Executoriaal beslag onder derden (Afd. 2, Titel 2, Boek 2 Rv.)

Inleiding executoriaal derdenbeslag

Wanneer een schuldeiser een executoriale titel heeft verkregen moet hij deze eerst door middel van een deurwaardersexploit aan de schuldenaar laten betekenen. Zie de pagina Algemene regels tenuitvoerlegging. Betaalt de schuldenaar niet, dan is één van de mogelijkheden beslag onder derden (ook wel derdenbeslag genaamd).

Een derdenbeslag kan een beslag zijn op goederen die een derde onder zich heeft (bvb. roerende zaken) of op vorderingen, die de schuldenaar op de derde heeft. Ook beslag op een voorwaardelijke vordering (art. 6:21 jo. 6:23 B.W.) is mogelijk (zie voor een minder succesvolle poging Hof Arnhem-Leeuwarden 16 juni 2017). De vordering waarop beslag wordt gelegd hoeft nog niet opeisbaar te zijn (art. 477 lid 3 Rv.). De meest voorkomende vormen van derdenbeslag op vorderingen zijn het loonbeslag en het bankbeslag. Zie voor een verdieping van deze materie ook het e-Book executoriaal derdenbeslag van Mike van Lingen.

Wanneer er al eerder een conservatoir derdenbeslag is gelegd, kan de schuldeiser de openbare executoriale verkoop van de onder de derde berustende goederen ter hand (laten) nemen, of vorderingen die de schuldenaar op de derde heeft uitwinnen aan de hand van de daarvoor gegeven wettelijke regels. Zie voor de regels inzake betekening en executie na een conservatoir beslag de pagina Conservatoir beslag onder derden.

De wettelijke regeling van executoriaal derdenbeslag staat in Afd. 2, Titel 2, Boek 2 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. Deze afdeling omvat 19 bepalingen (art. 475 Rv. tot en met art. 479a Rv.).

NB: omdat de invoering van digitaal procederen is afgelast, maar er wel twee versies van de wet zijn (digitaal en niet-digitaal) moet je goed opletten in welke versie je zit. In beginsel wordt in het onderdeel executierecht – sinds medio 2018 – weer verwezen naar de niet-digitale versie.

Wijze van executoriaal derdenbeslag leggen

Het executoriaal derdenbeslag wordt gelegd door middel van een deurwaardersexploot (art. 475 Rv.). Op de naleving van de formele eisen m.b.t. de inhoud van het exploot ziet de deurwaarder toe.

De derde moet vervolgens verklaring doen van hetgeen hij onder zich heeft ten behoeve van de schuldenaar. Zie hierna voor de nadere uitwerking van de regels over die verklaring.

Betekening van het beslag aan de geëxecuteerde

Het beslag moet binnen 8 dagen aan de geëxecuteerde worden betekend. Gebeurt dit niet tijdig, dan kan deze de Voorzieningenrechter vragen om opheffing van het beslag (art. 475i Rv.). De wetgever heeft er expliciet voor gekozen deze verplichting niet met nietigheid te sanctioneren, om de derde niet te belasten met het onderzoek of volgens de wet aan de beslagene is betekend. De deurwaarder, die dit verzuimt, maakt echter wel een tuchtrechtelijk verwijtbare fout (Bron: Ambtsbericht KBvG week 50 van 2011).

Niet onder het derdenbeslag vallende goederen en beslagvrije voet

Art. 475a Rv. somt enkele goederen en vorderingen op, waarop beslag niet mogelijk is. Bij de opgaaf door de derde zullen deze dus buiten beschouwing gelaten moeten worden.

In art. 475b Rv. is bepaald, dat voor periodieke aanspraken een beslagvrije voet geldt. Een deel van deze vorderingen dient te worden vrijgelaten, zodat de schuldenaar niet beroofd wordt van ieder inkomen.

De beslagvrije voet geldt niet van rechtswege voor schuldenaren, die niet in Nederland wonen (art. 475e Rv.). Zij kunnen wel toepassing daarvan vragen, maar moeten dan een verzoek indienen bij de Kantonrechter waarbij zij hun inkomen en lasten zullen moeten aantonen.

