbij moet aanleggen, als de vordering van de schuldeiser die beslag wil leggen in de hoofdzaak is afgewezen, waardoor de stand voor de schuldenaar 1-0 is. Dat gegeven is echter niet zonder meer reden de pretense schuldeiser te verbieden verdere conservatoire beslagen te leggen, zegt de Hoge Raad.

Ook dan moet de Voorzieningenrechter de belangen van partijen tegen elkaar afwegen: conservatoir beslag is nu juist bedoeld om het verhaal van een vordering veilig te stellen als die nog niet is toegewezen. Dus ook als de vordering in 1e instantie is afgewezen maar er hoger beroep loopt. Ook moet daarbij worden meegewogen, dat de schuldeiser die ten onrechte beslag gelegd heeft, schadeplichtig is als deze uiteindelijk in het ongelijk gesteld wordt.

Deze norm is dus niet anders dan de beoordeling of een beslag moet worden opgeheven omdat de gepretendeerde vordering ondeugdelijk lijkt te zijn bij summiere toetsing, zie boven Nidera Suisse en Executiegeschil burenruzie bouw villa’s.

Reconventionele vordering opheffing gelegde beslagen

De verweerder ten laste van wie conservatoir beslag gelegd is doet er goed aan om in reconventie – in de hoofdzaak – opheffing van de gelegde beslagen te vorderen, in geval de vordering van eiser wordt afgewezen. Wanneer dit niet gevorderd wordt (en dus ook niet toegewezen), dan (i) vervallen de beslagen pas nadat het vonnis in kracht van gewijsde gegaan is en (ii) zal de gedaagde partij afzonderlijk een kort geding tot opheffing moeten instellen. Die moeite (en kosten) plus het risico op falen, kan worden vermeden door deze reconventionele eis. Dat opheffing niet vanzelfsprekend is blijkt ook uit Vz.r. Rb. Amsterdam 12 juni 2020 (executiegeschil beslag geldlening).

Vereisten

Voor een kort geding gelden vanwege het bijzondere karakter van deze procedure een aantal randvoorwaarden en beperkingen.

Spoedeisend belang

Belangrijkste voorwaarde voor een kort geding is een spoedeisend belang. Als er geen spoedeisend belang is, dan wordt de vordering om die reden afgewezen. Dat geldt ook als het spoedeisend belang niet is gesteld. Dat moet dus wel worden vermeld in de dagvaarding. Ook hier geldt dus het vereiste van de stelplicht.

De vraag of er sprake is van een spoedeisend belang moet de rechter beoordelen aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, naar het moment waarop de uitspraak gedaan wordt. Aldus de Hoge Raad in HR 29 november 2002 (Gemeente Groningen/Reilman). De Hoge Raad overwoog in die zaak (r.o. 3.4):

“De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. De omstandigheid dat de eisende partij lang heeft stilgezeten, kan bij die afweging een rol spelen, en de omstandigheid dat een rechtsvraag in geschil is waarop het antwoord niet evident is, kan leiden tot behoedzaamheid bij de toewijzing van de gevraagde voorziening, maar deze omstandigheden kunnen noch ieder voor zich noch in onderlinge samenhang het oordeel rechtvaardigen dat de eisende partij geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening (meer) heeft.”

Het ging in die zaak om een vordering tot ontruiming van de Gemeente tegen de gebruiker van een kiosk, die door een houder van het opstalrecht van de kiosk aan hem was verhuurd. Het opstalrecht was echter geëindigd, en de Gemeente wilde de kiosk weg hebben. Het verweer dat de Gemeente te lang had gewacht en een bodemprocedure had kunnen beginnen, hield geen stand. De kioskhouder won de zaak uiteindelijk vanwege het feit, dat de Hoge Raad aannemelijk achtte dat de Gemeente de huur gestand moest doen om redenen ontleend aan het recht van opstal in verbinding met het recht van erfpacht (de bepalingen verwijzen naar elkaar). Zie de pagina Erfpacht.

Het stilzitten hoeft dus op zichzelf niet reden zijn om geen spoedeisendheid aan te nemen. De eis kan ineens acuut geworden zijn, of er was tijd nodig de rechtspositie te bepalen, of het kan zijn dat er voordien uitzicht was op een minnelijke regeling.

De spoedeisendheid moet dus worden beschouwd in relatie tot de belangen van de andere partij, en niet op zichzelf staand. De rechter kan het spoedeisend belang ook ambtshalve toetsen. Vgl. de P-G in diens conclusie va 11 december 2015 in de zaak Astellas Pharma Inc./Synthon B.V..

