LawyrupBurgerlijk wetboekRechtspersonen (Boek 2 B.W.)Algemene bepalingen rechtspersonen (Titel 1, Boek 2 B.W.)

Algemene bepalingen rechtspersonen (Titel 1, Boek 2 B.W.)

Pagina inhoud

Inleiding algemene bepalingen rechtspersonen

Boek 2 Burgerlijk Wetboek behandelt het recht inzake rechtspersonen, en dan met name privaatrechtelijke rechtspersonen. Overheidslichamen – zoals de Staat, de provincies en gemeenten – hebben ook rechtspersoonlijkheid, maar ontlenen hun ontstaan en inrichting aan andere, publiekrechtelijke wetten. Deze rechtspersonen heten dan ook publieke rechtspersonen. Daarnaast hebben kerkgenootschappen ook rechtspersoonlijkheid, maar deze worden ook niet geregeerd door Boek 2 B.W.. Aldus art. 2:2 lid 2 B.W., dat bepaalt: “Zij worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet.”

Dwingend recht

Boek 2 B.W. vormt blijkens art. 2:25 B.W. dwingend recht.

Titel 1 van Boek 2 omvat 35 artikelen (art. 2:1 B.W. tot en met art. 2:25 B.W.). Er zijn dus 10 met een letter genummerde (tussengevoegde) artikelen.

Publiekrechtelijke rechtspersonen en kerkgenootschappen

Boek 2 B.W. is niet van toepassing op overheidslichamen (art. 2:1 lid 3 B.W.). Enerzijds betreft dit de territoriaal bepaalde rechtspersonen, zoals de Staat, de provincies en gemeenten. Anderzijds zijn er tal van “functionele” publieke rechtspersonen (zgn. “PBO’s”). Dit zijn ook publieke rechtspersonen, die binnen hun eigen taakstelling (functie) een eigen groep van “onderdanen” hebben, voor wie zij (materieel) wetten (verordeningen) kunnen uitvaardigen binnen hun taakgebied. Denk aan de Nederlandse Orde van Advocaten, of de waterschappen. En vele andere PBO’s op tal van specifieke terreinen. Deze territoriaal en functioneel bepaalde publieke rechtspersonen hebben ook rechtspersoonlijkheid, maar ontlenen hun ontstaan en inrichting aan andere, publiekrechtelijke wetten (art. 2:1 lid 1 B.W.). Deze rechtspersonen heten dan ook publiekrechtelijke of publieke rechtspersonen.

Rechtspersonen zijn voor het vermogensrecht gelijk aan natuurlijke personen

In art. 2:5 B.W. is bepaald, dat rechtspersonen voor het vermogensrecht gelijk zijn aan natuurlijke personen (tenzij de wet daar in een specifiek geval van afwijkt). Deze bepaling geldt – als enige van Boek 2 B.W. – ook voor publieke rechtspersonen (art. 2:1 lid 3 B.W.). Publiekrechtelijke rechtspersonen kunnen dus net als privaatrechtelijke op gelijke wijze als natuurlijke personen aan het privaatrechtelijke rechtsverkeer deelnemen: ook zij kunnen eigenaar zijn van een pand, werknemers in dienst nemen, contracten aangaan en aansprakelijk worden voor onrechtmatige handelen (de zgn. “onrechtmatige overheidsdaad”). Zie de pagina Onrechtmatige daad.

Wanneer zij echter handelen in de uitoefening van hun bij wet opgedragen taak wordt hun handelen beheerst door het toepasselijke bestuursrechtelijke wetgeving. Dat geldt ook voor hun inrichting, organisatie en functioneren.

Vertegenwoordiging door functionarissen

Rechtspersonen nemen door middel van vertegenwoordiging deel aan het privaatrechtelijke rechtsverkeer (dus binnen het vermogensrecht zoals onder meer geregeld in Boek 3, Boek 6, Boek 7 en 7A B.W.). Zij zijn voor het vermogensrecht weliswaar gelijk aan natuurlijke personen, maar hebben uiteindelijk natuurlijke personen nodig om voor hen te handelen. Immers zijn rechtspersonen een juridische fictie, een creatie van het recht. Zie ook de pagina Volmacht (en voor de definitie daarvan de pagina Rechtshandelingen). Zij binden met dat handelen niet zichzelf in hun eigen vermogen, maar zij binden de rechtspersoon (mits zij de rechtspersoon bevoegd vertegenwoordigen). Vgl. een autoverkoper in loondienst voor een eenmanszaak: wanneer die een auto verkoopt in het bedrijf van zijn baas, dan sluit hij die koopovereenkomst krachtens vertegenwoordigingsbevoegdheid die voortvloeit uit zijn functie als autoverkoper tussen de eigenaar van het autobedrijf en de klant. Hij wordt daarmee zelf geen partij in de rechtshandeling, en hij bindt dus zichzelf niet in zijn eigen vermogen. Hij staat er feitelijk helemaal buiten. Voor bestuurders en andere vertegenwoordigers van rechtspersonen geldt hetzelfde. Zij binden niet zichzelf maar uitsluitend de rechtspersoon uit hoofde van hun vertegenwoordigingsbevoegdheid. Slechts in uitzonderingsgevallen (overtreding van hun volmacht of aan hen persoonlijk te verwijten onrechtmatig handelen) kan hun vertegenwoordigingshandeling voor henzelf in hun eigen vermogen gevolgen hebben.

Kerkgenootschappen

Daarnaast hebben kerkgenootschappen ook rechtspersoonlijkheid, maar deze worden ook niet geregeerd door Boek 2 B.W.. Aldus art. 2:2 lid 2 B.W., dat bepaalt: “Zij worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet.”

Rechtspersoonlijkheid

In art. 2:3 B.W. somt de wet de entiteiten op, die rechtspersoonlijkheid bezitten: Verenigingen, stichtingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen, naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid. De laatste twee zijn zgn. kapitaalvennootschappen: hun vermogen is verdeeld in aandelen, die worden gehouden door de aandeelhouders.

De vereniging en de stichting zijn de zgn. “ideële rechtspersonen”: zij dienen niet (althans niet primair) een zakelijk, maar een ideëel doel: zoals een sportvereniging het bevorderen van sportieve activiteiten. In hun statuten moet dit ideële doel ook worden vermeld. Coöperaties zijn bijzondere verenigingen, die als doel hebben ten dienste te staan aan de ondernemingen van de deelnemers. Zoals een coöperatieve melkfabriek: die verwerkt ten behoeve van alle aangesloten melkveehouders de melk die zij produceren. De coöperatie heeft dus wel een zakelijk doel. Onderlinge waarborgmaatschappijen zijn een soort coöperatieve verzekeringingsmaatschappijen.

Zoals al bleek uit de bepalingen inzake overheden en kerkgenootschappen zijn dit niet de enige entiteiten die rechtspersoonlijkheid hebben. Het zijn ook niet de enige civielrechtelijke rechtspersonen: daarnaast kan de wet nog andere rechtspersonen in het leven roepen. Bij voorbeeld het EESV en de Vereniging van Eigenaren. In het in 2011 ingetrokken wetsvoorstel inzake de personenvennootschappen was voorgesteld bepaalde personenvennootschappen ook rechtspersoonlijkheid te verlenen.

Oprichting van de rechtspersoon

Rechtspersonen worden opgericht door een daartoe strekkende rechtshandeling van één of meerdere natuurlijke personen, of andere rechtspersonen (de oprichters) (zie ook de pagina Rechtshandelingen).

De oprichting moet in beginsel steeds plaatsvinden door middel van een schriftelijke akte, ondertekend door een notaris. In de regel worden rechtspersonen opgericht door middel van een daartoe door de notaris opgestelde authentieke akte, waarin ook de statuten van de rechtspersoon zijn vastgelegd (zie ook de pagina Authentieke en onderhandse akte). De statuten zijn de “interne wet” van de rechtspersoon, die het doel, de organisatie en het functioneren van de rechtspersoon regelt. Deze moeten wel aan allerlei voor de betreffende rechtspersoon in de wet opgenomen eisen voldoen. Een niet authentieke akte staat niet aan de oprichting in de weg, behalve wanneer de oprichting bij testament plaatsvindt.

Zonder oprichtingsakte ondertekend door een notaris kan de rechtspersoon niet in het leven worden geroepen (art. 2:4 B.W.). Uitzondering is de niet officiële vereniging. Die kan wel zonder akte worden opgericht, maar mist dan bepaalde eigenschappen die de formele vereniging wel heeft.

Publicatie van statuten en bevoegdheidsbeperkingen

De statuten van rechtspersonen worden gedeponeerd bij het handelsregister. Ook andere documenten met betrekking tot de rechtspersoon, zoals reglementen, kunnen langs die weg gepubliceerd worden. De rechtspersoon kan zich op wijzigingen daarvan slechts beroepen, nadat de publicatie daarvan heeft plaatsgevonden (art. 2:6 lid 1 B.W.).

Externe werking van beperkingen in de vertegenwoordigingsbevoegdheid

Voor de bevoegdheid tot vertegenwoordiging van de rechtspersoon kunnen in de statuten beperkingen worden opgenomen, zoals bij voorbeeld de voorwaarde, dat slechts twee bestuurders gezamenlijk bevoegd zijn rechtshandelingen namens de rechtspersoon aan te gaan.

Wanneer de rechtspersoon zich daarop wil kunnen beroepen tegenover derden, dan zal die beperking in de daartoe bestemde registers openbaar gemaakt moeten worden. Voordat de publicatie heeft plaatsgevonden, heeft de beperking geen externe werking jegens wederpartijen, die van die beperking onkundig waren (art. 2:6 lid 2 B.W.).

Onjuistheden in de inschrijving

De rechtspersoon kan zich tegenover derden niet beroepen op onjuistheden in de openbare registers (art. 2:6 lid 3 B.W.).

Onbekendheid met de gepubliceerde gegevens

Omgekeerd kan een wederpartij zich niet beroepen op onbekendheid met in de openbare registers gepubliceerde informatie. Eenieder wordt geacht die te raadplegen, wanneer dit voor hem relevant kan zijn (art. 2:6 lid 4 B.W.). Een voorbeeld waarin zich daarover (zijdelings) een discussie ontspon biedt het arrest Hof Den Haag 18 maart 2014 (TPB/Eneco Beheer).

Lees meer over Hof Den Haag 18 maart 2014 (TPB/Eneco Beheer)

In het arrest Hof Den Haag 18 maart 2014 (TPB/Eneco Beheer) probeerde pandhouder TPB zich nog aan de stoeprand vast te houden door te stellen, dat de aan haar verpande vorderingen van het gefailleerde bedrijf DVO Projectenbureau gericht aan een door juridische fusie opgeheven dochtervennootschap van Eneco Beheer niet verjaard waren, althans de verjaring redelijkerwijs aan haar niet kon worden tegengeworpen, omdat Eneco haar niet had geattendeerd op de fusie. Eneco Beheer was op basis van een 403-verklaring hoofdelijk aansprakelijk voor die schulden van haar dochtervennootschap. Het Hof besliste, dat – daargelaten het feit dat de verjaring gelijkelijk werkt tegenover de hoofdelijk aansprakelijke moeder – het feit van de onbekendheid met de juridische fusie niet ter zake deed. En bovendien moest de pandhouder bekend verondersteld worden met die fusie omdat die in de registers gepubliceerd was. In cassatie wijst de Hoge Raad het cassatieberoep ex art. 81 RO af zonder daar verder veel woorden aan vuil te maken.

Vernietiging van een rechtshandeling wegens doeloverschrijding

De rechtspersoon kan een rechtshandeling vernietigen, indien daardoor het statutaire doel van de rechtspersoon werd overschreden en de wederpartij dit wist of – zonder eigen onderzoek – moest weten (art. 2:7 B.W.). Alleen de rechtspersoon kan de vernietiging inroepen; een wederpartij bij de rechtshandeling niet. Zie over de vernietiging van rechtshandelingen nader de pagina Rechtshandelingen. Het beroep op vernietiging wegens doeloverschrijding komt blijkens de schaarse rechtspraak daarover niet vaak voor.

Dit beroep op vernietiging is overigens een ander beroep dan het intern gerichte beroep op vernietiging van besluiten van de rechtspersoon zelf, dat hierna wordt behandeld (art. 2:15 B.W. en volgende).

Goede trouw binnen de rechtspersoon

Een belangrijk kapstokartikel is art. 2:8 lid 1 B.W., dat bepaalt dat de rechtspersoon zich in de interne verhoudingen moet gedragen volgens de eisen van redelijkheid en billijkheid. Deze norm geldt volgens de wet voor haar gedragingen jegens “degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken”. Zoals de bestuurders, aandeelhouders en andere organen en personen. Deze norm geldt ook voor hen onderling.

Dit voorschrift is de exponent binnen het rechtspersonenrecht van het voorschrift van art. 6:2 B.W. dat als algemene regel geldt binnen het verbintenissenrecht (zie de pagina Algemene bepalingen verbintenissen) en voor het overeenkomstenrecht art. 6:248 B.W.. Op zichzelf logisch, omdat een rechtspersoon verbintenissen schept tussen de betrokkenen, en ontstaat uit een overeenkomst tot het oprichten ervan. De afzonderlijke bepaling is nodig (of althans nuttig), omdat de rechtspersoon na de oprichting een eigen leven met bijzondere onderlinge betrekkingen leidt conform de specifieke regels van de wet voor die rechtspersoon plus haar eigen statuut.

In het arrest HR 1 maart 2002 (enquete Zwagerman mobiele kranen) oordeelde de Hoge Raad, dat de Ondernemingskamer op grond van art. 2:8 B.W. tot het oordeel kon komen, dat het bestuur van de vennootschap – en de meerderheidsaandeelhouder(s) – zich de gerechtvaardigde belangen van de minderheidsaandeelhouders aantrekken, wat des te meer geldt bij een familiebedrijf. En dat er in casu sprake was van wanbeleid, zodat het nodig was maatregelen te treffen.

De rechter moet zich bij de toetsing van besluiten van de rechtspersoon aan de maatstaf van art. 2:8 B.W. echter terughoudend opstellen, aldus HR 12 juli 2013 (VEB c.s./KLM).

Lees de overwegingen in HR 12 juli 2013 (VEB c.s./KLM)

De Stichting VEB had de vernietiging op grond van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a en b, BW gevorderd van door de prioriteitsaandeelhouders KLM genomen besluiten, stellende dat bij die besluitvorming onvoldeonde rekening was gehouden met de gerechtvaardigde belangen van de minderheidsaandeelhouders bij een redelijk dividend. Het Hof had de vordering tot vernietiging afgewezen. De Hoge Raad wees de klachten van de VEB van de hand, met de volgende overwegingen.

De toetsing van de besluitvorming aan art. 2:8 B.W. vereist niet dat aan bepaalde formele regels moet worden voldaan. In r.o. 3.3.3 overweegt de Hoge Raad:

“… Hoewel bij het nemen van een besluit als het onderhavige inderdaad rekening moet worden gehouden met de belangen van de minderheidsaandeelhouders bij een redelijk dividend, kan in zijn algemeenheid aan de totstandkoming van een dergelijk besluit niet op grond van de in art. 2:8 BW bedoelde redelijkheid en billijkheid de – formele – eis worden gesteld dat die belangen in het door de statuten vereiste voorafgaande overleg met bestuur en commissarissen ter sprake zijn gebracht op straffe van vernietigbaarheid van dat besluit. Ook zonder dat die belangen in het voorafgaande overleg uitdrukkelijk ter sprake zijn gebracht of bij die gelegenheid daaraan bijzondere aandacht is geschonken, kan immers voldoende rekening zijn gehouden met die belangen. Dat is niet anders in een geval als het onderhavige, waarin de prioriteitsaandeelhouders die besluit A hebben genomen, grootaandeelhouder zijn in de algemene vergadering van aandeelhouders waarin besluit B is genomen, en VEB c.s. daarin minderheidsaandeelhouders zijn.”

De Hoge Raad bevestigt de maatstaf van het arrest Zwagerman uit 2002 (r.o. 3.4.2):

“De in art. 2:8 BW neergelegde regel dat de vennootschap en degenen die krachtens de wet en de statuten bij haar organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd, brengt onder meer mee dat de vennootschap zorgvuldigheid moet betrachten met betrekking tot de belangen van al haar aandeelhouders. De uitwerking van deze zorgvuldigheidsplicht zal mede afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer in aanmerking mag worden genomen dat sprake is van minderheidsaandeelhouders en meerderheidsaandeelhouders (vgl. HR 1 maart 2002, Zwagerman). Nu de houders van prioriteitsaandelen grootaandeelhouder waren in de algemene vergadering van gewone aandeelhouders die op 3 juli 2008 besluit B nam, neemt onderdeel 4.3 terecht tot uitgangspunt dat zij bij het nemen van besluit A de nodige zorgvuldigheid met betrekking tot de belangen van minderheidsaandeelhouders zoals VEB c.s. moesten betrachten.”

In r.o. 3.4.3 zegt de Hoge Raad echter, dat de rechter terughoudend moet zijn in die toetsing:

“Dit laat echter onverlet dat de rechter terughoudendheid past bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Het hof heeft deze terughoudendheid in de hiervoor in 3.2.3 weergegeven rov. 3.26-3.27 met juistheid vooropgesteld.”

Derogerende werking redelijkheid en billijkheid bij rechtspersonen

Naar analogie van art. 6:248 lid 2 B.W. is ook in art. 2:8 lid 2 B.W. bepaald, dat een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Aansprakelijkheid bestuurder rechtspersoon

Iedere bestuurder van een rechtspersoon is tegenover de rechtspersoon aansprakelijk voor een behoorlijke taakvervulling (art. 2:9 lid 1 B.W.). Tot de taak van de bestuurder behoren alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de wet of de statuten aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld. Het gaat hierbij alleen om de statutaire bestuurder(s), die – al dan niet samen met anderen – het bestuur van de rechtspersoon vormt. Art. 2:9 B.W. ziet niet op de aansprakelijkheid van een bestuurder die slechts in naam “directeur” of “lid van het managementteam” is (de zgn. “titulair directeur”) maar geen statutair bestuurder is.

Deze aansprakelijkheid berust op de (interne) rechtsverhouding tussen de bestuurder en de rechtspersoon. Die kan tevens zijn vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst waarin nadere afspraken kunnen worden vastgelegd, maar wanneer die ontbreekt wordt de taak van de bestuurder in ieder geval ingevuld door de statuten en de wettelijke bepalingen.

Alleen de rechtspersoon zelf kan zich op deze bepaling beroepen. Het is immers een interne aansprakelijkheid op basis van hetgeen tussen rechtspersoon en bestuurder is afgesproken dan wel uit de wet voortvloeit.

Collectieve aansprakelijkheid van het bestuur van de rechtspersoon

De aansprakelijkheid van iedere bestuurder is collectief voor het gehele bestuursoptreden (art. 2:9 lid 2 B.W.). Elke bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Hij is voor het geheel aansprakelijk terzake van onbehoorlijk bestuur.

Disculpatie van een bestuurder

De wet maakt in lid 2 een uitzondering: een bestuurder kan zich disculperen wanneer hem – mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken – geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden. Het is niet eenvoudig voor een bestuurder zich te disculperen, op basis van het argument dat de fout niet onder zijn taak viel. Hoofdregel is collectieve aansprakelijkheid, ontslag van een individuele bestuurder uit de gezamenlijke aansprakelijkheid is de uitzondering. De bestuurder, die bezwaar maakt tegen een bepaalde bestuursbeslissing, en zich daar vervolgens toch maar bij neerlegt, kan zich daarna niet meer disculperen. In dat geval had de bestuurder hetzij zijn verzet moeten doorzetten, dan wel ontslag moeten nemen als uiterste consequentie om onder aansprakelijkheid uit te komen.

Externe aansprakelijkheid bestuurder

De aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van art. 2:9 B.W. is niet zonder meer dezelfde als de externe aansprakelijkheid – op grond van onrechtmatige daad of bvb. art. 2:248 B.W. jegens de curator na faillissement van de rechtspersoon. Aan de overeenkomsten en verschillen zijn in de rechtsgeleerde literatuur veel artikelen gewijd. Zie ook de pagina Algemene bepalingen onrechtmatige daad.

Boekhoudplicht en bewaarplicht rechtspersoon

In art. 2:10 B.W. is de boekhoudplicht van de rechtspersoon geregeld. Deze verplichting rust op het bestuur van de rechtspersoon. Lid 1 luidt:

“Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend.”

In de rechtspraak van de Hoge Raad zijn de aan de administratie te stellen eisen nader uitgewerkt. In het arrest van HR 10 oktober 2014 (Rosbeek q.q./bestuurders FSM Europe) heeft de Hoge Raad deze regels – onder verwijzing naar het eerdere standaardarrest HR 11 juni 1993 (Brans q.q./Sarper) (dat vanwege het belang ervan inmiddels ook online gepubliceerd is) – weer behandeld. De curator van FSM Europe had de (middellijk) bestuurders hoofdelijk aangesproken voor het tekort in het faillissement op grond van art. 2:248 B.W. jo. art. 2:10 B.W., stellende dat zij niet hadden voldaan aan de boekhoudplicht. Deze vordering had de curator nog aangevuld met een vordering uit hoofde van “onrechtmatige daad” (art. 6:162 B.W.) (zie ook de pagina Algemene bepalingen onrechtmatige daad).

Lees de overwegingen van HR 10 oktober 2014 (Rosbeek q.q./bestuurders FSM Europe)

Zowel rechtbank als Hof hadden de vorderingen van de curator afgewezen. Het Hof overwoog daartoe:

“De door de curator gestelde administratieve gebreken leveren noch afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien een schending op van de boekhoudplicht van art. 2:10 BW, althans heeft de curator dit onvoldoende onderbouwd (rov 4.9.1-4.9.4 van zijn arrest). Bovendien hebben [verweerders] voldoende aannemelijk gemaakt dat andere feiten of omstandigheden dan een schending van de boekhoudplicht van art. 2:10 BW een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest, zodat het vermoeden van art. 2:248 lid 2 BW is ontzenuwd (rov. 4.9.5).

Niet is komen vast te staan dat [verweerders] door de wijze van financiering van de management buy out de belangen van FSM hebben geschaad, of dat zij hun taak als (statutair of feitelijk) bestuurder onbehoorlijk jegens FSM hebben vervuld (rov. 4.10-4.18.10). Ook de door de curator gestelde onrechtmatige daad van [verweerders] is niet komen vast te staan (de tweede rov. 4.18).”

De curator komt tegen dit oordeel op met twee cassatiemiddelen. Het 1e middel klaagt dat het Hof niet is ingegaan op de stelling van de curator, dat de financiering van de management buy out door de bestuurders bij verwerving van FSM onverantwoord was, omdat de aankoop was gefinancierd door FSM zelf met een ongesecureerde lening aan de bestuurders. De Hoge Raad acht het 1e middel gegrond (r.o. 3.4.1 en 3.4.2):

“Onderdeel 1.1 van het middel voert aan dat de curator mede aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd dat [verweerders] als statutair of feitelijk bestuurders van FSM hun taak onbehoorlijk hebben vervuld door in het kader van de management buy out FSM een lening te doen verstrekken aan MPE zonder dat daarvoor zekerheden werden bedongen, terwijl die lening, kort gezegd, niet verantwoord was gelet op de financiële situatie waarin FSM zich bevond en de markt waarin zij opereerde (memorie van grieven 72-81). Het onderdeel klaagt dat het hof niet op deze grondslag van de vorderingen heeft beslist.

3.4.2 Het onderdeel is gegrond. Het hof is in zijn arrest niet ingegaan op deze grondslag van de vorderingen, die de toewijzing ervan kan dragen. De beslissing van het hof is daarom niet naar behoren gemotiveerd.”

In de 2e klacht komt de curator op tegen de beoordeling van de stellingen van de curator, dat de bestuurders niet aan de boekhoudplicht hebben voldaan. Daarbij heeft het Hof de maatstaf van het arrest Brens q.q./Sarper toegepast. De Hoge Raad wijst deze klacht af (r.o. 3.51 tot en met r.o. 3.5.3):

“3.5.1 Onderdeel 2 komt in de eerste plaats op tegen de maatstaf die het hof heeft gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of het bestuur van FSM heeft voldaan aan de boekhoudplicht van art. 2:10 BW. Het klaagt dat het hof ten onrechte, onder verwijzing naar HR 11 juni 1993 (Brens q.q./Sarper), heeft geoordeeld dat aan die plicht is voldaan “indien de boekhouding van een zodanig niveau is dat men snel inzicht kan krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment en deze posities en de stand van de liquiditeiten, gezien de aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie”. Volgens het onderdeel heeft het hof hiermee een te beperkte uitleg gegeven aan de wettelijke boekhoudplicht.

3.5.2 Volgens art. 2:10 lid 1 BW is het bestuur verplicht van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. In het arrest Brens q.q./Sarper heeft de Hoge Raad niet een hiervan afwijkende maatstaf geformuleerd, maar slechts geoordeeld dat hetgeen de feitenrechter in die zaak omtrent de betekenis van de (deels gelijkluidende) voorganger van het artikel had overwogen (art. 2:14 (oud)BW), geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting.

3.5.3 Het hiervoor in 3.5.2 overwogene brengt mee dat de verwijzing van het hof naar het arrest Brens q.q./Sarper niet betekent dat het hof de stellingen van de curator heeft beoordeeld aan de hand van een andere maatstaf dan die van art. 2:10 lid 1 BW. Het hof heeft evenmin miskend, zoals blijkt uit rov. 4.9.2-4.9.3 van zijn arrest, dat voor het antwoord op de vraag of de boekhouding voldoet aan de daaraan aan te stellen eisen, ook andere elementen daarvan van belang kunnen zijn dan de debiteuren- en crediteurenpositie en de stand van de liquiditeiten.”

De beoordeling of is voldaan aan de eisen van art. 2:10 B.W. dient dus – nog steeds – door de feitenrechter te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf van Brens q.q./Sarper. De Hoge Raad heeft met dat arrest niet een andere (minder stricte) uitleg aan die wettelijke bepaling gegeven.

In het arrest Brens q.q./Sarper overwoog de Hoge Raad omtrent art. 2:14 B.W. (oud) (thans art. 2:10 B.W.):

“Die bepaling regelt niet op welke wijze de administratie van de rechtspersoon dient te worden ingericht en volstaat met de eis dat zodanige aantekeningen worden gehouden dat daaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon “kunnen worden gekend”.

… heeft het Hof overwogen dat de administratie van de vennootschap zodanig was dat men “snel inzicht kan krijgen debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment” en dat “deze posities en stand van de liquiditeiten, gezien aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie”. Door op grond van deze … overwegingen te oordelen dat aan de eisen van art. 2:14 lid 1 is voldaan, heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige kan ‘s Hofs oordeel in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard; in het licht van de gedingstukken is het niet onbegrijpelijk en behoefde het geen nadere motivering.”

De hele keten van bestuurders is aansprakelijk

Op grond van art. 2:11 B.W. rust deze aansprakelijkheid hoofdelijk op iedere bestuurder van een reeks rechtspersonen, die elkaars bestuurder zijn. Tot aan de natuurlijk persoon die van de laatste rechtspersoon van de keten bestuurder is. Het moet gaan om de bestuurder, die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.

Zie ook het arrest HR 10 juli 2020 (Hage q.q./Holding en DGA), waar de Hoge Raad het Hof corrigeert, omdat die nalaat de regel van art. 2:11 B.W. toe te passen, waardoor de natuurlijk persoon buiten schot zou blijven (r.o. 3.2).

Besluiten in strijd met de wet nietig

Op grond van art. 2:14 lid 1 B.W. is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, dat in strijd is met de wet of de statuten, nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit.

Bekrachtiging nietig besluit

Is de oorzaak van de omdat het is genomen ondanks het ontbreken van een door de wet of de statuten voorgeschreven voorafgaande handeling van of mededeling aan een ander dan het orgaan dat het besluit heeft genomen, dan kan het door die ander worden bekrachtigd. Is voor de ontbrekende handeling een vereiste gesteld, dan geldt dat ook voor de bekrachtiging (art. 2:14 lid 2 B.W.). Dit is een vorm van convalescentie.

Vernietiging van een besluiten van een rechtspersoon

Besluiten van een rechtspersoon kunnen vernietigd worden in de in art. 2:15 lid 1 B.W. genoemde gevallen:

a. wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen;

b. wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:8 B.W. worden geëist;

c. wegens strijd met een reglement.

Daarnaast kan ook elders in de wet de mogelijkheid van vernietiging van een besluit van een orgaan van een rechtspersoon gegeven worden.

Vernietiging besluit rechtspersoon door de rechter

De vernietiging van een besluit van een rechtspersoon op de hierboven genoemde gronden moet worden gevorderd via de rechter (art. 2:15 lid 3 B.W.).

Omzetting in andere soort rechtspersoon

Een rechtspersoon kan worden omgezet in een ander soort rechtspersoon. Een stichting kan bij voorbeeld worden omgezet in een naamloze vennootschap.

Beklemd vermogen

Wanneer een stichting wordt omgezet in een ander soort rechtspersoon, dan mag het vermogen dat zij bij de omzetting heeft slechts met toestemming van de rechter anders besteed worden dan vóór de omzetting was voorgeschreven. Dit heet “beklemd vermogen” (art. 2:18 lid 6 B.W.). In een procedure bij de Ondernemingskamer in 2011 draaide om het beklemd vermogen. De Hoge Raad besliste, dat de stelling van Stichting PHV dat het door het pensioenfonds op het kapitaal van door haar opgerichte verzekeraars niet beklemd was.

Lees meer over P-G bij HR 21 januari 2011 (Stichting PHV/Aegon c.s.)

In de procedure voor de ondernemingskamer tussen Stichting Belangenbehartiging Pensioengerechtigden van de Vervoer- en Havenbedrijven (Stichting BPVH) en Aegon N.V., Optas Pensioenen N.V. en Optas Schade N.V. stelde Stichting BPVH, dat het bij oprichting op de aandelen van Optas Pensioenen N.V. en Optas Schade N.V. gestorte kapitaal niet goed in de jaarrekening was verantwoord, omdat dit als beklemd vermogen moest worden aangemerkt. Dit omdat deze storting door de Stichting Pensioenfonds voor de Vervoer- en Havenbedrijven (hierna: Stichting PVH), welke stichting op 31 december 1997 is omgezet in de vennootschap Optas Pensioenen (II) N.V., in strijd met art. 2:7 B.W. was (doeloverschrijding). Er was immers pensioengeld gestort, dat voor een meer algemeen doel – de bedrijfsvoering van de beide Optas N.V.’s – werd aangewend. De Ondernemingskamer wees dit van de hand, de P-G en de Hoge Raad volgden haar daarin (zie conclusie P-G 21 januari 2011).

Ontbinding van de rechtspersoon

Het bijzondere van een rechtspersoon is, dat deze – anders dan de mensen die haar uitvoerende instrumenten zijn – in beginsel het eeuwige leven heeft. Een rechtspersoon wordt volgens art. 2:17 B.W. dan ook in principe opgericht voor onbepaalde tijd. Een rechtspersoon kan echter wel worden ontbonden.

Titel 1 wijdt in art. 2:19 B.W.  tot en met art. 2:24 B.W. enkele bepalingen aan de ontbinding van de rechtspersoon: de wijze van ontbinding en de voorwaarden daarvoor, en de wijze van vereffening van het vermogen van de rechtspersoon na ontbinding.

Ontbinding rechtspersoon door Kamer van Koophandel

De Kamer van Koophandel heeft op grond van art. 2:19 lid 1 aanhef en sub e B.W. de bevoegdheid om rechtspersonen te ontbinden. De voorwaarden voor ontbinding door de KvK zijn opgenomen in en art. 2:19a B.W., Met de wijziging van de Handelsregisterwet 2007 in 2019 (zie nader de pagina Handelsregisterwet) is de bevoegdheid van de Kamer van Koophandel uitgebreid tot de situatie, dat de rechtspersoon geen bekend adres meer heeft (in combinatie met de andere voorwaarden).

Bestuurders zijn in beginsel de vereffenaars

Wanneer een rechtspersoon wordt ontbonden, moet nog wel het vermogen ervan worden vereffend. In art. 2:23 lid 1 B.W is bepaald, dat de bestuurders vereffenaar zijn. Dit tenzij de statuten of een rechter anders bepalen.

In het arrest HR 24 april 2020 (DGA 1 en DGA 2/curator) over de opheffing van een faillissement, omdat alle schulden betaald konden worden heeft de Hoge Raad dit nog eens bevestigd.

Lees de overweging uit HR 24 april 2020 (DGA 1 en DGA 2/curator)

De Hoge Raad overwoog in r.o. 4.2.6:

“Opmerking verdient nog dat de curator in het kader van de vereffening van het vermogen van een door insolventie ontbonden rechtspersoon, slechts een taak heeft zo lang het faillissement duurt. Na het einde van het faillissement zijn, indien de rechter geen andere vereffenaars benoemt en de statuten geen andere vereffenaars aanwijzen, de bestuurders van de rechtspersoon met de vereffening van het resterende vennootschapsvermogen belast (art. 2:23 lid 1 BW).”

Groepsvennootschappen

Een rechtspersoon kan verbonden zijn in een groep van rechtspersonen. De wet definieert “groep” in art. 2:24b B.W als volgt:

“een groep is een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. Groepsmaatschappijen zijn rechtspersonen en vennootschappen die met elkaar in een groep zijn verbonden.”

Men spreekt ook wel van een concern of van “gelieerde vennootschappen”, als het gaat om kapitaalvennootschappen. Binnen de groep kunnen rechtspersonen zeggenschap of een aandeel hebben in andere rechtspersonen. Dit wordt een “deelneming” genoemd. Wanneer een rechtspersoon een deelneming heeft in meerdere vennootschappen, dan worden de verhoudingen aangeduid alsof het een familieverband betrof: er kan een moedervennootschap zijn met een aantal dochtervennootschappen, en die zijn dan weer in hun onderlinge verhouding “zustervennootschappen”.

Dochtermaatschappij

De dochtervennootschap (of dochtermaatschappij) wordt gedefinieerd in art. 2:24a B.W.

Stemrecht

Bij de vereniging, de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap is sprake van stemrecht van de leden resp. de aandeelhouders.

Art. 2:24d B.W bepaalt, in welke gevallen geen stemrecht bestaat. In lid 2 wordt ingegaan op de stemrechtloze aandelen, zoals die bij de invoering van de Flexwet per 1 oktober 2012 in de wet zijn opgenomen.

Rechtspraak

Publicatie gegevens rechtspersoon in openbare registers (art. 2:6 B.W.)

Hof Den Haag 18 maart 2014 (TPB/Eneco Beheer) – wederpartij wordt geacht bekend te zijn met in openbare registers gepubliceerde gegevens. Geen onredelijk beroep op verjaring van op grond van art. 2:403 B.W. hoofdelijk aansprakelijke moeder van inmiddels als gevolg van juridische fusie ontbonden dochtervennootschap. Wederpartij had kunnen stuiten en kan zich niet beroepen op onbekendheid.

Redelijkheid en billijkheid rechtspersoon jegens organen en vice versa (art. 2:8 B.W.)

HR 12 juli 2013 (VEB c.s./KLM) – bij de toetsing van besluitvorming binnen de rechtspersoon aan de norm van art. 2:8 B.W. moet de rechter evenwel terughoudend te werk gaan.

HR 1 maart 2002 (enquete Zwagerman mobiele kranen) – het bestuur van de vennootschap – en de meerderheidsaandeelhouder(s) – moeten zich de gerechtvaardigde belangen van de minderheidsaandeelhouders aantrekken, wat des te meer geldt bij familiebedrijf. Wanneer dat niet gebeurt is er sprake van handelen dat strijdig is met art. 2:8 B.W..

Boekhoudplicht (art. 2:10 lid 1 B.W.)

HR 10 oktober 2014 (Rosbeek q.q./bestuurders FSM Europe) – de maatstaf voor de toetsing aan art. 2:10 lid 1 B.W. (voorheen art. 2:14 B.W. oud) is ongewijzigd gebleven ten opzichte van het arrest Brens q.q./Sarper.

HR 11 juni 1993 (Brans q.q./Sarper) – (standaardarrest) Die bepaling regelt niet op welke wijze de administratie van de rechtspersoon dient te worden ingericht en volstaat met de eis dat zodanige aantekeningen worden gehouden dat daaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon “kunnen worden gekend”. Het Hof  heeft overwogen dat de administratie van de vennootschap zodanig was dat men “snel inzicht kan krijgen debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment” en dat “deze posities en stand van de liquiditeiten, gezien aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie”. Deze maatstaf is naar het oordeel van de Hoge Raad juist. Daarbij geldt, dat het verkrijgen van dit inzicht wel enige inspanning mag vergen, maar wel binnen redelijke termijn te verkrijgen is.

Hele keten bestuurders is aansprakelijk tot en met de natuurlijk persoon (art. 2:11 B.W.)

HR 10 juli 2020 (Hage q.q./Holding en DGA) – het Hof laat gelet op art. 2:11 B.W. ten onrechte na om ook de vorderingen tegen de natuurlijk persoon die bestuurder is van de bestuurder van de failliete vennootschap toe te wijzen.

Beklemd vermogen na omzetting stichting (art. 2:18 lid 6 B.W.)

P-G 21 januari 2011 (Stichting PHV/Aegon c.s.) – vermogen door Pensioenstichting op de aandelen gestort bij oprichting verzekeraars geen beklemd vermogen.

Auteur & Last edit

[MdV, 3-04-2020; laatste bewerking 27-02-2021]

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.

Vond je deze content nuttig? Steun Lawyrup met een donatie naar keuze.

Doneren