Beslagvrije voet

Van het inkomen van een schuldenaar waarop beslag gelegd wordt, wordt een deel vrij gelaten. Dit is de zgn. beslagvrije voet. De deurwaarder moet de beslagene opgaaf doen van het vrij te laten bedrag (art. 475g lid 1 Rv., laatste volzin). De beslagvrije voet wordt berekend volgens een door de wetgever vastgesteld model. In de basis komt dit er op neer, dat de geëxecuteerde van zijn inkomen of uitkering in ieder geval 90% van de bijstandsnorm mag behouden. Daarop zijn toeslagen mogelijk als de geëxecuteerde extra woonlasten, ziektekosten en enkele andere bijkomende vaste uitgaven heeft. In het normbedrag zijn voor die vaste lasten normbedragen opgenomen, die van het werkelijke bedrag worden afgetrokken om dubbeltelling te voorkomen. In art. 475c en 475d Rv. is nader uitgewerkt voor welke bronnen van inkomen dit geldt en hoe de berekening gemaakt moet worden. Op internet zijn rekentools te vinden voor de berekening van de beslagvrije voet.

De beslagvrije voet is niet hetzelfde als het zogeheten “vrij te laten bedrag” in de schuldsanering (ook wel afgekort als VTLB).

Rechtspraak beslagvrije voet

In de rechtspraak over derdenbeslag is een trend te ontdekken, die inhoudt dat de rechter een zekere reflexwerking willen geven aan de beslagvrije voet. Dit om te vermijden dat door beslag op een bankrekening de beslagvrije voet wordt ondermijnd en het beslagvrije inkomen alsnog aan de beslaglegger toevalt. Het is opvallend dat rechters in hun vonnissen eerst de hoofdregel van het executierecht opnemen, inhoudende dat de betreffende rechter in beginsel aangeeft dat bij een bankbeslag geen beslagvrije voet geldt. Daarna wordt de uitspraak op de casus toegepast en volgt (soms) een nuancering op deze hoofdregel.

Uit het vonnis d.d. 25 maart 2016 van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam blijkt dat de rechter de hiervoor bedoelde hoofdregel aangeeft (dat bij een bankbeslag geen beslagvrije voet geldt, r.o 4.7). Dan volgt de nuancering:

“4.8 Wel zal steeds op grond van de concrete omstandigheden van het geval moeten worden nagegaan of het beslag aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan (…)”. [Vrz Rechter Amsterdam 25-03-2016]

De voorzieningenrechter hief het beslag onder de bank op, voor zover het door het beslag getroffen banksaldo de beslagvrije voet te boven ging.

Al in 2009 werd door dezelfde Voorzieningenrechter een soortgelijk vonnis gewezen. De rechter hief een gelegd bankbeslag op voor zover het banksaldo de voor de schuldenaar geldende beslagvrije voet van € 1.248,32 te boven ging. De Voorzieningenrechter overwoog in r.o. 4.6:

“Weliswaar verbindt de wet aan een dergelijk beslag – dat immers geen beslag is op vorderingen tot periodieke betalingen – geen beslagvrije voet maar dat betekent niet dat in een geval als het onderhavige de schuldeiser zich geen rekenschap hoeft te geven van de omstandigheid dat met dat beslag juist dat inkomen, onderscheidenlijk het gedeelte daarvan wordt geblokkeerd, dat de schuldenaar nodig heeft voor de noodzakelijke kosten van zijn bestaan (…) [Vrz Rechter Amsterdam 16-11-2009]

Het lijkt er op dat Voorzieningenrechters steeds vaker de neiging hebben soortgelijke vonnissen te wijzen. Zo blijkt uit het vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Breda d.d. 5 februari 2019 uit r.o. 3.7 het volgende:

