Algemene beginselen procedures (Afd. 3, Titel 1, Boek 1 Rv.)

Inleiding algemene beginselen voor procedures

In Afd. 3 van Titel 1, Boek 1 Rv. heeft de wetgever algemene beginselen opgenomen, die gelden voor alle (civiele) procedures. Deze regels zijn bij de herziening van het wetboek ingevoerd in 2002 en beogen scherpere eisen aan partijen te stellen bij het voeren van procedures. De afdeling omvat 14 bepalingen (art. 19 t/m 30 Rv.). Art. 29 Rv. ontbreekt overigens.

Voor meer informatie over het wetgevingsproces – waarbij de Kantongerechten zijn geïntegreerd in de rechtbanken, het procuraat is afgeschaft en de digitale rol is ingevoerd – zie de Memorie van Toelichting bij wetsvoorstel nr. 26 855 en de publicatie van de wettekst in Staatsblad 2001, 580.

Deze regels geven de – belangrijke – basisregels voor iedere procedure.

Hoor en wederhoor

Art. 19 lid 1 Rv. geeft een belangrijk basisbeginsel van elke procedure: de rechter stelt partijen over en weer in de gelegenheid hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten en zich uit te laten:

  • over elkaars standpunten en
  • over alle bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis van de rechter zijn gebracht.

Bij zijn beslissing baseert de rechter zijn oordeel, ten nadele van een der partijen, niet op bescheiden of andere gegevens waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten.

Deze regels gelden “tenzij uit de wet anders voortvloeit”.

In de rolreglementen zijn daarom regels opgenomen voor het tijdig in het geding brengen van stukken, niet alleen opdat de rechter daar tijdig kennis van kan nemen in het debat in de procedure, maar vooral opdat de wederpartij daarop kan reageren. Als de rechter vindt dat een stuk te laat in het geding is gebracht, waardoor het principe van hoor en wederhoor wordt geschonden, zal hij dit stuk buiten beschouwing laten. Dit geldt ook voor te laat opgevoerde stellingen. Zie de pagina vermeerdering van eis.

De goede procesorde

Art. 19 lid 2 Rv. vormt de wettelijke basis voor de taak van de rechter als regisseur van de procedure. Hij (of zij) neemt alle beslissingen, nodig voor een goed verloop van de procedure. Ambtshalve of op verzoek van (één der) partijen.

Tot de goede procesorde hoort ook, dat de procedure voortvarend gevoerd wordt. De rechter ziet ook toe, dat er geen onnodige vertraging ontstaat (art. 20 Rv.). Op de partijen rust zelfs de plicht om onredelijke vertraging van de procedure te voorkomen.

Waarheidsvinding; stelplicht en bewijsplicht

Partijen zijn verplicht alle feiten op tafel te leggen, die voor de beslechting van het geschil van belang zijn (art. 21 Rv.). De advocaten zullen moeten vaststellen, welke feiten relevant zijn voor de beslechting van het voorliggende geschil tegen de achtergrond van de relevante rechtsnormen. Hij zal die feiten in het kader van die normen moeten stellen (en zo nodig bewijzen) (stelplicht).

Laat een partij na feiten aan te voeren, die van belang zijn, dan kan de rechter daar de consequenties aan verbinden “die hij geraden acht”. Niet alleen het achterwege laten van feiten, maar ook “draaien” (of verdraaien) kan tegen een partij keren die zich daar schuldig aan maakt. Sinds de herziening van het procesrecht in 2002 is een zwaarder accent op de volledige openbaarmaking (“disclosure”) van de feiten gelegd. Ook omdat er sindsdien nog maar één schriftelijke ronde is, is het extra belangrijk meteen met alle relevante informatie op tafel te komen. Zie ook de pagina Bewijsrecht.

Bewijsgaring en informatieplicht

De basisregels van het bewijsrecht liggen besloten in art. 22 Rv. tot en met art. 22b Rv.. Zie ook de pagina Bewijsrecht.

Regels voor de beslissing van de rechter

De basisregels van het bewijsrecht liggen besloten in art. 23 Rv. tot en met art. 26 Rv..

Openbaarheid

Tot slot is een fundamenteel beginsel van een deugdelijk procesrecht, dat zittingen openbaar zijn. Dit is vastgelegd in art. 27 Rv. en art. 28 Rv..

Motivering van de beslissing

Beslissingen van de rechter moeten vermelden, waarop deze zijn gebaseerd (art. 30 Rv..). Wanneer een partij vindt, dat een beslissing onvoldoende gemotiveerd is, dan kan hij in hoger beroep tegen opkomen.

Rechtspraak

Stelplicht (art. 21 Rv.)

Hof Den Haag 19 juni 2018 (vordering waardevermeerdering woning tijdens samenleving) – vrouw onvoldoende voldaan aan stelplicht (en bijbehorende bewijslast); dat Kantonrechter niet alle stukken aan haar gevraagd heeft ontslaat haar niet van de verplichting eigener beweging onderbouwende stukken in het geding te brengen.

Hof Amsterdam 8 mei 2018 (vrouw/man) – man heeft onvoldoende informatie over zijn inkomen en vermogen verschaft. Vgl. r.o. 4.4 alin. 7. De gevolgen van het niet verstrekken van alle voor de vaststelling van zijn draagkracht vereiste informatie komen op grond van art. 21 Rv. voor zijn rekening.

HR 15 september 2017 (NN/NN) – het opzettelijk innemen van onjuiste stellingen en het achterhouden van informatie voor de rechter kan neerkomen op misbruik van procesrecht en schadeplichtigheid.

Andere relevante pagina’s

Algemene bepalingen civiele procedures (Titel 1, Boek 1 Rv.)    

Rechtsmacht van de Nederlandse rechter (Afd. 1, Titel 1, Boek 1 Rv.)

Enkelvoudige en meervoudige kamers (Afd. 2, Titel 1, Boek 1 Rv.)   

Algemene voorschriften procedures (Afd. 3A, Titel 1, Boek 1 Rv.)   

Wraking en verschoning van rechters (Afd. 4, Titel 1, Boek 1 Rv.)   

OM en de PG bij de Hoge Raad (Afd. 5, Titel 1, Boek 1 Rv.)    

Rol ACM en Europese Commissie in mededingingszaken (Afd. 5A, Titel 1, Boek 1 Rv.)   

Exploten (Afd. 6, Titel 1, Boek 1 Rv.)

Inlichtingen buitenl. recht en communautair mededingingsrecht (Afd. 7, Titel 1, Boek 1 Rv.)      

Verbeteren of aanvullen procesinleiding en verwijzing (Afd. 8, Titel 1, Boek 1 Rv.)   

Slotbepaling civiele procedures (Afd. 9, Titel 1, Boek 1 Rv.)

[MdV, 17-03-2018; bijgewerkt 17-04-2018]

[Totaal: 0    Gemiddelde: 0/5]

Commentaar bij het Nederlands (burgerlijk) recht: BW, Rv. en Fw.