De P-G schrijft (nr. 2.4):

“… spoedeisend belang in de zin van art. 254 lid 1 Rv [is] een wezenlijk element in de procesvoering in kort geding zowel bij de beoordeling of de eisende partij toegang tot de kort geding rechter dient te worden verleend alsook bij de beoordeling van de vraag of de gevorderde voorziening dient te worden toegewezen. Ook wanneer over dit element tussen partijen geen geschil van mening bestaat is de rechter ambtshalve bevoegd hierover te oordelen. De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening dient te worden beantwoord aan de hand van een belangenafweging van beide partijen. De appelrechter beoordeelt niet of in eerste aanleg spoedeisend belang bestond maar of in hoger beroep nog een spoedeisend belang bestaat. Een dergelijk oordeel is aan de feitenrechter voorbehouden en derhalve in cassatie slechts beperkt toetsbaar.”

In voetnoot 8 verwijst de P-G naar een lijstje jurisprudentie en literatuur op dit punt (te weten: HR 2 februari 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB3472, NJ 1968/62; HR 1 december 1972, ECLI:NL:HR1972:AB6720, NJ 1973/111; HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659 m.nt. D.W.F. Verkade, rov. 3.4; HR 30 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6341, NJ 2001/389 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.4.2; HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437, NJ 2003/343 m.nt. H.J. Snijders ; HR 20 september 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE4432, JOL 2002/475; HR 22 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4553, NJ 2003/78 m.nt. P.A. Stein).

Zie ook P-G 11 december 2015 inzake de opeising van een lening, waar de P-G overweegt (ook verwijzend naar Hoge Raad 2 februari 1968, HR:1968:AB3472 niet in ECLI gepubliceerd):

“… klacht strandt hierop dat de voorzieningenrechter ambtshalve kan onderzoeken of aan de eis van spoedeisendheid van een verzochte voorziening ambtshalve is voldaan. Deze bevoegdheid brengt mee dat hij kan letten op omstandigheden waarop geen expliciet beroep is gedaan maar waarvan wel uit de proces-stukken blijkt.”

De spoedeisendheid moet getoetst worden voor elk onderdeel van het petitum (de eis). Vgl. HR 23 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC0034 kenbaar uit Hof Den Bosch 6 maart 2018 (vrouw/man beledigende berichten social media), r.o. 2.6. Het Hof somt daar overigens alle vereisten met bronverwijzing nog eens op.

Spoedeisend belang bij een verbod op inbreuk maken betekent niet automatisch dat de tevens ingestelde eis tot (voorschot op) schadevergoeding ook spoedeisend is (vgl. HR 14 april 2000 (HBS Trading c.s./Danestyle)). De Hoge Raad overweegt (r.o. 3.2, 2e alinea):

“Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 22 januari 1982, nr. 11871, NJ 1982, 505, heeft overwogen, is met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats, en moeten dienaangaande naar behoren feiten en omstandigheden worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is. Deze verzwaring van de motiveringseisen is opnieuw tot uitdrukking gebracht in HR 19 februari 1993, nr. 8112, NJ 1995, 704. Aan die eisen heeft het Hof niet voldaan, nu uit de enkele omstandigheid dat een spoedeisend belang bij het gevraagde inbreukverbod bestaat, niet volgt dat een zodanig belang óók bestaat bij toewijzing van een geldsom als voorschot op een ter zake van reeds gepleegde inbreuken verschuldigde schadevergoeding.”

Nevenvorderingen hoeven soms niet aan de zelfstandige eis van spoedeisendheid te voldoen. Vgl. HR 15 juni 2007 (Bax/Weijers) voor een nevenvordering buitengerechtelijke kosten als die onvoldoende betwist is en Hof Amsterdam 11 augustus 2009 (Va NO1 Aquarius/Ceva Logistics) voor een contractuele boete.

Bij een incasso geldt voor de spoedeisendheid de zgn. communicerende vaten-leer. Zie hieronder bij incasso kort geding.

Geen bewijsvoering in kort geding; substantiëring van de eis

Een kort geding is een noodmaatregel, waarbij de normale procesregels niet van toepassing zijn. Er kan vanwege het spoedeisend karakter geen getuigenverhoor worden gehouden of een bewijsopdracht gegeven worden. De rechter zal dus op basis van de gepresenteerde informatie een oordeel moeten vellen. Het is daarom belangrijk dat de eiser de vordering zo goed mogelijk met stukken onderbouwt.

