LawyrupBurgerlijk wetboekPersonen en familierecht (Boek 1 B.W.)Rechten en verplichtingen van echtgenoten (Titel 6, Boek 1 B.W.)

Onderlinge verplichtingen van echtgenoten

In art. 1:81 B.W. tot en met art. 1:84 B.W. worden om te beginnen de onderlinge verplichtingen tussen de echtgenoten geregeld. Zij zijn elkaar allereerst “getrouwheid, hulp en bijstand” verschuldigd.

Onderhoudsverplichtingen

Echtgenoten zijn voorts verplicht “elkaar het nodige te verschaffen” (art. 1:81 B.W.). Daarmee wordt bedoeld, dat zij elkaar financieel moeten onderhouden. Deze verplichting duurt ook na het einde van het huwelijk voort, in de vorm van de alimentatieverplichting.

Daarnaast zijn zij jegens elkaar verplicht de tot het gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden en de kosten van die verzorging en opvoeding te dragen. (art. 1:82 B.W.). Hoe ze dat onderling regelen mogen ze uiteraard zelf weten, daar bemoeit de wet zich niet mee.

Bestuur van hun vermogen en schulden en kosten van de huishouding

Zij moeten elkaar ook informeren over het door hen gevoerde bestuur (over hun vermogen) en over de stand van hun goederen en schulden (art. 1:83 B.W.). De wet zegt dat dit “desgevraagd” moet, dus als er niets gevraagd wordt, dan kunnen de echtgenoten de ander niet informeren. Het zou wellicht beter zijn, wanneer zij elkaar ongevraagd op de hoogte hielden van de financiële stand van zaken.

De kosten van de huishouding – en de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen – moeten zij samen bekostigen uit hun inkomen (art. 1:84 lid 1 B.W.). En wel naar evenredigheid. Dus als de één meer verdient, moet die ook meer bijdragen. Is het inkomen onvoldoende, dan worden deze kosten allereerst bekostigd uit het gemeenschappelijke vermogen. Is ook dat onvoldoende, dan uit hun privé-vermogen, ook weer naar evenredigheid.

Daartoe moeten ze de benodigde middelen uit de onder hun bestuur staande goederen vrij maken (art. 1:84 lid 2 B.W.).

Hierbij bepaalt de wet steeds “behoudens voor zover bijzondere omstandigheden zich er tegen verzetten”.

Regelend recht

Art. 1:84 lid 1 B.W. en art. 1:84 lid 2 B.W. zijn regelend recht. De echtgenoten mogen hier bij schriftelijke overeenkomst van afwijken (art. 1:84 lid 3 B.W.).

Geschillen worden beslecht door de rechtbank

Komen de echtgenoten er zelf niet uit, dan kunnen ze zich tot de rechtbank wenden. Dat kan samen of op verzoek van één van beiden (art. 1:84 lid 4 B.W.). Dit is dus een verzoekschriftprocedure. De beslissing van de rechtbank heet dus “beschikking” (niet “vonnis”).

De rechtbank kan ook op verzoek van beide of van een van de echtgenoten een eerder gegeven beschikking of een onderling getroffen regeling wijzigen op grond van veranderde omstandigheden.

Externe aansprakelijkheid van de echtgenoten

Op grond van art. 1:85 B.W. zijn echtgenoten tegenover derden hoofdelijk aansprakelijk (zie ook de pagina Pluraliteit en hoofdelijkheid van schuldenaren) voor het geheel aansprakelijk voor de door de ander ten behoeve van de gewone gang van de huishouding aangegane verbintenissen.

Daaronder ook de kosten van huishoudelijk personeel in loondienst.

Verzoek om niet langer hoofdelijk aansprakelijk te zijn

De rechtbank kan op verzoek van een echtgenoot bepalen, dat die voortaan niet meer voor dergelijke schulden aansprakelijk is, die worden aangegaan door de andere echtgenoot (art. 1:86 lid 1 B.W.). Er moet dan natuurlijk wel wat aan de hand zijn. De wet vereist hiervoor dan ook “gegronde redenen”. Wanneer die weer komen te vervallen, dan kan deze beschikking weer ongedaan gemaakt worden (lid 2).

Uiteraard kan dit ontslag uit verdere aansprakelijkheid niet zonder medeweten van de schuldeisers. Deze beschikking moet dan ook worden ingeschreven in het huwelijksgoederenregister als bedoeld in art. 1:116 B.W. (art. 1:86 lid 3 B.W.). Die inschrijving neemt pas effect na 14 dagen. De rechter kan bepalen, dat de beschikking ook gepubliceerd moet worden in de krant (art. 1:86 lid 4 B.W.). De beslissing werkt dan afgezien van de termijn van lid 3 ook niet voordat die publicatie heeft plaatsgevonden.

Vergoedingsplicht aan de andere echtgenoot

Wanneer een echtgenoot een goed in zijn/haar eigen vermogen verkrijgt, dat (geheel of deels) wordt bekostigd uit het vermogen van de ander, dan moet de verkrijgende echtgenoot de ander een vergoeding betalen (art. 1:87 lid 1 B.W.). Hetzelfde geldt als een schuld voor een goed van de ene echtgenoot wordt afgelost uit het vermogen van de andere echtgenoot.

Deze vergoedingsplicht bedraagt niet steeds zonder meer het ten laste van de andere echtgenoot gekomen bedrag. De vergoeding wordt gerelateerd aan de waarde van het goed op het moment van het voldoen van de vergoeding (art. 1:87 lid 2 B.W.). Wat enigszins onlogisch voorkomt, want als de waarde afneemt en de echtgenoot de ander pas later compenseert, krijgt die dus niet meer terug wat aan zijn/haar vermogen is onttrokken. Anderzijds: neemt de waarde toe, dan krijgt de ander juist meer.

De wet onderscheidt in twee situaties:

a. in het geval van een verkrijging is de vergoeding evenredig aan het uit diens vermogen afkomstige aandeel in de tegenprestatie voor het goed; dus als de andere echtgenoot de helft heeft gefinancierd, dan ontvangt die als vergoeding de helft van de waarde op moment van vergoeding.

b. in het geval van een voldoening of aflossing uit het vermogen van de andere echtgenoot is de vergoeding gelijk aan de verhouding tussen het uit diens vermogen voldane of afgeloste bedrag ten opzichte van de waarde van het goed op het tijdstip van die voldoening of aflossing.

In art. 1:87 lid 3 B.W. worden nog enkele nadere regels gegeven.

a. Als de andere echtgenoot niet heeft ingestemd, dan wordt tenminste het nominale bedrag vergoed.

b. Bij verbruiksgoederen wordt steeds de nominale waarde vergoed en geldt dus niet de regel van evenredigheid tot de waarde van het goed.

c. Als het goed is vervreemd en er is geen goed voor in de plaats gekomen, dan heeft de waarde ten tijde van vervreemding te gelden. Dit geldt ook voor een aan een derde tot uitkering gekomen sommenverzekering.

Kan de vergoeding niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan mag deze worden geschat (art. 1:87 lid 5 B.W.) Voor de toewijzing van een vergoeding moet wel eerst worden vastgesteld, dat het goed terzake waarvan de andere echtgenoot een vergoeding vordert, eigendom is van de ander. In de zaak Hof Den Haag 25 oktober 2017 (Oostenrijkse renpaarden) verklaarde het Hof zich niet ontvankelijk, omdat de vordering van de man (die de paarden opeiste) krachtens EEX-Vo moest worden ingesteld bij de rechter van de woonplaats van de vrouw (nl. in Oostenrijk). Ook kon de vergoeding niet worden vastgesteld, omdat eerst moest worden beslist wie eigenaar van de renpaarden was. In cassatie werden de klachten over deze beslissingen van het Hof afgewezen.

Contractuele afspraken

De echtgenoten mogen contractueel van de bovenstaande regels afwijken (art. 1:87 lid 4 B.W.). In het arrest HR 10 juli 2015 (verdeling woning bij echtscheiding) heeft de Hoge Raad beslist, dat de regeling van art. 1:87 B.W. zich ook leent voor vermogensverschuiving bij de aanschaf van een gemeenschappelijk goed dat wordt gefinancierd uit hun privé-vermogens. In dit geval vond dit echter geen toepassing, omdat de echtgenoten een afspraak gemaakt hadden over de compensatie. Deze afspraak hoefde niet op de wijze van art. 1:115 lid 1 B.W. te worden vastgelegd, aldus de Hoge Raad. Een onderhandse akte volstond.

2 votes, average: 4,00 out of 52 votes, average: 4,00 out of 52 votes, average: 4,00 out of 52 votes, average: 4,00 out of 52 votes, average: 4,00 out of 5 (2 votes, average: 4,00 out of 5)
You need to be a registered member to rate this.

Auteur & Last edit

[MdV, 12-05-2020]

Over Lawyrup

De website van Lawyrup bevat knowhow over vermogensrecht, civiel proces- en executierecht en insolventierecht. Elke Paragraaf, Afdeling, Titel en Boek van de wet heeft een pagina. Elke pagina geeft een toelichting op de wet met links naar de actuele wettelijke bepalingen op “wetten overheid”. Daarnaast behandelt Lawyrup de bijbehorende relevante rechtspraak met ECLI-links.