(…) Nu in dit geval sprake is van beslag op een banksaldo en niet op een periodieke uitkering, geldt strikt genomen geen beslagvrije voet. Dat neemt niet weg dat een beslag op een bankrekening die uitsluitend wordt gevoegd door periodieke uitkeringen, waarop geen beslag mogelijk is zonder toepassing van een beslagvrije voet onrechtmatig kan zijn, indien aannemelijk is dat deze wetsbepalingen daarmee worden omzeild, met als gevolg dat de schuldenaar onvoldoende middelen overhoudt om te kunnen voorzien in zijn levensbehoeften (…). (Vrz rechter Breda 05-02-2019)

In deze procedure wees de Voorzieningenrechter de vordering van de schuldenaar, i.c. opheffing van een bankbeslag onder last van een dwangsom, af. Reden hiervoor was dat de schuldenaar tijdens die procedure niet duidelijk inzichtelijk had gemaakt dat de gelden die door het bankbeslag werden getroffen uitsluitend periodieke uitkeringen of toeslagen betroffen. Daarnaast had de schuldenaar niet duidelijk gemaakt dat hij niet beschikte over andere bronnen van inkomsten.

Niet alleen bij de “lagere” rechters is een verschuiving van de hoofdregel, inhoudende dat bij een bankbeslag geen beslagvrije voet geldt, te zien.

Ook een appèlrechter, zoals bij voorbeeld het Gerechtshof Amsterdam, heeft zich in hoger beroep in een executiegeschil gebogen over het feit of een bankbeslag ‘vexatoir’ kan zijn. In deze casus was er sprake van een beslag onder de bank en een uitkerende instantie. In r.o. 4.6 overweegt het Hof:

“Het hof overweegt dat derdenbeslag onder de bank, terwijl ook beslag gelegd is onder de uitkerende instantie, onder omstandigheden vexatoir kan zijn. Daarvan zou bijvoorbeeld sprake kunnen zijn wanneer op de desbetreffende bankrekening(en) geen andere gelden dan uit hoofde van de uitkering aanwezig zijn of ontvangen worden, zodat de debiteur als gevolg van het beslag niet meer in staat zou zijn in zijn primaire levensbehoeften te voorzien (…)”. [Hof Amsterdam, 24-05-2007].

Ondanks deze overweging van het Hof werd het beslag niet opgeheven, omdat de schuldenaren onvoldoende hadden aangetoond dat zij over onvoldoende middelen van bestaan beschikten.

Tuchtrechtspraak gerechtsdeurwaarders

In de tuchtrechtspraak wordt, net als bij de civiele rechtspraak, het beginsel aangehouden dat bij een bankbeslag geen beslagvrije voet geldt. Het hoogste tuchtcollege die toezicht houdt op gerechtsdeurwaarders, het Gerechtshof Amsterdam, gaf dit ook aan in zijn uitspraak van 22 augustus 2017. Ondanks de terughoudendheid van de tuchtrechter blijkt uit r.o. 6.1:

“dat onder omstandigheden sprake kan zijn van misbruik van recht indien beslag wordt gelegd op een bankrekening die uitsluitend door een uitkering of loon wordt gevoed, terwijl de beslagene geen ander inkomen heeft waaruit zijn primaire levensbehoeften worden voldaan en de gerechtsdeurwaarder met die omstandigheid bekend is of moest zijn.”

Hetzelfde Gerechtshof ging in zijn beslissing van 28 augustus 2018 een stap verder. In deze uitspraak lijkt het er op dat de deurwaarder actief een beslagvrije voet moet toepassen wanneer er sprake is van een bankbeslag. Het Hof overwoog:

(…) 5.1 Het hof stelt voorop dat thans enkel de vraag voorligt of de gerechtsdeurwaarders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld door op het bankbeslag geen beslagvrije voet toe te passen. Hoewel bij een bankbeslag in beginsel geen rekening hoeft te worden gehouden met de beslagvrije voet, kan het onder omstandigheden tuchtrechtelijk laakbaar zijn dat niet te doen (…).

5.2. Gelet op de hoogte van het bij het bankbeslag getroffen bedrag (vrijwel gelijk aan de bijstandsuitkering van klaagster) alsmede gelet op de inhoud van de door klaagster aan de gerechtsdeurwaarders verstrekte stukken over haar financiële situatie, hadden de gerechtsdeurwaarders naar het oordeel van het hof onverwijld moeten overgaan tot toepassing van de beslagvrije voet. Er was onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de beslagen bankrekening door andere inkomsten dan de bijstandsuitkering van klaagster werd gevoed of dat er nog andere inkomsten zouden zijn. Voor het bestaan van zwarte inkomsten uit de (reeds in 2014 uit het handelsregister uitgeschreven) eenmanszaak was destijds geen, althans onvoldoende bewijs. Door het niet toepassen van de beslagvrije voet op het bankbeslag, hebben de gerechtsdeurwaarders naar het oordeel van het hof tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

[Hof Amsterdam 28-08-2018] klacht tegen deurwaarders wegens beslag op bankrekening waarop net bijstandsuitkering was bijgeschreven

De gerechtsdeurwaarders in kwestie waren in appèl gekomen van een beslissing van de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders. In deze casus was sprake van een uitkering volgens de Participatiewet waarop al beslag lag. Het bankbeslag was één dag later gelegd dan wanneer de uitkering was gestort, aldus de Kamer. De Kamer oordeelde dat een beslagvrije voet had moeten worden toegepast, waarna de maatregel van berisping werd opgelegd (in beroep van Kamer voor Gerechtsdeurwaarders, 7-07-2017).

Preadvies bestaansminimum en bankbeslag

De leden van de Aansluitend bij deze ontwikkeling hebben de leden van de KBvG een “Preadvies Bestaansminimum en Bankbeslag” opgesteld, waarin zij voor een “beslagvrij bedrag bij bankbeslagen” pleiten. Zie ook het Blog inzake Preadvies bestaansminimum van de hand van Mike van Lingen.

Inlichtingenverplichting schuldenaar

De schuldenaar is verplicht aan de deurwaarder die gerechtigd is beslag te leggen opgaaf te doen van zijn inkomen en vermogen (art. 475g lid 1 Rv.).

Ook moet hij opgaaf doen van het inkomen van zijn partner. Doet hij dat laatste niet, dan kan als straf de beslagvrije voet gehalveerd worden (lid 2). De eenvoudige opgaaf, dat de partner geen inkomsten heeft kan – mits dat juist is – op zichzelf volstaan. De deurwaarder kan niet zonder gegronde redenen om meer informatie (bvb. inzage in bankafschriften) vragen om na te gaan of die mededeling juist is. Vgl. Rb. Overijssel 23 juni 2017 (r.o. 4.7), 4e alinea).

De deurwaarder kan die informatie ook bij derden opvragen, en die zijn verplicht desgevraagd opgaaf te doen (lid 3).

Verkapt loonbeslag

Een schuldeiser / executant kan ook beslag leggen onder een derde, voor wie de schuldenaar regelmatig werkzaamheden verricht, zonder daarvoor betaald te krijgen (art. 479a Rv.). Dit noemt men beslag op “verkapt loon”. Wanneer de derde niet mee wil werken, dan zal dit aanleiding geven tot een verklaringsprocedure.

Verklaring door de derde

De deurwaarder overhandigt aan de derde een afschrift van het beslagexploot, met een formulier (in tweevoud) waarmee de derde conform art. 476b Rv. opgaaf moet doen van hetgeen hij voor de geëxecuteerde onder zich heeft. Dit zoveel mogelijk met bescheiden ter staving van de opgaaf (art. 476b lid 2 Rv.). De deurwaarder of advocaat die deze verklaring ontvangt, moet daarvan binnen drie dagen een exemplaar aan de schuldenaar (de geëxecuteerde) sturen, zodat ook die op de hoogte raakt van de inhoud van de verklaring (art. 476b lid 3 Rv.).

Met betrekking tot de af te leggen verklaring geeft het Besluit verklaring derdenbeslag enkele regels, met name de inhoud van het formulier. De derde is overigens niet verplicht de verklaring in deze vorm te doen (zie ook het arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 17-09-2013 ).

De derde moet zijn verklaring doen zodra vier weken na de beslaglegging zijn verstreken (art. 476a Rv). Dit behoudens een evt. schorsing van het beslag (art. 476 Rv.). Wanneer de beslagen vordering voorwaardelijk is (zie art. 6:21 e.v. B.W.), dan is het bedrag pas opeisbaar na vervulling van de voorwaarde (art. 477 lid 3 Rv.). Zie ook het arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 13 juni 2017.

De derde mag tegenvorderingen op de geëxecuteerde verrekenen, mits aan de vereisten voor verrekening (art. 6:130 lid 2 B.W.) is voldaan. Dat wil zeggen de tegenvordering moet ontstaan (zijn) uit dezelfde rechtsverhouding (dan kunnen ook later opgekomen tegenvorderingen verrekend worden), dan wel zijn ontstaan voor het beslag. De verrekeningsbevoegdheid kan ook uit contractuele afspraken voortvloeien.

Zie rechtbank Amsterdam d.d. 18 oktober 2017 en Gerechtshof ’s Hertogenbosch, 26 mei 2015, en Hoge Raad, 10 maart 1995, NJ 1996, 299). Wanneer de derde is vergeten verrekening in te roepen, kan dit nog worden hersteld. Vgl. Rb. Amsterdam 2 augustus 1995 (NJ 1999, 9), waar de derde-beslagene door middel van een brief aan de deurwaarder alsnog de verrekening inriep.

En verder de pagina verrekening.

Ook mag de derde – als met het beslag voor hem aanzienlijke kosten gemoeid zijn – een vergoeding vorderen voor deze kosten. Zie rechtbank Amsterdam d.d. 11 oktober 2017.

Bij conservatoir derdenbeslag hoeft de derde nog niet direct verklaring te doen, hoewel die indruk vaak wel gewekt wordt door de deurwaarder. Sommigen menen, dat de derde wel reeds in die fase verplicht is te verklaren. Banken leggen doorgaans wel vrijwillig de verklaring ook bij conservatoir beslag meteen af. Dat is praktisch, omdat er dan snel duidelijkheid ontstaat of het beslag doel heeft getroffen. Daardoor kunnen onnodige procedures (en kosten) worden vermeden. NB recent heeft rechtbank Limburg beslist dat de beslaglegger in de conservatoire fase wel gedwongen kan worden te verklaren. Zie over deze discussie nader de pagina conservatoir derdenbeslag.

De gegevens die moeten worden opgenomen in de verklaring zijn opgesomd in art. 476a lid 2 Rv., aanhef en sub a t/m f (aldus Pres. Rb. Utrecht kort geding vonnis d.d. 23 september 1997, NJ 1999, 16).

Verklaringsprocedure

Blijft de derde in gebreke om verklaring te doen, dan kan de executant vorderen dat de derde veroordeeld wordt aan hem het volledige bedrag te voldoen, dat de executant van de schuldenaar mag innen, plus eventuele schade (art. 477a lid 1 Rv.). De derde-beslagene kan hieraan ontkomen door alsnog een gerechtelijke verklaring te doen, maar moet dan wel de extra kosten vergoeden.

Aan het instellen van deze vordering is kennelijk geen termijn verbonden, anders dan wanneer de derde wel een verklaring heeft gedaan. Ik leid dit af uit het arrest van Hof Amsterdam d.d. 11-08-2009 (met name gelet op de data genoemd in sub (iii) en (iv), r.o. 2.1.). In die casus zat er ruim 5 jaar tussen executoriaal beslag en het – desgevraagd – afleggen van de verklaring door de derde. Het stilzitten van de executant stond kennelijk niet in de weg aan het later vervolgen van het beslag, zo lang de derde niet verklaard had.

Betwisting van de verklaring

Termijn betwisting

Wanneer de derde wel een verklaring doet, maar de executant deze betwist, dan kan de executant de derde-beslagene in rechte betrekken door de derde binnen twee maanden na zijn verklaring te dagvaarden tot het doen van gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van hetgeen volgens de vaststelling door de rechter aan de executant zal blijken toe te komen (lid 2).

Wanneer de executant nalaat dit tijdig te doen, dan vervalt deze bevoegdheid. Blijkens het arrest van de Hoge Raad d.d. 21 januari 2005 (Ontvanger/Hurricane) leidt het niet tijdig (binnen twee maanden) instellen van de verklaringsprocedure ertoe, dat de verklaring tussen executant en derde als juist komt vast te staan. Ook als de derde verklaard heeft niets verschuldigd te zijn. De executant mag evenwel zoals uit dat arrest blijkt wel opnieuw executoriaal beslag leggen en alsnog tegen de verklaring van de derde in rechte opkomen, ook als dit betrekking heeft op dezelfde vordering van de schuldenaar op de derde.

Inhoud eis executant in verklaringsprocedure tegen derde

Het is belangrijk dat de beslaglegger in de procedure ook expliciet vordert dat de derde hetgeen hij aan de geëxecuteerde verschuldigd is afdraagt. In het vonnis van de rechtbank te Utrecht d.d. 5 oktober 2011 kwam aan de orde dat de beslaglegger die de derde in rechte betrokken had dit had nagelaten. De rechtbank oordeelde, dat de procedure dan niet aan te merken is als een verklaringsprocedure. Gevolg daarvan was, dat de vorderingen werden afgewezen, mede gelet op de vervaltermijn waarbinnen de verklaringsprocedure aanhangig gemaakt moet worden.

Bewijslastverdeling executant en derde-beslagene

De executant moet gemotiveerd stellen en bewijzen, dat de verklaring van de derde-beslagene onjuist is en deze (wel) een betalingsverplichting aan de geëxecuteerde heeft. Hof Den Bosch d.d. 29 april 1998 (VN 1998, 5179) oordeelde dat de executant de onjuistheid van de verklaring moet bewijzen. Hierover voorts het arrest van de Hoge Raad d.d. 13 februari 2009 (Bos/Ontvanger inzake Montecorona). Zie ook de pagina bewijsrecht.

Over de bewijslastverdeling in een dergelijke procedure schrijft de P-G bij het arrest onder nr. 3.27 het volgende:

“.. betreft onderhavige zaak een betwistingsprocedure op de voet van artikel 477a lid 2 Rv. Voor een uiteenzetting met verwijzingen naar de wetsgeschiedenis van deze procedure waarbij de derde-beslagene betwist dat de schuldenaar een vordering jegens hem heeft, verwijs ik naar de conclusie van A-G Wesseling- van Gent voor HR van 2-2-2001, LJN:ZC3432. Voor de vraag wie bewijslast draagt van de stelling van de Ontvanger dat [betrokkene 1] een vordering heeft jegens [eiser], is m.i. het volgende van belang. Er dient van te worden uitgegaan dat de derde-beslagene buiten het geschil tussen beslaglegger en debiteur staat. Daarom dient de derde ook in bewijsrechtelijk opzicht in beginsel in dezelfde positie te verkeren als ingeval hij door zijn (vermeende) schuldeiser rechtstreeks tot nakoming van zijn betalingsverplichting zou zijn aangesproken.

Derhalve is het uitgangspunt dat de beslaglegger de bewijslast draagt dat de (gerechtelijke) verklaring van de derde-beslagene onjuist is (150 Rv).

Daartegenover staat de verplichting van de derde-beslagene om de verklaring zoals bedoeld in art. 476a lid 2 en 476b lid 2 met feitelijke gegevens te staven. Dit brengt mee dat [eiser] de stellingen van de Ontvanger gemotiveerd dient te betwisten, hetgeen inhoudt dat zijn verklaring met redenen omkleed dient te zijn en zoveel mogelijk vergezeld dient te gaan van gegevens die de verklaring staven.

Hieruit volgt dat, hoewel op de Ontvanger in beginsel de bewijslast rust, de gerechtelijke verklaring die [eiser] in de conclusie van antwoord heeft afgelegd tenminste dient te voldoen aan de eisen van artikel 477a lid 2 en 476b lid 2 Rv.. In onderhavige zaak kan van [eiser] worden verwacht dat hij eventuele schriftelijke volmachten van [B] Groep ten aanzien van de betaling aan [eiser], bij zijn verklaring overlegt of andere schriftelijke stukken waaruit de precieze opdracht van [B] Groep aan [eiser] blijkt. Indien er geen schriftelijk vastgelegde afspraken zijn, kan [eiser] verklaringen op schrift overleggen dan wel in een procedure door middel van getuigenverklaringen de mondelinge afspraken aannemelijk trachten te maken.

Voor de vraag of grond is voor het honoreren van een aanbod tot tegenbewijs, is het noodzakelijk dat in ieder geval een deugdelijke verklaring in rechte door [eiser] dient te zijn afgelegd, terwijl de Ontvanger voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat [betrokkene 1] een vordering heeft op [eiser]. Pas als de rechter ondanks de deugdelijke verklaring van [eiser] de stellingen van de Ontvanger voorshands aannemelijk acht, kan [eiser] worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Een bewijsaanbod daarover zou dus moeten worden beoordeeld aan de hand van de voor tegenbewijs geldende maatstaf – hetgeen betekent dat aan het betreffende bewijsaanbod niet de eis gesteld mag worden dat gespecificeerd is. Een aanbod van tegenbewijs hoeft weliswaar niet gespecificeerd te zijn, maar het moet wèl een (voldoende) duidelijk aanbod zijn dat er toe strekt om ten aanzien van de betreffende materie tegenbewijs te leveren”.

Voorrangspositie executant

Aan de vordering die de executant op de derde verkrijgt via de verklaringsprocedure is ook de eventuele voorrangspositie (zoals hypotheekrecht) verbonden, die de schuldenaar heeft jegens de derde. Aldus de Hoge Raad in het arrest d.d. 11 maart 2005(Rabobank/Stormpolder).

Mededeling gerechtelijke verklaring aan geëxecuteerde

De gerechtelijke verklaring moet door de advocaat van de executant opnieuw binnen drie dagen aan de geëxecuteerde gestuurd worden (lid 3).

Gevolgen gerechtelijke verklaring voor geëxecuteerde

De rechterlijke beslissing in de verklaringsprocedure tussen de executant en de derde-beslagene is in de verhouding van de derde-beslagene tot de schuldenaar niet bindend, tenzij de derde-beslagene de geëxecuteerde tijdig in de procedure heeft betrokken (art. 477b lid 3 Rv.).

Vordering derde zekerheidstelling proceskosten

De derde-beslagene kan – voor alle weren – zekerheid vorderen voor de proceskosten (art. 477a lid 2 Rv.). Dat is dan een incident in de zin van art. 208 e.v. Rv.. Zie de pagina incidenten. De derde-beslagene die geen verklaring heeft afgelegd kan die vordering niet instellen omdat de wet daar niet in voorziet. Zie rechtbank Rotterdam d.d. 10 april 2015.

Betaling door de derde-beslagene

Een betaling door de beslagene op grond van art. 477a Rv. geldt als een betaling aan de schuldenaar (de geëxecuteerde) (art. 477b Rv.). De derde is daarmee dus jegens de schuldenaar gekweten.

De verplichting tot betaling door de derde vloeit echter niet voort uit de verklaring als zodanig. In het arrest van de Hoge Raad d.d. 30-11-2001 (P. de Jong Vlees B.V. tegen Carnifour Company VOF) heeft de Hoge Raad beslist, dat de verklaring niet de titel voor de verklaring vormt. Art. 6:35 B.W. is ook niet van toepassing op de verklaring van de derde, aldus dit arrest. De Hoge Raad heeft deze beslissing herhaald in zijn arrest d.d. 24-11-2006 (FIC). De notaris die een bedrag ten onrechte had afgedragen kon dit van de executant terug vorderen als onverschuldigd betaald, nadat was komen vast te staan dat het depot dat de notaris onder zich hield voor twee partijen die een procedure voerden over de vraag wie tot dat depot gerechtigd was, niet aan de beslagene toekwam maar aan diens wederpartij.

Verklaart de derde wel, maar betaalt hij niet, dan kan de executant hem in rechte betrekken en betaling vorderen (art. 477a lid 4 Rv.).

Betaling in weerwil van het beslag

Betalingen in weerwil van het beslag kunnen niet aan de beslaglegger worden tegengeworpen (art. 475h Rv.). De derde heeft dan niet bevrijdend betaald en moet nogmaals betalen. Hetzelfde geldt voor vervreemding, bezwaring (verpanding) e.d.. Rechten van derden anders dan om niet gevestigd worden gerespecteerd (art. 453a Rv.).

Voor betalingen gedaan door de derde aan de schuldenaar gedaan in relatie tot conservatoir beslag en de niet tijdige betekening van de executoriale titel aan de derde ex art. 722 jo, 704 Rv. zie de pagina Conservatoir derdenbeslag.

Meerdere beslagen

Art. 478 Rv. geeft een regeling voor het geval er onder de derde meerdere beslagen gelegd zijn. De inning van gelden op basis van een executoriaal beslag is volgens het wettelijk systeem voorbehouden aan de deurwaarder. Betaling aan de advocaat van de executant mag alleen met instemming van betrokkenen.

De executerende deurwaarders moeten elkaar onderling op de hoogte stellen en ervoor zorgen dat op de juiste wijze wordt verdeeld. De derde-beslagene is bevrijd als hij aan een deurwaarder heeft betaald. In de zaak Ontvanger/KBC en ING (JOR 2005/45) d.d. 15-09-2004 had KBC een vordering op NGB Grafisch Bedrijf Nederland BV. Daarvoor had zij conservatoir beslag gelegd op de rekening van NGB bij ING Bank. Nadat zij een vonnis verkregen had, heeft zij het saldo van de rekening bij ING aan haar advocaat laten uitkeren. Op vordering van de Ontvanger heeft de rechtbank Amsterdam KBC en ING Bank hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de schade, die de Ontvanger had geleden doordat ING Bank in weerwil van het beslag van de Ontvanger aan de raadsman van KBC betaald had, zonder dat rekening werd gehouden met het (eveneens) executoriale beslag van de Ontvanger en zonder dat KBC vervolgens alsnog acht had geslagen op de rechten van de Ontvanger uit hoofde van diens executoriaal beslag.

De andere beslagleggers kunnen tussenkomen in een verklaringsprocedure tegen de derde.

Executie ten laste van huwelijksgemeenschap

In het arrest d.d. 23 oktober 1998 (NJ 1999, 130) heeft de Hoge Raad beslist, dat de Ontvanger in geval van executie van een vordering ten laste van de man executoriaal beslag mag (moet) leggen ten name van de vrouw en/of van beide echtgenoten, wanneer hij een ten name van de vrouw staande bankrekening via executoriaal derdenbeslag wil uitwinnen – mits die tot de gemeenschap behoort.

De Ontvanger had ten onrechte uitsluitend ten name van de man geëxecuteerd, omdat de belastingschuld ten name van de man stond. De ABN AMRO verklaarde niets aan de man verschuldigd te zijn. De Hoge Raad besliste, dat de Ontvanger dan – ondanks het feit dat de vrouw niet de belastingschuldige was – de geadresseerde van de executie moet zijn, omdat het vermogensbestanddeel (van de gemeenschap) dat de Ontvanger wilde uitwinnen ten name van de vrouw stond. Hierbij treedt dus de paradoxale situatie op, dat de Ontvanger een executoriale titel heeft ten name van de man, maar toch (op het gemeenschapsvermogen) verhaal kan nemen op naam van de vrouw als verhaalsaansprakelijke.

Rechtspraak

Verrekening door derdebeslagene

Hof Den Bosch 26 mei 2015 – contractuele verrekening door derdebeslagene.

Rb. Amsterdam d.d. 18 oktober 2017 –  derdebeslagene is bevoegd te verrekenen (mits cf. art. 6:130 lid 2 B.W.).

Hof Arnhem-Leeuwarden 16 juni 2017

Hoge Raad 23 oktober 1998 (NJ 1999, 130 Ontvanger/ABN AMRO) – zie de bespreking van dit arrest hierboven.

Auteur & Last edit

[MdV, 23-06-2017; bijgewerkt MvL rechtspraak beslagvrije voet 21-06-2019]

1 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 51 vote, average: 4,00 out of 5 (1 votes, average: 4,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.