Geen verklaring voor recht

In kort geding kan geen constituerend vonnis worden gegeven, waarmee een rechtsverhouding wordt ontbonden of een verklaring voor recht wordt gegeven.

Bodemprocedure/hoofdzaak

Een ander verschil met de bodemprocedure (de “hoofdzaak”) is, dat de Voorzieningenrechter geen declaratoire beslissingen kan nemen: hij kan geen beslissing nemen waarmee het geschil juridisch inhoudelijk wordt beslecht, en met name kan hij geen constitutieve beslissingen nemen (zie de pagina Algemene bepalingen vonnis voor het begrip constitutief vonnis). In kort geding kan slechts een voorlopige (orde)maatregel worden getroffen.

De kort geding rechter kan bvb. wel de ontruiming van het gehuurde wegens wanbetaling of overlast gelasten, maar hij kan niet de huurovereenkomst ontbinden. Doordat de ordemaatregel echter drastisch kan ingrijpen in de feitelijke situatie blijft de bodemprocedure vaak achterwege omdat de gedaagde zich bij de uitkomst van het kort geding neerlegt. Anders dan bij een conservatoir beslag of een voorlopige voorziening ex art. 223 Rv. is het instellen van een bodemprocedure bij kort geding niet vereist.

Kort geding als bodemprocedure bij conservatoir beslag

Het kort geding kan wel gelden als bodemprocedure bij conservatoir beslag. In het arrest HR 26 februari 1999 (Ajax/Reule c.s.) heeft de Hoge Raad beslist, dat een kort geding alleen als hoofdzaak kan gelden, wanneer de vordering in kort geding strekt tot het verkrijgen van een executoriale titel voor de aan het conservatoir beslag ten grondslag gelegde vordering.

Dit bergt wel een zeker risico in zich, want als de zaak in kort geding strandt wegens bvb. onvoldoende spoedeisend belang (wat bij geldvorderingen niet ondenkbaar is), dan vervalt daarmee ook het beslag. Zie ook de pagina Algemene bepalingen conservatoir beslag. Als vangnet kan – binnen de termijn gesteld in het beslagverlof – een dagvaarding in de bodem worden uitgebracht, op ruime termijn. Die hoeft dan niet meteen te worden aangebracht, maar indien nodig kan dat alsnog en vervalt het beslag niet.

Verweer

De eis in kort geding moet worden ingesteld door een advocaat. Deze vraagt aan de Voorzieningenrechter om een datum voor de behandeling, met opgaaf van de eigen verhinderdata – en als de wederpartij bekend is – ook diens verhinderdata (zie ook het hierna vermelde reglement). Vervolgens wordt de gedaagde met een dagvaardingsexploot tegen de vergunde datum opgeroepen. De gedaagde is niet verplicht ook een advocaat in de arm te nemen. Tenzij hij een tegeneis (reconventionele vordering) wil instellen, dan is wel een advocaat nodig. Voor de eis in reconventie gelden dezelfde voorwaarden als de oorspronkelijke eis.

Kort geding vonnis en hoger beroep

Wanneer een vordering in kort geding wordt toegewezen, kan de veroordeelde partij in hoger beroep gaan. Dat is dan ook een kort geding procedure. De termijn voor hoger beroep tegen een kort geding vonnis is 4 weken (art. 339 lid 2 Rv.). Maar hij kan ook een bodemprocedure beginnen. Wordt de vordering in kort geding alsnog afgewezen (of beslist de rechtbank, dat de vordering in kort geding ten onrechte was toegewezen), dan vervalt daarmee de beslissing van de Voorzieningenrechter. Die is dus in die zin een voorlopige beslissing. De Voorzieningenrechter zal daar rekening mee houden in zijn beslissing, en de vordering niet toewijzen bij twijfel of die uiteindelijk in een bodemprocedure stand zou houden.

Kantonrechter of gewone rechtbank

In zaken, waarin de Kantonrechter bevoegd is – dus in “aardzaken” zoals huur en arbeidszaken en wanneer de som in geschil minder dan EUR 25.000 bedraagt – kan het kort geding ook bij de Kantonrechter gevoerd worden. De kosten van een procedure bij de Kantonrechter zijn lager dan bij de gewone rechtbank. De Voorzieningenrechter in Almelo heeft in een vonnis d.d. 30-11-2012  woningcorporatie De Woonplaats zelf voor de door haar gemaakte kosten van het hogere griffierecht en het hogere salaris van de advocaat laten opdraaien in een ontruimings-kort geding tegen een huurder die overlast veroorzaakte. De rechter vond het niet redelijk, dat de woningcorporatie de huurder niet voor de Kantonrechter gedaagd had waardoor deze in de proceskostenveroordeling met hogere proceskosten geconfronteerd zou worden. Bij de keuze voor gewone rechtbank of Kantonrechter kan hiermee rekening gehouden worden, hoewel de “staat van partijen” (corporatie tegen particuliere huurder) hier wellicht ook een rol speelde.

Incasso kort geding

Het is ook mogelijk een vordering te incasseren in kort geding. Daarbij gelden echter wel bijkomende eisen, omdat in principe de betaling van een geldvordering niet per se spoedeisend is.

Hierbij geldt, dat aan de volgende eisen is voldaan:

1. het bestaan van de vordering is aannemelijk.

2. er is een spoedeisend belang.

3. de eiser kan terugbetalen als de vordering in beroep of in een bodemprocedure alsnog wordt afgewezen.

Aannemelijke vordering

Het bestaan van de vordering is aannemelijk, wanneer er documenten zijn waaruit deze onomstotelijk blijkt. Maar ook wanneer de gedaagde de vordering erkend heeft of niet betwist, bij voorbeeld omdat hij niet kan betalen.

Wordt de vordering betwist, bvb. omdat er een tegenvordering wordt gesteld, dan zal toewijzing in kort geding lastiger worden.

Spoedeisend belang

Bij het incasso kort geding worden minder hoge eisen gesteld aan de spoedeisendheid, naarmate de vordering duidelijker vaststaat. Dit noemt men de “communicerende vaten”-leer. Zie de conclusie van de P-G bij het arrest van de Hoge Raad d.d. 24-06-2011.

Restitutierisico

De gedaagde kan zich behalve tegen de vordering op zichzelf ook verweren, dat wanneer de vordering wordt toegewezen en hij later alsnog gelijk krijgt, hij dan de kans loopt dat de eiser het inmiddels geïncasseerde bedrag niet meer kan terugbetalen (het zgn. restitutierisico). Wanneer de Voorzieningenrechter meent, dat dit risico aanwezig is, kan dit hem voorzichtiger maken om de vordering toe te wijzen, naarmate de vordering minder hard vaststaat.

Procesreglementen

De rechtbanken hebben een procesreglement speciaal voor kort gedingen bij de sector civiel (zie publicatie). Daarin staat ook het te gebruiken formulier voor aanvraag van de datum. Daarnaast is er een procesreglement voor het kort geding bij de Kantonrechter (rechtbank sector Kanton, zie de publicatie) zoals vastgesteld door het LOK (Landelijk Overleg Kantonrechters).

Rechtbank Amsterdam heeft blijkens haar website een vaste dag en tijd voor de behandeling van incasso kort gedingen: iedere dinsdagochtend om 10:00 uur.

Het procesreglement kan onverbindend zijn, wanneer een bepaling daarvan in strijd is met (het systeem van) de wet. Zie ook de hieronder vermelde prejudiciële uitspraak van de Hoge Raad inzake A/GIA Systems.

Rechtspraak

HR 3 juni 2016 prejudiciële vraag (A/GIA Systems) – Afd. 5, Titel 2, Boek 1 Rv. (Verloop van de procedure) is niet rechtstreeks van toepassing op kort geding, ondanks de schakelbepaling van art. 78 Rv.. Dit neemt niet weg, dat er wel plaats is voor een proceskostenveroordeling van de eiser, wanneer die het kort geding intrekt. Wel zal de gedaagde dan de verschuldigdheid daarvan moeten onderbouwen (relevant is daarbij dus waarom het kort geding wordt ingetrokken). De HR verwijst ook naar Hof Den Haag, Binka Vastgoed/City Box en naar HR 17-04-2015 levering aandelen CLI Dry Cleaning) inzake de onverbindendheid van een bepaling in een procesreglement.

Hof Den Haag 25-11-2014 Binka Vastgoed/City Box – bij intrekking van een kort geding kunnen – als het een IE-zaak betreft – op de voet van art. 1019h Rv. ook de volledige (proces)kosten gevraagd worden.

HR 17-04-2015 levering aandelen CLI Dry Cleaning) – bepaling in procesreglement niet verbindend wegens strijd met de wet.

Auteur & Last edit

[MdV, 30-01-2016, bijgewerkt 17-04-2021]

Over Lawyrup

Lawyrup, jouw gratis kennisbank voor burgerlijk (proces)recht! De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht.